Mijn ogen werden groot. Hij? Zijn geur prikte in mijn neusgaten. Ze kunnen me vertellen wat ze willen, maar dit kán niet waar zijn! Toch verzette ik me niet tegen zijn omhelzing. Het voelde vreemd… Haast teder… Alsof hij het echt meende. Voor mij voelde het als bewijs. En daarnaast leek niemand hier te ontkennen dat het zo was. Maar het was nog steeds allemaal verwarrend. Iedereen hier leek… Niet normaal te zijn. Het voelde verkeerd. Ik kon me niet herinneren wat wel en niet normaal was, maar deze personen waren zo duister, occult, dat ik eigenlijk niet wílde geloven dat ik bij hen hoorde, dat ik één van hen was.

Ik ontsnapte aan de omhelzing van de man die zich mijn vader noemde, en keek hem droevig aan.

"Kunt u me vertellen wat er is gebeurd?"

Hij zuchtte weer dramatisch en sloeg zijn ogen neer. "We vonden je in je kamer. Niemand hier weet wat er gebeurd is. Toen je wakker werd… Nouja, daarvan ben je op de hoogte."

Ik was geschokt. "Is dat alles?!"

Hij zweeg. Ik beschouwde dat als een "helaas, maar ja". Gefrustreerd streek ik mijn haar naar achteren. Ik wenste vurig dat mijn geheugen na een tijdje gewoon aan zou komen waaien. Ik wist niet wat ik moest geloven, maar ik wist ook dat er niets anders op zat. Wat moest ik anders? Stel dat alles gewoon waar was wat ze zeiden, en ik geloofde het niet? Stel dat die man echt mijn vader was, hoeveel pijn zou ik hem dan doen als ik hem een vuile leugenaar en een freak noemde? Maar hij zou evengoed verantwoordelijk kunnen zijn geweest voor het verlies van mijn geheugen, nadat… Dat was onmogelijk en stom. Het familiewapen om mijn nek bevestigde al zijn beweringen. Ik móest zijn dochter wel zijn. Wie was ik anders? Waar was ik anders?

"Goed…" Ik voelde me zielig. Ik was een klein, breekbaar meisje temidden van personen wie ik niet anders kon dan vertrouwen.


Ik was weer terug in mijn kamer. Ik staarde met samengeknepen ogen uit het raam. Wat voor kostbare herinneringen was ik verloren? Ik weerhield mezelf ervan nóg zo'n diepe zucht te slaken. Het was wel weer genoeg geweest. Opeens drong een geur diep mijn neusgaten binnen. Het was een vrolijke, frisse geur, met een vleugje angst en twijfel erdoorheen.

"Ja?" Vroeg ik zachtjes.

Het was de jongen met de paardenstaart. Hij kwam naast me staan en staarde zwijgend uit het raam. Een tijd lang stonden we daar, elk in onze eigen gedachten verzonken.

"Ik vind het zo naar voor je." Zei hij zachtjes na een tijdje.

"Wat?" Vroeg ik verward.

"Nou, dat je je geheugen kwijt bent, natuurlijk."

"Ik denk dat als ik hier ben opgegroeid dat ik niet veel waardevols in mijn hoofd had zitten. Het enige nadeel is dat ze blijkbaar denken dat ze me alles wijs kunnen maken."

"Waarom denk je dat?"

"Tja, ik heb heus wel gezien dat ik niet door zomaar mensen omgeven word. Die man die mij zijn dochter noemt, zijn geur is abnormaal zoet, maar er lijkt ook een scherp aroma doorheen te zitten. Volgens mij doet hij zich anders voor dan hij werkelijk is."

"En dat kan jij ruiken?" Hij klonk verbijsterd.

"Ik wed dat iedereen hier dat kan, maar dat ze er gewoon niet op letten. Maarja, terug naar waar we waren… Ik denk dat omdat ik het gewoon niet geloof. Hij zag er niet uit alsof hij zijn dochter in gevaar laat komen, maar ik voel ergens dat ik al veel pijn en verdriet heb gevoeld. Alsof de doem zijn stempel al een tijdlang op me heeft staan. Ik weet ook dat ik al op vele plekken ben geweest, maar waar, wat ik daar deed en wie ik er heb ontmoet… Ik heb er geen idee van. En dan nog deze plek, deze mensen…"

Ik keek hem aan.

