Hoi, hier ben ik weer... ik weet dat het héél lang geleden is en het zal me ook niet verbazen als ik veel lezers ben kwijtgeraakt. Ik had sinds het laatste hoofdstuk immers een enorme writersblock. Ik heb in november echter meegedaan aan NaNoWriMo (ik heb het doel, 50.000 woorden in één maand, wel niet gehaald), waardoor ik er in geslaagd om dit verhaal af te schrijven! Is dat geen goed nieuws?! De hoofdstukken moeten wel nog langs mijn beta-reader dus ik kan ze hier nog niet direct allemaal posten. Alvast veel leesplezier en een reactie is altijd leuk ;)
Met veel groentjes (want die zijn lekker en gezond), Florreke
Hoofdstuk 25: The Sea Monster
De zon stond al aan de hemel toen Ulf de slaap uit zijn ogen wreef en de kriebelende hooisprietjes uit zijn kleren klopte. Hij trok traag zijn vuile gympen aan die in de hoek van zijn slaapplaats - niet meer dan een houten hok gevuld met hooi - rondslingerden. Een geeuw onderdrukkend startte hij zijn knalgele quad en reed naar het voedselmagazijn. De binnenplaats was verlaten, op Tanya na. Ze kwam uit de richting van de bloementuin met haar kleine vleugels gefladderd, met in haar handen een notendop vol nectar.
"Goeiemorgen, Ulf," begroette ze hem vrolijk. Hij gromde iets terug, 's morgens had hij nooit een goed humeur.
"Wil je niet wat nectar?"
Hij schudde zijn hoofd, terwijl hij weer een geeuw onderdrukte, "Nee dank je, Tanya. Nectar is voor elfjes, niet voor weerwolven. En trouwens ik moet de beesten nu eten gaan geven."
"Nou goed dan, moet jij maar weten. Des te meer is er voor mij!" Zei ze gespeeld beledigd en vloog weg.
Ulf glipte door de halfopen poorten en liep door de rijen koelkasten en diepvriezers. Nadat hij bij wijze van ontbijt twee rauwe worstjes in zijn mond had gepropt, opende hij een diepvriezer vol rauwe hompen bevroren vlees en legde die in een houten bak op wieltjes. Na heel wat duwen en trekken en met behulp van touwen en een katrol slaagde, Ulf erin om de bak op de geïmproviseerde bagagedrager op de achterkant van zijn quad te krijgen. Nadat hij zich ervan verzekerd had dat hij de bak vlees stevig had vastgegespt, reed Ulf langs de broedstal en de isolatieschuur de binnenplaats af.
Hij naderde het hek dat toegang verleende tot het Beestenpark, waar alle gewonde beesten verbleven tot ze weer gezond genoeg waren om vrijgelaten te worden in de wildernis.
"Open," sprak Ulf luid en duidelijk, en het hek, dat uitgerust was met een automatische stembedieningspreuk, zwaaide open.
Ulf zette koers naar de vlieghuis, dat in feite niet meer was een groot stuk weide met stevige omheining en waar een hoog net overheen was gespannen.
Momenteel verbleef er een griffioen met een gebroken vleugel en een hippogrief die een voedselvergiftiging had opgelopen.
Ulf stopte aan het poortje in de omheining. De beesten, die wisten dat het etenstijd was, kwamen al naar hem toegelopen. Ze verslonden gretig de hompen vlees die Ulf hen toewierp.
Eenmaal ze genoeg hadden gegeten liepen de griffioen en de hippogrief weer de weide in en Ulf gooide de resterende stukken vlees in een hoek van de stal waar de beesten konden schuilen in geval van slecht weer. Hij wierp nog even een blik op de mantameeuw in het stuk overdekte weide ernaast, die als een vliegend tapijt rondzweefde.
Ulf reed verder het Beestenpark in, passeerde de biokoepels waar de extreme weerbeesten het erg naar hun zin hadden. In de woestijnkoepel zag hij een zandwalvis een fontein van zand spuiten. Een yeti roffelde op zijn borst in de sneeuwkoepel en in de stormkoepel doken er enkele elektrodactylussen in het oog van een orkaan. Vanuit zijn ooghoeken zag hij nog net hoe een flitshagedis met zijn naar buiten zwiepende tong een bolbliksem greep.
