AN:

Ik ben weer terug! Na twee hele maanden zonder een update is er weer een hoofdstuk! Ik wilde als eerste eigenlijk mijn excuses aanbieden voor de late update, en ook even uitleggen waarom het zo lang duurde. Eigenlijk heb ik de afgelopen twee manden helemaal niet zoveel geschreven, en eigenlijk kwam dat een beetje door de stilte op Fanfiction na het posten van het vorige hoofdstuk. Als je zo lang aan een hoofdstuk werkt, en er zoveel tijd aan besteed, wil je gewoon heel graag reacties. En als dat tegenvalt, kan dat je enorm in de weg zitten.

Dus ben ik de afgelopen maanden veel bezig geweest met school, maar ook met het uitwerken van de wereld voor mijn eigen verhaal. Ik moet wel zeggen dat het wel lekker was om even een kleine pauze te hebben, maar het is ook weer super fijn om terug te zijn! Ik ben erg blij met hoe dit hoofdstuk geworden is, omdat het toch wel een belangrijk hoofdstuk is. En het schrijven ging super lekker! Dus nu hopen op veel reviews, want die heb ik echt wel even nodig!

Ik weet helemaal niet of dit ter sprake is, maar stiekem hoop ik ook wel dat het weer drukken gaat worden op Fanfiction, mede ook omdat de nieuwe Catching Fire film uit is! (Trouwens, de film is fan-tas-tisch.) Ik heb mijn hoofdstuk geschreven, nu is het aan jullie of er snel een nieuwe komt, haha! Reviews zijn mijn benzine, jongens!

Oke, nu over naar het hoofdstuk. Het is een belangrijke, dus ik hoop dat jullie het geweldig vinden!

Veel leesplezier!


Hazel Tanngar (14) – District 12

Met mijn knieën verkrampt tegen mijn borst aangedrukt zit ik op een omgevallen boomstam, mijn hoofd tussen mijn benen gestoken, mijn ogen dichtgeknepen en mijn borst schokkerig op en neer bewegend tegen mijn bovenbenen. De gedachten in mijn hoofd zijn niet eens meer op een rijtje te zetten, het is een totale chaos vol angst en ellende. De duizenden gevaren waar ik bang voor was liggen overal op de loer, allemaal. Ik heb de boomstam niet eens afgezocht naar ongedierte of schimmel, ik heb er geen seconde over nagedacht of er tributen in de buurt zijn. Ik kan het allemaal gewoon niet langer aan, ik wil naar huis. Ik wil enkel naar huis.

Al die jaren dat ik 's nachts verschikt wakker werd, of dat ik een totale paniekaanval kreeg omdat er ergens een spin in de hoek zat is totaal niets bij dit. Ik was altijd bang van nachtmerries, maar de allerergste nachtmerrie is werkelijkheid geworden. En ik kan niet wakker worden om vervolgens mijn nachtkastje schoon te maken met mijn ontsmettingsdoekjes en in mijn moeders armen te vallen. Ik ben alleen, omringd door bacteriën en gevaren, zonder mijn moeder. Zelfs zonder Crayen.

Crayen. Hij zou al lang hier moeten zijn, ik ben helemaal niet ver van het doolhof weg gegaan. Ik kon gewoon niet meer rennen, niet meer vluchten. Ik mag van groot geluk spreken dat ik het doolhof ben doorgekomen. Een doolhof. Alle gangen leidden tot meer gangen, overal kon gevaar komen en ik was ingesloten tussen de hoge muren die begroeid waren met onkruid waarin duizenden insecten, bladluizen en bacteriën krioelden. Het enige wat mij weerhield van in elkaar te zakken en mijn lot af te wachten was mijn belofte aan Crayen. Ik moest uit het doolhof komen, anders zou Crayen me misschien nooit vinden. En zonder Crayen ben ik niets.

Dus ik bleef rennen, met de tranen die van mijn wangen liepen en zwarte vlekken die mijn zicht innamen. En toen ik het doolhof uitkwam kon ik niet meer dan een paar stappen verzetten. Ik bewoog me naar de omgevallen boomstam verderop in het veld omdat ik doodsbang was om in het gras te gaan zitten, en stortte zonder de boomstam te onderzoeken naar mogelijke gevaren erop in. In foetushouding, wat ik altijd heb gedaan bij gevaar. Want dat gevaar is er, maar al te duidelijk.

Vanaf iedere kant, op ieder moment kan het aan komen kruipen, komen lopen, komen vliegen of waaien. En dit keer zijn het niet alleen de bacteriën, de spinnen, maar ook moordlustige tributen en gemuteerde wezens. En toch kan ik de angsten voor de kleine dingen niet negeren, ik krijg een totale aanval van angst bij iedere kriebel die ik voel, bij iedere beweging die ik zie, en dan maakt het niets uit of het een wesp is of een beroeps uit twee, alles zal een mentale ineenzakking veroorzaken. Ik kan dit niet aan, ik wil dit niet meer. Ik heb Crayen nodig.

Ik weet niet hoe lang ik al op deze plek zit, ik weet alleen dat het avond begint te worden, en ik was binnen een halfuur op deze plek. Crayen had er al lang en breed kunnen zijn, en vanuit het punt waar ik zit kan ik zo de uitgang van de arena zien, hij kan onmogelijk de weg zijn kwijtgeraakt. Hij hoefde alleen dezelfde ingang van de arena als ik in, dat is alles.

Maar hij is er niet, en hoewel ik al die uren de hoop heb op kunnen houden dat hij nog wel komt, begint de situatie steeds uitzichtlozer te lijken. Het zou wel eens kunnen dat- dat-

Dat Crayen dood is.

