Eri Rainstreet (15) – District 3
Starend doorkruis ik het bos van de arena, voelend hoe mijn schoenen bij iedere stap die ik zet een centimeter in het zachte mosbed lijken te zakken. Ik probeer mijn blik zo min mogelijk van de grond af te halen en speur de aarde onder plichtsgetrouw af naar eetbare planten. Maar mijn omgeving lijkt me steeds af te leiden, het is anders dan iedere arena die ik ooit heb gezien. Het is allemaal zo echt, zo natuurlijk. Alsof ik helemaal niet opgesloten zit in een arena, alsof ik helemaal niet in een spel zit waarin vierentwintig kinderen elkaar moeten vermoorden.
Het is ook zo anders dan thuis, deze natuur is bijna het tegenovergestelde van het vervuilde landschap van district drie. Haar stoffige, mistige lucht, haar grijze rivieren. Nee, hier is het prachtig.
Het is een bos, maar de bomen staan niet benauwend tegen elkaar. Er is net genoeg afstand om de zon in flikkerende vlekjes door de bladeren te laten schijnen, en op de aarde te laten vallen. De aarden grond is hier in daar bedekt met gras, maar veelal bedekt met mos. Er groeien plantjes, struikjes, maar geen eetbare planten die ik herkend heb van de trainingsdagen. De bomen zijn, net als de muren van het doolhof, bijna compleet bedekt met klimop. Weelderig maakt het zijn weg naar boven totdat het uiteindelijk overgaat in de groene bladeren. Het is alsof de natuur hier helemaal zijn vrije loop heeft mogen gaan, groeien waar ze wilt, onkruid of geen onkruid, maar tegelijkertijd weet ik dat het allemaal gemaakt is door de spelmakers. Hoe mooi het ook is, het is allemaal nep.
En daarom minstens zo gevaarlijk. Ik mag me er niet door laten misleiden, ik heb wel andere dingen aan mijn hoofd dan wat bomen, belangrijkere dingen.
Ik zak met mijn knieën in het mos, wat als een waar kussen aanvoelt, als ik een klein struikje onderaan een boom zie. Kleine, felgele bessen hangen aan de takken van een onschuldig uitziende plant. Maar de bessen zelf lijken nog een fellere kleur geel te hebben dan het buisje dat ik als een armbandje om mijn pols draag. En als het even gevaarlijk is als dat, klinkt mijn kanonschot na één hap al door de arena.
Voorzichtig pluk ik een trosje van de struik, en denk bijna de spelmakers vanuit de controlekamer in het Capitool te horen schreeuwen, hopend dat ik een van de dodelijke bessen in mijn mond steek. Of de niet zo dodelijke bessen, dat is de vraag.
"De goede bessen zijn allemaal rood, van alle andere ga je-"
Ik maak de woorden van de instructeur niet eens af in mijn hoofd, ik zucht en werp het takje op de grond. Ik kan geen risico's nemen met onbekende plantensoorten. Ik moet iets vinden wat ik ken, wat ik heb gehad bij de trainingsdagen. Maar alle besproken planten, wat er echt duizend lijken te zijn, zijn afwezig in deze arena. Zelfs wat water lijkt afwezig te zijn in de arena, en mijn keel lijkt iedere seconde weer wat meer uit te drogen. Slechts klimop en mos, en nog meer klimop.
Dus nog geen tien minuten nadat ik mijn zoektocht naar eetbare planten ben begonnen, maak ik hier alweer een einde aan. We hebben alle drie vanochtend goed ontbeten én we hebben nog crackers. Maar dat zijn niet de redenen waarom ik stop, met alleen die redenen zou ik uren door kunnen blijven zoeken totdat ik een bruikbaar plantje heb gevonden. Ik ben niet iemand die zo snel opgeeft. Maar ik kan ik de gedachte aan Yeatee geen seconde langer meer onderdrukken. Ik weet niet waarom ik me zo verantwoordelijk over hem voel maar iedere minuut dat ik niet naast hem zit lijkt verkeerd, enorm verkeerd. Dus ik graai snel de takjes die ik eerder verzameld heb voor een kampvuur bijeen, stop deze in mijn zak en begin weer terug te lopen naar de rotswand, waar ons kleine kamp is opgezet.
Na het bloedbad zijn we richting het noorden de arena in vertrokken, met slechts een machete en een kleine rugzak met daarin een pakje crackers, een lege fles, een magnesiumstick en een simpel zakmes. Gabriël hield Yeatee onder zijn armen vast en ik probeerde zijn benen zo goed mogelijk te ondersteunen, wat nog een hele klus was. Uiteindelijk kon ik hem alleen bij zijn linkerbeen vastpakken, zijn rechterbeen bungelde wat onder zijn lichaam, duidelijk gebroken. Bij het aanzicht van iedere gang na iedere hoek steeg onze wanhoop, denkend dat we nooit het doolhof uit zouden komen, zeker niet op ons trage tempo. Maar uiteindelijk behaalden we de uitgang, compleet afgepeigerd.
Hij huilde de hele tocht, niet op de wanhopige, schreeuwende manier als in het bloedbad, maar zachtjes en hartbrekend. Iedere tien meter na het doolhof vroeg ik Gabriel of we konden stoppen, ik kon zijn gecrepeerde gezicht niet langer aanzien. Maar we moesten verder, weg van het bloedbad, weg van de beroeps. Tot we uiteindelijk aankwamen bij de rotswand. Donker, vele meters hoog, compleet verticaal en onbeklimbaar, zelfs niet met de klimop die het hier en daar bedekt.
Daar konden we pas Yeatee neerleggen, hem de rust aanbieden die hij nodig heeft, maar niet de verzorging. De sneeën in zijn borst waren niet zo diep als we in eerste instantie gedacht hadden, maar onbehandelbaar zonder medicijnen van sponsors. Hij kan zijn been nauwelijks bewegen, en iedere beweging zorgt voor een verschrikkelijke pijn. En tenslotte is zijn linkeroor niets meer dan een gapend, bloedend gat waar hij niets meer mee kan horen. We hebben sponsors nodig, want in onze rugzak zat niets om Yeatee mee te kunnen verzorgen. Maar sponsors zullen we waarschijnlijk nooit krijgen met onze mentor.
Het is verschrikkelijk, en nog verschrikkelijker dat ik niets voor hem kan doen. Ik heb aan hem beloofd hem te beschermen, voor hem te zorgen en bij hem te blijven. Maar ik kan niks doen, hem niet beschermen, hem niet vezorgen. Ik kan nu enkel bij hem blijven, en zelfs dat doe ik nu niet.
Enkele bomen verderop zie ik al de boom waarin Gabriël met zijn machete een kruis heeft getekend, om de weg terug te vinden, en daarachter zie ik de eindeloos lijkende rotswand al verschijnen. Hij lijkt eindeloos, maar eerder kon ik vanuit de laatste gang in het doolhof bomen bovenaan de rand van de rotsmuur zien, en kon ik zien dat hij lager wordt naarmate je naar rechts gaat. Bovendien zit er verder links een hoek in, en loopt het aan de westkant van het doolhof weer af. Via die wegen kan je waarschijnlijk naar boven, want de wand beklimmen is onmogelijk.
Ik versnel mijn pas maar kijk voordat ik de laatste bocht neem nog schuchter over mijn schouder heen, gewoon voor de zekerheid, iets wat ik vaker doe dan me lief is. Uiteindelijk kom ik aan op de kleine open plek die ingesloten is door de hoge loofbomen en begroeide rotswand. Maar de plek is verlaten.
"Gabriël?"
De naam verlaat eerst op een klein volume mijn lippen terwijl ik geschrokken om me heen kijk. Ik sprint naar het midden van de kleine open plek en ga ieder plekje bij iedere boom na, hopend om ook maar een glimps van Yeatee of Gabriel op te vangen. Maar het enige teken wat ik kan vinden zijn Gabriëls legergroene jas en onze rugzak, met alle inhoud er nog in, liggend bij een van de rotsen waar we eerder op zaten. Geen spoor van Yeatee en Gabriël zelf.
