De beslissende strijd - Deel 3Agnetha Areson had de leeftijd bereikt van 67 jaar, wat in heksenstandaarden nog altijd jong was. Maar zelf was ze van mening dat ze maar 65 jaar had geleefd. Haar laatste twee verjaardagen had ze in een vochtige cel doorgebracht. Van vieren was er geen sprake geweest. Het was een wonder dat ze die tijd had overleefd. Haar echtgenoot was ze al na enkele maanden gevangenschap verloren, en een jaar later was ook haar dochter gevolgd. Verbitterd had ze zitten wachten tot ook haar tijd was gekomen. Maar tot haar verbazing was het niet de dood maar een jongeman geweest die haar uit haar lijden had verlost. Zij en haar celgenoten hadden niet geweten wat hen overkwam. Er waren tranen van vreugde en verdriet gehuild, maar zij niet. Ze had al haar tranen eerder al opgehuild. Ze had van op een afstand toegekeken. Het was daarom ook dat ze vermoedde dat Peter haar had uitgekozen. Ze viel op. Agnetha had naar zijn uiteenzetting geluisterd en samen met enkele anderen ging ze op pad om medegevangen te bevrijden. Het verbaasde haar hoe ze soms zo jaloers werd als ze zag hoe families werden herenigd. Haar leven zou nooit meer hetzelfde zijn. Nu droeg ze de verantwoordelijkheid voor de evacuatie van de zieken. De twee Huiselfen verdwenen en verschenen aan de lopende band. Sommige gevangenen waren er erg aan toe, ze had daarnet zelfs nog bij een man gezeten wiens lichaam zo uitgemergeld was dat hij nog maar schim was van zijn vroegere ik. Hij had haar hand vastgehouden toen hij zijn laatste adem uitblies. Ze was al te vaak met de dood geconfronteerd geweest hierbinnen, zodat ze ook nu weer geen emotie liet blijken. Er bleef nu nog een tiental zieken over voor transport, tot nu toe hadden ze nog geen problemen gehad. En ze hoopte dat dat ook zo zou blijven. Ze werd zich ervan bewust dat ze over haar hele lichaam rilde, misschien was het een instinctieve reactie op het overlijden van die man daarnet, of omdat het kouder was geworden in de gang. Plots herinnerde ze zich Peters uitspraak.
"Pas op voor Dementors!"
Agnetha hield haar toverstok in de aanslag en keek om zich heen.
De zieken bevonden zich aan het uiteinde van de gang, wat goed was want de trap lag helemaal aan de overkant. Ze zou er goed aan doen om een Patronus op te roepen maar ze kon niet aan een vrolijk moment denken. Niet hier.
Ze riep een andere bewaker bij zich en samen liepen ze de naar de trap toe. Het slappe lichaam van de bewaker die de trap in het oog moest houden rolde van de trappen. Een geur nog erger dan dood en verderf volgde. Eerst zag ze hoe de uiteinden van een gerafeld zwart gewaad verschenen en daarna het hele lichaam. Verrotte zwarte handen en de gezichtsloze kap.
Een Dementor.
Ze stonden beiden aan de grond genageld en de Dementor schreed onverbiddelijk verder. Hij tilde zijn hand op en wilde haar met zijn koude greep vastnemen. Agnetha dacht aan haar mans laatste momenten en aan het gegil van haar dochter uit de martelkamer dat door merg en been ging. Ze probeerde de gedachten te verdingen, maar bleef aan haar dochter denken. Haar elfde verjaardag, toen had haar dochter een uil gekregen als cadeau. Het glunderende gezichtje van haar dochter toen was ze nooit vergeten.
Dat was het, een gelukkige gedachte.
"Expecto Patronum!"
Een uil, net zoals die uit de herinnering, spoot uit haar toverstok en drong de Dementor bij zijn prooien vandaan. Haar Patronus was veranderd, ze had niet de vorm aangenomen die ze vroeger had, een tortelduif. Een flauw glimlachje verscheen op haar gezicht. Nu was het een eerbetoon geworden aan haar dochter en man. De Patronus week niet van haar zijde en bleef rond haar hoofd cirkelen. Samen met de andere bewaker liep ze naar het lichaam van hun collega. Maar het was te laat, de kus van de Dementor had de ziel uit zijn lichaam gezogen en de val van de trap was hem fataal geworden. Met een trillende hand sloot ze de ogen van de man, waarna ze de bewaker de opdracht gaf zijn taak van hem over te nemen. Daarna haastte ze zich terug naar de anderen en beval de bewakers om ook hun Patronussen op te roepen.