Compleet opgezogen door de totale wanorde in mijn hoofd hoor ik nauwelijks het geritsel ver achter me. Nauwelijks, want ieder geluidje dat ik hoor is een aanleiding voor angst, omdat het een mogelijk gevaar kan zijn. Of misschien is het Crayen. Direct schrik ik op en vervormt mijn wanhopige ademteug al snel tot een hysterisch gehuil. Er is niets te zien, slechts de uitgestrekte grasvlakte achter me, maar mijn hart lijkt in mijn keel te bonken. Ik weet niet of ik blij moet zijn dat ik nog even veilig ben, hoe ver ik op dit moment veilig kan zijn, of dat ik gebroken moet zijn omdat het Crayen niet is. Voor de zekerheid kijk ik naar achteren, naar de plek waar het gras hoger wordt zodat ik er onmogelijk overheen kan kijken. Mijn hoofd schiet naar de weerszijden van het veld, vele meters links en rechts van me begint de begroeiing weer, begint het dichte bos weer. Het bos wat ik koste wat het kost wil vermijden. Deze plek mag dan wel mijn grootste nachtmerrie zijn, maar ik weet tenminste waar ik ben, en ik kan tenminste de omgeving om me heen zien. Ik zal nooit dat bos in vertrekken, nooit. Ik blijf de hele Hongerspelen gewoon hier, wachtend op Crayen.

De tranen blijven van mijn wangen rollen terwijl ik langzaam weer mijn knieën tot me wil trekken. Maar net als ik mijn hoofd weer tussen mijn benen wil steken zie ik tussen het verdorde gras onder me, tegen de ruwe schors van de boomstam waar ik op zit aan een dikke, grijzige paddenstoel die ik eerder niet had gezien.

Direct spring ik op van de boomstam en spring ik met een ijselijke schreeuw over de afschuwelijke paddenstoel en sprint ik enkele meters ervandaan. Mijn al schokkerige, hijgende ademhaling gaat compleet over tot hyperventilatie, en tegelijkertijd begin ik bij het aanzien van de slijmerige paddenstoel enorm te kokhalzen. Kokhalzen tot het moment dat ik de gal achterin mijn mond voel opkomen, waardoor ik nog panischer wordt dan eerst.

Enkele seconden geleden stonden mijn voeten nog naast de paddenstoel, dadelijk zit het slijm op mijn broekspijpen. Het slijm dat geïnfecteerd is door alle strontvliegen en alle dodelijke bacteriën aan mij gaat overbrengen. Dadelijk ben ik geïnfecteerd. Dadelijk gaan de paddenstoelen op mij groeien, dadelijk komen die plakkerige zwammen vanuit mijn huid. Misschien gaan ze wel binnenin me groeien, in mijn maag tot ze uiteindelijk uit mijn mo-

Kuchend en hoestend verlaat mijn gehele maaginhoud mijn lichaam, en proef ik de afgrijselijke, zure smaak van overgeefsel in mijn mond. Ik begin nog harder te snikken dan eerst nadat de eerste lading mijn mond verlaten heeft, en zelfs als na enkele minuten alles wat nog in mijn lichaam zat eruit is, blijft mijn maag stuiptrekkingen maken, en blijven de tranen van mijn wangen rollen bij de gedachte aan de afschuwelijke smaak in mijn mond.

Plotseling hoor ik in de verte weer een geritsel, duidelijker en ook harder dan eerst. Eigenlijk maakt het me op dit moment niet meer uit. Laat het maar een Mutilant zijn, laat het maar een beroeps zijn, het kan toch niet erger worden dan dit. Maar in een reflex kijk ik op, en zie ik een persoon met kleine stappen en grote ogen naar me toelopen.

"W-w-wie ben jij?" stotter ik compleet buiten adem terwijl ik al langzaam naar achter strompel, doodsbang en walgend van de zure smaak die door mijn woorden weer naar boven komt.

Naarmate ze dichterbij komt kan ik het persoon steeds duidelijker zien, een klein meisje, en haar onschuldige uiterlijk zorgt ervoor dat ik een klein beetje bedaar. Een heel klein beetje, want alles is nog steeds complete chaos.

Ze is waarschijnlijk kleiner dan ik, heeft een klein hartvormig gezicht en appelwangen. Haar ogen zien er rood uit, alsof ze gehuild heeft, en haar armen hangen trillend langs haar lichaam. Maar hetgeen wat het meest opvalt is haar donkerrode haar, wat ontploft lijkt te zijn rondom haar hoofd en vol zit met takjes en bladeren, wat mij direct een rilling van top tot teen geeft.

Crayen zou vast weten wie het is, maar ik weet van geen enkele tribuut de naam of het district, maar ik weet wel dat ik haar eerder heb gezien.

"Mijn naam is Pandora," spreekt ze zachtjes, haar stem hoog maar overduidelijk. Enkele meters verderop blijft ze staan in het gras, en kijkt ze me onzeker en bang aan. "Jij bent Hazel toch, uit district 12?"

Ik knik zachtjes terwijl ik haar van top tot teen nog eens bekijk. Ik heb geen flauw idee wat ik moet zeggen, wat ik moet doen. In een stilte die volgt schieten er duizenden vragen door mijn hoofd. Pandora is mijn concurrent, Pandora moet mij vermoorden, maar Pandora is even oud als ik, Pandora gaat mij niet vermoorden, moet ik met haar samenwerken, en waar is Crayen dan? Maar al snel brengen mijn gedachten me weer tot de stukjes die ik tussen mijn tanden voel, naar het plakkerige goedje op mijn schoenen, naar de nachtmerrie waar ik in ben beland. En vervolgens begin ik weer te huilen.

"Wat is er?" Ze lijkt te schrikken van mijn plotselinge tranen, maar als ze weer dichterbij probeert te komen zet ik hijgend enkele stappen naar achter. Alles in mijn hoofd lijkt tegen te spreken en ik heb geen flauw idee wat ik moet doen.

"Ik w-wil naar h-h-huis."

Mijn woorden zijn nauwelijks verstaanbaar, maar Pandora lijkt ze te begrijpen. Ze komt nog dichterbij, maar ik heb de kracht niet om me van haar weg te bewegen, voor ik het weet slaat ze haar arm zachtjes om mijn middel en begint ze me geleidelijk mee te nemen naar de boomstam. Ik strompel maar wat met haar mee, maar mijn ogen zijn verstomd op haar gericht. Waarom doet ze dit? Ik ben haar tegenstander, waarom helpt ze me?

"Je moet niet huilen, dan horen de anderen je," fluistert ze zacht als ze naast me is gaan zitten. Ze zegt het op een zorgzame toon, toch klinkt haar stem vlijmscherp. "Je moet stil zijn, alleen dan kan je overleven."

Ik kijk haar met trillende lip aan terwijl ze schuchter om haar heen kijkt in vlugge bewegingen. Ineens draait haar hoofd weer naar mij om, en kijkt ze me weer met opengesperde ogen aan, maar anders dan eerst. Indringender.