Schreeuwen in de arena is zowat het domste wat je kan doen, de beroeps kunnen ieder moment beginnen met hun patrouilles, waarin ze iedere tribuut die ze vinden zonder twijfel vermoorden. Maar toch neemt samen met mijn wanhoop het volume van mijn stem op een moordend tempo toe.
Ik voel mijn adem tegen mijn borst aandrukken en steeds maar sneller worden, de paniek lijkt het over te nemen en met alle kracht die ik in me heb schreeuw ik Gabriëls naam uit. Mijn droge keel lijkt uit elkaar te scheuren als ik het hese geschreeuw eruit forceer, maar ik blijf radeloos roepen. Doodsbang dat mutilanten, de beroeps, wat dan ook ze hebben meegenomen. Doodsbang dat ze niet meer leven.
Ik zet die gedachte direct uit mijn hoofd en besef me meteen dat er geen extra kanonschot is afgevuurd sinds de afloop het Bloedbad. Ze leven nog, maar dat hoeft niet meer lang te duren.
Opeens voel ik hoe mijn bovenarm vastgepakt wordt, en voordat ik het geschreeuw naar Gabriël ook maar kan omvormen tot een ijselijke kreet voel ik al hoe een klamme, sterke hand op mijn mond gelegd wordt. Mijn geschreeuw wordt direct gedempt, maar ik stop niet met schreeuwen. Doodsbang dat ik in de grip van een beroeps ben terechtgekomen begin ik met spartelen. Wild sla ik met mijn armen om me heen, proberend het gestalte achter me te raken.
Tranen rollen van mijn wangen, maar ik weiger op te geven. Ik weiger mezelf zomaar te laten vermoorden door een of andere beroeps zonder te vechten, hoewel ik inzie dat dat me misschien toch te gebeuren staat. Maar dan hoor ik een vertrouwde, hijgende stem in mijn oor.
"Eri, rustig! Stop alsjeblieft met schreeuwen!"
Mijn lichaam verslapt meteen en direct draai ik me om om vervolgens in Gabriëls armen te vallen. Ik wil duizend dingen tegen hem zeggen maar even is mijn keel afgeknepen voor woorden, en kan ik alleen snikken. Maar dat verandert al snel als de gedachte aan Yeatee ineens in me opkomt.
"Waar is Yeatee?!" snauw ik hysterischer dan verwacht. Ik duw me af van Gabriël en voel de frons op mijn voorhoofd ontstaan als ik hem ernstig aankijk. Weer begint de angst door mijn lijf te gieren. Het is niet zo plots als net maar lijkt langzaam door mijn lichaam te verstrengelen tot ik uiteindelijk bijna Yeatee's levenloze lichaam al kan zien, opgetild door een hovercraft.
"Yeatee is binnen, kom mee," antwoord Gabriël met een kleine grijns, mijn hysterie negerend. Ik kijk ongelovig toe hoe hij omdraait en met een langzame tred naar de rotswand toe wandelt, maar ik voel ook de irritatie oplaaien. Wat is hier in vredesnaam aan de hand?
"Hoe bedoel je binnen?!" spurt ik uit, even verbluft als geïrriteerd door Gabriëls nonchalante houding. Maar hij loopt gewoon door alsof hij me niet hoort. "Gabriël blijft staan! STOP!"
Pas bij mijn laatste kreet, die zo'n volume heeft dat er vogels in nabije bomen plots opvliegen vanuit de bladeren, draait hij zich om.
"Ik eis dat je me verteld wat er aan de hand is!" zeg ik woedend. "Eerst kom ik aan bij ons kamp, ons verlaten kamp. Dan sta je opeens vanuit het niets achter me en ik weet nog steeds niet waar Yeatee-"
"Wil je stoppen met schreeuwen? Of je moet willen dat de beroeps vanavond als eerste naar deze plek komen," antwoord Gabriël nu ook lichtelijk geërgerd terwijl hij dichterbij komt.
"We blijven hier niet eens vannacht," antwoord ik nors en verongelijkt.
"Oh, dat denk ik wel." Gabriëls eerdere grijns verschijnt weer op zijn gezicht. "Ik heb een schuilplaats gevonden."
De frons op mijn gezicht wordt nog heviger, omdat geen van mijn vragen nog beantwoord zijn. Er komen slechts meer nieuwe vragen bij.
"Maar we zouden wegtrekken nadat-"
"Vertrouw je mij, Eri?" onderbreekt hij me.
"Ja, maar Gabriël ik weet-"
"Volg me dan."
Hij draait om om vervolgens weer richting de rotswand te lopen. Ik zou willen dat ik hem helemaal kon vertrouwen en hem rustig zou kunnen volgen, maar het beeld van het mogelijke lijk van Yeatee staat nog op mijn netvlies gebrand, en alle vragen blijven zeer aanwezig in mijn hoofd hangen. Maar ik besluit te zwijgen, en Gabriël te vertrouwen, zoals ik zei dat ik het deed.
Een paar meter voor de rotswand zakt hij neer bij een van de twee rotsen waar wij eerder op zaten, en pakt hij zijn jas en de rugzak. Vervolgens loopt hij verder naar de wand. Mijn pas wordt langzamer als ik met sceptische blik toekijk hoe Gabriël enkele klimopplanten van de wand wegschuift, en er een donkere spleet tussen de rotsen tevoorschijn komt. Een grot.
"Dames gaan voor," mompelt Gabriël met een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. Ik werp een korte blik over mijn schouder, de begroeide bomen afzoekend naar een mogelijke andere tribuut, en stap vervolgens de gleuf tussen de rotsen in. Waarna Gabriël al snel achter me volgt, de klimop weer dicht laat vallen en bijna al het licht van me onttrekt.
"Yeatee ligt binnen, ik heb het comfortabel voor hem gemaakt. Voor hoeverre hij het comfortabel kan hebben natuurlijk." Ik knik toestemmend, maar weet dat hij het door de duisternis niet kan zien. "Maar het goede nieuws zul je snel genoeg zien."
Rustiger door de zekerheid dat Yeatee oké is, vooral dat hij nog leeft, kan ik me focussen op het licht in de grot, of eigenlijk het gebrek eraan. Aftastend maak ik mijn weg door de smalle grot, mijn vingers bewegend langs de vochtige muren, hier en daar bedekt met mos. Ik moet met mijn ogen knijpen om enige vormen te kunnen onderscheiden, en mijn ogen lijken maar niet gewend te worden aan het licht, totdat ik enkele meters verderop licht tegen de rechterwand aan zie schijnen. Licht met een diepblauwe gloed, licht dat in vlekjes beweegt tegen de muur. En ik weet wat dat betekent.
"Water."
Het woord verlaat vol opluchting mijn lippen, en het lijkt alsof ik Gabriël achter me hoor glimlachen. Ik versnel mijn pas nu ik ongeveer kan zien waar ik naartoe moet bewegen, en als de gang uiteindelijk op de plek waar het licht tegen de rotswand aanschijnt naar links buigt, kan ik eindelijk zien waar het licht vandaan komt. Waar het water is, waar onze schuilplaats is en waar Yeatee is.
De grot is ruimer dan de smalle gang, maar nog steeds is het een kleine ruimte, niet veel groter dan mijn slaapcoupé in de trein naar het Capitool, alleen wel een stuk hoger. Het grootste deel van de ruimte is water, maar aan de kant waar ik de grot binnenkom zit een brede strook land dat Gabriël heeft uitgeroepen als ons kamp. En is verschrikkelijk vochtig in de ruimte, waardoor de muren en grond ook soms bedekt is met mos, zoals het kleine mosbed waar Yeatee bijna in dezelfde positie waarin ik hem het laatst heb gezien opligt.
