Chapter 14: Grindylows
Harry en Edward zaten in de top van een boom. Er was alweer een dag voorbijgegaan en de maan had, verscholen achter de wolken, terug haar plek aan de hemel opgeëist.
Het opzet was uitstekend geslaagd. De twee Schouwers waren erin gelopen, en het nieuwtje had zich als een lopende vuurtje in het land verspreid. Zelfs het Dreuzelnieuws had, amper drie uur na het bezoek van de Schouwers in het plaatselijk ziekenhuis van Forks, al een korte nieuwsflash uitgezonden. Morgen zou de hele wereld op de hoogte zijn van het nieuws dat de beroemde Harry Potter was gestorven.
Harry kon zijn geluk niet meer op. De beslissing om hem te transformeren was het beste wat hem ooit kon overkomen. Het had ervoor gezorgd dat hij nu onbezorgd en vrij een eigen leven kon leiden.
En wat voor een leven. Hij had eindeloos veel tijd, kon doen wat hij maar wilde, zolang hij maar niet contact met mensen kwam. Er was niemand die op hem wachtte. Iedereen die hij had gekend dacht nu dat hij dood was. Die gedachte bezorgde hem een tevreden gevoel.
"Je mist ze niet?" Edward klonk verwonderd. Hij wist de reden niet.
Harry schudde zijn hoofd. "Mijn hele leven," legde de jonge tovenaar uit, "Heb ik zelden iets zelf kunnen beslissen. Alles werd me opgelegd of van me verwacht. Mijn oom en tante verwaarloosden me en behandelden me meer als een slaaf dan hun neefje. Toen ik elf was, moest ik naar een tovenaarsschool. Maar niemand vroeg me of ik dat wel wilde. Ik belandde dus zonder voorbereiding in die verborgen wereld. Velen wilden mijn vriend worden, vanwege mijn beroemdheid die louter voortvloeide uit het feit dat ik als baby de Doodsvloek overleefde. Het liefst van al wilde ik een gewone jongen wilde zijn."
Hij pauzeerde even en dacht na over wat hij ging zeggen. Zocht naar de juiste woorden om het duidelijk uit te leggen. Opeens besefte hij dat hij zijn hart wilde luchten, alle gevoelens van frustatie en woede over zijn rusteloze leven wilde hij kwijt. Gelukkig, Edward was een luisterend oor.
"Ik was ook gedoemd om bij alles betrokken te geraken. Op mijn elfde stond ik weer oog in oog met Voldemort en redde de Steen der Wijzen …"
"Bestaat die dan?" onderbrak de gedachtelezer hem. Hij had altijd gedacht dat het een legende was maar blijkbaar waren veel dingen toch geen verzinsel.
"Bestond." corrigeerde Harry, "Hij is daarna vernietigd. Maar goed, op mijn twaalfde ontmoette ik hem opnieuw, al was het toen een schim van zijn zestienjarige persoon, en versloeg ik een Basiliek, zo'n slang die je kan doden met zien blik. Een jaar later redde ik mijn peetvader en mezelf van duizend Dementors, wezens die al het geluk uit je wegzuigen en op het laatste ook je ziel," legde hij snel uit toen hij Edwards niet-begrijpende gezicht zag," en op mijn veertiende moest ik meedoen aan het Toverschool Toernooi. Drie levensgevaarlijke opdrachten voor eeuwige roem en een hele zak Galjoenen. Een reportster strooide toen ook verscheidene leugens over mij rond." Harry schudde meewarrig zijn hoofd. "Dat jaar was echt krankjorum. In de zomer voor mijn vijfde jaar werden ik en mijn neef aangevallen door twee Dementors en ik moest verschijnen voor de Wegenwikschaar. Tijdens het daaropvolgende schooljaar kreeg ik het aan de stok met een lerares en die maakte het me echt tot een hel. Herinner je die woorden Ik mag niet liegen nog?" vroeg Harry.