"Waar is je broer?" mompelt ze met nauwelijks haar lippen te bewegen. Ik denk er niet eens over na hoe ze zou moeten weten dat mijn broer hier ook is, en geef gewoon antwoord, hikkend en stotterend.

"W-weet ik nie-iet. Ik b-ben hem kwijt."

"Heb je nog andere mensen gezien in de buurt?" vraagt ze direct als ik uit mijn woorden ben gekomen, en even kijk ik haar vragend aan. Ineens lijkt ze minder verdrietig en bang dan net, en ik weet niet of ik me daardoor veiliger voel of niet. Ik schud zachtjes mijn hoofd en voel hoe mijn gezicht zich weer omvormt tot een huilende grimas als ik denk aan Crayen.

"Ik heb toch gezegd dat je niet moest huilen," spurt ze fluisterend maar giftig uit, waardoor ik bijna van de boomstam afval van de schrik, direct stop met huilen, en haar met een doodsbange blik aanstaar. En dat lijkt ze te merken. Voor even zie ik haar nadenken, terwijl ze me doordringend aankijkt, maar al snel opent ze haar hartvormige lippen en begint het verhaal.

"Mijn pleegmoeder vertelde me vroeger altijd verhaaltjes voordat ik ging slapen, verhalen over prinsessen, over pratende dieren. Maar toen ik op een avond aan haar vroeg of ze verhaaltjes kende over de Hongerspelen, moest ik direct gaan slapen, zonder verhaaltje."

Haar ogen blijven op mij gericht en blijven op mij gericht bij ieder woord dat ze uitspreekt. Ze fluistert nog steeds, net hard genoeg om het te kunnen horen, maar toch klinkt het niet zachtjes en lijken de woorden als schreeuwen in mijn oren aan te komen. Ik hang aan haar lippen terwijl ze haar verhaal verteld, en negeer de alarmbellen die in mijn achterhoofd afgaan. Pandora is onschuldig, Pandora zal mij niet kwaad doen.

Pandora zal niemand kwaad doen.

"Dus toen heb ik mijn eigen verhaaltje verzonnen, dat over de Hongerspelen gaat. Het gaat over een jong meisje, waarvan iedereen denkt dat ze nooit de Hongerspelen zal winnen omdat ze zo klein en lief is, maar dat is precies wat ze wilt dat iedereen denkt," vervolgt ze fluisterend, terwijl haar blik van starend vervormt tot bezeten, en van bezeten tot maniakaal. En na een kleine pauze na haar laatste woorden, komen haar woorden er met een gesis uit.

"Eigenlijk wil ze iedere levende ziel in de arena martelen tot ze haar vol pijn en angst smeken hen te vermoorden."

Met de laatste kracht die ik nog overheb spring ik in totale paniek van de boomstam af, en probeer ik zo snel mogelijk van Pandora weg te komen. In mijn ooghoeken zie ik haar ook opspringen van de boomstam, en opeens voel ik een angst die ik nog nooit heb gevoeld. Ik kan niet eens huilen, niet schreeuwen, niet denken aan alle dingen die fout kunnen gaan, ik denk alleen aan Pandora, en ik ben doodsbang. Ik durf niet achter me te kijken als ik hyperventilerend wegren, zo hard als ik kan. Maar al snel voel ik iets om mijn linkerenkel knellen, en lijkt de wereld ondersteboven te draaien als ik met een klap neerkom op de grond.

Ik wil direct opkrabbelen, maar op dat moment is het al te laat. Plots voel ik een onbeschrijflijke, stekende pijn in mijn enkel en draai ik paniekerig mijn hoofd. Als ik dan zie dat er een lichtgrijs mes dwars door mijn enkel gaat, en dat de plaats waar het mes uit mijn vlees steekt langzaam donkerrood begint te worden, dezelfde kleur als de robijn in het heft van het mes, dan pas kan ik weer schreeuwen. En mijn schreeuw is harder dan mijn schreeuwen ooit geweest zijn, waarna er een enorme lach op Pandora's gezicht verschijnt.

"Nu kan je niet meer weg."


Ilar Straton (18) – District 2

Ik heb haar laten gaan, hoe heb ik haar in vredesnaam kunnen laten gaan. De ene seconde stond ze nog voor me met haar gewoonlijke koppige, verharde blik, en ik wist zeker dat ze niet zou opgeven op de beroeps, maar de andere seconde zag ik haar in de schaduwen van de hoge bomen verschijnen, en sindsdien heb ik haar niet meer gezien. Ze is weg.

Ik weet dat ik mezelf beloofd heb niet naar haar te zoeken, omdat ik weet dat ik haar nooit zal vinden in de arena. Arwen heeft haar keuze gemaakt, ze wilt het alleen spelen. En hoewel ik de afgelopen dagen alleen heb nagedacht over alle dingen die Orian mij verteld heeft op de avond voor het Bloedbad, voelt het nu alles behalve goed. Arwen zou me gebruiken, Arwen zou haar pijl recht in mijn hart steken als dat haar winst zou betekenen, dat is wat Orian mij vertelde. Ik ging aan haar twijfelen, dat zeker, maar ik weiger te geloven dat ze mijn tegenstander is, dat ze me zou kunnen vermoorden.

Hoewel we nu wel tegenstanders zijn.

"Let je wel op de omgeving, je staart alleen naar de grond."

De zware monotone stem achter me klinkt ineens vanuit de duisternis, maar ik schrik niet op. Pluto heeft nauwelijks wat gezegd de gehele patrouille, maar is door zijn voetstappen toch aanwezig geweest.

Ik maak een instemmend geluid en hef mijn hoofd op van de grond om naar de donkere omgeving om me heen te kijken. Ik richt mijn zaklamp weer op de begroeide bomen om ons heen en grijp met mijn andere hand het heft van mijn zwaard weer stevig vast, proberend weer de aandacht op de patrouille te richten, en klaar te zijn voor de aanval bij iedere beweging die ik zie, zoals ik dat in het begin was. Maar na enkele minuten van mos, klimop en bomen dwalen mijn gedachten weer af naar Arwen.

Diep vanbinnen weet ik dat ik toegezegd heb de tweede patrouille van vanavond ook te doen in een zielige poging haar te vinden. Natuurlijk vond Siren het verdacht, Siren vindt alles verdacht, maar ik heb niet het gevoel dat ze weten dan Arwen weg is.

