AN: Na een lange tijd eindelijk een update. In de AN onderaan is hiervoor een verklaring gegeven, maar ik wilde hier alvast even melden dat dit mijn kerstcadeautje voor jullie is! Veel leesplezier!

Dag 2: Zoete Slachting


District 5 - Kevin Jones (17) POV – Dag 2: Vroege ochtend.

Ik was gebroken. Elke stap die ik zette zorgde ervoor dat er een pijnscheut door mijn rug naar boven schoot. Mijn ribben zaten onder de blauwe plekken en ik kon de smaak van bloed in mijn mond nog steeds proeven. Ik had geen oog dicht gedaan gisteren. Ik durfde zelfs niet te stoppen met lopen, bang dat de Spelmakers iets op me af zouden sturen. Natuurlijk wist ik ook wel dat als ze nu een Mutilant naar me zouden sturen ik geen schijn van kans maakte.

Het enige wapen waarmee ik me zou kunnen verdedigen, sleepte ik over de grond. Het zwaard was te zwaar om op te tillen nu ik geen energie meer had. Ik voelde dat mijn vingers onder de blaren zaten, maar ik had niks om het mee te verzorgen. Ik had niks kunnen mee grijpen van het Bloedbad behalve het zwaard en nu voelde ik wat de consequenties daarvan waren.

Met een kreun probeerde ik mijn kurkdroge lippen af te likken, maar ik had geen speeksel meer in mijn mond. Voor even durfde ik te stoppen om een knoop van mijn blouse af te rukken en die in mijn mond te stoppen. Dat zou er wel weer voor zorgen dat ik speeksel kreeg, wat tenminste voor een beetje verlichting zou zorgen.

Zachtjes vloekend begon ik weer verder de berg op te lopen. Als ik nu achter me zou kijken zou ik de eilandjes van de arena kunnen zien. Ik wist zeker dat ik de enige was die pas van het platform, naar de kleine ring van eilandjes en dan naar één van de grotere eilanden erachter was gelopen. Ik wilde zo ver weg zijn van alles en iedereen. En het belangrijkste nog; van de Spelmakers.

Ik wist dat ik mezelf voor de gek hield als ik dacht dat ik veilig voor hen zou zijn ergens in een grot. Dat was niet zo. Ze zouden me overal kunnen bereiken. Maar het idee dat de bloeddorstige Beroeps me niet zouden vinden was ook een goede reden waarom ik zo ver zou moeten lopen. Misschien kon ik zelfs wel een uitweg vinden uit de arena en terug gaan naar mijn familie in District 5.

Ik lachte bijna om mezelf en mijn domme dromen. Wie hield ik voor de gek? Iedereen wist dat een arena een gevangenis was waar je hoogstwaarschijnlijk dood uit zou komen. Er was maar één iemand die levend terug zou mogen komen bij zijn familie en ik wist dat ik niet die persoon was. Mijn vooruitzicht in deze arena was nou niet bepaald rooskleurig.

Het eiland waar ik opliep bood niet veel bescherming tegen onvriendelijke ogen. Aan de rand had er nog bos gestaan, maar de berg waar ik tegenop liep werd steeds kaler. Er waren nog een handjevol vreemde enorme gele bloemen die tussen de grote brokken steen groeide, maar verder was er niks anders te bekennen. Ik kon de kleine steentjes onder mijn voeten voelen wegrollen en moest steeds meer op mijn zwaard leunen zodat ik mijn evenwicht niet verloor. Maar ik wist dat het het uiteindelijk waard zou zijn. Ik had vanaf beneden al gezien dat er een opening was in de berg, net voor het hoogste punt. En in die opening moest water zijn en veiligheid, anders hadden die bloemen hier nu ook niet kunnen groeien. De rotsen waren droog dus het had niet geregend en de wortels van de bloemen rijkten veels te diep om eventueel regenwater op te drinken. Ik had ze geprobeerd uit de grond te trekken om te kijken of ze eetbaar waren, maar ik kreeg er geen beweging in. Ze moesten tot diep in de berg ingeworteld zijn en daar zou ook mijn schuilplaats zich bevinden.

Vermoeid, maar vastberaden liep ik door. Mijn zwaard functioneerde nu compleet als wandelstok en hijgend kwam ik stukje bij beetje dichter bij de ingang van de berg. Maar elke stap dichter bij de ingang zorgde voor steeds meer pijn. Pijn vanwege het feit dat ik niet meer wist hoe ik me moest voelen. Opgelucht dat ik nog leefde? Of doodsbang, omdat ik wist dat een pijnlijke dood nog zou komen. De onwetendheid verwondde me meer dan mijn fysieke staat.

