Hoofdstuk 12 Levenslessen van Xenofilius Leeflang
Toen Marcel de lift in wilde stappen, werd hij bijna onder de voet gelopen door Daan en Simon. Verrast bleef hij staan. Simon begroette hem enthousiast met een klap op zijn schouder, maar bij Daan kon er nog geen lachje vanaf. Ongemerkt keek Marcel vragend naar Simon, maar die schudde onopvallend zijn hoofd alsof hij wilde zeggen: 'nu even niet'.
'Heb je zin in een kopje thee in de cafetaria?' vroeg Simon.
Marcel keek even naar Daan en twijfelde. 'Ik ben op weg naar mijn ouders,' zei hij, 'en ik weet niet of ze straks toevallig geen afspraken hebben.'
Simon knikte begrijpend. Daan daarentegen leek helemaal in zichzelf gekeerd.
'Ik neem snel eens contact op,' beloofde Marcel.
Peinzend stond hij in de lift. Wat was er met Daan aan de hand? Waarom waren ze in het St. Holisto? Hij nam zich voor om Daan een uil te sturen zodra hij terug was.
'Hallo, Marcel,' zei Abby vrolijk toen hij de kamer binnenstapte.
'Dag, Abby,' groette hij terug. Hij liep naar zijn vader, die in zijn ochtendjas in een stoel naast zijn bed zat, legde een hand op zijn schouder en zei: 'Hallo, pa!'
Hoewel zijn vader recht voor zich uit bleef kijken, lette Marcel net als altijd nauwkeurig op of er iets in de lijnen van zijn gezicht, aan zijn uitdrukking, veranderd was.
Daarna liep hij naar zijn moeder, die al aangekleed was en aan de tafel zat. Hij bukte zich en kuste haar wang. 'Hoi mam,' zei hij zacht. Hij voelde zich altijd lomp en onhandig als hij zich voorover boog naar zijn tengere moeder en vanmorgen was geen uitzondering.
Abby ruimde de toiletspullen van zijn moeder op en pakte haar borstel. 'Wil jij ... ?' vroeg ze en hield de borstel omhoog.
Hij voelde het bloed naar zijn wangen stijgen. Goeie Goderic, hoe zielig moest ze hem niet vinden?
Hij begon zijn hoofd al te schudden, toen ze tactvol zei: 'Je zou me er een plezier mee doen. Dan kan ik je vader verder helpen.'
Hij glimlachte zwakjes, nam de borstel over en stapte achter zijn moeder. Met voorzichtige bewegingen probeerde hij het elastiekje los te maken uit haar haren, maar zijn vingers waren te grof. Opeens waren daar twee lange, slanke vingers en een duim die met hun kort geknipte nagels het elastiekje pakte. Van schrik trok hij zijn hand weg waardoor het elastiekje met een pijnlijk geluid tegen Abby's vingers ketste.
'Oh, verdraaid, sorry, ik …' hakkelde hij en wilde dat hij door de grond kon zakken. Hoewel hij dan op de afdeling Vergiftigingen zou belanden en dat leek hem ook geen goede oplossing.
'Geen probleem,' lachte Abby en met een simpele beweging trok ze dat vervloekte elastiekje eruit. Nu ze zo dichtbij stond, merkte hij ineens op dat ze een kuiltje in haar linkerwang had als ze lachte. Zo dichtbij?
Voor hij nog roder kon worden, stapte ze gelukkig opzij, legde het elastiekje weg en liep naar zijn vader. 'Zo, meneer Lubbermans, we zullen eens zorgen dat u er ook netjes gaat uitzien. Tenslotte heeft u bezoek.' Ze knipoogde naar Marcel en begon de spullen van zijn vader bij elkaar te zoeken.
Hij borstelde met meer zelfvertrouwen dan de eerste keer, zeker toen hij eenmaal alleen met zijn moeder was. Eerst de onderkant van het haar met korte stroken en daarna nam hij steeds meer haren mee tot hij de borstel over de hele lengte van het haar liet glijden. Na een korte blik op de deur, waardoor Abby met zijn vader verdwenen was, begon hij weer te vertellen.