In de verte, op de Trolcrag, zag hij Orson twee balken van formaat boomstam op zijn schouders dragen. Ulf drukte zijn gaspedaal diep in - enkele beesten in hun kooi links en rechts van hem slaakten verschrikte kreten - en zijn quad stuiterde algauw de met keien bezaaide berg op. Eenmaal boven begroette Orson hem.
"Oh hallo, Ulf. Kom je me even helpen met deze grot? De trollen hebben weer eens lelijk huisgehouden, waardoor het dak is ingestort," Ulf knikte de vier meter grote reus toe en liep naar binnen. De grot was groot en het stonk er naar trollendrek. De vloer lag vol met rotsblokken en keien. Achterin de grot, waar de trollen hadden gegeten, zag hij de restjes van het avondmaal: een stapel afgekloven beenderen. De enorme voetsporen leidden naar twee duistere tunnels en diep onder hem hoorde hij het vage gesnurk van slapende trollen.
Orson brak de twee balken doormidden op zijn knie en gaf ze aan hem door om het plafond te stutten. daarna begon het zwaarste werk: het puin uit de grot weghalen. Orson haalde de grootste rotsblokken weg en Ulf droeg de kleinere rotsstukken naar buiten en stapelde ze op.
Het was zwaar en smerig werk om je voormiddag mee door te brengen. Maar Ulf was nu eenmaal graag bij Orson omdat die altijd verhalen vertelde over het leven in de wildernis, voordat zijn familie was afgeslacht en verjaagd door wraakzuchtige tovenaars en heksen.
Ulf wilde de wildernis immers ontzettend graag met zijn eigen ogen zien. Hij probeerde onder het naar buiten dragen van de rotsblokken zich de hele tijd voor te stellen hoe het moest zijn om daar te leven.
Nadat het werk gedaan was en de grot weer netjes lag, ging Ulf op een rotsblok zitten in de zon en genoot van het uitzicht. Vanaf de top van de Trolcrag kon je makkelijk het hele reservaat overzien: van het Duistere Woud tot aan de Grote Graasvlakte.
In het zuiden zag hij de groene jeep van dokter Fielding, de dierenarts van reservaat Verreweg, op de kade van het strandmeer staan.
"Wat gebeurt er bij het strandmeer, Orson?"
"Er wordt een zeemonster binnengebracht. Ze zorgt dat alles goed verloopt. Ga maar kijken als je wil," knipoogde de reus hem toe. Dat liet Ulf zich geen twee keer zeggen.
Het zeemonster was net de baai ingeloodst en dokter Nana Fielding bedankte de Schouwers voor hun hulp. Ze knikten haar eveneens vriendelijk toe en keerden toen terug naar hun kantoor met een Viavia (aangezien het onmogelijk was om te Verschijnselen en Verdwijnselen in het reservaat vanwege de vele beschermende spreuken).
Ze hoorde het vertrouwde geronk van Ulf 's quad naderen. Niet veel later parkeerde de jonge weerwolf zijn quad naast haar jeep op de kade.
"Goedemiddag, Ulf. Precies op tijd," glimlachte ze hem toe en stapte naar het luik. "Kom je mee naar beneden? Ik wil je voorstellen aan de roodrug,"
Ulf volgde haar naar het luik en ze daalden een oude ijzeren ladder af die toegang gaf tot de een diepe ondergrondse ruimte, de kijkzaal. Eén wand van de zaal was helemaal van glas. Zo kon dokter Fielding waterwezens in de onderzoeksbaai onder water observeren.
"Hij is gigantisch," mompelde Ulf verbijsterd.
"Het is een roodrug," vertelde dokter Fielding hem. "Eén van de zeldzaamste zeemonsters op aarde. Dit is een mannetje van ongeveer honderdvijftig jaar oud,"
De roodrug had de vorm had van een uit de kluiten gewassen octopus met een hard en puntig pantser van rood koraal en zeepokken. Hij had een nogal verweerde kop met uitpuilende groene ogen en acht megatentakels die met gemak de onderzoeksbaai vulden.
Maar er was duidelijk iets mis met dit schrikwekkende zeewezen. Het leek moeite te hebben met zwemmen: Een stuk of vijf tentakels strekten zich uit naar de randen van de baai en probeerden de kant vast te pakken, de andere drie dobberde er maar werkloos bij. Het massieve lichaam draaide en woelde. Eén van de tentakels schoot uit en knalde tegen het kijkraam. De zwarte zuignappen pulseerden op het glas.