Het feit dat ik wist dat ik in deze arena zou gaan sterven maakte het des te moeilijker om aan thuis terug te denken. Ik weigerde dan ook om te huilen. Daar zou het Capitool teveel plezier aan beleven en dat verdiende mijn familie niet. De stunt die ik had uitgehaald bij de interviews zou ze al genoeg ellende brengen en ik durfde er dan ook niet aan te denken dat zij de consequenties van mijn acties zouden voelen. Zij waren dan wel geen Tributen in de Spelen, maar ze voelde net zo goed de gruwelijke macht van het Capitool.

Plots bleef ik stil staan toen ik een laag sissend geluid hoorde. Ik zocht de berg af, maar zag niks vreemds. Het geluid echter zwol aan, alsof er duizenden slangen rondom mij krioelden. Ik hief mijn zwaard op, klaar om toe te slaan als het nodig was, maar er gebeurde niks. Kon het een Tribuut zijn die het geluid maakte? Misschien waren de Spelmakers eindelijk met hun spelletje begonnen en was dit het moment wat ik al die tijd had gevreesd. Het moment van hun wraak.

Onverhoeds schoot er een schrijnende pijn door mijn enkel heen. Schreeuwend van de pijn liet ik mijn zwaard vallen en probeerde ik mijn hem uit de brandende greep te trekken. Een hand van steen die uit de grond stak schroeide mijn vlees, maar brokkelde af toen ik mijn enkel eruit trok. Mijn broekspijp was voor een deel weggebrand en mijn huid zat onder de brandplekken. Hijgend en kreunend probeerde ik mijn zwaard op te pakken, maar ik verloor mijn evenwicht en viel om.

De grond leek te koken. Rook kwamen tussen de rotsblokken vandaan en het gesis nam nog steeds toe. Bruusk schoot er weer een hand van steen naast me op uit de grond en greep mijn pols vast. Stoom rees van de vingers op terwijl ik schreeuwend mijn hand probeerde terug te trekken. Ook deze hand brokkelde snel af, maar mijn huid zat onder de blaren van een brand plek.

Jankend krabbelde ik overeind en probeerde mijn zwaard vast te pakken. Het handvat was echter kokend heet geworden door de stenen en ik kon mijn schoenzolen ook voelen wegsmelten. Ik moest maken dat ik hier wegkwam. De Spelmakers wilde me duidelijk hier niet hebben en het begon me dan ook te warm onder de voeten te worden.

Een monsterlijke schreeuw vulde de lucht en met veel lawaai zag ik hoe er achter mij een geheel lichaam van steen uit de grond oprees. Zwart, breed en lang torende het boven mij uit terwijl ik de hitte ervan af kon voelen stralen. Rook kwam uit zijn neusgaten en op de plek van zijn ogen zag ik enkel gloeiend kolen. Versteend keek ik toe hoe hij zijn hand uit reek en mijn bovenarm vast pakte. Pas toen de schroeiende pijn zich opnieuw door mijn lichaam verplaatste had ik door wat er gebeurde en schopte ik schreeuwend het wezen van me af.

Met een luid gesis viel het lichaam van het wezen uit elkaar en werd ik verlost uit zijn vurige greep. Zonder een seconde te wachten, draaide ik me om en begon ik hijgend de berg op te rennen. Ik hoorde nog meer monsterlijke brullen achter me en wist dat ik werd achtervolgt door de wezens. Maar ik durfde niet om te kijken. Mijn huid schroeide en de misselijkmakende lucht van verbrandde huid drong mijn neusgaten binnen. De neiging om te spugen onderdrukte ik terwijl ik door bleef rennen richting de opening in de berg; mijn enige redding.

Een knal naast me blies me omver doordat er tientallen brokkensteen uit de berg schoten in mijn richting. Gillend voelde ik hoe de stenen van de berg mijn huid verbrandde. Opnieuw greep iets mijn verbrandde enkel vast, maar schoppend kreeg ik het van mij af. Kermend van de pijn stond ik weer op en probeerde ik zo goed mogelijk door te rennen, maar mijn lichaam was op.

Ik was uitgeput en zat onder met brandblaren. Ik kon mijn huid nog voelen na sissen op de verbrandde plekken en de wereld voor me was wazig. Mijn kwetsbaarheid was alleen maar toegenomen doordat ik nu ook mijn zwaard had verloren. Ik was zwak geworden en daardoor leek de dood plots de simpelste uitweg.

