Hoofdstuk 23 Op Controle

'Ook roerei?'

Voordat Bill antwoord kon geven, had zijn moeder zich alweer omgedraaid. Ze gebaarde met haar staf naar de eieren die gehoorzaam naar de kom zweefden en elkaar een kopstoot gaven.

Hoofdschuddend ging hij zitten. Een zwakke glimlach speelde om zijn lippen.

Typisch moeder!

Zodra hij een stap over de drempel had gezet, was ze bezorgd op hem afgekomen, om hem de daaropvolgende minuten te berispen. Verrast had hij het over zich heen laten komen, allang blij dat zijn vader het pad voor hem geplaveid had. Toen ze zich ervan verzekerd had dat haar oudste zoon geen emotioneel trauma had opgelopen, begon ze een ontbijt klaar te maken, ook al toonde de afwas op het aanrecht dat iedereen al gegeten had. Als hij zijn moeder niet zo goed had gekend, had hij zich vast laten ompraten door Fleur, die hem ook al met een stevig ontbijt had willen verwennen.

Er klonken voetstappen op de trap en een tel later kwamen Harry's warrige haren in het zicht.

'Goedemorgen, Harry,' zei hij glimlachend.

Zijn moeder keek op van het fornuis waar ze net het spek aan het keren was en groette hem eveneens.

'Goedemorgen, mevrouw Wemel. Hoi, Bill. Het spijt me dat ik zo laat ben. Is iedereen weg?'

'Dat geeft niet hoor, Loena zei al dat je pas laat ging slapen. En je hebt tenslotte nog wat in te halen. Wat wil je eten?'

Voor Harry kon zeggen dat ze geen moeite hoefde te doen, had ze ook voor hem een bord en verschillende etenswaren op tafel gezet. Berustend ging hij zitten.

Bill grijnsde, wat hem een grimas opleverde.

Ondertussen vertelde zijn moeder dat Ginny en Loena op bezoek waren bij Marcel. Bij het zien van Harry's teleurgestelde blik, legde ze uit dat ze niet op hem hadden kunnen wachten omdat Marcel 's middags met zijn oma weg moest.

Bill pakte een stuk toast en begon het te beboteren. Even later had hij genoeg roerei op zijn bord voor een stuk of twintig kobolden, en ook Harry kreeg zijn deel.

'Harry, wanneer laat je je haar nu eens knippen? Straks is het net zo lang als dat van Bill!' Haar afkeurende blik gleed van Harry naar Bill, voor ze zich omdraaide en de koekenpan in het hete sop liet glijden.

'Ja, Harry,' zei Bill plagend, 'straks moet je nog mijn veters komen lenen.' Hij negeerde het gemopper van zijn moeder op de achtergrond.

'Misschien helpt dat me van mijn brave imago van De Uitverkorene af,' reageerde Harry cynisch terwijl zijn vingers aanhalingstekens in de lucht maakten.

'Er is niets mis met een fatsoenlijk imago, Harry!' klonk het vermanend en de stapel schoteltjes rammelde instemmend voordat hij in de kast verdween.

Bill knipoogde naar Harry die eruit zag alsof hij daar iets tegenin wilde brengen.

'Oh, de meisjes hebben de post al uitgezocht, Harry. Deze moest ik alvast geven van Ginny.' Ze klonk nieuwsgierig terwijl ze Harry een brief aanreikte.

Bill herkende het symbool van het Ministerie. Ernaast stond nog een tweede, officieel uitziend logo.

Harry mompelde een bedankje, schoof de brief half onder zijn bord en boog zich diep over de restanten roerei.

Toen zijn moeder naar boven vertrokken was, vroeg Bill neutraal: 'Van het Schouwershoofdkwartier?'

Harry's gezicht betrok en hij antwoordde: 'Ik vermoed dat Rinkelbom ongeduldig wordt.'

Bill knikte en liet het onderwerp rusten. In plaats daarvan plaagde hij Harry met zijn 'dronken' thuiskomst, en vroeg hem of hij nog iets van Knijster te weten was gekomen.

o~0~O~0~o

'Shit!'