Direct nadat ik terugkwam van mijn eerste patrouille, die langer duurde dan verwacht omdat ik haar nog minstens een uur heb geprobeerd te zoeken, heb ik ze verteld dat ze even een time-out nodig had. Arwen ging een bron van water zoeken, omdat we te weinig flesjes water in de Hoorn des Overvloeds konden vinden om de hele Spelen te redden. Ik zei dat Arwen waarschijnlijk vannacht of morgenochtend terugkomt, misschien zal ze overnachten in het bos als ze een slaapplek kan vinden, waarbij ze meteen de omgeving af kan speuren naar tributen.

Maar natuurlijk komt Arwen niet terug, niet vannacht, niet morgen, misschien wel nooit. Uiteindelijk zullen ze erachter komen, maar nu kan ik ze het nog niet vertellen. Ons bondgenootschap is te labiel, en daarnaast heb ik het gevoel dat als Siren in de gaten krijgt dat ons front uit elkaar is gevallen, ze alleen maar oncontroleerbaarder zal worden. Siren zal het totaal niet erg vinden dat Arwen weg is, en zal het misschien zelfs in haar voordeel laten werken. Pluto krijgt ze zo mee, en aan Luna en Crystal heeft ze totaal geen tegenstand. En Code, ik kan bijna met zekerheid zeggen dat hij met liefde mijn keel door zal snijden als de beroepsgroep uit elkaar valt.

Ze mogen het niet weten, of ik moet Arwen weten te vinden.

Ik zucht, en schijn voor de zoveelste keer mijn zaklamp naar de bomen voor me, en tot mijn verbazing zie ik dat na enkele meters de bomen ophouden, er een kleine open plek is met daarachter een gigantische muur van rotsen, die grotendeels begroeid is met klimop.

"We kunnen niet meer verder, gaan we links of rechts?" hoor ik Pluto achter me mompelen, terwijl hij naast me komt staan om de muur te bekijken.

"Links," antwoord ik snel op zijn vraag. In mijn achterhoofd weet ik dat het slimmer was mogelijke gleuven tussen de rotsen te onderzoeken, wat mijn vader me altijd heeft geleerd. Maar ik weet dat Arwen niet in een grot zou gaan zitten, Arwen wil om zich heen kunnen kijken en alles in de gaten houden. En blijkbaar is Arwen belangrijker dan het spel dat ik aan het spelen ben.

Precies waar Orian me voor heeft gewaarschuwd.

"Kleine drinkpauze," mummel ik streng, waarna Pluto bijna met een militair discipline zijn rugzak afdoet, op de grond zet en zijn fles water eruit haalt. Pluto is eigenlijk precies die tribuut die ik had moeten zijn, compleet bezig met de Spelen en afgeleid door niets. Ofja, bijna niets misschien.

"Hoe zit het eigenlijk tussen jou en Siren?" vraag ik zo terloops mogelijk als ik een kleine slok water genomen heb.

"Hoe bedoel je?" antwoord hij kortaf, zijn ogen priemend op me gericht, en zijn gezicht verlicht door het zwakke maanlicht dat net de open plek kan bereiken.

"Het lijkt alsof jullie best goed met elkaar overweg kunnen."

"Dat kunnen we ook wel," mompelt hij zachtjes, maar na zijn korte antwoord lijkt een tijdje niets te komen, dus neem ik het woord weer.

"Ik vraag me gewoon af of ze dezelfde prioriteiten als ons heeft, of ze net zo graag als ons de beroepsgroep bij elkaar houden."

En langere stilte volgt, en ik merk dat hij aan het zoeken is naar zijn antwoord. Pluto is nooit een prater geweest, maar op dit moment voel ik bijna zijn ongemak. Ik moet weten hoe Pluto tegenover Siren staat, ik moet het weten om in te kunnen schatten hoe lang dit bondgenootschap nog zal blijven bestaan. Als het uit elkaar valt moet ik voorbereid zijn, ik weiger de tribuut te zijn wiens keel bij het uiteenvallen van de beroeps als eerste wordt doorgesneden, en al helemaal niet zo vroeg in het spel.

"Ze loopt gewoon totaal niet lekker met Arwen, dus die time-out was een goed idee," antwoord hij na een tijdje, maar hij praat om mijn vraag heen.

"Dat is niet wat ik vroeg," zeg ik, iets harder dan eerst en mijn blik naar hem gericht. "Staat Siren achter deze beroepsgroep?"

Hij antwoord mijn blik, en even lijken we elkaar te bevechten met onze blikken, maar we weten allebei dat dit een gevecht is die niemand gaat winnen. Uiteindelijk antwoord Pluto mijn vraag, hij praat er niet om heen, maar het is niet het antwoord dat ik wilde.

"Ik denk dat je dat beter met Siren kan bespreken, Ilar." Zijn woorden zijn zacht, maar met een felle ondertoon. En als hij mijn naam uitspreekt kan ik bijna de vijandigheid in zijn stem horen, wat mijn vermoeden nog eens bevestigd. Hij staat aan Sirens kant. "Maar hoe zit het nu eigenlijk tussen jou en Arwen?"

Zijn woorden komen totaal onverwachts, ineens vanuit de stilte. Zijn sceptische blik is op mij gericht, en ik weet dat ik geen twijfel mag laten zien. Maar direct als zijn vraag bij me aan is gekomen, voel ik de stress en zenuwen opkomen. Liegen is een van de weinige dingen die ik niet kan. En hoewel het me enkele uren geleden gelukt is om de beroeps te laten geloven dat Arwen echt nog bij het bondgenootschap is, voel ik iedere keer als Arwens naam genoemd wordt mijn adem weer vaststeken in mijn keel, net zoals nu.

"Ik denk dat de drinkpauze is afgelopen."

Ik sta op zonder verder iets te zeggen, bevestig zijn rugzak weer strak op mijn rug en begint weer te lopen, naar de linkerkant van de muur. Hoewel Pluto zijn mond houdt over mijn verdachte antwoord, en hoewel daarmee het gesprek beëindigd is, voel ik nog steeds de spanning tussen ons. Ik heb argwaan over de situatie tussen Siren en Pluto en ik weet dat hij met eenzelfde argwaan mij volgt. Ik besluit door te stappen met mijn zaklamp om de donkere omgeving gericht terwijl ik de hele situatie van de beroeps in mijn hoofd overpeins.