Mijn pas verminderde en met betraande ogen wilde ik me al bijna omdraaiden om de wezens achter me mij te laten verpulveren toen ik merkte dat het gesis was opgehouden. Stilte heerste over de bergvlakte en van de wezens was geen spoor meer te bekennen. De grond onder me leek niet langer meer te koken en ik voelde zelfs een zachte koude bries van achteren komen.

Ongelovig en langzaam draaide ik me om naar de koele wind en zag dat ik voor de grote opening van de berg stond. Duisternis was het enige wat ik zag, maar de steeds terugkerende koele wind vertelde me dat er meer binnen was.

Strompelend liep ik naar voeren, maar ik had moeite met mezelf staande te houden. Genoodzaakt greep ik de wand van de grot vast toen ik merkte dat deze vochtig was. De blaren op mijn handen koelde onmiddellijk af en alsof ik een schenk van een Sponsor had gekregen drukte ik mijn mond tegen de wand aan, hopend wat vocht in mijn lichaam te krijgen.

Mijn mond smachtte onmiddellijk naar meer en met hernieuwde energie liep ik verder de grot in. Hier moest leven, voedsel en water zijn. Middelen waarmee ik mezelf kon verdedigen tegen de Spelmakers. Hier moest het paradijs zijn.

Het pad veranderde langzaam in een brede trap. Ik kon water horen druppelen en hoe dieper ik in de berg kwam, hoe meer geluiden ik opving. Beesten hoorde ik schreeuwen en een waterval donderend ruisen. De zorgen van mijn brandplekken leken verdwenen te zijn en de dreiging verschoof naar de achtergrond in mijn hoofd. Mijn eigen gedachte kon ik nauwelijks nog verstaan en het idee dat het Capitool me hier voor een rede had gebracht besefte ik niet.

De lichtstralen die plotseling uit de duisternis oprezen waren verblindend. Ik schermde mijn ogen niet af, maar bleef overweldigend naar het licht staren. Vogels vlogen voor mijn ogen langs in de meest vreemde kleuren en ik kon de immense waterval aan het einde van de grot zien. De berg was gevuld door een subtropisch regenwoud waarbij het zonlicht door het gat in de berg heen scheen.

De enorme grot zat vol met druipstenen waarvan water naar beneden druppelde. Een stenen trap daalde af van het hoge punt waar ik stond, recht naar een klein meertje. Het water was zo doorzichtig dat ik de felle vissen vanaf het uitkijk punt kon zien zwemmen. Hier was geen zwart, duister water van de zee buiten. Hier was warmte en veiligheid. Hier was mijn overleving.

Ik wilde de trap af gaan dalen toen een vreemde vorm in mijn ooghoek mijn aandacht trok. Ik verschoof mijn blik van het meertje onder me naar de waterval aan het einde van de grot. Onder zijn ruisende stralen lag een schipbreuk bij de waterkant. Eén deel op het droge, één deel in het water. De mast was gespleten en het zeil deinde met de golven van het meertje mee die de waterval veroorzaakte. Op het zwarte canvas was iets getekend en toen ik beter keek besefte ik wat er met grote witte lijnen opstond.

Het logo van District 5.


District 9 – Minarextra 'Mina' Royal (17) POV. Dag 2: Namiddag.

Ik werd verslonden.

Elke beweging die ik maakte, elke ademteug die ik nam voelde ik het Beest in me bewegen. Zijn klauwen waren altijd daar. Op de plek van mijn borst. Krabbend en in stilte grommend om verlost te worden. Mijn lichaam was zijn wapen en ik was niet meer instaat hem tegen te houden. Mijn reukzintuigen waren versterkt en ik kon de geur van bloed en dood overal ruiken. De hele arena was ermee doordrenkt. De medicijnen die het Capitool mij had gegeven om het Beest in mij te kunnen temmen waren uitgewerkt. Ik was veranderd in een levende tijdbom. Eentje die, mocht ik afgaan, een tweede Bloedbad zou veroorzaken.

Ik ademde in. De frisse ochtendlucht was verdorven en het Beest kraste met zijn nagels aan mijn huid. Het wilde vrijheid om te moorden en mijn gedachten konden zich er niet vanaf zetten. Ruig ademhalend probeerde ik op mijn omgeving te letten, maar het hielp niet. Mijn vingers vonden de grond en wroette zichzelf in de aarde onder mij. De koelte die zich daar bevond kalmeerde mijn zwetende lichaam enigszins, maar niet voor lang.