Met een gebaar van zelfverachting gooide Daan zijn favoriete potlood door de kamer. Het viel nauwelijks hoorbaar op de grond en rolde onder zijn bed.

Gefrustreerd gooide hij er twee anderen achteraan en vloekte nogmaals toen deze op zijn bed belandden. Zelfs goed mikken kon hij niet meer. Hij zou waarschijnlijk niet eens meer kunnen scoren als de Zwerkbalhoepels zo groot waren als de wielen van de gigantische, kobaltblauwe koets van Beauxbatons.

Woede verliet zijn lichaam alsof hij een leeglopende ballon was. Het liet hem hol en slap achter, zonder veerkracht. Moedeloos plofte hij op zijn bed, naast de potloden die daardoor opwipten en – nu wel – op de grond belandden. Hij staarde naar de houten stokjes die hij al net zo min kon hanteren als zijn toverstaf.

De Helers waren optimistisch, maar Daan merkte totaal geen vooruitgang. Ergens wist hij wel dat hij te ongeduldig was, dat twee dagen te kort was om al meer lila plekken op zijn hand te zien in die kubus, maar hij had die gevoelloze hand nu al anderhalve week.

Tien dagen dat hij niet meer kon toveren, niet eens zijn eigen vlees kon snijden, en vooral, niet meer kon tekenen. Wat moest hij in Merlijns naam doen als het gevoel niet meer terug kwam in zijn hand? Als hij niet kon toveren, kon hij niet terug naar Zweinstein om zijn PUISTen te halen. Hij zou misschien nog wel zonder diploma kunnen als hij als kunstenaar aan de slag kon, maar die toekomstdroom leek hopeloos ver weg.

De potloden vervaagden tot langwerpige bruine vlekken. Verwoed knipperde hij met zijn ogen en schopte zijn tekenmateriaal weg. Hij verplaatste zijn blik naar het schetsboek dat hij nog steeds in zijn linkerhand geklemd hield. Zijn knokkels, lichter dan de rest van zijn hand, de strakgespannen huid een schril contrast met de dunne, beverige lijntjes die hij op het papier had weten te krijgen.

Hij wilde de bladzijde eruit scheuren – dit zichtbare bewijs van zijn falen – maar zelfs dat lukte nauwelijks zonder het boek onder zijn arm te klemmen.

Woedend omdat hij niet eens dit gepruts kon verscheuren, smeet hij het boek door de kamer. Het raakte de deur, die net openging.

Zijn moeder kwam binnen. Ze keek van het schetsboek naar de potloden en verdriet kleurde haar ogen bijna zwart. Ze zei echter niets, maar raapte zijn tekenspullen op en legde ze op zijn bureau, naast De Ochtendprofeet van maandag, die opengeslagen lag bij het artikel over de heropbouw van Zweinstein.

Daan zag hoe zijn moeder haar ogen over het artikel liet glijden. Hij nam zelden een tovenaarskrant mee naar huis, maar deze had iemand gisteren achtergelaten in de wachtkamer.

Toen zijn moeder zich omdraaide, zag hij het begrip in haar ogen.

'Wilde je iets voor die veiling maken?' vroeg ze. Haar warme stem, en de rollende klanken, kalmeerde zijn getergde zenuwen.

Hij knikte.

Ze keek hem nadenkend aan.

'Heb je geen schilderijen of tekeningen die al klaar zijn om te laten veilen?'

Daar hoefde hij niet lang over na te denken.

'Jawel, maar dat is allemaal oud werk. Dat is lang niet zo goed als wat ik nu –' Hij zweeg abrupt bij de leugen die bijna over zijn lippen kwam. Wat hij nu zou fabriceren zou met geen mogelijkheid kunnen tippen aan zijn vroegere tekeningen.

Het bleef even stil in de kamer.

Het geluid van zijn giechelende zusjes drong door de vloer van zijn kamer.

'Wat is het doel van die veiling?'