"Wat is er aan de hand met hem?"
"Ik weet het niet precies," antwoordde dokter Fielding. Ze bestudeerde de bewegingen van het zeemonster, terwijl ze door de kijkzaal ijsbeerde.
"Moet je kijken," mompelde ze, terwijl ze met een laserspreuk een voor een de tentakels van het beest aanwees, "de distale tentakels aan de linkerzijde lijken verlamd en de ventrale en mediale tentakels vertonen onomvrijwillige spasmen. Ulf deed al lang geen moeite meer om de ingewikkelde termen te begrijpen die dokter Fielding gebruikte als ze in dokter-modus stond. Dus knikte hij maar alsof hij alles begreep.
Opeens begon het pantser van de roodrug te trillen en liet een donderend geloei de ruit van de kijkzaal schudden.
Ulf deed geschrokken een stap achteruit.
"Hij heeft pijn," mompelde dokter Fielding. "We zullen een röngtenfoto moeten maken om te zien wat er precies met hem scheelt,"
Ze haalde haar toverstok weer uit de zak van haar witte doktersjas en tikte ermee tegen het kijkraam Ulf wendde vlug zijn ogen af en de zaal baadde eventjes in een verblindend licht toen het kijkraam veranderde van modus. Toen Ulf weer terug keek naar het raam, zag hij een bewegende rongtenfoto van de roodrug die de hele wand vulde.
In het midden van het beest bevond er zich een grote spelonk ("dat is de maag. Van alle vleesetende beesten hebben zeemonsters de grootste maag," verduidelijkte dokter Fielding toen ze Ulf zag staren) waarin zich op de bodem half opgegeten haaien bevonden. Ze werden langzaam verteerd door de rij knarsende tanden langs de maagwand.
Dokter Fielding bekeek de röngtenfoto aandachtig.
"Nou, de spijsvertering lijkt wel normaal te functioneren," zei ze en keek omhoog om de inwendige organen te controleren.
"Dat is zijn hart," en ze wees met de laserspreuk naar een grote trillende klomp, "die heeft zes kamers. Het pompt als een bezetene, wat betekent dat hij in shock is, Ulf."
Daarna wees ze naar de zijkanten van het lichaam van het zeemonster, waar donkere, smalle spleten trilden.
"Zijn kieuwen hyperventileren,"
Dokter Fielding deed een paar passen achteruit en bekeek de röngtenfoto van boven tot onder en weer terug. Ze fronste.
"Wat is er?" vroeg Ulf.
"Daar," ze wees op een rafelige streep een paar meter boven de ogen van het zeemonster, "Zijn pantser is gebroken."
Ze bewoog haar toverstok naar een groot wit orgaan achter de breuk, het had de grootte van een regenton.
"Dat zijn de hersenen, en dat zwart in het midden is bloed," fluisterde ze zachtjes op een verdrietige toon, en Ulf voelde zijn hoop met elk woord dat ze fluisterde steeds kleiner worden, "wat wijst op een hersenbloeding. Ik ben bang dat hij ten dode is opgeschreven. Het arme beest."
"Je kunt hem toch opereren?" Vroeg Ulf.
Dokter Fielding schudde haar hoofd, "Nee Ulf, ten eerste kan ik hem niet eens verdoven want daarvoor is het pantser veel te dik. En ten tweede is een roodrug ook nog eens zeer gevaarlijk. Ik zal het je tonen."
Dokter Fielding schakelde de röngtenmodus uit waardoor het kijkraam weer gewoon werd en begon toen met haar toverstok tegen het glas te tikken. Opeens leek er wat meer leven in het beest te komen: het zeemonster helde iets over in het water en keek hen recht in de ogen. Twee rotsachtige pantserplaten bewogen van elkaar af om de bek te openen. Het was de grootste bek die Ulf ooit had gezien. Het was angstaanjagend.
Net boven de ontzagwekkende rij tanden die de mond van de roodrug aanduidden, kwam er een blauw slangetje uit een holte gezwommen.
"Dat is de angel," legde dokter Fielding uit, die gebruikt de roodrug om zijn prooi met zijn gif in te spuiten."