Het blauwachtige licht komt vanuit een breed gat in het plafond aan de andere kant van de ruimte, en verlicht zwakjes maar goed genoeg de serene ruimte. Het is compleet stil, evenals het water. Het enige wat ervoor zorgt dat de stilte in de ruimte doorbroken wordt, en de stilte van het water, zijn de druppels die iedere seconde vanaf de langste stalactiet op het plafond naar beneden vallen. Iedere keer op dezelfde plek in het water, wat zorgt voor een golvende cirkel in het water en een klein geluid. Het enige geluid in de grot, tot Gabriël de overige stilte doorbreekt.
"Fantastisch, hè! Ik wist eerst ook niet wat ik zag, ik dacht dat het een val was," zegt Gabriël als we samen vanuit de verhoogde ingang naar de lagere grond in de grond springen.
"Hoe weet je nu dan dat het geen val is?" mompel ik half binnensmond, nog steeds om me heen starend, vol ontzag voor de mysterieuze omgeving. "Misschien is het water wel giftig."
"Dan was ik onderhand nu wel opgehaald door de hovercraft, en Yeatee ook."
Als hij Yeatee's naam uitspreekt verplaatst mijn blik zich automatisch naar hem. Hij heeft zijn oogleden, omringd door flinke wallen, gesloten en lijkt roerloos op de grond te liggen. Als je heel goed kijkt zie je hem ademen, maar zijn borst gaat nauwelijks op en neer. Zelfs iemand met de minste ervaring over geneeskunde zou kunnen zien dat het niet goed met hem gaat, dat hij op het randje van zit van leven en dood.
"Dat is echt gigantisch stom, je moet niet zulke risico's nemen," antwoord ik na een korte stilte, maar mijn woorden komen er somber uit en verliezen hun kracht door mijn zachte, zuchtende toon.
"Adelaide zei tegen me dat je juist af en toe risico's moet nemen, dat er nog nooit iemand de Spelen heeft gewonnen met het spel veilig te spelen."
Ik negeer Gabriels zoveelste wijze woorden van Adelaide, die werkelijk iedere tien minuten wel een keer langs komen. Ik weet dat ze erg nuttig zijn, zowel voor hem als voor mij, maar nog steeds voel ik de jaloezie die ik op de trainingsdagen ook voelde. Gabriël met zijn geweldige mentor die hem alles, maar dan ook alles vertelde. En Yeatee en ik zaten opgescheept met Ren Antlage, die alleen maar aan het roken en drinken was. Ik vond het toen niet eerlijk en vind het nog steeds niet eerlijk. Je zult zien dat Gabriël dadelijk degene is die sponsors binnenkrijgt. Hopelijk ziet Adelaide in dat Yeatee nu degene is die de sponsorgiften nodig heeft.
Ik ga neerzitten bij Yeatee. Mijn rossige, springerige haren vallen voor mijn blikveld als ik me over hem heen buig, om hem beter te kunnen bekijken. Hij is zo fragiel, zo hulpeloos en lijkt nog kleiner dan dat hij al is. De jongste tribuut van deze Spelen, en waarschijnlijk degene die het meeste moet lijden, terwijl ik hem had moeten beschermen. Na een lange stilte besluit ik te reageren op Gabriël.
"Je eigen leven op het spel zetten is je eigen keuze, maar toen je deze grot ging verkennen liet je Yeatee gewoon alleen achter op het open veld. Toen heb je zijn leven op het spel gezet," zeg ik bars, maar met een duidelijke brok in mijn keel.
"We hebben nu toch de grot? Het is toch beter dat ik ben gaan verkennen?" Stilte volgt, enkel drie duidelijke druppels die door de kleine grot heen galmen. "En ik heb zijn wonden schoongemaakt met water."
"Doe het gewoon niet meer, oké?" Bij het laatste woord draai ik mijn hoofd om naar Gabriël, om te zien of hij ermee instemt. Met een kleine zucht knikt hij ja, en gaat hij vervolgens op een van de stenen bij de ingang zitten, waarna ik me weer tot Yeatee wend. Dan is het weer stil, seconden, minuten, alleen het regelmatige geluid van de druppels, totdat Gabriëls stem zachter dan eerst opklinkt vanuit de stilte.
"Je kan verder niks meer voor hem doen, Eri." Ik merk dat hij er ook moeite me heeft om het te zeggen, lichtelijk stamelend en onzeker. "We hebben hem zo goed als we konden verzorgd. Nu is het of een sponsor of…"
Hij maakt zijn zin niet af, want we weten allebei wat de andere mogelijkheid is. De dood. Het is zo raar om erover na te denken dat Yeatee's dood eigenlijk altijd een zekerheid zou zijn als ik naar huis zou gaan, maar dat die dood altijd zo onwerkelijk leek. Zo ver weg. En nu ligt hij hier dood te gaan, terwijl ik heb beloofd hem te beschermen, maar eigenlijk wetende dat hij dood zou moeten.
Ik wil niet dat Yeatee doodgaat, maar ik moet eerlijk tegen mezelf zijn. Yeatee zal dood gaan, is het niet vandaag dan een van de aankomende dagen. Ik moet zelf dit spel spelen, deze Hongerspelen overleven. Er is niets meer wat ik voor Yeatee kan doen dan hem laten rusten, en bij hem blijven. Voor nu, moet ik even aan mezelf denken als ik ooit mijn moeder weer wil zijn, mijn zusje weer wil zien.
Ik onderdruk mijn tranen en probeer de brok in mijn keel weg te slikken. Er is iets wat me te doen staat, iets belangrijks. Iets wat de afgelopen uren onbelangrijk leek en naar de achtergrond werd gedreven, maar wat misschien wel mijn belangrijkste middel is de Spelen te overleven. Om de Spelen te winnen. Mijn mogelijke redding.
En dat alles zit aan een simpel vetertje aan mijn linkerpols.
"Gabriël, we moeten het ergens over hebben."
Declan Murray (16) – District 9
Na een paar uur met Emerald heb ik wel één ding geleerd, zwijgen. Terwijl we vanaf het Bloedbad in de arena inliepen, en de vele uren daarna, heb ik het zeker niet in één keer geleerd, o nee. Ik heb nog heel wat keren geprobeerd een praatje met haar aan te knopen. Eerst wat over het Bloedbad, maar daar wilde ze niet over praten. Over de arena, wilde ze niet over praten. Uiteindelijk begon ik al te begrijpen dat gezellig kletsen niet zou gaan gebeuren, en begon ik wat meer zakelijke onderwerpen aan te knopen. Waar we ons kamp zouden opzetten, waar we water zouden kunnen vinden, waar voedsel, en hoe het ging met haar hand, die een grillig bloedspoor achterliet. Maar ik ontving slechts geïrriteerde blikken en norse grommen als reactie. Dus nu zwijg ik, en loop ik stoïcijns achter haar aan.
Ik heb geen flauw idee waar ze ons naartoe leidt, en ik weet ook niet of zij dat wel weet. Ik weet alleen dat we al minstens vier uur aan het lopen zijn, ongeveer in zuidelijke richting. Ik weet dat ik dorst heb, dat ik doodmoe heb en dat mijn buik langzaam begint te knorren. Maar ik weet ook zeker dat als ik ook maar één van die dingen zeg, dat niet zal resulteren in een pauze. Misschien zelfs het tegenovergestelde. En ik durf eigenlijk ook niet goed tegen haar in te gaan. Ze is nogal… intimiderend. Vooral nadat ik haar in het Bloedbad heb meegemaakt. Ze leek wel een monster, ze leek wel een beroeps.
De manier waarop ze met het meisje uit twee vocht, hoe ze haar nek bijna uit de kom rukte met een grote grijns op haar gezicht. Ik was doodsbang, nog meer voor het feit dat zij mijn bondgenoot is dan dat het meisje uit twee mijn tegenstander is. En wat ik me nog meer afvraag is waarom een meisje zoals zij mij als bondgenoot nodig heeft. Ze zag er zeker uit alsof ze het alleen kon, nu nog steeds.
Ze houdt met haar rechterhand haar bloedende linkerhand vast terwijl ze op een stevig tempo doorstapt. Het bloedt niet meer zo hevig als in het begin, de wond in haar handpalm is uiteindelijk niet zo diep als ik dacht, maar haar pink daarentegen is niet meer te redden. Ons enige wapen, de pijl van het meisje uit twee, heeft ze in haar jaszak zitten, klaar om te grijpen als het nodig is.