Verbaasd keek hij op; dat had ze toch wel in het artikel gelezen?

'Zoveel mogelijk geld ophalen voor de heropbouw van het kasteel,' antwoordde hij desalniettemin.

'En dat oudere werk is niet goed genoeg om geld op te brengen voor je school, mocht die veiling plaats vinden voor je hand herstelt?' Ze zei het laatste met de overtuiging van een moeder die niets anders wil geloven.

Hij begreep wat ze hem wilde vertellen; het draaide bij die veiling niet om hem. Het was haar manier om te zorgen dat hij niet in negatieve gedachten bleef zwelgen.

Hij knikte.

'Mooi,' was haar reactie. Ze glimlachte en liep op hem af, nam zijn gezicht in haar handen en drukte een kus op zijn haar. 'Waarom spreek je niet wat af met je vrienden?' adviseerde ze voor ze de kamer uit liep en hem alleen liet met zijn gedachten.

o~0~O~0~o

Mevrouw Wemel kwam de trap aflopen. Haar toverstok was gericht op een verzameling kledingstukken die voor haar uitzweefde.

'Oh, Harry, wil jij ook even je was halen? Dan kan het allemaal in één keer gewassen worden.'

Hij ontweek een spijkerbroek die duidelijk van Ron was en een roze damesslip waarvan hij absoluut niet de herkomst wilde weten. Hij was dankbaar dat hij zelf zijn vuile was van zijn kamer kon halen.

Het was nog nooit zo rustig geweest in Het Nest tijdens zijn bezoek. Hij vroeg zich nog steeds af waarom Ginny en Loena hem niet wakker hadden gemaakt. Vond Ginny het misschien makkelijker zonder hem? Het was hem wel opgevallen dat ze elkaar, op de maaltijden na, bijna niet gezien en gesproken hadden, maar hij had er tot nu toe niet echt bij stil gestaan. Hij miste haar gezelschap.

Hij dacht aan Ron en Hermelien terwijl hij de trap opliep. Hoe zouden ze het hebben in Australië? Was het Hermelien gelukt om het geheugen van haar ouders te demodificeren? En hoe zouden ze daarop gereageerd hebben? Hij was ook erg benieuwd hoe Ron op de buitenlandse Dreuzelomgeving reageerde. En op het vliegen. Even speet het hem dat hij niet mee had gekund. Maar zelfs zonder de hoorzittingen had het vooruitzicht om wekenlang in een vreemde omgeving het derde wiel aan de wagen te zijn, hem niet aangetrokken.

Nadat hij zijn was naar beneden had gebracht, zwierf hij de rest van de morgen een beetje door het huis en probeerde mevrouw Wemel te ontlopen. Nu ze alleen was met Harry, probeerde ze hem te overladen met allerlei moederlijk advies, terwijl ze ondertussen zijn hulp inriep bij het vegen van het paadje en soortgelijke klusjes.

Toen mevrouw Wemel hem riep voor de lunch was Harry verrast George in de keuken aan te treffen. Hij begroette Harry mat en Harry herinnerde met het knagende gevoel van wroeging hoe geestdriftig en geïnteresseerd George altijd was geweest. De maaltijd was vreselijk ongemakkelijk. Harry's tenen kromden zich zodanig dat hij kramp kreeg en mevrouw Wemel schopte toen hij zijn been wilde strekken. Gegeneerd mompelde hij een verontschuldiging en boog zich over zijn bord. Ze reageerde echter nauwelijks nu ze al haar aandacht op haar zoon kon richten. Ze probeerde steeds wat extra eten op zijn bord te scheppen, vroeg of hij wel goed sliep en of hij wel genoeg buiten en onder de mensen kwam. George trok zich steeds meer terug en zijn antwoorden werden steeds korter en norser. Uiteindelijk gaf ze het op en liep met een ongelukkige uitdrukking naar de bijkeuken. Een paar tellen later liep ze achter de schone, vochtige was aan naar buiten.