'Weet je wie ik net tegenkwam, ma? Daan Tomas en Simon Filister. Uit mijn jaar in Griffoendor, weet je nog wel?'
Natuurlijk wist zijn moeder daar niets van, net als van de rest van de laatste zestien jaar van zijn leven, maar ze sprak hem tenminste niet tegen, zoals zijn grootmoeder meestal deed.
Toen zijn vader een poosje later aangekleed en wel terugkwam met Abby, voelde Marcel zich weer een stuk meer ontspannen. Hij had het gevoel alsof hij de spanningen in zijn lichaam samen met de klitten in het haar had weggeborsteld en gladgestreken. Hij begroette het tweetal glimlachend voor hij de haren uit de borstel naar de prullenmand liet verdwijnen en de borstel terug in de lade legde.
Een andere verpleegkundige – hij dacht dat ze Edith heette – zorgde voor thee en zodoende zat Marcel voor het eerst in jaren samen met zijn ouders aan een tafel thee te drinken. Hij probeerde niet te bedenken hoeveel van dit soort momenten hij gemist had, en enkel te genieten van dit moment.
Vlak voor hij vertrok, wipte Abby onverwachts nog even binnen. 'Alles goed hier?' vroeg ze vrolijk. 'Ik ga er al vandoor. Ik heb lekker wat overuurtjes op kunnen nemen.'
Hij was blij verrast dat ze even gedag kwam zeggen. 'Eh, ja, alles goed. Ik ga zelf ook zo weer weg. Fijne middag!'
'Fijne dagen zelfs,' verklaarde ze. 'Ik ben pas maandag weer ingeroosterd.'
'Ah, prettig weekend dan,' zei hij met een glimlach, maar hij voelde zich vreemd teleurgesteld.
o~0~O~0~o
Harry had zich teruggetrokken in zijn kamer en bladerde door de papieren van het Ministerie. De informatie over de hoorzittingen was niet erg uitgebreid en bestond enkel uit de naam van de gedaagde, de aanklacht, de datum plus tijd, en het nummer van de rechtszaal. Het overige was algemene informatie; hoe je bij het Ministerie moest komen, het nummer dat je moest intoetsen in de telefooncel en andere gegevens waarvan hij al op de hoogte was sinds zijn eerdere bezoeken aan het Ministerie.
In rechtszaal 6 waar maandag de eerste hoorzitting plaats zou vinden, was hij echter nog niet eerder geweest. Veel kon het niet verschillen van degene waar hij zelf terecht had gestaan en degene waar hij en Hermelien een Gruzielement aan Omber hadden ontfutseld. Hij vroeg zich af wanneer Omber terecht zou moeten staan en of hij dan ook zou moeten getuigen.
Zijn ogen gleden nog eenmaal over de verschillende aanklachten voor hij de papieren terugstopte in de envelop. Hij zou zich er de volgende dag wel in verdiepen. Nu had hij geen behoefte aan alle herinneringen die het opriep.
Hij pakte de andere envelop van het bed en draaide hem een paar keer rond tussen zijn vingers. Het logo van de Schouwers leek zodoende te Verschijnselen en Verdwijnselen. Toen pakte hij abrupt de eerste envelop en legde beiden bovenin zijn hutkoffer. Hij schopte zijn schoenen uit, ging op bed liggen en staarde naar het plafond met zijn handen onder zijn hoofd.
Hij moest in slaap gevallen zijn, want het volgende moment schrok hij op van een ritmisch geklop op zijn deur.
'Harry?' De bekende stem klonk vragend. Hij schoot overeind en kamde met zijn vingers door zijn haren.
'Kom binnen, Loena,' riep hij ondertussen. De deur ging open en Loena's warrige, blonde haren verschenen als eerste.
'Hoi, Harry,' zei ze vrolijk, 'ik wilde je even gedag zeggen.' Ze liep op hem af en hij stond op van het bed. Beduusd onderging hij de korte omhelzing. Rustig ging ze op het stoeltje in de hoekje van de kamer zitten en bekeek hem. Bij gebrek aan een tweede stoel ging hij maar weer op zijn bed zitten. Half geamuseerd, half gegeneerd onderging hij haar onderzoekende blik.