Misschien had Arwen wel gelijk, misschien had ik Siren wel nooit bij de beroeps moeten laten. Tot nu toe is zij de constante probleemfactor in onze groep geweest, en heeft de persoon die ik er niet bij wilde hebben in de arena nog niets verkeerds gedaan of gezegd. En als ik naar Arwen had geluisterd was ze er waarschijnlijk nog geweest, was alles op planning en had ik een sterke beroepsgroep die niet de hele tijd met elkaar aan het ruziën is. Misschien had ze wel gewoon gelijk.

Maar nu maakt het toch niet meer uit. Ze is weg, en dat heeft ze zelf gedaan. Ik moet het nu doen met de beroepsgroep die ik heb, met of zonder Arwen. Ik weet alleen wel dat ik iedere nacht met een oog open moet slapen.

Plotseling weerklinkt er een schreeuw door de arena, een lange, afgrijselijke schreeuw die seconden door blijft gaan, om vervolgens af te zwakken en nog twee keer zo hard terug lijkt te komen. Meteen schiet er één naam door mijn hoofd, Arwen, maar als ik de schreeuw voor de tweede keer hoor, weet ik dat het Arwen niet is. Het is van een jonger meisje.

"Het komt vanaf de westkant van de arena, we gaan rennen," zegt Pluto nadat zijn aandacht evenals de mijne werd weggenomen door de kreet. Maar voor ik het weet begint Pluto te rennen, richting het geschreeuw, en kan ik hem slechts volgen.

Op dat moment gaat er even niets door mijn hoofd, en wordt ik overgenomen door mijn oude beroepsinstincten. Al mijn frustraties en spanningen lijk ik te stoppen in het jagen naar de afkomst van de schreeuw. Luisteren, rennen, focussen en altijd paraat staan om te vechten. Maar in mijn achterhoofd blijft Arwen rondspoken. Ik volg Pluto en merk dat ik hem na een tijdje kan inhalen, wat ik ook doe. Enkele minuten rennen we op toptempo door de bossen, en ben ik blij dat we de drinkpauze hebben genomen. We stoppen niet tot we bij een bosgrens uitkomen, en een gigantische open vlakte zien met hoog gras. Maar het gras is te hoog om te zien wat zich erin verschuilt, of wat zich erachter verschuilt. Het lijkt een idyllische aanblik, het zwakke maanlicht dat de lange, dunne grasstrengels verlicht, maar het geschreeuw wat ervandaan komt maakt het alles behalve dat.

Als we dichterbij komen, en met z'n tweeën door de hoge grassen razen met onze zwaarden opgeheven, klaar om toe te slaan, hoor ik opeens hoe het geschreeuw met een plotseling gegorgel lijkt op te houden. Met enkele grote passen vertraag ik mijn sprint en al snel merk ik dat Pluto hetzelfde doet. Even staan we stil, luisterend naar de geluiden die we kunnen horen. Het geschreeuw is gestopt maar een soort gedempt gejammer is nog te horen achter het gras. Er is nog iemand, en dat is genoeg voor ons om weer in actie te komen. Maar dit keer sprinten we niet, maar sluipen we door het hoge gras tot het lager en lager wordt, en we uiteindelijk kunnen zien wat voor een schouwspel er afspeelt in het veld, als het gras tot aan onze onderbenen reikt.

Pluto begint eerder met rennen dan ik, omdat ik enkele seconden aan de grond sta vastgenageld door het monsterachtige aanzicht. Al die jaren had ik gedacht dat ik als beroeps met mijn beroepsgroep het enige echte gevaar in de arena zou zijn, en de afgelopen uren hebben dat alleen maar bevestigd. Ik was bezig met Siren, Code, Pluto, alsof ze mijn enige concurrenten waren, veronderstellend dat de andere tributen zwak zouden zijn, onschuldig.

Ik had het niet meer fout kunnen hebben.

Het roodharige meisje dat ik herken als het meisje uit district negen kijkt direct op als Pluto begint te rennen. De geschifte blik in haar ogen blijft voor één seconde hangen, samen met haar ziekmakende grijns, maar die ene seconde is genoeg om het beeld voor altijd op mijn netvlies vast te branden. Haar haar ontploft, haar gezicht en handen bedekt met bloed, in haar ene hand haar zilverkleurige mes, en in haar andere hand de tong van het meisje uit twaalf.

Maar net als ik mijn verstomde lichaam weer in beweging wil brengen, net als Pluto het meisje lijkt te naderen, springt ze op van het futloos spartelende meisje en sprint ze weg, haar blik verbeten vol woede en agressie, waarschijnlijk omdat ze haar prooi moet achterlaten. Terwijl ik het meisje uit twaalf nader, wilt Pluto achter het roodharige meisje aan gaan. Maar als ze binnen enkele seconden tussen de duistere bomen aan de rand van het veld verdwijnt, beseft hij dat het geen zin meer heeft.

Dan kom ik aan bij het meisje uit twaalf, en kan ik pas echt zien wat het roodharige meisje allemaal heeft aangericht.

De enorme plas bloed om haar linkervoet trekt als eerste mijn aandacht, dan zie ik dat er een gapend gat in haar linkerenkel zit, die levenloos aan haar lichaam hangt. Haar broekspijp is een klein beetje opgerold, en vervolgens zie ik meerdere diepe, lange sneeën in haar kuit. De vingers aan haar rechterhand staan allemaal in een rare positie, en hier en daar steekt een stuk wit bot uit tussen het rode vlees. Maar de ellende komt pas echt tot een toppunt als mijn blik verplaatst naar haar gezicht, en als ik de grote ontploffing van bloed rondom haar mond zie, maar dat komt niet alleen door het uitsnijden van haar tong. Als ik beter kijk zie ik de stukken huid aan de zijkant van haar gezicht hangen, en zie ik haar rode vlees op de plaats waar haar bloskleurige wangen hadden moeten zitten. Het meisje uit negen heeft haar gezicht gevild.

"Heeft zij dit gedaan?"

