Hoofdstuk 14

De deur kraakte piepend open. Draco hief zijn toverstok op en mompelde iets. Onmiddellijk lichtte zijn toverstok op. We bleven alle drie geschrokken staan. Binnen in het Krijsende Kot was er een enorme ravage. Een stoel met nog maar drie poten lag tegen een ronde, gebarsten tafel aangeleund. De kaders aan de muren hingen scheef aan hun haakje. Op de grond lag er een dikke laag stof, vermengd met verschillende takken en stenen. In de hoek van de kamer was er een wenteltrap. Het hout was helemaal verrot, en het stok verschrikkelijk. Ik keek naar omhoog en zag dat er gaten in het plafond zaten. Voorzichtig schuifelden we achter elkaar naar binnen. "Deur toe!" Fluisterde Draco bevelend. Daan gehoorzaamde onmiddellijk en schoof de verroeste grendel ervoor. We zuchtten opgelucht nu we binnen waren.

Ik liep naar de trap. "Wacht!" Zei Draco. Ik draaide me geschrokken om. Hij mompelde een spreuk, maar er gebeurde niets. "Het is veilig, er is niemand anders hier binnen, behalve wij drieën."

Ik knikte. Natuurlijk! Ik had er helemaal niet aangedacht dat er nog iemand binnen zou kunnen zijn! "Waar zou de tunnel zijn?" Vroeg Daan. Hij stond bij de tafel en keek speurend rond. Draco liep naar de hoeken in de kamer. Ik liep voorzichtig de wenteltrap op. Ik herinnerde me nog van het boek, dat alles boven in de slaapkamer was gebeurd. Ron zijn been die was gebroken, Schurfie die was verandert in Peter Pippeling, Sirius die alles uitlegde. De trap kraakte toen ik naar boven liep. Ik zag Draco en Daan omhoog kijken en me vlug achterna gaan. "Hier beneden is er geen tunnel!" Fluisterde Daan.

Boven was het al even erg als beneden. Er waren in totaal twee slaapkamers. De bedden waren ingezakt, de dekens vuil van het stof. Ik zag dat één poot van het bed totaal vervormd was. Ik liep er naartoe en zag tandafdrukken staan. Hier was Lupos dus zijn hele schoolcarrière in een weerwolf verandert! Op één of andere manier vond ik het wel fascinerend. "Hierheen!" Draco's stem klonk gedempt. Ik rende over de krakende vloer naar de tweede slaapkamer. Ook hier lag alles onder dikke lagen stof. Draco stond bij één van de hoeken en wees naar beneden. Ik volgde zijn vinger en zag een gapend gat in de muur. Dus daar was de tunnel! Daan kwam de kamer binnengelopen en zag ons kijken. "Je hebt het gevonden!" Hij rende naar ons toe en keek in het gat. "Dit lijkt me wel heel erg smal!" Hij keek ons bedenkelijk aan. "Het zal wel breder worden naarmate we naar de beukwilg toelopen!" Zei ik haastig. Daan keek me wat ongelovig aan en haalde zijn schouders op. "Als jij het zegt…" Draco keek vanuit zijn ooghoeken naar mij. "Als Emma het zegt, zal het wel waar zijn." Zei hij tegen Daan. Ik hoorde een lach in zijn stem. "Ik zal wel eerst gaan!" Hij kroop door het gat in de tunnel, en was al vlug niet meer te zien. "Ga jij maar eerst! Je hebt geen toverstok, als er iets gebeurt kun je jezelf niet verdedigen." Ik glimlachte opgelucht. "Ik heb er wel één, maar dat zal me niet beschermen." Antwoordde ik en kroop ook door het gat. Het rook naar aarde en was er verschrikkelijk donker. Ik kroop met mijn ellebogen en voelde de bovenkant van de tunnel tegen mijn rug duwen. Ik kroop verder, maar zag of hoorde niets. Draco was waarschijnlijk al veel verder, en Daan was achter mij. Ik begon wat sneller voort te kruipen. Ik vond het eng niets te zien of te horen. Net alsof je niet meer in deze wereld was, maar ergens anders. Ik voelde mijn ademhaling versnellen, en probeerde me ergens anders op te concentreren. Het was nu nog maar het begin van het zevende boek. Het was herfst, dus oktober of november. In Zweinstein zouden de Kragges nu ook docenten zijn. Sneep was schoolhoofd. Harry, Ron en Hermelien waren nu ergens in bossen aan het rond dolen. Misschien hadden we beter daar naar toe gegaan. We gingen nu recht in het hol van de leeuw. Een plotselinge windvlaag deed me stoppen met nadenken. Ik voelde de tunnel niet meer tegen me aanduwen, en als ik goed keek zag ik recht voor mij al een lichtstreepje. Ik kroop nog sneller voorruit. Nu kon ik al op mijn knieën voortkruipen. Uiteindelijk kon ik bijna helemaal rechtop staan en holde ik naar het einde van de tunnel. Draco stond aan het eind en keek naar de uitgang. Hij keek op toen ik opgelucht uit de tunnel sprong. "Ook blij dat je weer kan ademen?" Lachte Draco. Ik zag dat zijn kleren helemaal bestoft en vuil waren. Ik keek naar mezelf en zag dat ik er helemaal hetzelfde uitzag. "Daan is achter mij." Zei ik, een beetje nutteloos. Natuurlijk was Daan achter me, waar zou hij anders zijn? Na enkele minuten klom ook Daan met een opgelucht gezicht door het gat. "Nooit meer kruip ik in zo'n tunnel!" Zei hij. Ik lachte. "Ik vond er ook niets aan!" Draco liep naar de uitgang en keek tussen enkel wortels naar buiten. Het was ondertussen al helemaal donker geworden. Ik zag nog net een streepje maanlicht tussen de wolken doorkomen. "Gaan jullie mee?" Hij maakte aanstalten naar buiten te kruipen toen ik iets voelde. Daarnet was het nog goed warm geweest in de tunnel, maar nu had ik het echt koud. Ik zag mijn adem in wolkjes naar buiten komen, de wortels van de beukwilg zag ik verharden tot ijs. Met een schok besefte ik wie er daar verantwoordelijk voor was. Of beter gezegd: wat er verantwoordelijk voor was! "Wacht!" Riep ik naar Draco. Hij draaide zich om en keek ons met grote ogen aan. Hij had het ook gevoeld!