Ik kan haar gezicht niet zien, omdat ze meters voor me loopt, maar de irritatie is aan alle kanten te merken. Natuurlijk heeft ze genoeg redenen om chagrijnig en geïrriteerd te zijn, het hele Bloedbad was een fiasco. En ik snap ook wel dat ze boos is op mij, waarschijnlijk had ze het meisje uit twee wel kunnen vermoorden als ik me iets beter vermande. Maar alles kwam gewoon zo onverwachts, ik wist helemaal niet dat Emerald iedere willekeurige beroeps wilde gaan vermoorden in het Bloedbad, mijn idee was gewoon om te vluchten. Maar natuurlijk luisterde ze niet naar mij.
Nee, ik hoef de uitdrukking op haar gezicht niet te zien om te merken dat ze woedend is. Het is de manier waarop ze steeds zwaar geërgerd haar haren van haar bezwete nek weg wrijft. De manier waarop ze bijna niet over de aarde loopt maar stampt. En de manier waarop ze af en toe omkijkt, en me in haar ooghoeken verbeten aankijkt, waarschijnlijk kijkend of ik er nog ben.
En ik vraag me af of ik er nog wel zal zijn als dit zo zal blijven.
"We moeten water vinden."
Haar stem klinkt mompelend vanuit de verte, maar is wel duidelijk te horen. Meteen begin ik in mijn hoofd te zoeken naar een goed geformuleerd antwoord om terug te zeggen, om haar niet nog bozer te maken. Meerdere antwoorden schieten door mijn hoofd, maar worden allemaal afgewezen. Secondes gaan voorbij, nog zonder antwoord van mijn kant, waardoor ik lichtelijk begin te panikeren. Maar ik weet gewoon echt niet wat ik-
"Ik zei," herhaalt ze norser dan eerst. "We moeten water vinden."
"Ik- Ik weet het," antwoord ik zacht en enigszins stamelend.
Geen reactie, alsof we helemaal geen woorden hebben uitgewisseld. We blijven enkel doorlopen langs de met klimop begroeide bomen die steeds dichter bij elkaar komen te staan naarmate we verder komen.
Dit is onzin. We zijn een bondgenootschap! Ik heb net zo veel te zeggen als zij, en ik heb echt totaal geen reden om bang voor haar te zijn. Ze gaat me echt niet vermoorden omdat ik wat inbreng geef, of kritiek heb op haar beslissingen. Nee, ik moet voor mezelf opkomen.
"Hadden we, uh, niet beter naar het dorpje kunnen gaan eerder, toen we dat zagen aan onze linkerhand?" begin ik zachtjes, maar hoe verder ik kom in de zin, hoe meer mijn volume toeneemt en hoe zelfverzekerder ik wordt. "Ik dacht dat ik daar een waterput zag, en een wa-"
Voordat ik mijn zin af kan maken onderbreekt haar stem de mijne, stopt ze ineens met lopen en draait ze om, waardoor ik bijna tegen haar aanloop. Ik schrik, en voel de angst lichtelijk oplaaien, maar weiger me uit het veld te laten slaan.
"Daar zijn alleen maar vallen, als je dood wilt dan-"
"En wat als het geen val was? Wat als je daar wel echt water kon vinden?"
Ik zie aan haar dat ze niet verwacht had dat ik haar zin zou onderbreken. Even peilen we elkaar, en ik probeer mijn ontzag voor haar zo goed mogelijk te verbergen. Maar ze lijkt dwars door me heen te kijken.
"We gaan rechtdoor," zegt ze streng. Maar voordat ze om kan draaien bereikt mijn weerwoord haar al, ik zeg het bijna onderbewust zodat ik er zelf van schrik.
"Nee." Haar blik beweegt zich langzaam naar de mijne, vol ongeloof dat ik daadwerkelijk voor mezelf ben opgekomen. En dat ongeloof voel ik zelf ook. "We zijn bondgenoten, ik de jouwe en jij de mijne. En dat betekent niet dat jij de baas bent over alles en ik slechts naar jou moet luisteren. Als dat zo is ga jij maar fijn rechtdoor en dan ga ik naar het dorp voor water. En dan zien we vanzelf wel wiens naam er vanavond in de lucht staat."
Ik kan bijna niet geloven wat ik net heb gezegd, en hoewel ik de adrenaline door me lijf voel stromen en het zo goed voelt dat ik eindelijk voor mezelf ben opgekomen, wordt ik ook ineens overmand door angst. Emerald heeft een pijl, Emerald kan moorden, en ik heb net zo'n beetje ons bondgenootschap opgeheven, wat ons tegenstanders maakt.
Ik kan het niet helpen een kleine pas naar achter te doen, en alles in mijn lichaam zegt me dat ik moet wegrennen van haar. Maar ze doet niks, en blijft me slechts vol ongeloof aankijken, met een flinke frons op haar hoofd. Tot ze uiteindelijk haar mond opentrekt, kalmer dan ik verwachtte.
"Je hebt gelijk, sorry."
Verwachtend dat het ergste gaat komen zijn dit precies niet de woorden die ik dacht te horen. Ik stond al klaar om weg te rennen, mijn spieren in mijn benen al aangespannen, maar ik blijf verstomd staan. Na enkele seconden proberend deze plotselinge omslag een plekje te geven open ik mijn mond, vol ongeloof.
"Wat?!"
"Laat het me alsjeblieft niet nog een keer zeggen," antwoord ze zuchtend en verrassend kalm. "Ik moet meer naar je luisteren, Declan."
Ik kon eerder al niet uit mijn woorden komen, zoekend naar een weerwoord voor Emerald, maar nu is het al helemaal onmogelijk. Mijn brein lijkt deze woorden van haar gewoon niet te begrijpen, en enkel gestamel verlaat mijn mond.
"Wil je teruggaan naar het dorp?" zegt ze na een tijdje naar mijn zielige gemompel te hebben gekeken. Het is een lief gebaar, maar ik hoor de afkeer in haar stem, en zie hoe ze al in elkaar krimpt, denkend aan mij mijn zin te geven en naar het dorp te gaan. Ik weet op een of andere manier te slikken, en antwoord op Emerald te geven.
"Je wilt er echt niet naartoe, hè?"
"Ik zei toch, het zit daar helemaal vol met vallen," antwoord ze, weer iets geïrriteerder. Maar vervolgens lijkt ze dat zelf ook in te zien, en zijn haar volgende woorden weer rustiger, alsof ze echt probeert mij haar aardig te laten vinden. "Maar als jij dat echt wilt."
"Laten we hier in de buurt gewoon naar water zoeken, en niet gewoon stomweg in een rechte lijn naar voren lopen."
Ik hoor zelf de onzekerheid in mijn woorden, hoewel ik ze zo zelfverzekerd mogelijk probeer uit te spreken. Maar het voelt goed, het voelt goed om iets te zeggen te hebben in ons bondgenootschap. Ik weet niet waar Emeralds omslag ineens vandaan komt, ik weet ook niet of het tijdelijk is of dat ze de afgelopen uren gewoon enorm chagrijnig was door het Bloedbad, maar ik besef dat ik er nu maar gewoon van moet profiteren. Dan zie ik later wel hoe lang dit gaat duren.
"Wil je samen zoeken, of is het slimmer om te splitsen?" vraagt ze.
Ik denk even na over de vraag, afvragend of ze er misschien iets mee bedoeld, of splitsen misschien een plan van haar is om alsnog van me af te komen. Maar ik zet het al snel uit mijn hoofd. Emerald heeft laten zien dat ze moeite voor dit bondgenootschap wilt doen, ik moet erop vertrouwen dat dat echt was. Ik moet haar vertrouwen.
"Als we opsplitsen kunnen we in een groter gebied zoeken, dus ik denk dat dat slimmer is."