Ik kijk op en zie dat Pluto met dezelfde verafschuwde blik naar het schouwspel kijkt. Het meisje spartelt nog zachtjes om haar heen, de tranen rollend van haar gevilde gezicht en met een blik gevuld met zoveel pijn en doodsangst dat het bijna onmogelijk is om naar te kijken. Ik zie dat ze probeert te schreeuwen, maar het klinkt slechts alsof ze stikt in haar eigen woorden.

In het verleden van de Hongerspelen zijn er nog wel eens beroeps geweest die hier om konden lachen, en haar misschien zelfs nog even in haar lijden zouden laten, maar voor dit spel heb ik me nooit opgegeven. Ik zal nooit iemand kunnen martelen, en ik kan niet geloven dat iemand dit bij iemand anders heeft aangedaan. En mijn hersenen lijken bijna te exploderen als ik probeer te begrijpen dat het meisje uit negen, het meisje dat bij de interviews de harten van bijna heel het Capitool gestolen had met haar onschuldige blikken en lieflijke glimlachen, haar zo heeft toegetakeld. Maar mijn ogen bedriegen me niet, ik weet wat ik gezien heb, en ik weet nou ook dat we de tegenstanders in de arena niet meer kunnen onderschatten, voordat alle beroeps weer teruggestuurd worden naar de districten in een houten kist. Inclusief ik, inclusief Arwen.

En dat betekent dat de beroeps een sterk front zou moeten vormen, een front dat een eenheid is en kosten wat het kost bij elkaar moet blijven. Alles wat het nu dus niet is.

"Er zit flinke concurrentie in de arena," mompel ik met mijn kiezen op elkaar, langzamerhand bozer en gefrustreerder wordend door de gedachte aan ons zielig excuus voor een beroepsgroep. "Dus vertel je vriendinnetje maar dat ze haarzelf in bedwang moet houden totdat die concurrentie is uitgeschakeld, want Arwen komt terug, en we hebben wel andere personen om te bevechten dan elkaar."

En met die frustratie steek ik mijn zwaard recht door haar bebloede nek, en zie ik dat haar grote ogen, die doodsbang op mij gericht waren voor de afgelopen paar seconden, veranderen naar een levenloze blik, starend in de verte.


Crayen Tanngar (16) – District 12

De verkoolde takjes kraken onder mijn voeten als ik met mijn combatschoen het laatste beetje vuur uittrap. Eigenlijk had ik het veel eerder uit moeten maken, want het is inmiddels al helemaal donker en ik heb toch zeker een uur met het vuur aangezeten. Maar iedere keer als ik ook maar een meter van het flikkerende vuur afging, voelde ik de ijzige wind langs mijn lichaam waaien, en besefte ik me hoe koud het 's nachts in de arena wordt. Het zal het vriespunt zeker niet bereiken, maar als alleen een jas hebt om je warm te houden, is een kampvuur toch wel erg verleidelijk.

Ik loop naar de dichtstbijzijnde boom, waarvandaan ik goed de hemel kan zien, en ga in een bed met mos ernaast zitten, met mijn rug in de klimop. Nu het laatste vonkje is uitgestampt, voel ik pas echt de kou en zie ik pas de duisternis. En hoewel ik geen middelen heb om mezelf warm te houden, kan ik toch niet klagen voor de eerste nacht. Ik heb water gevonden bij een klein riviertje die ik een eindje verderop nog hoor kabbelen. Ik heb een goede schuilplaats, in een dichtbegroeide bessenstruik die van binnen zo goed als hol is. Mijn maag is, nou gevuld zou ik het niet noemen, maar hij is tenminste niet compleet leeg. Ik heb twee kikkers gevangen met een van de vallen die ik heb opgezet, en hoewel aan de een nauwelijks vlees zat, had ik aan die andere toch best een maaltijd. En tenslotte, ook niet geheel onbelangrijk. Ik leef nog.

Ik zucht, waarbij er een klein tochtwolkje voor mijn gezicht ontstaat, en klem mijn armen om mijn opgetrokken knieën. Iedere seconde lijkt het moeilijker om wakker te blijven, en hoewel het warme, slaperig makende gevoel van het vuur weg is, voel ik toch de moeheid langzaam mijn lichaam overnemen, begin ik steeds vaker te gapen en vallen mijn ogen nu en dan bijna dicht. Maar ik sta het mezelf niet toe in slaap te vallen, schud mijn hoofd door elkaar alsof ik alle slaperigheid daarmee van me afschud, en focus me op een padje die een eindje verderop steeds verder richting het kabbelende meertje hopt, maar dat maakt me eigenlijk alles behalve wakker. Al snel genoeg worden mijn gedachten getrokken naar de reden waarom ik wakker blijf. Ik moet de namen in de lucht zien.

Ik moet weten of Hazel nog leeft.

Sinds ik het doolhof in ben gevlucht, zonder ook maar achter me om te kijken of Hazel al levenloos te midden het bloedbad lag of veilig was weggevlucht, kan ik niet stoppen met over haar te denken. Eerst bleef ik maar in mijn hoofd herhalen dat ik de juiste keuze had gemaakt. Hazel zou een blok aan mijn been zijn, Hazel zou toch nooit kunnen winnen, en ik wel. Ik moest voor mezelf kiezen, en dat heb ik gedaan. Ik bleef het maar herhalen, maar meer om mezelf te proberen overtuigen dat echt de juiste keuze was, waar ik met de seconde minder zeker van werd. Want eigenlijk kan ik me alleen maar schuldig voelen.

Natuurlijk is mijn zusje bloedirritant, en natuurlijk zou het makkelijker zijn zonder haar. Maar ik zit hier, en alles gaat tot nu toe helemaal volgens plan, was het dan zo moeilijk geweest om haar even op te zoeken in het bloedbad, en mee te nemen naar de plek waar ik nu ben? Misschien waren we dan wel beiden veilig, hadden we beiden een gevulde maag een geleste dorst. Maar nu zit ik hier alleen, veilig, maar zonder Hazel.

Het is verschrikkelijk, ik ben juist op mezelf gegaan om niet meer met haar bezig te moeten zijn, en nu ben ik misschien nog wel meer bezig met haar dan ik eerst was. Hazel klemde zich altijd vast aan mijn been, maar ze ging overal mee naartoe waar ik haar mee naartoe nam, en ik hield totaal geen rekening met haar. En nu lijkt er maar één woord te zijn dat mijn brein kent, Hazel. Één woord met zoveel gemixte gevoelens, irritatie, haat, schuld, verdriet, liefde, ik weet het niet eens meer. Ik weet alleen dat ik me schuldig voel, niet tegenover mijn moeder en zelfs niet eens tegenover mijn overleden vader, door wie ik uiteindelijk deze keuze heb gemaakt, maar tegenover haar. Het meisje dat naar me glimlachte van opluchting bij het begin van het Bloedbad, het meisje dat me blindelings vertrouwd en het meisje dat ik heb verraden.