"Dementors?" Fluisterde Daan bibberend. Zijn adem verdampte met de lucht. We keken alle drie hoe het wegwaaide met de wind. "Wat gaan we doen?" Jammerde ik, lichtelijk in paniek. Ik wist dat Dementors alle geluk uit je wegzogen. Ik voelde ook alle hoop uit me wegvloeien. "Wat gaan we doen?" Herhaalde ik. Daan schudde zijn hoofd. "We kunnen niets meer doen! Het is te laat…" Hij zakte door zijn knieën en liet zich hijgend op de grond vallen.

Ik voelde een ijzeren angst opkomen. Gedachten flitsten door mijn hoofd. Wat als ik niet meer naar huis kon? Wat als Draco niet goed was, maar de hele tijd komedie speelde?

Ik keek paniekerig rond. Daan lag op de grond en verroerde zich niet meer. Draco stond verkrampt voor de uitgang en keek gepijnigd. Ik stond tegen de zijkant van de tunnel, en voelde mezelf naar beneden zakken. Nee! Ik moest sterk zijn. Ik moest aan iets gelukkigs denken, net zoals Draco en Daan moesten doen. "Denk … Denk aan iets gelukkigs!" Zei ik. Draco keek op. Zijn gezicht stond verkrampt van angst en pijn. Ik zag dat er tranen in zijn ogen glinsterden. "Denk aan iets gelukkigs!" Herhaalde ik, iets krachtiger nu. "Je weet de spreuk Draco! Denk aan iets gelukkigs!" Ik zag een beeld voor mijn ogen flitsen. Mijn ouders, zus en ik. Allemaal samen lachend aan zee. Het was onze vorige vakantie geweest. Ik voelde dat ik niet meer zo trilde en liet de muur langzaam los. Ik liep op Draco af. Hij hief zijn hoofd op en keek naar de uitgang. Ik ging naast hem staan en keek ook naar de buiten. Een schaduw verduisterde de tunnel. Ik hoorde een reutelend geluid, en voelde weer die ijzige angst op me afkomen. Ik kneep hard in mijn eigen arm en bleef steeds hetzelfde denken. Iets gelukkigs, iets gelukkigs. Naast mij hoorde ik Draco iets mompelen. Hij had zijn toverstok getrokken en keek met een vastberaden gezicht naar de dementor die op ons afzweefde. "Expecto Patronum!" Zei Draco. Er schoten vonkjes uit zijn toverstok, maar het was niet genoeg. De dementor bleef op ons afzweven. Ik deed langzaam eens stapje achteruit en zag dat Draco hetzelfde deed. Als we zo verder deden, liepen we naar onze eigen dood flitste het door mijn hoofd. Draco had zijn toverstok weer laten zakken. "Denk aan iets gelukkigs Draco!" Fluisterde ik. "Alsjeblieft?" Hij hoorde me en hief opnieuw zijn toverstok op. "Expecto Patronum!" Draco's stem klonk harder en zekerder. Er schoot een witte glans uit zijn toverstok en duwde de dementor weg. Het reutelende geluid van zijn adem verdween samen met de koude. Ik voelde alle kracht uit me wegvloeien toen ik besefte dat we weer veilig waren. Ik zakte door mijn benen en liet me vallen op de grond. Ik ademde diep in en uit en