Edward knikte. Hij had het zich al vaag afgevraagd waarom de jongen gisteren die woorden in de rechterhand van het lijk had gekrast.
"Ze liet me die met mijn eigen bloed schrijven als strafwerk. Talloze keren en het deed het zoveel pijn. Niet zo erg als die transformatie, maar toch… " De rillingen liepen over Edwards rug en hij vroeg zich af hoe hij zou reageren als hij al die dingen zou meegemaakt hebben.
Harry vertelde verder: "Dat jaar lokte Voldemort me naar het Ministerie en stierf Sirius, mijn peetvader. Dat was een shock voor me. Ik was nog nooit iemand die me zo dierbaar was verloren. Ik zag hem als mijn enige familie, iemand die alles voor me betekende. Het voelde ik alles kwijt was. En alsof het allemaal nog niet genoeg was beweerde een profetie dat ik de Uitverkorene was. Het was mijn lot om tegen Voldemort te vechten en hem te verslaan, of te verliezen en zelf te sterven, een tijd later besliste ik om weg te lopen. Ik haalde al mijn geld uit mijn kluis en vloog de Atlantische oceaan over …"
"Je vloog de Atlantische oceaan over?" Edward keek hem verbijsterd aan. De gedachte die in Harry's hoofd had gespeeld terwijl hij die woorden uitsprak - op niks anders dan een bezemsteel een woeste oceaan oversteken - joeg hem schrik aan, maar Harry haalde alleen zijn schouders op. "Vliegen is mijn tweede natuur." En dat vond hij blijkbaar genoeg als uitleg want hij vervolgde zijn miserabel levensverhaal: "Ik besloot om naar Seattle te gaan, in die miljoenenstad zou het voor de Schouwers heel lastig zijn om me te vinden. In de hoop een normaal leven te kunnen beginnen, nam ik de job in de Olympic Outfitters Store aan. De rest van het verhaal ken je wel denk ik." Edward knikte.
De twee vampieren zaten een tijdlang in stilte, maar dat stoorde geen van beiden. Het viel Harry op dat Edwards gezelschap hem niet meer irriteerde. Meer nog, hij vond het zelfs aangenaam. Het was geen moeite om iets aan elkaar uit te leggen en ze begreep elkander steeds onmiddellijk, wat deels lag aan Edwards gave om gedachten te lezen, een uiterst handig hulpmiddel, vond de jonge tovenaar.
"Oh, dat is het wel. Ik kan steeds controleren of iemand iets over ons geheim vermoedt. Maar vaak is het vervelend. Vergelijk het eens met een grote zaal vol met mensen die door elkaar praten. Daarom concentreer ik me liever op één gedachte."
Harry glimlachte terwijl hij zich daar iets bij probeerde voor te stellen en kon oudere vampier wel begrijpen.
De dagen streken voorbij. De jonge magiër vulde zijn tijd met het spelen van schaakspelletjes met Jasper of Carlisle (waarbij het speelveld werd uitvergroot met zo'n twintig schaakborden), het bekijken van baseballmatchen - Emmett was zelfs zo vriendelijk geweest om hem de spelregels uit te leggen - , het beoordelen van Edwards composities en het achternajagen van allerlei wild in de bossen van Forks om zijn dorst te stillen.
Daarnaast had Esmé het plan opgevat om zijn kamer naar zijn smaak in te richten. Uren konden ze samen discussiëren over het motief van het behangpapier of de meubelen. Harry vond het wel prettig om bij haar in de buurt te zijn. Ze straalde gewoon liefde uit, iets wat hij de eerste tien jaar van zijn leven had gemist
Toen ze had vernomen dat zijn ouders vroeg gestorven waren had ze zich onmiddellijk als zijn surrogaatmoeder geprofileerd en behandelde hem - net als ze met Edward deed - als haar bloedeigen zoon. Harry,die Edward ervan verdacht de clan over zijn miserabele leven te hebben verteld, vond het bijlange niet erg, hij genoot juist van die aandacht.