"Waar blijft dat verdomde volkslied nou," mompel ik zachtjes en zwaar geïrriteerd in mezelf. Maar als enkele seconden daarna de eerste klanken met enorm volume door de lucht weerklinken, lijkt mijn hart direct in mijn schoenen te zakken en voel ik mijn adem twee keer zo snel gaan dan voorheen. Met grote ogen kijk ik naar de donkere hemel, waar nog niets op te zien is, en weet eigenlijk niet waarop ik moet hopen. Misschien is het beter dat ze dood is, beter voor haar en ook beter voor mij. Maar ik kan me gewoon niet voorstellen dat mijn kleine zusje niet meer leeft. Dat mijn kleine, aanstellerige, bloedirritante zusje dood is.

Het embleem van het Capitool verschijnt als eerste in de lucht, en steekt met haar felle, lichtblauwe lijnen enorm af tegen de donkerblauwe, bijna zwarte lucht. Maar terwijl het volkslied in volle glorie door de arena te horen is, kijk ik met spanning toe hoe de eerste naam, en eerste foto in de hemel verschijnen.

'Alec Silenus, District 5.'

Ik herken de naam niet, maar de jongen op de foto kijkt me met een veel te opgewekte en oprechte glimlach aan. Maar veel denk ik niet na over de jongen, en ik probeer hem ook niet te herkennen. Het feit dat alle beroeps direct zijn overgeslagen, en dus nog stuk voor stuk leven, is veel belangrijker. Ik had wel verwacht dat er misschien één of twee in het bloedbad omgekomen zouden zijn, wat niet zo is. En ik kan het niet helpen dat ik me op dat moment, ondanks mijn goede omstandigheden, verloren voel.

Maar die gedachte druk ik snel weer weg, en focus me weer op de gezichten in de lucht, wachtend op Hazels gezicht, of de aanwezigheid daarvan.

'Jaden Black, District 6.'

De tweede naam en foto verschijnen enkele seconden na Alec in de lucht, en weer is het een jongen die ik niet herken. Het enige wat ik kan zien is dat hij jong is, en dat hij met een doodsbange blik de camera inkijkt, een blik die me direct doet denken aan haar.

"Laat haar alsjeblieft niet dood zijn," ontglipt me fluisterend, bijna als een gebed, zonder dat ik het zelf eigenlijk door heb.

'Liz Green, District 7.'

'Elora Rae, District 10.'

'Pip Rosswald, District 10.'

De volgende drie namen zijn weer drie namen die ik niet herken, en die mij eigenlijk ook nauwelijks bezighouden. Ergens weet ik wel dat het koppeltje dat ik bij de trainingsdagen zag de twee tributen uit tien zijn, en dus allebei al op de eerste dag dood zijn gegaan. En dat het meisje uit zeven het meisje was dat bij de interviews vertelde dat ze een kind had, en daarmee heel het Capitool schokte. Maar mijn ogen zijn op dit moment strak op de hemel gericht, met Hazel scherp op mijn netvlies, alles behalve haar gezicht is onbelangrijk voor mij.

'Blye Deluna, District 11.'

Mijn hart bonst bijna mijn borst uit als de volgende naam weer in de lucht verschijnt, en we steeds dichter bij district twaalf komen. Laat haar leven, laat haar leven, laat haar leven, het klinkt als een tantrum in mijn hoofd en blijft maar doorgalmen, maar ergens weet ik ook dat als ze nog leeft, ze ergens hier alleen in de arena zit, hongerig, koud en doodsbang. Ik weet niet eens meer wat ik moet hopen. Ik neem een flinke ademtuig en kijk met grote ogen naar de hemel als Blye's foto wegvaagt en de volgende verschijnt.

'Hazel Tanngar, District 12.'

Hazel.

Ongeloof is het eerste wat de kop op steekt. Ik kan enkel naar de hemel staren, met mijn hoofd nee schuddend, en in mijn gedachten herhalen dat het niet waar kan zijn. Dat blijf ik doen, starend naar de totaal verschrikte uitdrukking op Hazels gezicht op de foto. Haar appelwangen, warrige wenkbrauwen en lange haar dat warrig naar beneden valt. Mijn zusje.

Ze is dood.

Als het volkslied dan stopt met spelen, verdwijnt haar gezicht uit de hemel en laat het alleen duisternis achter. En op dat moment voel ik alleen leegte. Leegte terwijl ik naar de lucht blijf staren, verwachtend dat misschien haar foto terug zal keren, maar wetend dat dat waarschijnlijk de laatste keer zal zijn dat ik haar gezicht zie. Ik denk niet na over wat mijn moeder wel niet van me zal denken, haar enige dochter in de steek hebben gelaten, en haar dood veroorzaakt. Of over mijn vader, wiens belofte ik verbroken heb door haar niet bij te staan in de arena. Ik kan alleen Hazels zwakke, dode lichaam voor me zien, die teruggestuurd wordt naar district twaalf. Nooit meer haar ritueeltjes, nooit meer haar gezeur, nooit meer Hazel. Leegte.

Ik zou opgelucht moeten zijn dat ze niet meer hoeft te lijden in de arena, ik zou opgelucht moeten zijn dat ik geen rekening meer met haar hoef te houden, ik zou opgelucht moeten zijn dat ik mijn eigen ding wilde doen. Want dat wilde ik toch? Hazel maakte me niets uit, ik zou opgelucht moeten zijn dat ik eindelijk alleen ben.

Maar als ik voor het eerst sinds vele, vele jaren mijn ogen voel opwellen met tranen, besef ik dat ik alles behalve opgelucht ben. Ik heb mijn zusje in de steek gelaten, haar dood is mijn schuld.


Gazelle Tanngar (36) – District 12

Ik heb nooit geweten waarom mijn man een pistool in zijn huis bewaarde. In district twaalf is nauwelijks een vredebewaker te vinden, vooral niet in het gedeelte van de Laag waar wij leven, en de mensen zijn hier nauwelijks bezig met elkaar, enkel met hun eigen problemen.

