Hoofdstuk 14: Leven

Was wäre das leben ohne Hoffnung?

Friedrich Hölderlin, Hyperion

Namen, Hagrid had namen ontvangen. Jelis had enkele families genoemd, van huiselven waar ze geen contact meer mee had. Samen met de families waarin dooddoeners zaten, ontstond een klein lijstje van drie families, die hij moest opzoeken.

Ook bezat hij de nodige via via's. Eerst trok hij een via via uit de tas die hem naar een zeer oud huis brengen zou. Hij bekeek nog maar net de oude sok, of hij deed zijn werk al. De wereld verdween in een straal van kleuren en de grond verdween onder zijn voeten. De wervel aan kleuren verdween en al gauw stabiliseerde zijn blikveld. Hij stond in een verwilderd park, het gras was in de herfststorm omgeknikt en lag plat op de aarde. Met ervaren blik kon hij zelfs enkele zieke bomen herkennen, dit park was al lang niet meer onderhouden. Het zag er verwilderd en vergeten uit. De zon was nu volledig opgekomen en wierp haar warme stralen door een dak van bladderen op de grond. Direct stampte hij op het huis af. Nu geen tijd te verliezen! Zijn hart sloeg snel in zijn borst en uit om een of andere reden had hij plotseling twee harten. Eén dat bijna pijnlijk in zijn borst sloeg en een dat zijn plaats in hals zat. Het bloed suisde in zijn oren.

Sneep voelde nog maar amper zijn lichaam. Al geruime tijd had hij niet meer de kracht gevonden om zich aan de waterbak omhoog te trekken. Zijn mond was uitgedroogd. Voor hem was het een ironie van het lot, dat zijn lichaam steeds meer uitschakelde, terwijl bepaalde zinnen nog op volle kracht liepen. Zijn leven was bijna voorbij en na de beginnende opluchting, eindelijk te weten wat hem te wachten stond, mengde zich iets van rouw erdoor. In gedachten nam hij afscheid van de weinige wezens die hem gemogen hadden. Hij rouwde, omdat dat hij niet meer Perkamentus kon dienen. Hij rouwde om Hagrid, zijn enige vriend in deze vreemde tijden en hij rouwde omdat hij hem waarschijnlijk dood zou vinden. Wat hij wel niet zou geven voor een stuk perkament, zodat hij enkele troostende woorden voor de halfreus achter kon laten. Daarvoor had hij altijd kracht gevonden. Hagrid had het niet verdiend.

In gedachten bedankte hij ook de centaur Firenze, dat dit wezen over zijn eigen schaduw gesprongen was, om een tovenaar het leven te redden. In zijn hoofd flitste het beeld van Lily Potter op. Zij had heb gevraagd in leven te blijven. Zelfs zijn laatste bevel kon hij niet meer uitvoeren. Het was, alsof hij de stem van zijn vader hoorde: "Een verliezer ben je! Dat was je altijd al geweest! Een verliezer! Niet eens in staat de simpelste bevelen uit te voeren! Voor zoiets bestaat is er geen hoop."

Sneep haalde bibberend adem. "Nee, ik ben geen verliezer!" fluisterde hij zwak, "en de hoop heb ik al lang achter mij gelaten. Laat me met rust!"

In de duisternis en de stilte was hij er niet zeker van, of hij het werkelijk gezegd had of alleen gedacht. Waar bleef toch dat uitnodigende licht, dat hij reeds een keer gezien had? Wanneer kon hij eindelijk gaan?

"Ik ben geen verliezer!" zei hij nog eens tegen de duisternis.