"Vertel me waar ik ben. Vertel me wie of wát ze zijn."

Hij keek ongemakkelijk en haalde diep adem.

"Vertel me de waarheid." Drong ik aan.

"Dat mag niet."

"Wie zegt dat?! Zegt HIJ dat?! Laat je je door HEM commanderen?! Door die andere twee die er als zoutzakken bij zaten?! WAAR SLAAN DIE TRONEN OP?! DIE FORMELE GEZICHTEN?!"

Ik probeerde kalm te worden en haalde het familiewapen dat om mijn nek hing over mijn hoofd heen en wees ernaar.

"Waar staat die "V" voor?"

Hij aarzelde. "Volturi."

"Is dat onze familienaam?"

"De jouwe…"

"Niet van jou dan?"

Hij schudde zijn hoofd. "Ik heet Oliver Dujardin."

Ik keek verward. "Waarom draag je dit ding dan ook, en waarom ben je hier?"

"Ik werk voor… Je vader… Én je ooms…"

"Ooms? Je bedoeld dat… Die zoutzakken zijn mijn ooms?" Ik sloeg mijn hand tegen mijn voorhoofd.

Hij knikte.

"Oh. Wat doe je voor ze?"

"Ik ben lid van de Wacht, ik handhaaf samen met de rest de wetten."

"Wetten waarvan?"

"Van de Vampiers." Hij sloeg zijn hand voor zijn mond en keek alsof hij nét wat teveel had gezegd.

"Vampiers? Wat zijn Vampiers?"

Hij staarde naar de grond. "Wij zijn vampiers. Wij zijn knappe, supersnelle en supersterke wezens. We zijn onsterfelijk. De prijs die we daarvoor voor betalen, is dat we mensenbloed drinken."

Ik kneep mijn ogen samen. "Heel grappig. Wil je me misselijk hebben ofzo? Mensenbloed drinken… Hoe kóm je erbij…"

"Goed." Zei hij. "Dan geloof je me toch niet?"

Ik keek hem vuil aan. "Verplaats je eens in mij, Oliver! Ik weet helemaal niets meer en dan worden me allemaal dingen als "we drinken mensenbloed" aangepraat! Te walgelijk voor woorden gewoon!"

Hij liep naar achteren en ging op het grote bed zitten. "Ik vertel je de waarheid, hoor."

Ik draaide me naar hem toe. "Ik geloof niet dat er zoiets bestaat."

Hij haalde zijn schouders op. "Je zult het zien. Volgens mij komt Heidi over een paar uur terug."

"En Heidi is…"

Hij keek me ineens bloeddorstig aan. "Zij regelt ons voedsel."

Mijn gezicht vertrok en ik draaide me weer naar het raam. "Walgelijk."

Achter me snoof Oliver minachtend.

"Weetje," begon ik. "Ik ben nog maar twee uur mijn geheugen kwijt en weet nog weinig van mijn leven, maar ik weet wél dat ik er nu al een hekel aan heb."

"Oh."

Ik draaide me met een ruk weer terug. "Oliver. Hoe was ik vroeger? Was ik… Aardig?"

Hij keek bedachtzaam. "Eh… Geen idee. Je stond altijd maar stilletjes naast je vaders troon. Je zei niet veel."

"Oh…" Zuchtte ik teleurgesteld. "Wat een geweldig leven, zeg. Enne… Heb ik ook nog een moeder…?"

Oliver schudde zijn hoofd. "Sorry, ze is bij je geboorte overleden."

Ik fronste mijn wenkbrauwen. Toen liep ik naar het bureau en begon de lades open te trekken.

"Wat doe je?" Vroeg Oliver.

"Ik zoek naar dingen uit mijn verleden. Dagboeken, foto's… Desnoods een ansichtkaartje of zoiets."

"Dat zul je niet vinden."

"Waarom niet?" Vroeg ik terwijl ik de laatste lege la opentrok.

"Volgens mij bewaart je vader alles."

Ik draaide me om en keek boos. "Heb ik dan geen privacy?"

