"Edward!" Ik schoot naar voren om hem te helpen, maar hij stak zijn armen uit, alsof hij me wilde afweren.
"Raak me niet aan…" Mompelde hij.
Ik deed voorzichtig een stap achteruit. Edward stond op. Hij tilde zijn linkerhand op en leek tegen een onzichtbare muur te duwen.
"Je bent een geweldige mimespeler…" Zei ik sarcastisch.
Edward zette nu ook zijn andere hand tegen de onzichtbare muur en duwde ertegen.
"Probeer het zelf eens."
Voorzichtig tilde ik mijn hand op en bewoog hem richting die van Edward. Alleen, dertig centimeter voor mijn hand die van hem raakte, stuitten mijn vinger op een hard oppervlak, dat ik niet kon zien. Geschrokken trok ik mijn hand terug, en staarde naar die van Edward.
"Hoe kan dat…?" Vroeg ik hem verbijsterd.
"Wel, aangezien ik hier niet toe in staat ben, en er niemand anders hier in de omgeving is… Ben jij het."
"Niet… Ik deed helemaal niets!"
Ik keek hulpeloos om me heen.
"Edward, laten we teruggaan..."
Hij keek me achterdochtig aan. Ik zuchtte.
"Wat wil je dat ik doe?" Vroeg ik treurig.
"Ik wil dat jullie mijn familie met rust laten. Ik waarschuw jullie; wij hebben de Quilettes aan onze kant!"
"De wat…?"
Edward keek geërgerd.
"Je zou denken dat je meester het er non-stop over zou hebben. Hij zou het volgens mij geweldig vinden als…"
Er kwam plotseling een diep gegrom uit mijn borstkas.
"Hij is mijn meester niet, Cullen!" Siste ik tussen mijn tanden door.
Ik greep hem bij de keel. Tot mijn verbazing was de muur verdwenen.
"Het is trouwens allemaal jouw schuld! Je had me zó kunnen helpen!"
Hij duwde me van zich af.
"Jij denkt dat het te laat is, dat ze me al gehersenspoeld hebben, en nu ben je bang dat ik jou en je familie kom uitroeien om wat je mij hebt aangedaan, toch?"
Mijn stem klonk rustig. Het was waar, hij had het alleen maar erger gemaakt.
Hij draaide zich om, en voor ik het wist was hij verdwenen.
Edward Cullen had zojuist voor mij bevestigd dat hij degene was die mij veranderd had in wat ik nu was. Had hij me gedood, dan had hij me een groot plezier gedaan, omdat ik dan nu niet in deze… situatie had gezeten. Ik had twee nieuwe vriendinnen erbij, maar het zou slechts een kwestie van tijd zijn voor ik weer op de stoep in Volterra stond. Alleen wist ik niet waarom ik daar zo bang voor was. Ze zouden me niet doden, als ze dat uiteindelijk in hun hoofd voor me hadden, hadden ze zichzelf een hoop moeite kunnen besparen door het veel eerder te doen. Misschien hadden ze besloten me een kans te geven, een hele grote kans, maar die had ik nu verpest en ik zou gelijk sterven als ik weer op hun grond was. Dat was een mogelijkheid. Misschien was dat wel beter. Als ze me namelijk niet zouden willen vermoorden, zouden ze me, ik bedoel, zou HIJ me in zijn donkere, marmeren hol houden, en me dwingen op toeristen te leven. Ik besefte me dat ik sinds ik dit monster was geworden, nog geen druppel mensenbloed had aangeraakt. Niet omdat ik mezelf goed kon beheersen, maar omdat ik niet in de buurt van mensen was geweest, op Felice na, dan.
Ik keek naar beneden, waar het grote, zilveren wapen van de Volturi op mijn borst rustte.
"Waarom hang je daar nog?" Mompelde ik binnensmonds. Het was een teken dat ik nog steeds bij hen hoorde, maar dat wilde ik niet. Ik kon het gewoon niet weggooien. Ik had grootse plannen voor het zilver en de rode stenen van de ketting; ik zou het omsmelten tot een mooi berichtje, en dat naar Volterra sturen. Of beter; tot een beeldje van een hoopje dode vampiers, dat zou me geweldig lijken. Maar het was als een brandmerk op mijn lijkbleke huid, en een brandmerk smelt je niet om.
Ik zuchtte en sloot mijn ogen. In het duister, achter mijn gesloten oogleden, was ik weer terug. De ronde witte zaal, met op de verhoging drie zwart met gouden tronen, waarop de drie Volturi zaten, de middelste breed glimlachend, alsof hij me welkom thuis heette. Zelfs de twee die aan weerszijden zaten leken blij me te zien. En als ik op zij keek, stond er een jong meisje, duister glimlachend, met precies dezelfde rode ogen als alle anderen. En keek ik naar beneden, dan zag ik de onbreekbare ketens om mijn enkels, die me altijd verbonden zouden houden met deze plek, en me hier altijd weer terug zouden voeren.
Ik opende mijn ogen. Dat zou gebeuren. Ze zouden nu achter me kunnen staan, of als ik geluk had, pas over duizend jaar.