Wanneer Alice te horen kreeg dat Esmé Harry's kamer ging inrichten, wilde zijn onmiddellijk zijn garderobe vernieuwen. De Nieuweling weigerde daar ook maar aan mee te werken. Nauwelijks een vierde van zijn verzameling kledingstukken had hij al gedragen en Alice's mening dat kleren maar een keer aangetrokken mochten worden strookte niet met dat van hem.
Daarna begon ze te zeuren over zijn haar dat ze veel te lang vond - het deed hem ineens sterk denken aan de conservaties tussen Molly en Bill Wemel. Iedere keer dat ze erover begon, ging hij schuilen bij Edward en zijn piano. Alice was wel leuk, maar een tikkeltje te energiek en ze was verslaafd aan shoppen, niet direct zijn favoriete hobby.
"Energiek?" Edward moest lachen toen Harry hem dat eens vertelde. "Ze is niets vergeleken met jou. Jij rent de hele dag rond, rusteloos, zit geen miliseconde stil." Edward schudde meewarrig zijn hoofd, nog steeds grijnzend en speelde verder.
Harry voelde zich eerst een beetje beledigd, maar wanneer hij er over nadacht besefte hij wel dat Edward gelijk had. Hij was voortdurend met van alles bezig omdat hij met zijn energie vaak geen blijf wist.
In de woonkamer zat Esmé met een meubelencatalogus op haar schoot. Ze hield haar twee jongens bij Edwards piano stiekem in de gaten en glimlachte. Het deed haar deugd om te zien hoe goed die twee met overkwamen, dat Edward eindelijk echt iemand toeliet in zijn leven.
Zijn blonde lokken. Warme lippen. Ze vleide zich tegen hem aan. Hij sloeg zijn armen om haar, kuste teder haar voorhoofd, haar nek. Ze beet hem zachtjes in zijn oorlel en zoende hem uiteindelijk vol op de mond…
Edward kneep zijn ogen toe en probeerde uit alle macht de gedachten van zijn huisgenoten uit zijn hoofd te bannen. Het was weer eens een moment waarop lust en romantiek zegevierden. Uiteindelijk stond hij op, spelen lukte toch niet op deze momenten. Misschien kon hij met de Nieuweling voor een weekend de bergen intrekken in de hoop dat als ze dan terugwaren het gedaan was.
Hij beende naar Harry's kamer, enthousiast met dit idee. Na een beleefd klopje op zijn deur, verscheen de jongen met druipnatte haren en een handdoek om zijn middel in de deuropening.
Ah, natuurlijk. In al zijn bezigheden om zich op iets anders te concentreren dan de gedachten van zijn huisgenoten en zijn haast om er even tussenuit te gaan, had hij er niet bij nagedacht dat na zijn dagelijkse jachtpartij, Harry steeds zowat een uur in het bad zat. Maar het scheen Harry niet te deren, nodigde Edward uit in zijn kamer en terwijl hij in zijn inloopkast dook om kleren aan te trekken, viel Edward meteen met de deur in huis.
"Zin om eens een weekend weg te gaan?"
"Hoezo? Toch geen ruzie met de rest?" Edward hoorde hem enkele rekken opentrekken op zoek naar een stel gewone jeans en T-shirt.
"Nee."
Er volgde even een stilte.
"Ze zijn in een nogal romantische bui."
De verandering in zijn toon toen hij dat woord uitsprak was Harry opgevallen en hij begreep wat de oudere vampier bedoelde. Het was hem al opgevallen dat de sfeer vandaag anders was. Hij had er eerst zijn vinger niet kunnen opleggen maar nu wist hij het. Romantiek. Harry redeneerde dat het nog wel meer moest zijn. Hij had medelijden met Edward, die dat alles ook nog eens mentaal moest aanhoren.
"Natuurlijk ga ik met je mee. Waarheen?"