Voetstappen dreunden door de aarde achter mij en ik voelde hoe mijn lichaam omhoog schoot. Het Beest vervormde mijn vingers tot klauwen, maar voordat ik mijn modderige vingers in het gezicht van mijn aanvaller kon duwen, sloot een ruw, dik touw zich als een strop om mijn keel heen.

Met een harde ruk werd ik omver getrokken en op de grond geworpen. Hysterisch probeerde ik adem te halen en ik kon het Beest binnen in me horen schreeuwen om te overleven. Mijn vingers klemde zich om het touw heen om het los te wrikken, maar niets hielp. Ik werd alleen maar hardhandiger over de grond heen gesleept naar achteren toe totdat mijn aanvaller stopte.

Kronkelend en happend naar adem lag ik in de modder. Het touw schuurde branderig langs mijn nek en onmenselijke geluiden kwamen uit mijn keel zetten. Ik kon in de verte vreemde geluiden horen, maar het Beest nam mijn instincten over. Mijn eigen hartslag klopte als de luidste trommel in mijn oren en voor mijn ogen zag ik niks anders dan de aarde waar ik op lag. Overleven was nu nog het enige doel.

Ik merkte het niet toen mijn aanvaller me overeind trok. Pas toen de strop om mijn nek iets werd verlost en ik de frisse ochtend lucht mijn longen weer voelde binnenstromen trok het Beest zich terug. Hijgend en angstig kreeg ik plots door dat ik op mijn tenen stond onder een dikke tak waar het touw overheen hing met het uiteinde in de handen van de jongen voor me. Met één krachtige ruk aan het touw zou ik hangen. Dood, met het Beest nog in me.

Licht hijgend en met een donkere blik keek hij me aan. Zijn zwarte half lange haren waren warrig en hingen iets voor zijn ogen. Op zijn rug hing een rugzak en aan zijn heup een zelf geconstrueerde waterzak. Ik likte mijn lippen en opende mijn mond.

'Alsjeblie-' Mijn woorden werden onmiddellijk afgekapt door een ruk aan het touw. Mijn nek werd afgeknepen en hysterisch probeerde ik naar lucht te happen.

'Ik weet waar je toe instaat bent.' Hij liet het touw iets vieren en hoestend probeerde ik op adem te komen. Ik kon de klauwen van het Beest tegen mijn binnenste aan voelen drukken, maar ik mocht hem niet vrijlaten. Zelfs niet op deze jongen.

'Ik kan door je façade heen zien. Ik weet wat je echt bent.' Zijn stem klonk kalm. Mijn haren lagen bezweet tegen mijn voorhoofd aan terwijl ik zo goed mogelijk probeerde overeind te blijven staan.

'Wat ben ik dan?' Fluisterde ik schal en ik klemde mijn nagels weer om de strop heen, hopend dat hij er niet nog een keer aan zou trekken.

'Een monster.'

'Jijzelf bent niet beter. Je hangt iemand op, wat voor lugubere dood is dat?' Mompelde ik gewaagd terug.

'Ik bescherm mezelf voor het monster wat ik tijdens de trainingsdagen ook heb gezien. Je viel een hulpeloze Tribuut aan, zonder enig gevoel. Je had enkel dorst voor bloed.' Zijn ogen vonden de mijne en ik voelde hoe de strop weer strakker om mijn nek heen kroop. Mijn handen schoten opnieuw naar het touw om mijn nek.

'Ik heb geen dorst voor bloed. Dat heeft het Beest wat in me zit! Je snapt niet waar je over praat!' Gilde ik, maar de jongen trok nog meer aan het touw. Paniek huisde in mijn hoofd en ik kon zijn mond zien bewegen, maar de woorden kwamen niet binnen. Ik hoorde alleen nog gegrom.

'Ga weg! Vlucht!' Mijn stem viel samen met het gebrul van het Beest, maar de jongen bleef. De geur van bloed vulde mijn neusgaten. Ik hief mijn eigen handen bibberend op naar mijn gezicht en zag hoe mijn vingers doordrenkt waren met mijn eigen bloed. Ik had mijn nek open gekrabd.

Met korte stoten kwam mijn adem naar buiten en langzaam zag ik de zwarte vlekken op me afkomen. Ik kon het niet langer tegen houden. Ik kon niet langer de drang stoppen om te moorden. Het Beest wilde bloed proeven.


Zonlicht was het eerste wat mijn ogen begroette. De geur van de natte aarde was overal om me heen. Geen bloed, geen enkele druppel. Stilte was het andere. Geen gegil of pijnlijk gekreun van één van mijn slachtoffers die ik had aangevallen. Er was niks. Ik had niks aangericht.

