Hoofdstuk 14

Als ik wakker wordt voelt mijn hele lichaam stijf aan. Langzaam kruip ik omhoog en kijk rond. Ik lig half in de bosjes, er liggen takken over me heen en ben bedekt in modder en bloed. Het laatste wat ik me herinner is het onweer, het vechten. Ik kijk om me heen, de zon schijnt fel, hoe lang heb ik hier gelegen? Paar uur? Paar dagen?
In mijn broekzak voel ik een mes, en het potje crème, verder heb ik niks bij me. Oké, wat is er allemaal gebeurd? Mijn been, de wond… Ik kijk erna en zie dat mijn been zo goed als normaal is, wel een enorm litteken maar daar kan ik mee leven.
Mijn hoofd bonkt en ik ga zitten, wat is er ook al weer gebeurd? Oké, het begon te onweren en toen kwam Zane, toen wilden ze vechten en toen sloeg de bliksem in. Ik herinner me rook en vuur, geschreeuw.. En Zane die schreeuwt. Ik verstijf. Zane die schreeuwt. Plotseling weet ik alles weer, Zane die schreeuwt, Coyote die lacht, kanon schot, Theodone die achter mij aankomt, ik steek hem neer en ren weg en zo ben ik hier beland.
Maar dat betekend dat Zane dood is, door mij. Ik begin te schreeuwen, althans, ik wil schreeuwen maar er komt geen geluid uit mijn keel. Het enige wat ik weet te produceren is een schel piep geluidje wat mij duidelijk maakt dat mijn keel droog is en ik op ze minst een paar dagen knock out moet zijn geweest. Met andere woorden, ik weet niet wie er allemaal nog meer dood zijn en dus ook niet met hoeveel we nog over zijn. Ik zit en staar naar de bomen tegenover me, wat ga ik doen? Waar haal ik eten vandaan en wapens? Ik heb de kracht er allemaal niet meer voor. Hoe lang ik daar zit weet ik niet, lang genoeg om te zien dat langzaam de zon ondergaat. Ik tuur door de bomen heen en zie iets bewegen. Ik grijp meteen mijn mes, ik heb weinig kracht maar ik zal niet sneuvelen zonder een strijd. Na een paar seconden herken ik de jongen uit district 7. Hij rent op me af met een harde schreeuw. Ik besluit in een fractie van een seconde dat ik dit anders ga aanpakken. Ik won met geluk van Theodone maar dat gaat me niet nog een keer gebeuren.

"STOP!" gil ik panisch terwijl ik struikel en op de grond val.

"Waarom zou ik?" brult hij en hij houdt zijn zwaard vlak bij mijn keel.

"Omdat... omdat..." improviseer Rubie!

"Nou?" roept hij.

"Omdat ik beloof dat als wij over blijven jij mij mag vermoorden! Ik beloof het!" roep ik snel terug.

"Waarom zou ik dat doen? Waarom zou ik je niet meteen hier en nu vermoorden?" vraagt hij.

"Omdat ik de Beroeps wil terug pakken, ze hebben mijn vriendje vermoord," zeg ik terwijl ik begin te huilen. Mijn tranen zijn echt, mijn belofte dat hij mij mag vermoorden is daarentegen heel erg nep.

Iets in zijn gezicht veranderd, de boze blik smelt langzaam weg en veranderd in medelijden en pijn.

"Alsjeblieft, ik verwacht niet dat je het begrijpt," ga ik huilend verder, "ik wil ze alleen maar terug pakken voor wat ze van mij afgenomen hebben. Alsjeblieft!"

Ik zie hem twijfelen, niet wetend of hij deze act moet geloven.

"Alsjeblieft, ik heb er al twee gehad. Ik moet alleen de laatste twee nog," zeg ik met een trillend onderlipje. "Alsjeblieft laat me gaan," zeg ik smekend.

Hij laat zijn zwaard zakken en zucht diep. "Voor deze ene keer, als ik je nog een keer tegenkom is het jammer! Begrepen?" roept hij.

Ik knik en snik nog één keer heel hard. Hij draait zich om en wilt wegrennen.

"Wacht!" roep ik.

Hij draait zich om.

"Hoe heet je?" vraag ik.

"Ulric... en laat ze lijden, oké?" zegt hij snel met een diepe stem.