De stilte die in de keuken bleef hangen was oorverdovend en Harry vroeg zich wanhopig af of hij het kon maken om ook op te staan. George staarde recht voor zich uit en leek door hem heen te kijken alsof hij een geest was.

Plotseling geïnspireerd – en vastbesloten de stilte te doorbreken – zei hij: 'Bill heeft gisteren die stoffige geest van Perkamentus weggejaagd van Grimboudplein.'

Nog voor hij volledig was uitgesproken, besefte hij zijn blunder. Hoe kon hij uitgerekend over geesten gaan praten tegen George? Hij onderdrukte de neiging om iets huis-elfachtigs te doen en riep zijn innerlijke Griffoendor op om verder te gaan. Dit keer begon hij zijn verhaal over de 'gemuilkorfde' mevrouw Zwarts. Tot zijn opluchting zag hij hoe George hem geïnteresseerd aankeek.

'Dus ze zegt geen woord meer? Als zo'n mimispeler?'

Harry dacht even na voor hij antwoordde: 'Nou, als mimespeler is ze vrij eenzijdig met haar charmante uitlatingen over bloedverraders. Maar die bewegingen van iemand die gevangen zit in een doos, deed ze vrij goed na.'

George's zachte gegrinnik verzachtte het scherpe knagen in zijn buik en opgetogen vertelde hij verder. Over Knijster en hoe de huis-elf de lieflijke stem ging missen. Hoe Bill daar in de hal had gelegen, over de Elfenwijn en mevrouw Wemels reactie daarop. Voor hij het wist zaten ze geanimeerd te praten en merkten het zelfs niet toen mevrouw Wemel weer binnenkwam en geschokt bleef stilstaan.

Toen George vertrok met de belofte om 's avonds terug te komen, was ze in de wolken. Ze begon gelijk met de voorbereidingen voor zijn favoriete stoofschotel en gaf Harry een bak aardappelen om te schillen. Dit keer vond hij het niet erg om aan het werk gezet te worden. Zelfs niet toen ze de radio aanzette en mee begon te neuriën.

Een iets opgewektere George begroette 's avonds zijn familie. Hij kuste zijn moeder op haar wang, streek zijn zusje door haar haren en luisterde rustig naar het gesprek van meneer Wemel en Percy, die ook meegekomen was.

Harry, die tussen Loena en George in zat – begreep uit de gesprekken dat de toverwereld nog geen behoefte had aan massale feesten. De wonden waren te groot, volgens meneer Wemel. Iedereen kende wel iemand in zijn naaste omgeving die gewond was geraakt of het niet overleefd had. Hij zweeg even. Percy verwoordde het een stuk gewichtiger: 'De opluchting en het verdriet strijden met elkaar, maar er is nog nauwelijks plaats voor vreugde.'

o~0~O~0~o

Dit is echt het meest stompzinnige plan dat Hermelien ooit bedacht heeft, klaagde Ron inwendig. Jeweetwel zou Harry wel vijf keer meer vermoord hebben als Hermelien de afgelopen jaren geen intelligentere ideeën had gehad.

Waarom was hij daar in naam van Goderics goudgestreepte regenjas in meegegaan?

'Ron, ik kan toch niet zomaar vanachter een boom een geheugenspreuk afvuren en dan op ze afrennen?' riep Hermelien verontwaardigd. 'Ik moet ze eerst zien. Ik wil weten of alles in orde is.' Ze beet op haar lip.

'Maar waarom moet ik me opofferen?' jammerde Ron. Het idee dat er een Dreuzeltandenheler in zijn mond zou zitten met allerlei elektronische apparaten, was allesbehalve prettig, zelfs niet als het Hermeliens vader was. Of juist niet, als het de vader van zijn vriendin was.

'Omdat mijn gebit al vaak genoeg gecontroleerd wordt, Ronald,' zei Hermelien kribbig. 'Het is echt geen overbodige luxe dat jij je eens laat behandelen. Je kunt niet alles met spreuken oplossen, hoor!'