Een schaduw verscheen plots boven mij en schermde de zonnestralen van mijn zicht af. Handen drukte tegen mijn nek aan, maar niet op een pijnlijke manier. Ik voelde me veilig, beschermd en gewaarborgd, en dat was voor het eerst.

'Kun je me horen?' Ik schrok van de stem die zo vlakbij te horen was. Mijn ogen zochten de bron, maar de schaduw was het enige wat ik zag. De contouren ervan begonnen langzaam duidelijk te worden. Zwart haar viel voor een paar warme ogen en de blik die erin te zien was herkende ik meteen. Het was de jongen.

'Waar ben ik?' Fluisterde ik. Mijn eigen stem klonk fragiel, het Beest was er niet langer in aanwezig.

'Op dezelfde plek als eerst. Je moet voorzichtig zijn, je bloed.'

De handen die zacht tegen mijn nek aandrukte waren van hem. Hij had een reep stof tegen mijn wond aan gelegd en probeerde het bloeden te stoppen. Mijn aanvaller was plots veranderd in mijn helper.

'Waarom rende je niet weg. Iedereen rent altijd weg.' Hij glimlachte triest en keek op waardoor de zon in zijn ogen viel en er een goudentwinkeling naar boven kwam. Voor een bepaalde reden maakte dat beeld me gelukkig en ik betrapte mezelf erop dat ik wenste dat hij me niet meer alleen zou laten.

'Ik had het fout. Je bent geen monster, maar er huist er wel eentje in je.' Hij draaide zich om en pakte iets op van de grond. Toen ik de zelf geconstrueerde zak met water zag kon ik alleen nog maar aan het droge gevoel in mijn mond denken. Ik had water nodig.

'Rustig drinken.' Mompelde de jongen terwijl hij de punt van de zak tegen mijn gebarsten lippen aanlegde. Het koele water voelde aan als fluweel tegen mijn keel en hongerig naar meer dronk ik door tot ik geen adem meer had. Hij haalde de zak weg en knoopte het weer bij elkaar. Ik bleef zijn handelingen volgen totdat hij weer zijn aandacht op mij vestigde.

'Hoe heb je mijn aanval gestopt?' Vroeg ik terwijl ik wat meer overeind kwam. De aarde was kil tegen mijn huid en mijn nek brandde nog na van de strop die eromheen had gezeten. De jongen zuchtte.

'Op het moment dat je andere kant naar boven kwam liet ik je uit de strop vallen. Je probeerde me onmiddellijk aan te vallen, maar ik kreeg je op de grond en toen ik mijn mes tegen je keel aanzette leek al je woede opeens weg te ebben. Alsof het monster in je bang was om te sterven.'

Verwonderd keek ik hem aan, maar hij leek het niet te merken dat hij eigenlijk mij had gered in plaats van zichzelf. Hij had het Beest weggedrongen naar de donkerste plek binnen in mij en ik voelde hem niet langer. Er was geen dreiging meer in mijn hoofd. Geen klauwen die langs mijn borst krabde. Niet langer droeg ik vandaag de dood als een altijd aanwezige factor met mij mee. Voor vandaag was het Beest verdwenen.

'Wat is je naam?' Vroeg ik stilletjes.

'Favian Aurolus uit District 4.' Hij opende de zak met water weer en nam er nu zelf enkele slokken van. Een korte stilte volgde waarin ik mezelf dwong nog meer rechtop te zitten om hem zo goed mogelijk aan te kunnen kijken.

'Dank je, voor het verdrijven van mijn monster.' Zei ik zo luid mogelijk als ik kon. Zijn ogen draaide zich naar die van mij en opnieuw zag ik de gouden vonkeling er weer in.

'Iedereen heeft wel eens hulp nodig van tijd tot tijd. Iemand die op ze past of voor ze uitkijkt. Wat ik heb gedaan was niks meer dan zelfbescherming, je hoeft me niet te bedanken.' Een bittere nasmaak bleef achter na zijn woorden, maar toch keek ik niet van hem weg.

'Vandaag heb je me van het Beest gered. Of hij morgen ook nog wegblijft is maar de vraag, maar elke tweede dag is een extra kans. Ik ben hier om te leven, niet alleen maar om te overleven en zonder het Beest gaat me dat een stuk makkelijker af.' Ik keek hem aan en hij glimlachte kort naar me, maar ik zag dat hij het niet meende.