De angel zwom recht naar de plek waar ze met haar toverstok tegen de glazen wand tikte - in het ritme van een hartslag. Het sperde zijn mondje open en Ulf zag twee, zonder twijfel vlijmscherpe, giftanden verschijnen.
"Die giftanden," vertelde ze terwijl het slangetje nog steeds in haar richting zwom, "bevatten één van de krachtigste giffen in de wereld. Het is in staat om eender welk wezen onmiddellijk te bevriezen zodat het voor de roodrug een makkie wordt om de prooi te verslinden.
"En is er dan geen tegen-"
"Nee Ulf, roodruggen zijn daar veel te zeldzaam voor. Tot nu is er nog niemand in geslaagd om dat gif te verzamelen, zonder zelf in de maag van dit zeemonster te belanden."
Ulf trok een verdrietig gezicht en dokter Fielding slaakte een lichte zucht. Ze legde haar
"We kunnen niets voor hem doen, Ulf. Het spijt me, maar we kunnen niet elk beest redden. Laten we nu naar boven gaan,"
Voordat Ulf dokter Fielding op de trap naar boven volgde, draaide hij zich nog een keer om naar het kijkraam. De roodrug staarde hem indringend aan met zijn gloeiende groene ogen. Ulf kreeg er koude rillingen van.
Toen hij uiteindelijk boven op de kade stond, besefte hij dat de vampier, Harry Cullen, op de rand van de kade zat, zijn versleten sneakers net niet in het water terwijl hij voorzichtig een tentakel van het rode zeemonster aaide dat naast hem op de rand van de kade lag.
Dokter Fielding keek hem een beetje wantrouwig aan. Dit was dus de vampier waarover Ulf haar gisterenavond had verteld. Ze had er toen haar twijfels bij gehad - en eigenlijk had ze verwacht dat hij vandaag weer vertrokken was - maar nu moest ze toegeven dat hij inderdaad behoorlijk beheerst was.
Haar intuïtie vertelde dat ze Ulf wel alleen kon laten met de vampier. Hij had hem gisteren tenminste ook met rust gelaten. Ze stapte in haar jeep en startte de motor.
"Ulf, zou jij nog even de helhond zijn medicijnen willen geven? Ik ben in mijn kantoor als je me nog nodig hebt," zei ze tegen de jongen, vooraleer ze van de kade reed. Ulf knikte en Harry stond ook recht.
"Het komt dus niet meer goed met hem?" vroeg de hij aan Ulf terwijl hij naar de roodrug gebaarde en het geronk van de jeep langzaam wegstierf. Ulf schudde triest zijn hoofd, en wandelde ook naar zijn quad.
Eenmaal terug op de binnenplaats, waar de helhond in de Bakbeestenschuur verbleef, ging Ulf eerst naar het voedselmagazijn om wat bloed te gaan halen om de medicijnen in te doen. Nadat hij een emmer bloed uit de tank had laten lopen, liep hij naar de hoge planken aan de muur van het magazijn.
Harry was hem echter al voor en had de oude houten ladder al tegen de planken gezet en naar boven geklommen.
"Wat heb je nodig?" hoorde Ulf hem vragen.
"Hondontwormer," antwoordde hij. Harry gaf het pak tussen de Feniksaanmaakblokjes en het slangenlaxeermiddel een zetje en Ulf ving het op zijn beurt behendig op. Hij scheurde het open en deed wat van het blauwe poeder in de emmer met bloed die hij naast zich had gezet. Nadat hij met een stok alles goed had gemend droeg hij de emmer naar de Bakbeestenschuur. Harry bleef nieuwsgierig in de deuropening staan.
In de duisternis binnen zat een woeste zwarte hond met drie koppen en een ruime kooi met stevig tralies, hij was een week geleden binnengebracht omdat hij last had van wormen. Zodra hij het bloed rook begon hij te blaffen naar Ulf. Uit zijn drie bekken droop kwijl. Ulf schonk het bloed met de hondontwormer in een plastic trechter aan de zijkant van de schuur. Het sijpelde door een lange rubberen slang en klotste vervolgens naar binnen in een ijzeren trog. De helhond likte met zijn drie tongen het bloed gulzig op. Langzaam kwam het vuur terug in zijn ogen, wat erop duidde dat het beter hem ging.