Ze zou de zieken verdedigen, ook al was dat het laatste wat ze deed.
De twee tovenaars stonden met getrokken toverstokken tegenover elkaar. Ze wachtten tot iemand de eerste zet zou doen. De commotie rond hen leek niet te bestaan. Ze hielden enkel nog rekening met hun beiden, volledige concentratie.
Toch nog plotseling brak het moment waarop ze beiden gewacht hadden aan.
Grindelwald vuurde een spreuk af die Albus Perkamentus met gemak ontweek door een stap opzij te zetten. En weer wachtten ze.
"Bang om zelf een spreuk af te vuren?" vroeg Grindelwald uiteindelijk.
Er kwam geen reactie.
Grindelwald grinnikte, "Denk je soms dat je de verkeerde persoon zal treffen? Dat je me mist en een onschuldig slachtoffer maakt? Want dat is toch wat je heeft weerhouden om me eens te komen opzoeken?"
Perkamentus deed niets en bleef naar Grindelwald kijken.
"Niemand is onschuldig Albus. En vroeg of laat zal je werk zich tegen je keren. Waarom doe je dit nu? Bang voor het verleden? De waarheid?"
Weer vuurde hij een spreuk af, maar deze keer kwam er een reactie. Perkamentus gebruikte zijn staf om de spreuk af te weren.
"Dat is het dus. Je verleden."
"Ik ga niet vechten, Gellert."
"Wat?"
"Je hebt me goed gehoord. Ik vecht niet. Niet zolang we hier staan, tussen mensen die niets met deze zaak te maken hebben. Dit is een persoonlijke strijd, tussen jou en mij. Zij hebben hier niets mee te maken, en zouden hier nooit bij betrokken mogen zijn geweest... Dit is iets wat we veel eerder hadden moeten doen."
Perkamentus liep langzaam achteruit, Grindelwald leek het verzoek in te willigen en volgde hem. Ze verloren elkaar geen seconde uit het oog.
En toen waren ze alleen.
Het echte gevecht kon beginnen. Grindelwald wist dat dit alles in zijn voordeel was. Hij was immers de bezitter van de Zegevlier. Het machtigste wapen in de hele wereld, hier aanwezig bij wat een legendarisch gevecht zou worden tussen twee oude vrienden. De Zegevlier, die hij de hele tijd al op zijn vriend had gericht. Maar nu werd zijn vriend een tegenstander. Met een snelle armbeweging wees hij weg van Perkamentus en richtte zijn stok op een grote plaats van omgewoelde aarde. "Vivocorpus!"
Er leek eerst niet te gebeuren, maar toen zag Perkamentus hoe een hand zich vanonder de aarde omhoog werkte. En daarna nog één, en nog één. Meer menselijke ledematen rezen omhoog, althans, dat waren ze vroeger. De handen, armen en benen behoorden toe aan lijken van mensen die in Normengard waren overleden en buiten de muren in een massagraf waren begraven. De Necroten hadden moeite om de zware aarde van zich af te schudden maar eens ze de put uit waren geklauterd strompelden ze doelbewust op Perkamentus af. Die rees zijn toverstaf de lucht in. Een slang van vuur schoot uit de stok en omcirkelde de twee Tovenaars. De Necroten werden tegengehouden door de vuurmuur, uitdrukkingsloos bleven ze met hun lege ogen naar Perkamentus staren. Nu was het zijn beurt. Met een forse beweging vuurde hij een lichtstraal af die zich halverwege vertakte, wat op zijn beurt ook weer opsplitste. De stralen kwamen weer tesamen toen ze op elkaar botsten en zo samen begonnen rond te tollen. Er werd een orkaan gevormd en terwijl die steeds aan hoogte won stevende die recht op Grindelwald af. Die beschermde zich door dezelfde spreuk af te vuren en zo de orkaan te vergroten tot de grote van de vuurcirkel. Aangewakkerd door de orkaan toornden de vlammen nu meters hoog. Grindelwald en Perkamentus stonden nu in het oog van de storm. Het zicht op de twee tovenaars werd onttrokken van de mensen die het merkwaardige duel van op een afstand gade hadden geslagen.