"In de omgeving van Seattle?"
De Jongeling aarzelde. Is het wel veilig om me nu in de nabijheid van mensen te begeven?
"We blijven uit de buurt van de mensen." stelde de gedachtelezer hem gerust.
"Oké. Moet ik iets speciaal meenemen?"
Edward grijnsde even. "Reservekleren lijkt me wel nodig in jou geval. Met je 'tafelmanieren'." plaagde hij Harry, terwijl hij schuin naar het hoopje met bloed doorkrenkte kleren keek. De jonge tovenaar rolde even met zijn ogen en knikte toen.
Terwijl Harry voor de tweede maal de inloopkast indook, nam Edward de bebloede kleren mee, dumpte ze in het washok en passeerde snel even langs Carlisle (die trouwens een vrije dag had) en Esmé in de woonkamer om hen op de hoogte te brengen van hun uitstap.
"Amuseer jullie." glimlachte zijn 'vader' hem toe terwijl iedereen Harry enthousiast de trap hoorden afdenderen met zijn oude rugzak om. Nadat de twee jongens een moederlijke knuffel van Esmé hadden gekregen en haar hadden beloofd om heelhuids terug te keren, vertrokken ze.
Hoe deed hij dat toch?
Harry keek een beetje jaloers naar de bronsharige vampier die nog steeds geen spatje rood op zijn kleren had terwijl hijzelf er na amper twee dieren erin geslaagd was om een waar bloedbad aan te richten.
Edward glimlachte. "Het is gewoon een kwestie van ouderdom. Na ongeveer een jaar zal het je al veel beter lukken om je te beheersen."
Harry knikte en vestigde zijn aandacht weer op het adembenemende landschap. De top van de berg waar ze op stonden vormde een uitstekende uitkijkpost over de lagergelegen bossen en de Jongeling hoorde in de verte een zacht gerommel, de voorbode van een onweer.
Het groene woud werd in tweeën gesneden door de brede, rotsachtige bedding van de rivier. Harry wist dat die naar Seattle leidde, maar die stad was voorlopig nog verboden terrein voor hem. Een zwempartijtje daarentegen leek een goed idee, aangezien zijn kleren stijf begonnen te worden van het opdrogende bloed.
"Wie om het eerst bij de rivier is?" Edward wachtte al niet meer op zijn antwoord en rende ervandoor, zigzaggend tussen de bomen.
Zijn broer schakelde in een luttele seconde over van nul tot een snelheid die een Formule 1 wagen ruimschoots overtrof. De bomen versplinterden als luciferhoutjes wanneer hij er tegenliep en achter hem hoorde hij steeds weer dat vage gekraak wanneer er een woudreus tegen de vlakte ging. Hij deed zelfs geen poging om de bomen te ontwijken. Harry had besloten dat hij maar een richting zou uitgaan ongeacht wat hij op zijn pad zou tegenkomen: rechtdoor.
Zijn alles vernielende tactiek wierp vruchten af. Al werd hij afgeremd door de talloze woudreuzen die hij ramde, toch haalde hij Edward in aan zijn linkerzijde.
Harry zag het water in verte stromen. Algauw werd de bemoste ondergrond ingeruild voor rotsen en bevonden ze zich aan de rand van de rivier waar hier en daar begroeide rotseilandjes uit het wildstromende water verrezen.
Gewonnen.
Hij grijnsde naar de gedachtelezer die inderdaad twee seconden na hem de rivierbedding bereikte. Edward glimlachte alleen maar en gooide hem zijn mobieltje toe die de jonge tovenaar in zijn met magie waterdicht gemaakte rugzak stopte.
Zwemmend tegen de stroom in, voelde Harry hoe de rivier hem schoon spoelde. Opeens hing er iets aan zijn broekspijp. Een klein, lichtgroen waterduiveltje met horens had zich vastgehaakt aan zijn jeansbroek met zijn lange vingertjes en grijnsde zijn kleine puntige tandjes bloot.