De geluiden uit de ruimte naast hen waren afschuwelijk, en allesbehalve geruststellend. Het leek wel of er iemand gemarteld werd. Hermelien had geen aandacht voor zijn vragende blikken; naarmate de wachtkamer leger werd, leek ze steeds bleker te worden, en als ze niet gauw stopte met knijpen, zou hij voorlopig niet eens een tandenborstel vast kunnen houden.

Veel te snel waren ze aan de beurt. Hij dus!

De deur naar die martelruimte ging open en een vriendelijke, mannenstem zei: 'Meneer Wemel, komt u maar.'

Iemand slikte hoorbaar en Ron vermoedde dat hij het was, want Hermelien zat als een standbeeld naast hem.

De tandarts – Hermeliens vader – keek hem vragend aan en automatisch stond Ron op, zijn vriendin meetrekkend, en liep zijn noodlot tegemoet.

Voor hij kon protesteren, lag hij achterover in een stoel, zijn hoofd praktisch bij Hermeliens vader op schoot en zijn voeten omhoog. Hermelien leek nog steeds gepetrificeerd. Hij hoopte dat ze snel bij haar positieven zou komen en haar vader zou vertellen waar ze eigenlijk voor kwamen. Het was tenslotte niet de bedoeling dat hij echt een behandeling kreeg. Toch?

Achter zich hoorde hij allerlei metalen voorwerpen rinkelen. Op zijn borst werd een soort papieren slab gelegd, die Groemp nog wel zou passen, en vanuit zijn ooghoek zag hij in de lucht een soort gereedschapsrek op zich afkomen, met de meest bizarre apparaten.

Kleine zweetdruppeltjes verschenen op zijn voorhoofd. Natuurlijk kwam dat door de felle lampen recht boven hem. Niet omdat hij bang was! Hij was een Griffoendor in Merlijnsnaam, en had met Dooddoeners gevochten, en met zijn gebit was niets mis!

'Open uw mond maar, meneer Wemel, dan zullen we eens even kijken.'

Dat Ron gehoorzaamde, was alleen te danken aan het feit dat hij wilde gaan vertellen dat het niet nodig was dat er iemand met zijn handen in zijn mond zou zitten. Voor hij echter een woord kon uitbrengen, voelde hij een metalen voorwerp in zijn mond en verstijfde.

Hij vroeg zich af waar Hermelien gebleven was, maar toen hij zijn ogen opendeed, zag hij enkel het gezicht van haar vader op een paar centimeter afstand, met een papieren kapje voor zijn mond.

Ron wiebelde even met zijn voeten in de hoop dat ze het op zou merken, maar het enige wat er gebeurde was dat er een zuigapparaat aan zijn mondhoek werd gehangen. Aan de andere kant van zijn gezicht klonk nu een irritant gezoem, en het zuigding pruttelde telkens als hij wilde slikken, en waar werd hij verondersteld zijn tong te houden?!

Hij begon Hermelien er net van te verdenken dat ze ervandoor gegaan was, toen er zachtjes gekucht werd. Zou ze eindelijk gaan ingrijpen? dacht hij hoopvol.

Maar het bleef verder stil. Het zuigslangetje werd weggehaald en ook de rest van het martelgereedschap verliet zijn mond.

'Nou, meneer Wemel, het valt best mee –'

Pardon?

'– u heeft wat last van tandsteen –'

WAT?

'– en een klein gaatje dat ik gelijk even kan boren en vullen.'

Boren? Zegt hij boren?

'Sodeknetter!' Geschokt duwde Ron het rek met tangen en hulpstukken weg en krabbelde overeind vanuit zijn onnatuurlijke houding. Hermelien keek hem met grote ogen aan en haar vader vroeg verbaasd: 'Meneer Wemel, wat is er aan de hand?'

Ron negeerde hem. Strijdvaardig keek hij zijn vriendin aan en deelde haar mee: 'Zo is het genoeg, Hermelien! Ik laat geen gaten in me boren terwijl jij moed staat te verzamelen. Vertel de man waarom we hier zijn!'

o~0~O~0~o

Volgende keer in hoofdstuk 24: De Verklaring is Liefde