voelde dat de warmte me weer overspoelde. Ik opende mijn ogen en zag dat de takken van de beukwilg weer gewoon waren. Plots dacht ik aan Daan en krabbelde weer recht. Draco zat met gesloten ogen tegen de rand van de tunnel. "Draco, Daan? Alles goed met jullie?" Draco knikte met zijn hoofd maar zei niets. Ik rende op Daan af, die nog steeds roerloos op de grond lag. "Daan?" Ik schudde aan zijn schouders maar er gebeurde niets. "Draco…"

Hij stond recht en liep op ons af. "Is hij…" Hij sprak het woord niet uit, maar we wisten allebei wat hij bedoelde. "Ik weet het niet…" Ik luisterde en hoorde hem ademhalen. Nu ik beter keek zag ik zijn borst zachtjes bewegen.

"Het is oké, hij leeft nog!" Zei ik opgelucht.

"Er is niet ernstigs gebeurd! De dementor is niet in zijn buurt gekomen…" Zei Draco verward.

"Hij had geen hoop meer, hij voelde waarschijnlijk alle geluk uit hem wegvloeien. Dat is genoeg voor sommigen om door te slaan." Legde ik uit. "Nog even, en ik was ook uitgeschakeld." Zei ik bibberig. Draco knikte. "Ja, het heeft niet veel gescheeld of we waren er alle drie geweest."

Ik trok mijn trui uit en legde hem over Daan. "Ik denk dat we hem nu best warm houden! Hij wordt zo meteen wel weer wakker!" Zei ik tegen Draco. Hij knikte, ging weer zitten en leunde tegen de muur. "Laten we wachten tot hij wakker is, dan kan hij naar Zweinstein gaan." Zei hij. Ik keek twijfelend naar Daan. Hij zag erg bleek, en was nog altijd bewusteloos. "Misschien is het toch beter van niet! Hij zal nog erg zwak zijn!"

Draco keek me aan. "Je vindt dat ik moet gaan." Het was geen vraag maar een vaststelling. "Ja…" Zei ik twijfelend. Draco stond weer recht. "Ja, anders verliezen we teveel tijd! Je hebt gelijk! Ik probeer terug te zijn voor de zon opkomt!" Hij liep naar de uitgang.

"Draco?"

Hij draaide zich om en keek me vragend aan. "Ja?"

"Wees voorzichtig?"

Hij glimlachte en knikte. "Wees gerust, er overkomt me niets! Tot straks!" En hij klom door het gat naar buiten.

Ik zette me wat gemakkelijker naast Daan en sloeg mijn armen over mijn knieën. Draco zou wel snel terugkomen en dan konden we naar Zweinstein gaan. En dan zou ik wel een manier vinden om terug te keren naar huis! Ik geeuwde en legde mijn hoofd op mijn armen. En dan zou ik thuis zijn en iedereen terug zien. En niemand zou geloven waar ik was geweest, dus zou ik het best ook niet vertellen. Misschien dat ik mijn zus ervan vertelde. Ik lachte toen ik aan haar dacht. Het gemis was erger dan ooit, nu Daan bewusteloos was, en Draco weg. Doordat ik zo in gedachten verzonken was, hoorde ik het zachte getrippel van de pootjes, noch de glinsterende ogen die me vanuit de tunnel spiedend aankeken niet…