Ulf spoelde de emmer af onder een kraan op de binnenplaats.
"Kun je eigenlijk toveren?" hoorde hij Harry, die tegen de muur naast hem leunde, opeens vragen.
Ulf schudde zijn hoofd. "Dokter Fielding zegt dat ik daar niet krachtig genoeg voor ben. Eenvoudige spreukjes lukken wel, maar dat is ook alles,"
"Is het daarom dat er hier zoveel Dreuzeldingen zijn, zoals die quad en die jeep?"
"Onder andere, dokter Fielding is een dreuzelgeborene dus ze heeft er geen moeite mee," Harry knikte en Ulf voelde zijn maag plots zacht rammelen.
Nadat ze hun voedsel in het magazijn waren gaan halen, leidde Ulf Harry rond in het reservaat. Hij zag de meest wonderbaarlijkste wezens waarvan hij het bestaan nooit had durven vermoeden. In de waterverblijven zag hij onder andere waternimfen in cirkels achter elkaar zwemmen . Met hun wapperende piepkleine vinnen leken ze net elfjes. In het verblijf sloeg er een slangachtig beest, een krokodon, met zijn stekelige staart tegen het glas. Harry voelde zich even weer dat kleine verbaasde jongetje van elf, toen hij al die nieuwe vreemde wezens rond zich zag.
Ulf vertelde ook over zijn leven in het reservaat. Hij was ongeveer tien jaar geleden hier als weeswelpje binnengebracht en niemand wist waar hij eigenlijk vandaan kwam. Aangezien hij nergens heen kon, niemand in de tovenaarswereld wilde immers graag een kleine weerwolf adopteren, had de kinderloze professor en avonturier John Verreweg hem in huis genomen. Niet lang daarna was dokter Nana Fielding, een verre nicht van professor Verreweg, bij hun ingetrokken, onder andere om voor Ulf te zorgen als professor Verreweg op expeditie was in het buitenland.
5 jaar geleden was professor Verreweg echter jammerlijk omgekomen op zee tijdens een solo-expeditie. Zijn lichaam lag begraven in de bloementuin aan de achterkant van huize Verreweg.
De avond begon en te vallen en ze hadden zich geïnstalleerd op het dak van Ulf 's slaapplaats. De hemel kleurde een prachtig scala van diverse kleuren toen de zon onderging, en daarna eiste de maan haar plaats aan de hemel op.
Ulf rilde. Nog een week en dan was het volle maan. Weer die pijnlijke transformatie van jongen naar wolf die hij elke maand onderging in een stevige kooi zodat hij niemand kon verwonden. Dokter Fielding had ook steeds een voorraad Wolfsworteldrank, wat trouwens afschuwelijk smaakte, in haar kantoor, zodat hij nog enigszins zichzelf was tijdens zijn wolfzijn.
Harry en Ulf bleven nog lang doorpraten. Pas toen Ulf voor de vierde keer in amper twee minuten moest geeuwen, besloten ze dat het tijd was voor hem om te gaan slapen. Ulf nestelde zich in het hooi in zijn slaapplaats en lag al snel in Morpheus' armen. Harry ging op de grond zitten met zijn rug tegen de muur zitten.
Half onder het hooi verborgen merkte hij iets op wat leek op een boek. Geluidloos, om Ulf niet wakker te maken, pakte hij het voorzichtig. Het was zwart en stoffig. Op de voorkant stond in een kriebelig handschrift geschreven: Het Beestenboek, door professor J. E. Verreweg. De gekreukte bladen stonden vol aantekeningen van beesten. Vermoedelijk had de professor die gemaakt tijdens zijn expedities overal ter wereld. Harry bladerde er even door: langs krabbels en tekeningen, grafieken en foto's. Er stond een tekening in van het hart van een eenhoorn en een aantekening voor het vangen van alven. Ook vond hij een remedie tegen demonenkoorts, een stap-voor-stap-uitleg over het ontstoppen van het spuitgat van een zandwalvis en een aantekening over de broedtemperatuur van feniks-as.
Algauw kwam hij bij de laatste bladzijde uit, wat als trefwoord 'De roodrug (zeemonster)' bevatte. Harry voelde zijn hoop plots opflakkeren en stond op om Ulf te wekken. Misschien was er toch nog een manier om de roodrug te redden.