Ik schrik gigantisch als ze ineens de pijl uit haar zak haalt, en strompel automatisch nog twee stappen naar achter. Maar al snel zie ik dat ze de andere kant op loopt, en mag ik van geluk spreken dat ze mijn plotselinge doodsangst niet heeft gezien. Ze loopt naar een van de bomen en snijdt tot en met schouderhoogte alle klimop en mos ervan af, zodat de boom kaal is, en de oorspronkelijke bruine bast te zien is.
"We zien elkaar weer bij deze boom," zegt ze nadat ze voor de zoveelste keer haar bruine haar dat aan haar bezwete nek plakt geïrriteerd heeft weg gewreven en als ze haar bruine ogen op mij heeft gericht.
"Hoe weet je dat er geen andere bomen zijn zonder klimop?" vraag ik zachtjes, nog steeds ongewend om commentaar te geven op haar keuzes. En Emerald lijkt er ook nog aan te moeten wennen als ze even niet uit haar woorden weet te komen, omdat ze niet gedacht had dat ze haar acties moest onderbouwen.
"Die zijn er niet. Niet in de buurt in ieder geval, dus ga niet te ver weg," zegt ze wat kortaf, maar op een of andere rare manier lijkt ze ook wel bezorgd. "Laten we over ongeveer een uur hier afspreken. Natuurlijk kunnen we de tijd niet bijhouden, maar we moeten maar gewoon op elkaar wachten, en erop vertrouwen dat we beiden iets van gevoel voor tijd hebben."
Een kleine stilte valt, een ongemakkelijke stilte. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen voordat ik omdraai en vertrek, maar ik durf ook niet zonder iets te zeggen weg te lopen, en zij lijkt hetzelfde probleem te hebben. Uiteindelijk opent Emerald als eerste haar mond, en neemt ze glimlachend afscheid. Glimlachend.
"Tot zo, Delcan."
Ik besluit haar lach maar te beantwoorden met mijn eigen voorzichtige glimlach, terwijl ik nerveus mijn hand door mijn halflange, kastanjebruine haar haal.
"Tot zo," antwoord ik haar, waarna ze omdraait en wegloopt, en ik doe hetzelfde. Niet richting waar we vandaan kwamen, niet richting waar we naartoe liepen, maar naar links, en Emerald gaat de andere kant op.
"Oh, wacht, Declan," hoor ik ineens vanachter me. Ik draai me om en zie Emerald langzaam naar me toekomen, met de pijl in haar hand. En gek genoeg schrik ik er deze keer niet van, en denk ik er geen seconde aan of ze me aan gaat vallen. "Neem deze mee, ik red me wel zonder."
Voor ik het weet werpt ze me de pijl van een afstandje toe, en vang ik hem enigszins stuntelig en onhandig op.
"Dankje," zeg ik met een kleine lach op mijn gezicht, die er niet is omdat ik slechts haar glimlach wil beantwoorden, maar omdat het echt gemeend is. Dan draait ze voor de tweede keer om en sprint ze weg, langs de kale boom die we als ontmoetingsplek hebben gemarkeerd.
Als ze uit mijn blikveld verdwenen is wrijf ik snel met mijn shirt de enkele vlekken van Emeralds bloed van de pijl af. Vervolgens ren ik met de schacht van de pijl in mijn rechterhand geklemd de precies de kant tegenovergesteld aan die van Emerald op, en probeer ik een rechte lijn te volgen zodat ik de weg ook nog terug kan vinden.
Op een aardig tempo draaf ik langs de vele overgroeide bomen, die allemaal even veel op elkaar lijken. Af en toe is er een klein open plekje, met wat rotsen, wat meer zonlicht en dus wat meer variatie aan planten. Af en toe stop ik bij een van de onbekende planten om te zien of er iets eetbaars tussen zit, maar omdat ik dat onderdeel bij de training heb overgeslagen durf ik niets mee te nemen.
De minuten vliegen voorbij, en iedere boom doet me weer aan een vorige denken, iedere open plek lijkt exact dezelfde te zijn als degene waar ik zojuist de grond heb afgespeurd naar bessenstruiken. Steeds meer lijk ik de weg kwijt te raken, samen met de tijd. En als ik na wat voor mij een halfuur leek weer terug wil gaan naar de afgesproken plek, zonder water en voedsel en met de veronderstelling dat de terugweg ook een halfuur gaat duren, besef ik me dat de richting die ik voorheen als terug had beschouwd, me misschien wel eens verder weg van Emerald zou kunnen drijven.
Mijn hoofd schiet alle kanten op, hopend dat ik misschien ergens in de verte een punt van herkenning kan vinden. Misschien zelfs de kale bast van de boom, misschien zelfs Emerald, maar alles tevergeefs. Ik probeer met al mijn kracht de paniek te onderdrukken, en weet dat ik rustig moet blijven in dit soort situaties. Maar als ik voel dat mijn ademhaling langzamerhand al sneller wordt, komen de volgende symptomen van paniek vanzelf.
Ineens lijkt de realiteit in een klap tot me te komen. In de zoektocht naar water en voedsel zit je in een soort roes, in de tocht vanaf het Bloedbad evenzeer, en toen had ik de zekerheid van mijn bondgenoot. Maar op dit moment ben ik alleen, verdwaald, in een arena met zeventien mensen die mij dood willen hebben en dan ben ik nog niet eens begonnen over de mutilanten. En het enige wat ik heb is een botte pijl.
De eerste richting die mijn ogen vinden markeer ik als de goede, en ik begin te rennen. Harder dan eerst en vol paniek. Om de twee seconde kijk ik over mijn schouder, bang voor de aanwezigheid van een andere tribuut of een mutilant, en ik kijk nauwelijks nog naar de onregelmatige aarde zodat ik enkele keren bijna met mijn neus in de mos val.
Paniek, totale paniek. De bomen lijken opeens allemaal zo dichtbij te staan dat ze op me afkomen, de zon lijkt gestopt te zijn met schijnen en overal om me heen lijk ik voetstappen te horen. Voetstappen van combatschoenen, voetstappen van verschrikkelijke monsters, alles tegelijk. Ik voel mijn adem schokken in mijn uitgedroogde keel, mijn hart lijkt in mijn hoofd te bonzen maar ik blijf rennen, totdat ik voor de zoveelste keer achter me kijk, en over een uitstekende rots struikel.
Met een klap kom ik neer in de vochtige aarde, maar voel meteen dat deze niet vlak is als eerst, maar de grond loopt af. Voordat ik me kan vastgrijpen aan een van de nabije boomstronken begin ik al naar beneden te tuimelen, en kan ik alleen maar bewegende schimmen om me heen opmaken als ik constant om mijn as blijf draaien. Ik voel mijn armen en rug langs de aarde schuren, mijn borst meerdere malen tegen harde obstakels aan knallen, maar de pijn daarvan wordt overmand door al het draai, de duizeligheid, de paniek. Tot het gedraai ophoudt, en ik voel hoe mijn lichaam plots stil blijft liggen in tegenstelling tot de wereld om me heen, die alsmaar blijft draaien.
Even blijf ik liggen, met een tollend hoofd en een krachteloos lichaam dat geleidelijk de pijn begint te voelen. Dan voel ik een enorme hoestbui opkomen, waardoor ik bijna in een reflex mijn lichaam omdraai en met mijn hoofd richting de grond begint de hoesten. Mijn mond is gevuld met aarde, evenals mijn gezicht, handen en het lijkt zelfs mijn zicht te belemmeren. Ik merk al snel dat ik de pijl niet meer vast heb in mijn hand, maar de pijn weerhoudt me ervan om het meteen te gaan zoeken. Ik voel een drukkende pijn in mijn borst en mijn hoofd lijkt ineens een ton te wegen, maar gelijkmatig wordt het draaien om me heen minder, en zie ik hoestend en proestend waar ik ben beland.