Hij draaide zich van me af en staarde tussen de takken door naar de zon boven ons, maar die was verdwenen. Donkere wolken hadden zich boven ons verzameld en toen de eerste druppels uit de lucht kwamen vallen konden we niets anders doen dan in stilte onder de boom blijven zitten. Schuilend voor de regen.


District 12 – Leandros Patterson (17) POV. Dag 2: Late avond.

'W-water, Leandros.' Haar stem was verwrongen. De woorden drongen niet langer tot me door, omdat ik ze te vaak had gehoord. Het was het enige wat ze de laatste uren nog kon uitbrengen. Ze klonk niet eens meer als zichzelf. Haar stem was dieper en krasseriger geworden, onnatuurlijk.

Haar ijskoude hand vond de mijne en haar dunne, magere vingers wikkelde zich om mijn pols. Ik durfde niet meer naar haar te kijken, bang om het meisje wat eerst mijn Bondgenoot was niet meer te zien. Het Capitool had haar in een onmens veranderd.

Toch toen ik haar nagels langs mijn vel voelde klauwen draaide ik me naar haar toe. Ze lag in de slaapzak gewikkeld, maar het hield haar niet warm. Ze rilde van top tot teen terwijl haar eens zo blonde haar spierwit was weggetrokken. Haar gezicht was as grauwig van kleur en haar ogen waren niet langer blauw, maar gif groen.

'We hebben geen water Lyanna. Alles is op.' Mompelde ik, maar ik betwijfelde het of ze me kon verstaan. Haar vingers bleven zwakjes aan mijn pols hangen totdat ze de kracht niet meer had om haar hand uitgestrekt te houden.

Ik durfde haar niet alleen te laten, bang dat het meisje van elf, wat eerder onze spullen had gestolen, terug zou komen en haar aan zou vallen. Lyanna kon niet eens meer op haar benen staan. We zaten hier vast en het was onmogelijk om haar beter te maken. Ik had alles al geprobeerd en we hadden geen Sponsors om haar te helpen. Ze was verdoemd.

'Water, Leandros.' Mompelde ze weer en ik zuchtte luid. Ik haalde mijn handen door mijn haar en keek haar aan. De lege veldfles lag naast haar hoofd, nutteloos nu er niks meer in zat, maar nog steeds een object van haar verlangen. Haar andere hand lag er al de gehele dag op, misschien hopend dat er nog een druppel uit zou lekken.

Een luid gerommel boven ons hoofd zorgde ervoor dat ik van Lyanna weg keek. Donkere wolken die zich eerst aan de oostkant van de arena hadden bevonden, trokken nu over ons heen. De regen die het met zich meebracht begon zacht, maar veranderde al snel in een stortbui.

Binnen enkele minuten was ik doorweekt en verkleumd tot aan het bot. Het plasticzeil had ik over Lyanna heen gelegd in de hoop haar deels droog te houden, maar toen de bui na een half uur nog niet was opgehouden merkte ik dat de kuil waar we inzaten langzaam volliep met het water. De wortels van de bomen hadden ons tot nu toe altijd beschermt, maar nu waren ze in ons tegendeel.

In lichte paniek keek ik rond in de dwaze hoop iets te vinden waarmee ik het water kon laten weglopen, maar natuurlijk was er geen oplossing voor. Deze regenbui was door de Spelmakers gestuurd om ervoor te zorgen dat wij onze schuilplaats zouden verlaten. Het was een dodelijke boodschap.

Ik begon onze schare verzameling aan spullen te verzamelen. Het zeil greep ik van Lyanna af waardoor ze haar ogen weider opende toen de regen op haar viel. Haar slaapzak was doorweekt, maar ik kreeg het snel genoeg van haar af en rolde onze spullen erin op. Ik bond het samen op mijn rug door middel van het plasticzeil terwijl Lyanna langzaam overeind ging zitten, zich half bewust van het gevaar.

'Kun je staan?' Mijn stem leek haar niet te bereiken terwijl ze glazig naar de poel staarde. Ongeduldig en bang voor het feit dat de Spelmakers nog meer dingen op ons af konden sturen, greep ik haar onderarmen vast in de hoop haar overeind te krijgen. Ze richtte haar blik plots op mij en haar armen wikkelde zich om mijn nek.

Sinopa, onze mentor, had ons vanaf het begin al verteld dat we elkaar moesten steunen. Maar Lyanna werd nu steeds meer een last op mijn schouders die ik niet lang meer kon dragen. Haar toestand werd met verloop van de dagen ook de mijne en ik wist niet of ik daar wat tegen kon doen. Ze trok me langzaam mee naar de uitgang die ik wilde vermeiden. De dood.