Oliver haalde zijn schouders op. "Kweenie."

"Wat heb ik toch lekker veel aan jou." Ik zuchtte. "Ik wil hier weg, Oliver."

Hij sprong op. "Waarheen? Waarom?"

"Nouja…" Ik krabte aan mijn elleboog. "Geen idee, maar ik wil hier niet blijven. Deze plek bezorgd me rillingen…"

"Je kan niet weg. Dat laat je vader niet toe."

"Hij heeft niets te zeggen over mijn leven!"

"Dat heeft hij wel."

"Geef me één reden waarom hij me hier zou houden!"

"Hij wil je beschermen?"

"Tegen wat? Er is niets gevaarlijks daarbuiten, als ik onsterfelijk ben!"

"Er is genoeg om hem zijn dochter te ontnemen. De geur van de vrijheid is al genoeg."

"Daar bedoel je dus mee dat hij me hier gewoon vasthoudt?!"

"Dat denk ik…"

"Dat is niet eerlijk!"

"Weet ik."

"Waarom doe je er dan niets aan! Jij kan me helpen!"

"Kan ik niet."

"Hoezo niet?!"

"Hij zal me straffen."

"Hoe erg?! Hij zal je heus niet vermoorden…"

"Zal hij wel. Waarschijnlijk wel als het om jou gaat."

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. "Wat doe je hier eigenlijk?"

"Jou in de gaten houden."

"Je speelt dus spionnetje voor hem!"

"Zo kan je het zien, maar vind je een beetje gezelschap juist niet fijn?"

"Niet als je je zó gedraagt!"

"Dat is je eigen schuld…"

"Ja hoor! Het is vast ook mijn eigen schuld dat ik hier zit, dat ik mijn geheugen kwijt ben!"

"Dát zeg ik niet…"

"Dat zeg je wél!"

"Goed, al zeg ik het, hier schieten we dus niets mee op."

"Inderdaad. Ik ga hier weg." Ik liep naar de deur, maar Oliver stond ineens voor me.

"Je kán hier niet weg! Begrijp dat dan!" Riep hij uit.

"Ik begrijp heel goed dat ik daar het recht toe heb aangezien ik hier ben opgevoed door een stelletje… Walgelijke bloedzuigers…"

"Misschien heb je daar het recht wel toe… Maar blijf dán in elk geval voor míj."

"V-voor jou?"

Hij knikte langzaam. "Ik wil echt niet dat je weggaat."

"Omdat hij je gaat vermoorden als je mij uit het oog verliest?" Vroeg ik boos.

"Nee…" Hij haalde diep adem. "Omdat jij er dan niet meer bent."

"Ik ga heus niet dood daarbuiten…"

"Maar je loopt er wel gevaar. Er zijn zat rebelse covens die het lievelingetje van de machtigste vampier ter wereld kwaad aan willen doen."

Ik trok één wenkbrauw op. "Iedereen heeft zeker een hekel aan hem? Omdat hij slecht is en overtreders van de wet op brute wijze vermoord?"

"Hij is niet slecht, hij is gewoon… Een beetje wreed, alleen…"

Ik zuchtte geërgerd en probeerde hem aan de kant te duwen, maar hij pakte me bij mijn polsen.

"Je kunt maar beter hier in je kamer blijven. Je komt toch niet ver." Zuchtte hij.

"Wat maakt jou dat uit? Dan ben ik in elk geval niet weg. Het ergste wat er kan gebeuren is dat mijn vader weer in een knuffelige bui is."

"En dát is het nou juist. Ik vind het afgrijselijk om te zien hoe hij met je omgaat. Als zijn knuffeldiertje, zijn spelendingetje. Blijf alsjeblieft hier…"

"Dat is erger voor mij dan voor jou ho-."

"Dat kan jij niet weten. Je weet niet hoe het voelt om een jaloerse man te zijn."

Bij die woorden drukte hij zijn koele lippen tegen de mijne.


Vandaag niets interessants te melden. Kijk op mijn profiel voor een link naar de foto's van de karakters, die staat helemaal onderaan. Bedankt voor het lezen en ik zal binnen twee dagen een update plaatsen!

xx