Peter liep als een gek door Normengard. Het gebouw telde talloze gangen, die elk zeer sterk op elkaar leken. De inrichting was sober en nergens waren ook maar enige wegwijzers te vinden. Hij zocht het bureau van Grindelwald, maar omdat hij nog nooit in Normengard was geweest vond hij het niet. De gangen lagen er verlaten bij. Af en toe trok hij een deur open. Daarachter vond hij dan slaapvertrekken die allemaal leeg waren. Hij wilde net weer zo'n slaapkamer buitengaan toen hij voetstappen hoorde. Iemand liep door de gang. Meteen greep Peter zijn kans, want als het een Zuivere was, zou die hem de weg naar Grindelwalds kantoor kunnen aanwijzen. Hij duwde krachtig de deur open en sprong de gang op. De Zuivere was verrast door de plotse verschijning en tegen de tijd dat hij kon reageren had Peter hem al overmeesterd.
"Grindelwalds kantoor?" vroeg Peter, met zo'n furie dat de man het bijna in z'n broek leek te doen.
"Alstublieft," smeekte de man in gebrekkig Engels, "Mijn kinderen-"
"Het kantoor," vroeg Peter terwijl hij de toverstok van de man in zijn handen hield, klaar om te breken.
"Drie verdieping hoger."
Met een droge knak spleet het hout van de toverstok in tweeën. Peter duwde de stukjes in de handen van de man die weerloos achterbleef. Die was nu onschadelijk gemaakt. Met een zeer snel tempo legde hij de drie trappen af tot hij op de aangewezen verdieping terecht kwam. De gang waar hij nu op stond verschilde van de anderen; er was slechts één deur die zich aan het eind van de gang bevond. Peter vermoedde dat Tom gezelschap had, hij verwachtte tenminste niet dat Grindelwald hem alleen achter zou hebben gelaten. Terwijl hij de deur naderde zag hij dat die op een kier stond. Hij bleef even staan om te luisteren. Het enige wat hij hoorde was zijn ademhaling en het geklop van zijn hart. Geen teken van leven. Zachtjes duwde Peter de deur open.
Het duel ging in alle hevigheid verder. De ene ingewikkelde spreuk werd afgevuurd na de andere. Maar het draaide niet om wie het meeste spreuken kende of de machtigste bezwering kon uitspreken. Ze wisten beiden dat ze gelijkwaardig waren, het enige waarmee men de andere echt kon raken waren woorden. Tussen hun aanvalspogingen door wierpen ze elkaar verwijten toe, waar de andere dan een beter antwoord op zocht.
"Het was jammer dat onze zomer zo moest eindigen, als je broer zijn plaats had gekend stond je hier nu naast me. Die twee maanden waar we elkaar zo goed vonden? Waar is die vroegere Albus toch gebleven?"
"Die is jaren geleden begraven samen met mijn zus. Het is afschuwelijk dat haar dood mij pas liet beseffen hoe verkeerd ik bezig was, en dat het geen toekomst voor me was. Het moest ophouden. Die twee maanden met jou hebben me Ariana en Desiderius gekost. Mijn zus dood en de relatie met mijn broer voor eeuwig geschonden. Hij geeft me de schuld van alles, en,"
Perkamentus pauzeerde even en beet zijn tranen weg. "En hij heeft gelijk. Ik wilde niets meer met jou en de Relieken te maken hebben. Vanaf de zijlijn keek ik toe, hoe alles jou tot waanzin dreef. Ik was net op tijd gestopt, ander was ik net zo als jou geworden. En jouw obsessie heeft al genoeg mensenlevens gekost."
"Obsessie?"
"Je geloof in het bestaan van de Relieken", antwoordde hij verklarend.
"Maar ze bestaan!" Grindelwald lachte, "Ik heb bewijzen. Lijsten met eigenaars. En het grootste bewijs hou ik hier in mijn handen."
"Nee…" riep Perkamentus. Grindelwald probeerde hem iets wijs te maken maar hij zou niet in die valkstrik trappen.
"Ik heb hem gevonden enkele maanden na mijn vertrek uit Engeland. En ik zocht verder," Grindelwalds blik veranderde, de vijandigheid leek verdwenen en nu was er alleen nog maar opwinding te zien. "Ik zit er zo dicht bij, Albus. Geef me nog even en ik heb de Steen en de Mantel ook in mijn bezit."
Grindelwald richtte zijn stok weg van Perkamentus.