Hagrid opende de grote zware voordeur. Het stof lag dik op de grond en door de lichte windvlaag danste het in dikke vlokken over de grond. De terreinknecht van Zweinstein kneep zijn ogen samen, het was donker. De zware satijnen gordijnen waren gesloten. Voor enkele ramen waren planken bevestigd, had hij vanbuiten gezien. Maar daar was iets dat direct de aandacht van Hagrid had. Sporen in het stof! Het was alsof men door sneeuw gestapt was en een pad had achtergelaten. Hier was iemand duidelijk meerdere keren tussen de kelderdeur en de voordeur heen en weer gelopen. Eén keer leek het zelfs, alsof de persoon iets zwaar gesleept had. Constant waakzaam om zich heen kijkend liep Hagrid op de kelderdeur af. Het was een grote oude deur, met zware ijzeren werken erop. Zachtjes opende hij hem en een duistere donkere gang doemde voor hem op. Het rook naar rook en oude lucht. Hagrid zocht naar zijn lamp.

Kort daarop viel een aangenaam geel licht door de gang en de halfreus durfde het aan de trappen naar beneden af te gaan. Des te verder hij naar beneden ging, des te dichter de duisternis scheen te worden. Als een monster leek het naar Hagrid te grijpen. Ook de stilte was bijna grijpbaar. Aan het einde van de trap kwam hij in een grote, grof gehouwen gang. Het einde van de gang was zelfs in het licht van zijn lamp niet herkenbaar. Er waren meerdere deuren en deuropeningen, de meeste deuren gingen gemakkelijk openen. Meestal waren er lege, of ingestorte ruimtes achter. Niets dat aan een kerker of aan iets dergelijks herinnerde. Des te verder hij de gang in ging, des te vertwijfelder werd hij. Had Jelis zich vergist?

Hij greep naar een andere grendel en wilde deze openen. Maar deze wou niet. Hoe hard Hagrid ook eraan trok of duwde, hij bewoog geen millimeter. Hagrid rammelde er nog hard aan. Eenduidig, deze grendel was magisch op zijn plaats vast gevroren. Uit zijn twijfel kwam woede, zijn vriend kon achter deze deur zijn. Met een schreeuw van wanhoop sloeg hij de deur hard in. Het hout gaf toe onder de geweldige krachten, die bij Hagrid vrij kwam en brak in duizend stukken.

Zwaar ademend en verrast over zijn eigen krachten stond Hagrid nu voor de vernielde deur. Direct had hij zich weer in de greep en scheen met zijn lamp in de ruimte. Dit was werkelijk een kerker, een stinkend, vochtig en stokdonker gat Waarin men mensen stopte, die nooit meer gevonden mochten worden. Maar desondanks was de kerker groot. Door het licht kon hij aan de muren kettingen en ijzeren ringen zien hangen. De lichtstraal wandelde over de muren. Direct aan de muur naast hem kon hij een afgebrande fakkel herkennen. Deze toonde niet, zoals menig andere fakkel in de ruimte, de licht groene, slijmige mos begroeiing.

Hagrid waagde zich een stap verder naar voren, belichte nu de zuilen, die het relatief hoge plafond steunden.

"Hallo? Sneep bent je hier?" fluisterde Hagrid.

Een stap verder in de kerker, de lichtstraal van Hagrids lamp scheen over de grond. Toen verstarde het licht en Hagrid kuchte op.

"Bij alle goede geesten."

Direct rende hij op de persoon die bij de waterbaken op de grond lag af. Hij liet zich op zijn knieën vallen en legde de lamp naast zich neer. Voorzichtig legde hij zijn hand op het voorhoofd van Sneep. Het gezicht was op enkele plaatsen gezwollen, aanschijnend had iemand hem na alle regels van de kunst geslagen.

"Sneep! Kunt je mij horen!" vroeg hij voorzichtig.

De gescheurde lippen bewogen zich, direct boog Hagrid zich naar de jonge tovenaar toe. "Wat?"

"Ik ben geen verliezer!" zei de dooddoener.

Toen lachte Hagrid, tegen alle goede raad in omarmde hij de jonge magiër en drukte hem stevig tegen zijn borst aan, "je hebt gelijk! Je bent geen verliezer!"

Een zachte schreeuw liet Hagrid zijn vreugde inhouden en hij legde Sneep terug op de grond. De dooddoener had zijn ogen half geopend, maar toen het licht hen trof sloot hij ze weer.