Het water was tot aan mijn knieën gekomen en Lyanna trok haar armen steeds strakker om mijn nek heen. Zachtjes naar achteren schuifelend probeerde ik de kuil uit te komen, maar ze leek me enkel dieper erin te sleuren door zich tegen me af te zetten.

Haar nagels begonnen zich in mijn nekvel te boren en met mijn tanden op elkaar gedrukt trachtte ik haar van me af te krijgen. Maar ze liet niet los.

'Lyanna, laat los! Hoor je me?' Schreeuwde ik wanhopig, maar ze gaf nergens blijk van. Iets glibberigs gleed plots langs mijn nek en met een schok besefte ik dat er een sliert zeewier uit haar mouw kwam zetten, net als eerst.

Dit was niet natuurlijk. Al dit was een ziek spelletje waarvan de Spelmakers een deel uitmaakte, Lyanna was enkel een pion in hun strategie. Zij hadden haar vergiftigd. Zij hadden haar zo gemaakt. En ik was niet van plan om mezelf ook tot hun pion te laten verwoorden. Ook al schreeuwde mijn geweten haar niet achter te laten, ik had geen keus. Er was maar één winnaar in dit Spel en dat konden wij niet beide zijn. Ik kon dit niet samen met haar overwinnen.

Mijn handen handelde eerder dan ik het doorhad. Ze grepen haar armen vast en rukte deze met het zeewier van mijn nek af waarna ze achterover viel. Het water nam haar in zich op, maar ik bleef niet staan om te kijken of ze niet zou verdrinken. Ik draaide me om en rende van haar weg. Ik draaide me om en rende van de dood weg.


Elke stap die ik had gezet was een stap in de verkeerde richting. Dat vertelde mijn gevoel me. Lyanna achter laten was de grootste fout die ik kon maken. Dat zei mijn hart. Maar mijn gevoel voor rede en overleving spraken het tegenovergestelde. Ik kon niet anders, het was voor mijn eigen leven.

Vermoeid en uitgeput vertraagde ik mijn pas. Ik was het eiland overgestoken naar een ander om zo zeker te weten dat ik niet in verleiding zou komen om terug te keren naar Lyanna. Maar hoe meer afstand er tussen ons kwam hoe sneller ik terug wilde. Ik durfde er niet eens aan te denken wat de mensen thuis van me zouden denken. Het Capitool zou vast aan het wedden zijn op of ik terug zou gaan, Sinopa zou me niks meer sturen als er al Sponsoren voor me waren en de familie van Lyanna zou me al helemaal haten. En toch keerde ik niet om.

In plaats daarvan richtte ik mijn gedachten op mijn omgeving. Ik mocht niet vergeten dat er nog andere Tributen in de arena waren en dat ik nog steeds in levensgevaar was. Zonder Lyanna was ik misschien wel minder kwetsbaar, maar nog steeds niet onoverwinnelijk.

Met een bitter gevoel haalde ik dan ook de koekenpan uit mijn zelfgemaakte rugzak en liep stug door het donkere woud heen. Voor enkele minuten liep ik in absolute stilte totdat ik een dovend licht links van me zag. Ik zakte meteen op de grond en verschool me achter een paar bosjes.

Stemmen waren nergens te horen, maar er moest iemand bij het vuur zijn. Ik was niet iemand die moordde, maar een vuur maken midden in de nacht was vragen om problemen. De Tribuut had er duidelijk geen rekening mee gehouden dat een vuur maken hier vragen was om problemen. Toch wilde ik weten of de Tribuut voor mij tot nut zou kunnen zijn. Al was het enkel om te zien dat ik geen gevaar liep met hem of haar in de buurt.

Ik schuifelde zachtjes langs de bomen heen en kwam steeds dichter bij het vuur. Stemmen kon ik nog steeds niet horen wat moest betekenen dat de persoon inslaap was of tenminste geen gezelschap had. Ik liep langs de laatste rij bomen en kroop achter de bosjes waar voor het vuur stond. Het geknisper ervan stelde me iets gerust, maar ik kon nog steeds mijn hart in mijn keel horen kloppen.

Langzaam rees ik op vanuit mijn gehurkte positie en draaide mijn gezicht om naar de kleine openplek. Daar op de grond lag geen onschuldige Tribuut te slapen bij wie ik misschien een klein restje eten kon meepikken. Nee, ik voelde onmiddellijk mijn moed in mijn schoenen zakken en mijn pan zachtjes op de grond vallen.