"Sluit je aan bij mij Albus, wij samen; de leiders van de revolutie en de evolutie van de Toverkunst. We doen voor iedereen goed, samen met de Relieken."
"Nee! Je weet best dat er maar één meester van de Relieken kan zijn. Ik heb die rol jaren geleden van me afgezworen. De Relieken drijven je tot waanzin."
"Ik betreur je keuze, Albus."
"Alsjeblieft, Gellert. Ik smeek je, als vriend, geef je over. Dit is niet nodig."
"Nee," Grindelwald vermande zich. "Ik zet door, je stelt me teleur. Je kruipt net zoals de anderen. Net zo zwak."
Die laatste woorden leek hij uit te spuwen.
"Gellert luister-"
"Dit is nog maar het begin, weet je. Als ik ze herenigd heb dan maak ik me kenbaar aan de Dreuzels, hun langverwachte openbaring. Wat je hier ziet, is maar het begin van een hoger doel. De offers die daarvoor zijn gemaakt zijn erg, maar noodzakelijk, en diep vanbinnen weet je dat ook." Hij wees met zijn stok naar Albus' hart.
"Avada Kedavra!"
De groene straal vloog op Perkamentus af, er klonk plots een schrille schreeuw. Vanuit de vuurring leek een grote vlam te springen in de vorm van een vogel. Die slokte de lichtstraal op, en veranderde meteen in een hoopje as dat naar binnen viel.
"Een Feniks. Leuk." Terwijl hij met zijn toverstok naar de Feniks wees, vervolgde hij geamuseerd: "Heb je jezelf nooit afgevraagd wie die je heeft geschonken?"
"Wat?" vroeg Perkamentus verbijsterd.
Grindelwald maakte aanstalten om te antwoorden.
En toen was het Albus Perkamentus' kans.
"Expelliarmus!"
De Zegevlier vloog uit Grindelwalds handen, en landde zachtjes op de grond tussen de twee tovenaars. Door een simpele Ontwapeningsspreuk was er een einde gekomen aan hun gevecht. Grindelwald kon het niet vatten. De stok was onoverwinnelijk. Superieur.
Albus Perkamentus liep met zijn toverstok op hem gericht naar de Zegevlier. Grindelwald deinsde achteruit, de ogen van zijn tegenstander straalden een woede uit die Grindelwald nog nooit had gezien.
"Albus, vergeef me," Grindelwald zakte neer op zijn knieën. De man van daarnet was verdwenen. Angst had hem overmand.
Perkamentus kwam voor hem staan en keek Grindelwald doorgrondend aan met zijn blauwe ogen. Hij opende zijn mond en zei nauwelijks hoorbaar: "Je hebt verloren."
Daarna keerde hij zijn rug naar Grindelwald toe en raapte de Zegevlier op.
"Was dat het?" schreeuwde Grindelwald verbeten.
Hij had verwacht dat Perkamentus hem nu zou laten boeten, hem doden. Maar hij had hem gespaard.
"Jij bent degene die mij probeerde te doden, Gellert. Niet omgekeerd. Zoals ik al zei, ik heb mijn keuze gemaakt. Ik ben niet zoals jou."
Perkamentus stopte zijn oude toverstok in zijn gewaad, en hield de Zegevlier omhoog. De orkaan die nog steeds woest rond de twee Tovenaars tolde, nam af tot een zacht briesje, met een korte zwiep kwam de vuurring in beweging en kronkelde als een slang naar de Necroten die zo werden samengedreven. Daarna zette hij de punt van de stok op zijn keel.
"Sonorus!"
Zijn magisch versterkte stem galmde over het terrein.
"Jullie meester is verslagen. Ik roep alle Zuiveren op om zich nu over te geven. Weerstand bieden heeft enkel nut meer. Quietos!"
Van een afstand zag hij hoe over het hele terrein Zuiveren hun stokken op de grond gooiden en hun handen de lucht in staken. Boris en enkele leden van het Verzet kwamen aangesneld. Zijn mannen namen Grindelwald bij de arm.
"Albus," zei Grindelwald. "Hij is in goede handen bij jou. Jij bent nu de nieuwe meester."
Dit was het laatste wat Albus Perkamentus ooit van hem zou horen. Daarna werd zijn oude vriend weggevoerd door de mannen.
De mannen namen hem verder mee, en Grindelwald bleef Perkamentus aankijken met leedvermaak.
Albus bleef staan en wreef zachtjes over de Zegevlier.
Hij bestond echt.