Een open plek, maar een veel grotere dan de vorige. Het licht van de zon lijkt te plek te overspoelen. Niet de enkele zonnestralen die zich door de bladeren van de bomen weten te wurmen verlichten de plek, maar een overvloed aan zonlicht, in dikke stralen. In tegenstelling tot de vochtige aarde en puntige stenen is hier de vloer helemaal bedekt met mos, iedere centimeter. Kleurrijke bloemen schieten hier en daar uit de grond, de eerste bloemen die ik in de arena heb gezien. Maar dat alles wordt onbelangrijk als ik het meertje in het midden van de open plek zie, omringt door lichtgrijze rotsen en vele bloemen.
Het lijkt alsof ik met mijn val in een andere werkelijkheid ben gekomen, en ik moet daadwerkelijk drie keer met mijn ogen knipperen om zeker te weten dat ik hier ben. En de drukkende pijn in mijn hoofd versterkt de gedachte nog eens dat ik met mijn hoofd tegen een rots ben aangekomen, en dat ik simpelweg last heb van een kleine hersenschudding. Het lijkt allemaal gewoon zo onecht, sprookjesachtig.
Nog steeds vol ongeloof dat deze plek echt is kruip ik naar de rand van het meer toe. Het mos onder mijn handen knieën voelen als een groot kussen aan, maar de rest van mijn lichaam probeert zich nog steeds te herstellen van de enorme tuimelval, nog steeds wat duizelig en licht in mijn hoofd.
Hoe dichterbij ik kom, hoe mooier en puurder het water lijkt te worden. Het is doodstil water, waardoor het bijna op een spiegel lijkt. Het weerspiegelt perfect de lichtblauwe lucht boven me, en lijkt daarom zelf ook puur blauw. Het weerspiegelt zelfs met ieder detail enkele bomen die de open plek omringen. Ik knijp met mijn ogen, zoekend naar een foutje in het perfecte tafereel, maar tevergeefs. Het is perfect. Maar hoe dichterbij ik kom, hoe droger mijn keel ook lijkt te worden, maar de perfectie van het water zorgt ervoor dat ik het ergens binnenin me niet vertrouw. Als Emerald het dorp al als een val zag, wat zou ze hiervan zeggen?
Terwijl ik nog steeds dichter en dichterbij kom wordt het dilemma alsmaar groter. Als we al het water dat we vinden aanzien als een val, dan drogen we binnen enkele dagen uit. Niet alles in de arena hoeft een val te zijn, en er is maar één manier op erachter te komen of het dat wel is. Ik zucht diep, Emerald zou me het nooit laten drinken.
Maar Emerald is er niet.
Als ik bij de rand ben aangekomen zet ik mijn handen op een van de koude, natte rotsen die het meer omringen. Voorzichtig buig ik mijn bovenlichaam over het water, en steek ik mijn rechtervinger al uit, klaar om het water een klein tikje op de oppervlak te geven, zorgvuldig en behoedzaam. Maar net, de milliseconde voordat ik het water aanraak, valt me iets op waardoor ik meteen geschrokken en doodsbang mijn hand weer naar achteren trek, maar het is te laat.
Ik zie mijn spiegelbeeld niet in het water.
Ik wil acuut naar achter kruipen, opstaan en wegvluchten van het behekste water, maar mijn ogen zijn er onlosmakend op gefixeerd als ik met mijn vinger het water heb aangeraakt. Een kring ontstaat, die groter en groter en groter wordt, en zo ook langs de plek komt waar mijn spiegelbeeld zou moeten zijn. En als de kring daar langskomt, verschijnt er ineens een gestalte in het water. Mijn gestalte.
Ik kijk mezelf aan, staar mezelf aan in mijn bruine ogen. Ik weet dat de mijne gevuld zijn moet angst, angst voor de gestalte in het water, maar in mijn spiegelbeeld zie ik daar niets van terug. Ik kijk zelfverzekerd, heb een lichte grijns op mijn gezicht waardoor de kuiltjes in mijn wangen zichtbaar zijn. Het gezicht is onbeschadigd en helemaal schoon, terwijl ik weet dat deze in de werkelijkheid geschaafd is en bedekt met modder. Ik weet dat het niet klopt, dat het mijn gestalte is in het water, maar dat het niet een simpele reflectie is. En toch blijf ik naar mijn spiegelbeeld staren, en heb ik bijna niet in de gaten dat ik mijn bovenlichaam steeds dichter naar het water beweeg.
De jongen in de reflectie, die jongen wil ik zijn. Die jongen is dapper, die jongen is zelfverzekerd. Die jongen weet wie hij is, wat hij moet doen. Hij is knapper dan ik, sterker dan ik, beter dan ik. Ik wil hem zijn.
Ik wil hem zijn.
Mijn ogen worden groter als ik dichterbij kom, en staren in de diepbruine irissen van de betere ik. Maar de ogen van mijn spiegelbeeld blijven hetzelfde, dezelfde zelfverzekerde, lichtelijk arrogante blik. Ik kom dichterbij, steeds dichterbij, en het feit dat mijn gezicht bijna de oppervlakte van het water aanraakt gaat totaal langs me op. Alles gaat totaal langs me op, niets lijkt belangrijk meer te zijn. Slechts het gezicht die ik steeds sneller nader, nader, nader.
De zenuwuiteinden in mijn gezicht voelen het ijskoude water tegen mijn gezicht aankomen, maar weigeren de informatie door te geven aan mijn hersenen. Ik sluit niet eens mijn ogen als ik dwars door de oppervlakte van het water ga, die voorheen een steenharde spiegel leek. Ook de gestalte in het water verdwijnt niet, en lijkt net zoals ik geen zier te geven aan de verandering van boven de oppervlakte naar onder de oppervlakte. Ik blijf maar staren in zijn ogen, wachtend op het moment dat we zullen verenigen. Op het moment dat ik hem kan zijn. Maar ondertussen wordt ik steeds dieper het water ingetrokken. Ik merk niet dat mijn lichaam na enkele seconden al begint te snakken naar adem, dat mijn borst schokkerig op en neer begint te bewegen. Ik blijf staren, enkel staren, terwijl langzaam de zwarte vlekken mijn blikveld over beginnen te nemen.
Tot ik ineens merk dat ik stop met zakken, terwijl mijn spiegelbeeld dieper en dieper de diepte in zakt. Ik wil erachter aan, maar ik zit vast in het koude water. Woede, paniek, wanhoop, alles binnenin me zegt dat ik achter de gestalte aan moet, maar ik merk slechts dat het verder van me afraakt, dat ik zelfs omhoog ga in plaats van omlaag.
Terwijl het gezicht van mijn spiegelbeeld stukje bij beetje begint te verdwijnen in de diepte kom ik langzamerhand ook weer in de realiteit. Ik voel het ijskoude water om me heen, zie de donkere, duistere diepte onder me, voel ineens de onbeschrijflijke verstikking en drang tot lucht en voel vooral dat iets me bij mijn enkels uit het water probeert te trekken.
Mijn lichaam wordt stukje voor beetje uit het water wordt getrokken, en ergens weet ik ook dat ik zo snel mogelijk uit dit water moet komen, maar ik kan de gestalte in het water niet uit mijn hoofd krijgen. Ik kan het niet loslaten. Zelfs met het gevoel van verstikking en terwijl ik voel hoe ik langzaam mijn bewustzijn kwijtraak begin ik tegen te stribbelen, maar het is niet sterk genoeg om mijn benen los te trekken.
Ik word het water uitgesleurd, en voel hoe de zachte omarming van het water plaatsmaakt voor scherpe keien in mijn buik. Mijn zicht is compleet zwart en mijn lichaam voelt levenloos aan terwijl de verwarring en chaos al mijn gedachten over de afgelopen gebeurtenissen overstemmen. Het enige wat ik direct doe als ik uit het water kom is hysterisch en in een reflex naar adem happen, en vervolgens al het water dat ik binnen heb gekregen proberen uit te hoesten. Pas vele seconden na waarin ik proestend op de grond lag begin ik weer dingen om me heen te zien, hoewel het beeld van mijn weerspiegeling nog steeds op mijn netvlies gebrand staat. Ik begin de pijn bij mijn longen nog vele malen sterker te voelen, en begin geleidelijk te beseffen wat er net allemaal gebeurd is maar hoor vooral een stem die ik meteen herken, en niet op een goede manier.