'Verder leven is niet altijd makkelijk, hé?' zei ze. Hij keek haar verrast aan, al zou hij niet verbaasd moeten zijn door haar observaties. Het was niet de eerste keer dat ze de spijker op zijn kop sloeg. Hij knikte. Woorden waren niet nodig.
'Hoe gaat het met jou?' vroeg hij daarom. 'Ben je helemaal hersteld van …?' Hij zweeg en wendde zijn blik af.
'Ze hebben mij helemaal niet zo vaak gemarteld hoor,' zei ze met haar gebruikelijke eerlijkheid. 'Olivander was er veel erger aan toe.'
Ze keek hem aan met die open, bijna serene blik en hij sloot even zijn ogen. Hoe kon ze zo kalm, zo accepterend zijn? Pas toen ze antwoordde, besefte hij dat hij de vraag hardop had gesteld.
'Toen ik klein was – nadat mijn moeder was overleden – zei mijn vader altijd: – '
Harry rolde inwendig zijn ogen. O Merlijn, levenslessen van Xenofilius Leeflang!
' – "Verspil je energie niet aan dingen die je toch niet kunt veranderen. Dingen zijn zoals ze zijn, in ieder geval op dat moment en als je ze niet kunt veranderen, is het enige wat je kunt doen, het accepteren."'
Dat klonk wel leuk, maar niet echt realistisch, vond hij. Als iets niet ging zoals het zou moeten gaan of in ieder geval zoals hij wilde, dan had hij de behoefte om met dingen te gaan gooien en overal tegenaan te schoppen. Iets waaraan hij zelden toegaf, dankzij een paar hardhandige waarschuwingen van oom Herman.
'Je kunt niet altijd iets veranderen aan de gebeurtenissen om je heen of aan de acties van andere mensen,' ging ze kalm verder, 'maar je kunt wel veranderen hoe je daarop reageert.'
Hij vond het nog steeds makkelijker gezegd dan gedaan, maar als je Loena's kalme houding met die van hem vergeleek, moest er wel een kern van waarheid in zitten.
Blijkbaar had ze alles gezegd wat ze kwijt wilde, want ze begon over luchtigere onderwerpen zoals het eetgedrag van de Snorkrekels.
Opnieuw was hij dankbaar voor de vriendschap van deze bijzondere heks.
o~0~O~0~o
Narcissa maakte zich zorgen. Niet de allesoverheersende zorgen over de nabije toekomst en specifiek de processen, maar zorgen om het gedrag van haar man.
De eerste dagen thuis had hij gereageerd alsof alles bij hetzelfde was gebleven, waarbij ze met 'hetzelfde' duidde op een jaar of vijf geleden. Sinds de interviews van Rita Pulpers in De Ochtendprofeet waren verschenen, had hij zich echter teruggetrokken in zichzelf.
Ze had hem geprobeerd te vertellen dat hij toch wel beter wist dan die achterklap van Pulpers te geloven, maar Lucius had alleen kortaf gezegd: 'Waar rook is, is vuur!' Daarna had hij zich urenlang opgesloten in zijn studeerkamer. Ze had hem tegen Draco horen snauwen toen die een boek van hem wilde lenen, en afgelopen nacht was ze wakker gevonden toen hij zachtjes opstond en iets warms aantrok.
'Sst, ga maar weer slapen. Ik moet even iets opzoeken,' had hij gezegd. Maar toen ze een paar uur later wakker werd, was het bed naast haar nog steeds leeg.
En nu waren vanmorgen de langgevreesde brieven van het Ministerie gekomen. Elke officieel verzegelde brief was bezorgd door een andere uil, zodat ze alle drie tegelijk het stuk perkament uitrolden.
'Nog vijf dagen,' had ze gelijk gedacht voordat haar aandacht was afgeleid door Draco die naar adem snakte, terwijl alle kleur uit zijn gezicht verdween. Ze nam het perkament van tussen zijn vingers en las dat hij op dezelfde dag als zij zijn hoorzitting had.
Ze had haar best gedaan hem moed in te spreken, hoop te geven uit een bijna uitgedroogde bron, want hoop had ze zelf nauwelijks meer. Niet voor Lucius, en ook niet voor zichzelf, hooguit nog een heel klein beetje voor Draco. Het zou niet meevallen voor hem als zijn ouders in Azkaban zouden zitten, maar daar moest ze nu nog niet aan denken.