Langzaam maakte de asgrijze lucht boven de metershoge bomen plaats voor het duister, maar ik bleef waar ik was. Doodstil en onbewogen stond ik al uren voor me uit te staren, mijn uiterste best aan het doen mijn eigen geheugen te wissen. Maar hoe harder ik probeerde alles te vergeten tot op het moment dat ik mijn zomervakantie plande, werd de duistere Volturi-wolk in mijn hoofd alleen maar groter en zwaarder.
Ik vroeg me af of ieder lid van de Wacht zo geleden had als ik. Maar ik wilde geen zelfmedelijden hebben. Ik wilde sterk zijn, mijn eigen eeuwige leven lijden zoals ik dat wilde. Maar dan zou ik hen uit mijn hoofd moeten kunnen zetten, en zij moesten mij uit hun hoofd zetten, anders maakte ik geen schijn van kans tegen de meest getalenteerde jagers en strijders van de vampierwereld. Ik was namelijk inmiddels niet meer zo sterk als ik de eerste dagen van mijn nieuwe leven was, en was vooral door het rennen flink verzwakt.
Het vakje met de volgende stap was dus leeg. De vorige was geweest: "ren weg met die meisjes en zoek de Cullens." Die stap had echter niet geholpen. Ik had niets gewonnen door hen in gevaar te brengen. De Volturi (ik had geen behoefte om zijn naam uit te spreken, dus hield ik het maar algemeen) zouden dit zien als een misdaad; voortvluchtigen helpen. Wacht eens… Dát was het! Ze zouden toch geen misdadiger vasthouden? Ze zouden hun eigen regels overtreden als ze me niet zouden vervolgen als ik iets zou doen wat tegen hun regels in ging. Ik rende zo hard als ik kon terug naar het grote huis van de Cullens.
"Je waagt het niet!" Alice Cullen keek me kwaad aan.
"Wat bedoel je…?"
"Dat weet je best! Ik heb gezien wat je gaat doen, en wat er daarna met je gebeurd!"
"Ja?!" Vroeg ik gretig. "En?!"
Ze keek me geschokt aan.
"Alice," Zuchtte ik. "Luister, ik kan niet langer zo doorgaan, ik kan niet eeuwig anderen in gevaar brengen door onder te duiken, ik moet dit doen. Maar je kan me natuurlijk ook de moeite en pijn besparen door het zelf nu te doen." Ik zette uitdagend mijn handen in mijn zij.
"Hoe kun je?! Je nieuwe vriendinnen rekenen op je! Je kan zo lang als je wilt bij ons blijven! Wij kunnen je beschermen!"
"Maar bedenk je dat… Ik bedoel… ALICE! ZE ZITTEN IN MIJN HOOFD! ZE MAKEN MIJN DODE HART ZIEK! HET ENIGE WAT HET KAN GENEZEN, WAT MIJ RUST KAN GEVEN, IS DOOR ER EEN EIND AAN TE MAKEN!"
Iedereen had mijn geschreeuw gehoord en kwam naar de woonkamer, waar ik en Alice waren.
"Wat is hier aan de hand?" Vroeg Carlisle's echtgenote, Esmé.
Een blonde jongen, wier armen onder de littekens zaten, liep naar Alice toe en vroeg haar zachtjes wat. Alice antwoordde, en de jongen keek naar mij, leek zich even te concentreren en langzaam voelde ik me ontspannen. Deed hij dat?
"Lisette, volgens mij overdrijf je." Zei Alice zachtjes.
Ik wendde mijn hoofd af.
"Zo voel ik me echt, Alice; hopeloos!" Ik zakte door mijn knieën.
"Niet doen Lies!" Riza sprong bovenop me. "We kunnen niet meer zonder je! Je hebt ons van hen gered! We zijn niet van plan om je ooit nog met hen te maken te laten hebben!"
Carlisle kwam binnen.
"Ik heb me nooit verdiept in psychologie, maar ik vrees dat ze haar als mens een trauma hebben bezorgd dat haar niet meer los laat." Sprak hij langzaam.
Ik staarde hem aan.
"Hoe overtreed ik hun wetten?" Vroeg ik kortaf.
"Carlisle! Ik heb het gezien! Ze gaan haar vermoorden en het maakt haar helemaal niets uit!"
"Ik heb geen andere opties!" De wanhoop kneep mijn keel dicht.
Carlisle voelde zich aangevallen, en maakte een sussend gebaar met zijn handen. Opeens kwam de zwartharige broer van Edward naar voren.
"Wij lossen dit wel op, hoor! We hebben voor hetere vuren gestaan dan hen." Hij wreef in zijn handen.
"De Volturi zijn behoorlijk heet, Emmett." Zei Bella droog.
Carlisle richtte zich weer tot mij.
"Wees alstjeblieft niet roekeloos. Je hebt geen idee waarmee je te maken hebt."
Opeens hapte Alice naar adem.
"Jongens… Ze komen eraan…"
Ik sprong op.
"Bedankt voor alle goede zorg, maar ik moet er vandoor… Samen met Riza en Kira."
Ik rende naar de deur en trok hem open, staarde een paar seconden naar buiten en sloeg hem toen weer dicht en ging er met mijn rug tegenaan staan.
"Eh…" Ik slikte. "Ze zijn er al…"
Jeetje, dat kind heeft echt serieus problemen. (En zit in de problemen…)
Hebben jullie misschien nog inspiratie, tips of handige kritiek voor me?
xx