"Wat haalde je in je hoofd?!" Bij het aanhoren van haar stem, haar woeste, snauwerige stem, weet ik direct dat het Emerald is. "Ben je echt zo achterlijk dat je niet ziet dat dit een val is!"
Nog steeds hoestend lig ik op mijn buik naast het water, starend naar het groene mos onder me en mezelf afvragend hoe ik inderdaad hierin heb kunnen trappen. Water zonder spiegelbeeld, een weerspiegeling die iets anders doet dan jezelf. En om alles nog erger te maken besef ik me ook nog eens dat ik in mijn val de pijl, ons enige wapen, ben verloren.
"En als je merkt dat je door iets of iemand het water in wordt getrokken dan stribbel je tegen, Declan! Hoe kan je zo stom zijn!"
Zelfs als het hoesten is opgehouden en ik de kracht in mijn ledematen voel terugvloeien blijf ik in dezelfde positie liggen, ik heb er werkelijk alles voor over Emeralds blik nu te ontwijken. Maar na enkele seconden voel ik dat mijn bovenarm vastgegrepen wordt en Emerald me ruw overeind trekt.
"Sta op! We moeten verder, je bent helemaal nat en als je niet opdroogt bij een vuur voor de nacht valt, vries je dood," spurt ze als vanouds geïrriteerd uit.
De koude lucht omringd al snel mijn natte lichaam waardoor deze helemaal begint te rillen. Al klappertandend hef ik voorzichtig mijn blik op om Emerald aan te kijken, en zie ik haar woedende gezicht. Ergens verwacht ik dat ze ieder moment uit zal halen met haar goede hand en me een enorme klap in mijn gezicht geeft, maar dat doet ze niet. Ze doet haar jas vlug uit en werpt deze in mijn armen, haar blik star, maar ergens lijk ik te kunnen zien dat ze zorgen om me maakt.
"Doe deze aan," mompelt ze bevelend. "Je gaat het nog kouder krijgen dan dit het aankomende uur, dus bereid je maar alvast voor."
Ze draait om en maakt haar weg naar de rand van de open plek, klaar om weer verder te trekken, wat ik niet begrijp. We zijn al uren aan het zoeken naar water, en nu we het gevonden hebben heeft ze geen slok op. Met een trillende kaak open ik mijn mond, en een schrillig stemmetje verlaat mijn keel.
"M-moet je niet dr-drinken?" Zonder ook maar haar hoofd om te draaien of even te stoppen met lopen roept ze me haar antwoord toe.
"Denk maar niet dat ik ook maar één slok neem van dat water, ik zag hetzelfde als jij toen ik je probeerde te redden. Alleen ik ben niet zo stom om erin te trappen." En net als ik denk dat dat het laatste is wat ze de aankomende uren tegen me gaat zeggen, net als ik met mijn verkrampte ledematen achter haar aan wil gaan strompelen, draait ze woest om. "En denk maar niet dat jij ooit nog de pijl meekrijgt."
Ze wijst met de pijl in haar hand, en het valt me voor het eerst op dat ze hem heeft gevonden. Ik voel mijn waarschijnlijk lijkbleke gezicht rood aantrekken van schaamte, en begin langzaam achter haar aan te strompelen als ze ook weer is omgedraaid. Ze stampt weer woest op de grond als voorheen, ik zie dat haar hand door haar reddingspoging weer is begonnen met bloeden en om de zoveel seconden schudt of wrijft ze geïrriteerd haar ietwat natte haar uit haar bezwete nek. Totdat ze plots stopt, met een verbeten blik haar pijl vastpakt en in één enkele scheur haar lange, lichtbruine haar zo kort mogelijk afsnijdt, en het naast haar in het mos gooit. Als ze omkijkt ziet ze dat ik verstomd naar haar staar, en het hoopje haar op de grond.
"Wat? Nog nooit iemand zijn haar eraf zien snijden?"
Wat gestamel verlaat mijn mond, maar Emerald blijkt geen tijd te hebben om te wachten op een goed geformuleerd antwoord. Ze loopt weer door, op een tempo dat voor mij maar net bij te houden is. En terwijl de zon steeds verder achter de bomen zakt en we door de bossen struinen, zoekend naar een overnachtingsplek, besluit ik mijn oude tactiek maar weer te handhaven.
Zwijgen.
Pandora Ronan (13) – District 9
Mijn ogen zijn naar voren gericht, strak naar voren. Al minstens een paar uur kijk ik naar hetzelfde punt, nauwelijks knipperend, en geen millimeter bewogen. De lucht begint langzaam donkerder te kleuren, klaarmakend voor de nacht. Maar zelfs de ijskoude nacht zal me niet van mijn plek krijgen, ik zal hier blijven zitten. Zolang zij dat doet.
Mijn blikveld wordt enigszins belemmerd door de enkele bladeren aan de rand ervan, een nadeel van het schuilen in een struik. Maar ik kan haar perfect zien langs twee langwerpige bladeren van de wilgenstruik waar ik inzit.
Ze zit op een boomstam met haar armen om haar knieën heengeslagen. Ze zit zo al uren, maar niet zo roerloos als ik. Bij ieder minuscuul geluidje schiet haar hoofd alle kanten op, begint haar borst weer op en neer te gaan en begint ze hysterisch te huilen. En dat herhaalt zich zo ongeveer iedere tien minuten.
Wat zou ik toch graag de tranen in haar wangen willen snijden.
Ik merk dat mijn geduld steeds sneller opraakt. Het wordt nacht, de beroeps zouden heel goed kunnen gaan patrouilleren en het meisje zit in het midden van een gigantisch open grasveld, waar je vanaf een van de zes uitgangen van het doolhof recht op kan kijken. Dus als de beroeps beslissen die uitgang te nemen, zien ze haar direct en ben ik mijn slachtoffer kwijt. En dat laat ik niet gebeuren.
Maar ik kan niets doen, ik zit vast op mijn plek. Ik moet een mes hebben om haar te kunnen vermoorden. Een mes voor Hazel, een mes die alleen voor haar is, voor niemand anders. Ik kan haar niet met mijn blote handen vermoorden, ik moet een mes hebben. En dat heb ik niet.
Misschien had ik bij het bloedbad gewoon zo snel mogelijk naar het midden moeten rennen en een mes mee moeten graaien, dan had ik nu dit probleem niet gehad en lag het meisje al lang hier bij mij in deze wilgenstruik te krijsen van de pijn, haar geschreeuw gedempt door mijn hand. Ik kan werkelijk waar haar vertrokken blik al voor me zien, vol doodsangst, vol pijn. Haar donkerrode bloed dat samen met haar tranen langs haar gezicht naar beneden zal lopen. Ik kan me al helemaal voorstellen welke lichaamsdelen ik als eerste onder handen zal nemen, hoe ik haar gezicht zal verminken, mijn nagels in haar wonden zou steken, mijn tanden langs haar oogballen zal-
Stop. Pandora, stop. Je houdt jezelf dadelijk niet in de hand. Je moet kalm blijven.
Ik probeer mijn ademhaling, die samen met een bezeten blik heviger was geworden, langzaam weer onder controle te krijgen, en focus me weer op het meisje. Ze kijkt weer angstig om zich heen, eerst kijkt ze precies de andere kant op, waardoor ik haar lange, golvende, bruine haar kan zien. En daarna kijkt ze precies mijn kant op.
Haar grote, grijze ogen die zo ver opengesperd zijn dat ze uit hun oogkassen lijken te kunnen rollen. Haar ingevallen wangen, bleke huid en dunne, rozige lippen. Ik weet uit welk district ze komt, ik weet zelfs haar naam.
Hazel Tanngar, district twaalf.
Ze ziet me niet, natuurlijk ziet ze me niet. Maar ze blijft wel met haar geschokte blik deze kant opkijken. Ik voel mijn bloed letterlijk sneller door mijn aderen stromen als haar ogen vol angst op me gericht lijken te zijn, ik kan bijna de bloedspetters al van haar gezicht af zien rollen. Ik weet dat ik mezelf niet veel langer kan volhouden, dat er snel iets moet gebeuren waardoor ik haar kan vermoorden. Ik moet aan een mes komen, en ik weet precies hoe me dat gaat lukken.