"Dorst…," zei hij zwak.

"Ja, direct! Moment," hectisch keek Hagrid zich om, het water in de bak rook weliswaar vers maar voor de terreinknecht niet vers genoeg.

Vlug had hij zijn rugzak van de rug genomen en doorzocht hem deze naar de veldfles. Zijn bibberende vingers vonden de fles en Hagrid slaagde er zelfs in, om in alle opwinding de fles te openen. Eerst bevochtigde hij met zijn vingers de lippen van Sneep en liet hem uiteindelijk een paar slokjes drinken.

Zonder succes, de dooddoener hoestte het meeste water weer uit. Hagrid dacht koortsachtig na. Hoe kon hij Sneep iets te drinken geven, zonder dat hij verdronk? Uiteindelijk greep hij naar een schone doek en maakte het vochtig. Voorzichtig opende hij weer de mond van Severus en wrong de doek uit. Het was een dun straaltje, dat in zijn mond kwam. Meer een gelijkmatig druppelen, maar de dooddoener hoestte het water niet meer uit. Hagrid zag, dat hij slikte. De terreinknecht herhaalde dit meerdere malen, tot hij het gevoel had, dat Sneeps grootste gevaar nu niet direct uitgedrogen was.

"Ik ben geen verliezer," fluisterde Sneep weer.

"Nee, bent je niet," zei Hagrid.

"Ik ben niet alleen."

"Nee, bent je niet," Hagrid greep weer in zijn rugzak en zocht naar de noodgevalapotheek van mevrouw Pleister, maar in het zwakke licht kon hij niet herkennen welke medicijnen hij nodig had.

"Ik kan je hier niet helpen," zei hij tegen Sneep, "ik moet je naar boven brengen."

Maar de dooddoener fluisterde niet samenhangende zinnen en scheen hem niet goed te horen. Hagrid smeet alles in zijn rugzak en deed deze op zijn rug. De lamp hing hij aan zijn riem, zo kon hij op zijn minst zien waar hij langs liep. Met grootste voorzichtigheid tilde hij de gewonde op. "Nu breng ik je eerst hieruit."

Maar Sneep schreeuwde zachtjes. Hagrid beet op zijn lippen. Hij moest hem hier uithalen, maakte niet uit hoe. De hele weg naar boven trok het lichaam van de pijn samen. De zinnen werden woorden en uiteindelijk alleen nog maar onmenselijke geluid. Het deed Hagrid veel pijn, zijn vriend zo te zien lijden.

Eindelijk kwam hij bij de trap aan, ging naar boven, stootte de deur met een voet open en liep gauw de hal door. De voordeur stond nog open en zo kon Hagrid zich met zijn last een weg naar buiten banen. De zon scheen fel op de treden die naar de ingang leidden en een koele herfstwind streek over het land. Nu kon hij zien hoe gewond Sneep was. Wat er in de duisternis en in het zwakke licht van zijn lamp uitzag als een gewaad, was alleen nog maar een stuk gescheurde stof.

In her begin kon Hagrid niet anders, hij hield Sneep alleen maar voorzichtig vast. Steeds weer opende Sneep de ogen, alleen om ze kort erop weer met een zachte schreeuw te sluiten. Hagrid loste dit probleem op zijn wijze op en bond Sneep de ogen met een vochtige doek dicht.

Zweinstein, hij moest hem naar Zweinstein brengen. Hij wou net de via via voor de terugkeer naar huis uit de rugzak nemen, toen hem de waarschuwende woorden van Perkamentus invielen. Maar Sneep had verzorging van een dokter nodig en Hagrid was op het moment zeker niet de juiste persoon. Nadenkend woog hij de via via in zijn hand. De schouwers zouden Sneep zeker weten direct naar Azkaban brengen. Zou men zich daar om hem kommeren? Nee, zeker niet zoals het nodig was. Hagrid stond voor een groot probleem.