Ik knik. Terwijl ik kijk hoe Ulric verdwijnt tussen de bomen vraag ik me af hoe ik dit voor elkaar heb gespeeld. Wat betekende die blik die hij me gaf en met name, waarom wil hij dat zij lijden?
Ik ben nieuwsgierig naar deze jongen, naar eigenlijk alle tributen... Waarom is Psycho zo vrolijk? Waarom wilde Lyndon mij helpen en wat zorgde ervoor dat deze spierbonk uit 7 mij liet gaan?

Na een paar minuten op de grond gezeten te hebben sta ik op met een plan. Ik ga terug naar de plek waar alles mis ging, hopend dat er nog wat voorraad is. Maar het aller belangrijkste, hopen dat er nog iets is van Zane, al is het een stukje van zijn pak. Ik weet niet precies welke kant ik op moet, maar iets in me lijkt me te leiden. Na een klein uurtje kom ik aan op de plek. Aan alles is te zien dat hier een enorm gevecht is geweest, omgevallen bomen met grote schroei plekken en overal zijn bloedsporen. Ik blijf een tijdje staan en kijk er naar. Langzaam komt het allemaal weer terug en ik voel dat ik boos word. Waarom moest mij dit gebeuren? Waarom? De Spelen zijn zo oneerlijk. Ik zak door mijn knieen en begin te huilen. Ik wil dit winnen, voor Zane, voor zijn familie. Maar hoe ga ik dat doen met enkel een klein mes en geen voorraden? Ik wil de Beroeps terug pakken, Coyote meer dan Lyndon, hij heeft mij geholpen, maar uiteindelijk moet ook hij dood. Als ik mijn ogen opendoe zie ik iets glinsteren een paar meter verderop. Ik sta op en loop er voorzichtig op af, je weet maar nooit wie of wat het is. Ik kijk rond om te zien of ik iemand zie, ik wil niet in een val lopen. Terwijl ik langzaam dichterbij kom herken ik het voorwerp wat zo mooi ligt te glinsteren in de zon, het is het zwaard van Zane. Ik raap het op en pak het stevig vast. Hij voelt wat zwaar maar ik ben vastbesloten om verder te vechten met dit zwaard, voor Zane.
Het eerste wat ik daarna doe is mezelf verbieden om nog één keer te huilen. Ik heb geen tijd om te huilen, niet nu en niet hier. Als ik gewonnen heb straks, heb ik genoeg tijd om te huilen. Maar nu moet ik sterk zijn. Ik veeg de laatste tranen van mijn wangen en loop met een doel het bos in. Ik ga dit winnen, en het kan me niet schelen wie ik ervoor moet vermoorden of hoe, ik ben tot alles in staat. Na een paar uur lopen begint het te schemeren en ik besluit dat het veiliger is om nu even goed te rusten zodat ik morgen goed geconcentreerd op pad kan. Ik zet snel een paar vallen uit in de omgeving, in de hoop dat ik morgen ontbijt heb, en klim daarna een boom in waar ik snel in slaap val.
Ik droom over mezelf in de Arena. Één voor één vermoord ik alle tributen. Het maakt niet uit hoe lang, kort of oud ze zijn. Ik vermoord ze allemaal met een glimlach op mijn gezicht. Smeken helpt niet, al laat ik ze dat denken. Ik vind het leuk als ze smeken, dan voel ik me machtig. Ik heb de macht om ze hoop te geven en het vervolgens weer af te nemen. Die glinstering in hun ogen als ik ze even een kort moment van hoop geef slacht ik daarna genadeloos af.
Als ik wakker word, word ik wakker met een lach. Een lach omdat ik genoot van deze bizarre droom, iets wat ik niet eens zo raar vind. Ik hoop dat ik het straks allemaal in het echt mag doen, de Beroeps laten boeten voor wat ze gedaan hebben.
Ik klim uit de boom en ga de vallen langs. Ik vind één eekhoorn en één konijn. De eekhoorn eet ik voor het ontbijt en met hoog stevig gras weet ik het konijn aan mijn broek te knopen.
Met het zwaard stevig in mijn hand loop ik verder, opzoek naar de overgebleven tributen. Voor zover ik weet moet ik Coyote en Lyndon nog, Psycho, Ulric en dat meisje uit drie. Na de afgelopen dagen heb ik meer begrip voor Psycho. Verstand op nul en gewoon doen wat je moet doen om te winnen. Nergens emotioneel aan gehecht raken, iets wat ik zo nodig weer moest doen. Alsof ik niet genoeg zorgen had aan alleen Zane.
Na een paar uur rondlopen moet ik opbiechten dat ik niet goed ben in het ontdekken van sporen. Zo gaan er uren voorbij waarin ik niet één tribuut zie en ook geen kanonschot hoor. Mijn lichaam geeft aan dat het rust nodig heeft, het schreeuwt om water. Maar om water te vinden moet ik doorzetten. Ik mag niet opgeven, dus ik loop stevig voor. Na een tijdje merk ik op dat het begint te schemeren, en nog steeds geen water.