Er kwam een tweede. Een derde. Een vierde. Een vijfde. Voor Harry het goed wel besefte werd hij aangevallen door de wezentjes. Het waren Wierlingen en hij had er in zijn vierde jaar ook al mee moeten afrekenen in het zwarte meer, bij de tweede opdracht van dat vervloekte Toverschool Toernooi. Maar hij kon zich even niet meer herinneren hoe dat moest. Het was alweer zo lang geleden.
Ook Edward werd lastiggevallen door de waterduivels en trok ze van zijn kleren. Maar voor elk wezen dat hij wegtrok, kwamen er twee in de plaats. De wezens hadden zich op hun gestort in de wetenschap dat ze lekkere, sappige brokjes als maaltijd zouden krijgen. Maar op vlak van sappig hadden ze zich lelijk vergist. En op vlak van lekker ook. Ze beten gewoon letterlijk hun tanden stuk op die steenharde koude huid.
Harry had het eerst nog wel leuk gevonden toen bleek dat de wierlingen hem niets konden doen, maar nu begonnen ze hem ernstig te vervelen. En op de koop toe kreeg hij weer vreselijke dorst. De spreuk wilde hem maar niet te binnen schieten. Dus besloot hij om een drastischere oplossing te kiezen.
Hij plantte zijn tanden in een wierling en het bloed glibberde zijn dorstige keel binnen. Het was heerlijk zoet, exotisch en eigenlijk beter dan die poema die hij laatst had verschalkt. De wierling was vlug leeg, maar de prooien lagen zo voor het grijpen. De jacht was geopend.
Druipnat en voldaan ging Harry op een rots zitten. Hij keek toe hoe Edward zich uit de rivier stapte en een wierling die aan zijn T-shirt zat vastgehaakt terug in het water smeet. Samen hadden ze het wierlingenbestand in de rivier enorm doen dalen en er lekker op los gemoord. Hun kleren zaten vol met kleine scheurtjes. Edward probeerde zich Alice' reactie niet in te beelden als ze hun zo zou zien. Hoogstwaarschijnlijk een crisis, gevolgd door een shoppingstrip van enkele duizenden euro's.
De bronsharige vampier grijnsde naar hem.
"Dat was het beste idee dat je tot nog hebt gehad."
"Ik weet het. Ik weet het. Ik ben nu eenmaal geniaal." zei de jonge tovenaar quasi arrogant, wat hem een plagerige duw opleverde.
Het grote witte huis stond er verlaten bij. Alles lag er nog bij als toen ze twee dagen geleden weggegaan waren. Er was niemand. Harry schoof de achterdeur open en liet zich na enkele passen in de zetel vallen. De versleten rugzak belandde bij onder het salontafeltje.
Opeens begon Edwards mobieltje te rinkelen. Vlug nam hij op.
"Carlisle?"
"Nee, met Edward." zei de vampier en grijnsde. Hij had onmiddellijk Eleazars stem herkend.
"Oh… Stoor ik?"
"Nee. Vertel maar." Hij ving de nieuwsgierige blik van de Jongeling op, die niet wist wie hij aan de lijn had.
"Ik wilde vragen of jullie binnenkort eens willen langskomen?"
"Geen probleem. Ik zal het nog eens aan de rest vragen maar we hebben toch niets gepland voor de komende weken." Edward verheugde er zich al op om hun oude vrienden terug te zien.
"Dus jullie komen?"
"Tuurlijk. Kunnen jullie eens kennismaken met ons nieuwste lid. Hij is nogal… bijzonder."
"Bijzonder?"
"Je zult het wel merken. Ik vraag me af of jouw gave iets bij hem zal doen."
"Je maakt me nieuwsgierig." mompelde de andere vampier.
"Ik weet het. Ik bel nog wel een keer, als Carlisle terug is." glimlachte Edward en hij legde af.