Koolzwarte ogen staarde recht in de mijne en het laatste beetje hoop wat ik had op overleving verdween toen ik zag dat de gehele Beroepsgroep me aanstaarde.


AN:

Eindelijk. Na ongeveer drie en een halve maand geen updates is hier dan het nieuwe hoofdstuk! Ik denk dat ik jullie een flinke uitleg verschuldigd ben waarom het zo lang heeft geduurd.

De eerste rede is school. Hoe verbazend. Omdat ik hiervoor een tussenjaar had was de schrijftijd een stuk groter dan dat het nu is. Ik moet nu echt tijd inplannen om te kunnen schrijven en vaak ben ik dan zo moe dat het er gewoon niet van komt. Mijn excuses hier dan ook echt voor, omdat ik het heel vervelend vind dat jullie hierdoor zo laat een hoofdstuk te lezen krijgen die al veel eerder gepost had moeten worden.

De tweede rede is inspiratie. Deze leek voor een hele lange tijd compleet afwezig te zijn, niet alleen in schrijven. Ik zat in een sleur waar ik niet uit leek te komen en die ervoor zorgde dat ik de afgelopen maanden eigenlijk niks anders deed dan; huiswerk, werken, slapen. Gelukkig kan ik zeggen dat deze weer terug lijkt te zijn gekomen!

De derde rede is dat de laatste paar maanden het op de Nederlandse Hongerspelen erg stil is geweest op Fanfiction. Doordat ik op mijn vorige hoofdstuk niet zoveel reacties kreeg als normaal had ik het idee dat er misschien lezers waren afgehaakt. Gelukkig werd me de afgelopen weken daar het tegenovergestelde van bewezen doordat ik PM's heb ontvangen van lezers dat ze nog steeds door willen lezen. Ik dank jullie dan ook ten zeerste voor het laten zien dat mijn verhaal geliefd is hier!

Dan wil ik het nu graag over het hoofdstuk zelf hebben! Een flinke cliffhanger waarin we zijn geëindigd en die zal pas over twee hoofdstukken opgelost worden, omdat het hoofdstuk na deze een tussenhoofdstuk zal zijn (die al geschreven is!). Dit tussenhoofdstuk zal een soort-van-thuissituatie laten zien van drie Tributen uit Beroepsdistricten. Deze zal gepost worden rond Oud en Nieuw!

Verder ben ik erg benieuwd wat jullie denken over de drie POV's.
- Kevin was denk ik deels wel te verwachten dat er iets spannends bij hem zou gebeuren. Wat denken jullie dat zijn Districts logo op de vlag betekend?
- Mina! De vraag bij haar is natuurlijk of Favian bij haar blijft of haar ook weer zal verlaten en of het Beest wegblijft. Haar stukje begon erg snel en ik wil dus ook graag jullie mening of jullie dat goed vonden geschreven.
-Leandros, die is denk ik toch wel de grootste verassing van dit hoofdstuk. Hij heeft namelijk een enorme characterdevelopment meegemaakt in zijn POV hier, en eindigt ook nog eens erg onheilspellend. Jullie gedachtes, schrijf ze op in een review!

Ik wil ook nog even melden dat dit een goed moment is om te Sponsoren! Ik heb al één sponsorgift binnen, maar die zal pas over een paar hoofdstukken verschijnen. Dus wil je één van deze Tributen helpen, dan kun je dat altijd melden!

Dan blijft alleen nog de puntentelling over!

The Name is Florine - 37 Punten.
Greendiamond123 - 44 Punten.
MyWeirdWorld - 63 Punten.
SirWalsingham - 51 Punten.
FF-Schwarz - 42 Punten.
MadeByMel - 34 Punten.
TeenReadToo - 28 Punten.
JoyMainhood - 12 Punten.
LauraTwilightHungerGamesHPfan - 29 Punten.
Sharonneke95 - 40 Punten.
Cicillia - 18 Punten.
Leakingpenholder - 31 Punten.
Florreke - 21 Punten.
LeviAntonius - 66 Punten.
NoxSelkirk - 12 Punten.
Azmidiske87 - 10 Punten.
Serenetie-ishida - 12 Punten.
Evalovespeeta - 2 Punten.

Dan nog even een bedankje voor de mensen die hebben geholpen bij het hoofdstuk: LeviAntonius voor de inspiratie en de hulp die ik altijd van hem krijg en, The Name is Florine en SirWalsingham voor de ondersteunende PM's dat jullie nog steeds door willen lezen.

Veel liefs, fijne feestdagen en ik zie jullie voor het volgende hoofdstuk met oud en nieuw,

Jade