"Moet... doorgaan..." mompel ik tegen mezelf.

Ik loop steeds trager maar blijf doorstrompelen tot het te donker is om te zien waar ik precies heenga. De energie om in een boom te klimmen heb ik niet, dus ik zorg ervoor dat ik redelijk gecamoufleerd in de bosjes lig. Ik val in slaap met het zwaard stevig in mijn hand, klaar voor onverwachte aanvallen.

Mijn droom bestaat uit korte, onrustige fragmenten die zich blijven herhalen. Selwyn en ik lopen door het bos en kort daarna worden we elke keer weer aangevallen door verschillende mutilanten en elke keer als Selwyn sterft wordt het even zwart en daarna begint het opnieuw. Hij moet wel vijftien keer zijn doodgegaan voor ik wakker schrik, bezweet en met natte wangen.

"NEE!" gil ik.

"HOU OP! HOU OP!"

Ik sla mezelf omdat ik boos ben. Niet meer huilen! Ik had het mezelf beloofd, ik zou niet meer huilen.

Als ik even later wakker wordt bonkt mijn hoofd en lig ik languit in het pad. Ik denk dat ik mezelf buitenwesten heb geslagen. Ik kruip langzaam omhoog en kijk rond. De zon staat hoog aan de hemel en het is ongelofelijk warm. De Spelmakers weten dat ik dorst heb, en ze maken het nog even wat erger. In een helder momentje besluit ik dat het slimmer is om in een boom te klimmen en te kijken of ik water kan vinden, in plaats doelloos rond dwalen, niet wetend of ik in een goede richting ga.

Ik klim in een boom in, het voelt als een eeuwigheid voordat ik eindelijk boven ben. Zodra ik merk dat ik niet hoger kan zonder uit de boom te vallen ga ik even zitten en kom ik op adem. Mijn keel brandt en schreeuwt om een klein beetje water. Na een paar minuten heb ik weer genoeg kracht en ik ga rechtop staan en kom zo met mijn hoofd boven de bladeren uit, achter me zie ik het strand en de zee. Na een paar minuten kom ik tot de conclusie dat ik in rondjes heb gelopen en nog geen paar uur lopen van het strand verwijderd ben. Om in de buurt van het beekje te komen moet ik zeker nog een paar uur lopen, en in één rechte lijn blijven lopen. Ik laat me teleurgesteld weer zakken, klim een paar takken naar beneden, ga zitten en staar naar de grond. Dan zie ik opeens de bosjes verderop bewegen en zie Psycho tevoorschijn komen. Ik voel een adrenaline kick, ik hou mijn zwaard stevig vast en wacht tot Pyscho vlak bij mijn boom is. Ze lijkt mij niet te zien, ze is te druk bezig met het bewonderen van alle bloemen die in bloei staan. Zodra een paar meter van mijn boom verwijderd is spring ik uit de boom en beland ik recht voor haar voeten. Ze schrikt even maar pakt dan meteen een mes vast.

"Hallo," zegt ze met een rare glimlach.

"Hoi," zeg ik terwijl ik de grip op mijn zwaard verstevig.

"Mooi zwaard," zegt ze.

"Dankje, van mijn vriendje," antwoord ik.

"Ik ben Jita," zegt ze.

Waarom zijn we aan het praten? Horen we niet te vechten.

"Rubie," zeg ik kortaf.

"Hoi Rubie, ik vind het altijd leuk om iets meer te weten van de mensen die ik vermoord," zegt ze alsof ze even doodleuk verteld wat haar hobbies zijn.

"Dat wordt het hoogtijd dat jij jezelf beter leert kennen," zeg ik, blij dat ik op een leuke zin kon komen.

Jita's lach verdwijnt van haar gezicht en ze springt op me af. Ze is vliegensvlug maar ik weet haar net te ontwijken. Dit wordt geen makkie.