Sponsors, ik heb sponsors nodig.
Maar waarom duurt het zo lang? Al uren geleden heb ik de camera die op mij gericht staat ontdekt, heb ik mijn grote, starende ogen op de glimmende lens van de camera gericht en in één enkele zin verteld dat ik een mes nodig had. Meer dan dat zou ik niet nodig moeten hebben. Het Capitool wilt moorden zien, en ik ga daarvoor zorgen. Dat wisten ze niet, maar dat heb ik ze toch duidelijk gemaakt net?
Misschien zijn ze allemaal misleid door mijn trainingsscore, door mijn houding in de interviews, misschien heb ik mijn rol als een onschuldig, zwak meisje té overtuigend gespeeld. Misschien wil niemand mij sponsoren.
Als mijn hele lichaam niet bevroren in een kleermakerszit zou zitten zou ik mijn handen in mijn haar zetten. Ik voel de radeloosheid de bloeddorst vergezellen binnenin me. De mensen weten niet dat ik een meedogenloze moordenaar ben, de mensen weten niet welke show ik voor ze in petto heb. De mensen weten niet dat ik Hazel eerst als een vriend, een bondgenoot toe zal naderen om haar vervolgens op het punt wanneer ze het het minst verwacht aan te vallen.
Als de mensen toch eens zouden weten wat voor dingen ik met haar ga doen, dan zou het hier regenen van de sponsorgiften. Maar dat weten ze niet, en door die gedachte voel ik mezelf langzaam doordraaien. Ik moet nu actie ondernemen, anders gaat het dadelijk misschien helemaal mis. Ik moet haar nu vermoorden.
Maar dan, net voordat ik op wil staan vanuit mijn kleermakerszit, en mijn verkrampte ledematen weer tot leven wil wekken. Hoor ik een zacht gepiep boven me, een zacht gepiep wat steeds dichter en dichterbij lijkt te komen en ieder moment bovenop me lijkt te kunnen vallen.
Voor het eerst wijk in mijn blik af van Hazel, en kijk richting het geluid boven me. De hele wereld lijkt ineens om te draaien door de plotselinge verandering van blikveld, maar één enkel ding kan ik onderscheiden uit de donkere chaos. Een zilverachtige parachute die met een licht gekraak terecht komt in de wilgenstruik, met daaraan een prachtig, glanzend mes van lichtgrijs zilver, dezelfde kleur als haar ogen. En in het heft blinkt een grote, karmijnrode robijn. Dezelfde kleur als haar bloed.
Een gigantische, maniakale grijns verschijnt vanzelf op mijn gezicht. De voorstelling kan eindelijk beginnen.
En dat was alweer het tweede arena-hoofdstuk! Heel anders dan het eerste natuurlijk, met alle beroepsdrama, maar toch vond ik dit ook heel erg leuk om te schrijven! Het was iets lastiger om de verhaallijnen uit te werken, omdat je eigenlijk totaal geen houvast hebt en werkelijk alles kunt doen, maar ik ben echt heel erg blij met hoe het hoofdstuk uiteindelijk is geworden! Ik kan me herinneren dat ik in de vorige AN zei dat dit hoofdstuk een lekker kort hoofdstuk zou worden. Ja, ik heb gefaald, haha! Vooral bij Declan, bijna 5000 woorden, maar meer is beter, toch? :)
De titel zei het al een beetje, dit hoofdstuk gaat over de belangrijkste bondgenootschappen náást de beroeps! Eri, Gabriel en Yeatee én natuurlijk Emerald en Declan! Twee hel verschillende bondgenootschappen, Gabriel en Eri kunnen het écht goed met elkaar vinden maar hebben wel een derde wiel aan het wagen, zielige kleine Yeatee. Én Eri heeft nog een extra iets achter de hand (wat eigenlijk in dit hoofdstuk moest komen maar het was al te lang, haha!)
En Emerald en Declan! Misschien nog wel leuker om te schrijven, ik vind het sowieso altijd heerlijk om vanuit Declan te schrijven. Emerald kwam vanuit haar eigen POV natuurlijk heel anders over, maar zo is Emerald ook! Als je gaat kijken hoe het Bloedbad voor haar ging, naja, daar zou ze niet echt tevreden mee zijn. En Emerald is best... pittig. Dus als ze chagrijnig is dan moet je niet bij haar in de buurt zijn! En daarnaast is hun bondgenootschap niet zo gemeend als die van Gabriel en Eri, maar dat zal later nog wel terugkomen... ;)
En natuurlijk Pandora! De eerste cliffhanger in de arena! En hij zal het volgende hoofdstuk direct opgelost worden! Ik zal nog niet bekendmaken wie Pandora nu uiteindelijk heeft gesponsord, dat bewaar ik voor het volgende hoofdstuk, haha! En wat er met Hazel gaat gebeuren zul je ook in het volgende hoofdstuk lezen!
En dan de puntentelling:
Laten we maar overgaan naar de puntentelling, anders wordt deze AN nog langer dan het hoofdstuk zelf:
Weer even voor de duidelijkheid:
Je krijgt 5 punten als je in het begin een tribuut hebt ingestuurd (2 tributen telt niet voor 10 punten, dat blijft 5)
Je krijgt 5 punten als je mijn verhaal followed
Je krijgt 2 punten voor een review (hier mag van alles instaan)
Je krijgt 3 punten voor een review waarin je tips geeft
Je krijgt 3 punten als je een strijdwagenkostuum hebt ingestuurd (2 kostuums telt niet voor 6 punten, dat blijft 3)
Jade Lammourgy - 86 punten
MyWeirdWorld - 86 punten
LauraTwilightHungergamesHPfan - 83 punten
Cicillia - 75 punten
Kirstenav - 72 punten
FF-Schwarz - 67 punten
greendiamond123 - 67 punten
sissihuys - 61 punten
JesseGabriel - 57 punten
NoxSelkirk - 59 punten
leakingpenholder - 56 punten
evalovespeeta - 54 punten
miniMinaxx - 43 punten
XxwhitechocolatexX - 37 punten
Madeby Mel - 39 punten
Luutje19 - 36 punten
Azmidiske87 - 35 punten
serenetie-ishida - 32 punten
randomlypandas - 14 punten
Miss Little ME - 12 punten
Tiger outsider - 13 punten
freddie97 - 8 punten
eline99 - 5 punten
edwin0102 - 5 punten
TeensReadToo - 3 punten
Wat je kan sponsoren voor welke hoeveelheid punten is te vinden op mijn profiel!
En natuurlijk wil ik Jade Lammourgy en MyWeirdWorld erg bedanken voor hun hulp! Daarnaast wil ik ook nog LauraTwilightHungergamesHpfan bedanken! Zoals jullie allemaal weten heb ik ook een tumblr voor dit verhaal, en zij heeft naar aanleiding van mijn schets een kaartje op de computer gemaakt! Mijn eerste fan-art, haha! Dus bedankt, Laura!
Vergeet niet een review achter te laten, ik ben altijd enorm benieuwd wat jullie ervan vinden! Probeer hem zo uitgebreid mogelijk te maken zodat ik er echt wat aan heb! Gewoon lekker een beetje doortypen, onzin over het verhaal, ik vind het heerlijk om te lezen, haha! En neem ook even een kijkje om mijn tumblr (link op mijn profiel) daar heb ik weer nieuwe dingen opgezet, zoals een grote poster van alle tributen waarin de dode tributen doorgestreept zijn! (Op verzoek van serenetie-ishida) En stem op de poll als je dat nog niet gedaan hebt! :)
Het volgende hoofdstuk zal weer echt actie, spanning en sensatie zijn. Ik kan niet wachten! Ik hoop dat ik het zo snel mogelijk kan posten!
Tot het volgende hoofdstuk!
Levi :)