Tegen de tijd dat Draco zich teruggetrokken had in zijn kamer, was Lucius verdwenen. Met een zucht die vanuit de tenen van haar elegante doch erg ongemakkelijke pumps kwam, boorde ze gelijk ook wat van haar vroegere strijdlust aan.
In Morgana's naam, ze zaten alle drie in hetzelfde schuitje, maar ondertussen zaten ze alle drie in een andere kamer over hetzelfde probleem te kniezen. Ze hoefden heus niet als Huffelpufs in een groepsknuffel te gaan staan. Ze snoof bij dat absurde idee. Het klonk ietwat onelegant, maar zelfs de portretten waren momenteel afwezig, dus wat gaf het?
Draco zou voorlopig nog wel even op zijn kamer zijn. Ze riep Juvie, gaf haar wat instructies voor het avondeten en beval haar het komende uur uit de studeerkamer te blijven.
Lucius zat aan zijn bureau, zijn hoofd rustte in zijn handen. Zijn hele houding straalde iets ontmoedigends uit. Hij keek op toen hij de deur open hoorde gaan en keek haar vermoeid aan. Haar vastberadenheid kromp een beetje in elkaar, maar ze wist dat het nodig was om nu met hem te praten. Wie weet hoeveel kansen ze nog zouden krijgen.
'Lucius,' begon ze en sloot de deur achter zich. Voor ze echter verder kon gaan, begon hij te praten.
'Hoe kunnen we ons zo vergist hebben, Narcissa? Hoe kunnen we niet gemerkt hebben dat die puurbloedidealen die hij verkondigde en die zo naadloos aansloten bij die van ons, afkomstig waren van een Halfbloed? Marten Vilijn!' sneerde hij. 'Ik moet die naam toch ooit gehoord hebben? Hoe kan het dat ik zijn achtergrond niet kende? Ik geloofde hem blindelings! Jij geloofde hem toch ook, Cissy? Jij geloofde toch ook dat hij het antwoord had op de steeds sneller bezoedelde magische gemeenschap?' Narcissa zweeg en liet hem doorrazen.
'Het antwoord! We zijn nooit verder van een antwoord geweest dan nu,' zei hij bitter. 'De Heer van het Duister, verslagen door die Potter, die de protegé was van die Dreuzelliefhebbende Perkamentus, die praktisch geadopteerd is door die bloedverradende Wemels, en beste vrienden met een Modderbloedje is. Hoeveel puurbloedtovenaars zijn er gesneuveld, en hoeveel puurbloedheksen zijn er nog als fatsoenlijke huwelijkskandidaat beschikbaar? De machtigste duistere tovenaar aller tijden – die Halfbloed – heeft enkel maar voor elkaar gekregen dat er straks minder puurbloeden zijn dan ooit. Ironisch, nietwaar?'
Hij zweeg een moment en zijn geagiteerde gebaren verstilden.
Narcissa ging geruisloos in de stoel tegenover het bureau zitten. Laat hem maar spuien, dacht ze. Hij heeft het afgelopen jaar zoveel moeten opkroppen.
'Kijk waar we nu zijn,' ging hij verder. 'Hij heeft mij vernietigd, heeft mijn huis vernietigd, mijn zoon.'
'Je eigenwaarde,' dacht Narcissa triest.
'De naam Malfidus is voorgoed bezoedeld. Ik weet niet of dat ooit nog kan veranderen. Niet als wij – als wij naar Azkaban – Zalazar, laat Draco alsjeblieft gespaard blijven.' Zijn stem brak. Narcissa stond op en liep om het bureau heen. Ze sloeg haar armen van achteren om hem heen en hij greep ze alsof het een reddingslijn was.
'Wat hij met Draco heeft gedaan! Onze zoon is getekend voor het leven en wat voor een erfenis heb ik hem gegeven? En jij, Cissy. Hoe hij jou behandelde, hoe hij je door Bella liet ringeloren. Ons allemaal, in ons eigen huis. Wij, Puurbloeden, en degenen van wie hij beweerde dat ze voor hem veel waard waren. Zijn rechterhand.' Hij vloekte. 'Ik had het kunnen zien aankomen. Hij had bij die rat al laten zien hoeveel waarde hij hecht aan een rechterhand.' Hij zweeg een moment en haalde diep adem. 'Ik dacht dat hij ons allemaal zou doden, Cissy. Dat hij onze zoon zou doden. En jou!'
Zijn stem stokte en ze sloeg haar armen nog wat steviger om hem heen om hem te laten voelen dat ze er nog was. Misschien niet voor altijd meer, maar nu was ze er nog. Ze vertelde dat: 'Maar we zijn niet dood, Lucius, we leven alle drie nog. We zijn nog samen.'
'Maar voor hoelang nog?' zei hij en de herinnering aan zijn jaar in Azkaban deed hem rillen in haar armen.
'Ik weet het niet, schat,' zei ze eerlijk. 'Maar we hebben in ieder geval nog een paar dagen, dus gebruik die wijs. En praat met me, sluit me niet buiten. Praat met je zoon, Lucius. Hopelijk wordt hij niet zo zwaar berecht, maar hoe moet hij verder als wij er dan niet voor hem kunnen zijn?'
Nu begon ze zelf te trillen, haar kracht was op. Lucius stond op, trok haar tegen zich aan en sloeg zijn armen beschermend om haar heen. Met een zucht liet ze haar vermoeide hoofd tegen zijn borst vallen.
'Je hebt gelijk,' zei hij hees. 'We moeten nu aan Draco denken. En aan jou.' Ze voelde hoe hij koortsachtig begon na te denken. 'Je zei dat je gelogen had tegen de Heer van het Duister, dat je daarmee Potter hebt gered. Dat moet meetellen in je verdediging. En er valt een stuk minder tegen je te bewijzen dan tegen mij. We moeten een andere Verdediger voor je zoeken. Iemand die niet geassocieerd wordt met Dooddoeners. En voor Draco ook, hij was voor een groot deel nog minderjarig, en onder druk gezet. En … ' Lucius zocht koortsachtig naar argumenten, '… hij beweerde Harry Potter niet te herkennen toen we de Heer van het Duister wilden oproepen. Maar natuurlijk herkende hij hem, hoe kon ik daaraan twijfelen?'
Hij keek haar aan. 'Jullie waren slimmer dan ik, hé Cissy.'
Ze schudde haar hoofd. 'Draco was bang, Lucius. Net als ik. En misschien was het iets eerder tot ons doorgedrongen dat de Heer van het Duister geen oplossing was. Dat ook als hij won, we nooit veilig zouden zijn.'
Lucius zweeg.
De knal deed hen uit elkaar springen. Bovenop het bureau, haar vieze, knobbelige voeten op de antieke boeken en oude, waardevolle documenten, stond Juvie.
'Het uur is voorbij, mevrouw Markiezes. Hier is Juvie.' En ze spreidde haar armpjes alsof ze wilde zeggen: 'Tadaa'.
Narcissa voelde de armen van haar echtgenoot om zich heen verstrakken en zijn hele lichaam verstijfde. Tussen opeengeklemde tanden siste hij dreigend bij haar oor: 'Doe iets aan dat – dat mormel! Want ik zweer bij Morgana en Merlijn dat ik anders deze laatste huis-elf vermoord.'
Juvie's ogen puilden bijna uit hun kassen. Ze schuifelde angstig naar achteren, het perkament onder haar voeten verkreukelend, en piepte gealarmeerd.
'Verdwijn, Juvie! Nu!' beval Narcissa. Er was nu geen tijd voor beleefdheden. Niet als ze morgenochtend nog verse thee en toast op tafel wilde vinden. Ze dacht met weemoed aan de goedgetrainde huis-elfen uit het verleden, uit haar jeugd, en vroeg zich af of Knijster nog leefde. Misschien kon ze Potter vragen of zijn huis-elf Juvie instructies kon geven, dacht ze sarcastisch. Het zou wel niet haar leven redden, maar in haar ogen was het een prima afbetaling voor het feit dat ze zijn leven had gered.
o~0~O~0~o
Volgende keer hoofdstuk 13: Manieren om Heksen te Versieren