We hebben het ook op één keer na nooit gebruikt. Jaren geleden, toen een groep uitgestorven jongeren één week lang enkele huizen in de buurt probeerden te beroven heeft mijn man met het pistool onder zijn kussen geslapen. Maar voor de rest van al die jaren heeft het in een gat in de muur achter een klein schilderij van een vissersboot gelegen, langzaam bedekt wordend onder een dun laagje stof.

Tot vandaag.

Met het licht van de kleine, flikkerende gloeilamp in de kamer is het pistool nauwelijks te zien. Het lijkt slechts een grijze vlek in een zwarte holte in de muur. Maar als ik mijn trillende arm uitstrek, en mijn vingers om het voorwerp in de holte sluit, kan ik duidelijk de contouren van het pistool voelen. Het voelt koud, ijskoud.

Mijn hand trilt zo erg dat als ik het pistool voorzichtig en doodsbang uit de ruimte wil trekken, het stof dat erop lag er als sneeuw al vanaf valt. Maar als ik de schacht van het pistool in mijn linkerhand leg, en de rest van het stof er in één ademteug vanaf blaas, zie ik pas echt de zwarte kleur van het pistool, dat zich verborg achter een laag van grijs.

Ik heb nooit geweten waarom mijn man een pistool in zijn huis bewaarde. Ik weet dat hij altijd een enorm sterke drang heeft gehad zijn gezin te beschermen. Dat heeft hij ook gedaan, voor vele jaren. Hij werkte hard, waardoor we nooit wat te klagen hebben gehad, en we nooit echte honger hebben geleden. Daarnaast was hij ook nog eens een fantastische vader. Hij bracht zijn kinderen op met wijsheid, met liefde, met moraal en waarden. Ik denk dat hij slechts zijn gezin wilde beschermen, als er echt gevaar om de hoek kwam kijken.

Maar het echte gevaar is niet met een pistool te bevechten.

Zijn dood veranderde alles. Het veranderde Hazel, het veranderde Crayen, het veranderde mij. Hazel was zo jong, zo fragiel, zo angstig, en ik wilde haar helpen op iedere manier die ik kon. Ik probeerde de dood van mijn man te verwerken, door voor Hazel te zorgen. Hazel, mijn kleine meisje, werd mijn hele leven. Niets anders leek uit te maken, enkel Hazel.

In die tijd begon Crayen steeds meer op mijn man te lijken, qua uiterlijk, qua innerlijk. Iedere dag werd het moeilijker om hem in de ogen te kijken, en geconfronteerd te worden met de waarheid, met de afwezigheid van mijn man. Dus ik begon hem te ontlopen, zo weinig mogelijk naar hem te kijken. Ik begon hem te verafschuwen zodat ik de dood van mijn man niet hoefde te verwerken.

Dus focuste ik me nog meer op mijn dochter, en zag ik niet dat haar situatie steeds verder uit de hand liep. Een simpele angst voor het donker mondde uit tot een eindeloos lijkende lijst van angsten. Het dichttimmeren van de ruimte onder haar bed mondde uit tot gigantische maandelijke uitgaven aan ontsmettingsdoekjes, waardoor we bijna ons eten niet meer konden betalen.

Ik wilde haar beschermen voor alles in de hele wereld. Maar toen haar naam omgeroepen werd tijdens de trekking, kon ik haar niet beschermen. Ik kon haar niet beschermen.

Het is waar wat ze zeggen, hoop is sterker dan angst. Want na die hele week waarin de situatie dat Hazel zou winnen totaal onmogelijk leek, voelde ik de hoop. Dat greintje hoop was genoeg om me staande te houden. Ze had Crayen, Crayen zou haar beschermen, en er hadden wel vaker jonge, zwakke tributen verloren. Er was hoop, het was maar een greintje, maar er was hoop.

En nu, na een week de langer leek te duren dan de rest van mijn gehele leven, een week gevuld met slapeloze nachten, oncontroleerbare tranen en doodsangst voor de persoon van wie ik meer hou dan mezelf, is het voorbij. Ze is dood. Mijn Hazel is dood. Mijn wereld is dood.

Ik dacht dat ik mijn absolute dieptepunt bereikt had toen mijn man stierf, en ik ben ook nooit meer de oude geworden sindsdien. Maar toen had ik Hazel om aan vast te klampen, nu heb ik niets. Ik moest alleen aankijken hoe Hazel moederziel alleen en doodsbang in de arena zat. Ik moest alleen kijken hoe Hazel door dat meisje in stukken werd gescheurd, en voelde bijna alle pijn mee. De marteling voor haar, de marteling voor mij. En ik moest alleen kijken hoe de beroeps uiteindelijk zijn zwaard in haar keel stak, hoe haar ogen rolden naar een dode blik. Mijn meisje. Mijn alles. Dood.

Ze schakelden over naar Crayen, vrij snel nadat ze was gestorven, toen ik aan het schreeuwen was naar de beelden op het scherm, mijn haren er uit trekkend en dood vanbinnen, net als Hazel. Hij zat bij het kampvuur, veilig. Ik kan hem niet eens meer mijn zoon noemen, hij heeft zijn eigen zusje voor dood achter gelaten, en het leek hem niets te doen. Al die jaren had ik gedacht dat hij op mijn man leek, maar Crayen is niets als mijn man. Crayen is verbitterd, slecht, een monster. En als ik Hazel niet als winnaar in mijn armen kan ontvangen, hoef ik geen van mijn kinderen in mijn armen te ontvangen.

Ik heb nooit geweten waarom mijn man een pistool in zijn huis bewaarde, maar het is te laat om daar nog achter te komen. Ik voel een laatste traan vanuit mijn uitgedroogde ogen rollen als ik een diepe zucht laat. Mijn ogen staren naar een ingelijste foto aan de muur, die naast het schilderij voor het gat in de muur hangt. Hazel zit bij haar vader op schoot en heeft een grote glimlach op haar gezicht. Ik sta achter mijn man en glimlach zachtjes naar de camera en heb mijn arm geslagen om het afgebrande gedeelte van de foto waar eerst Crayen stond. Binnenkort zijn we allemaal dood.

Met trillende adem breng ik het pistool naar mijn hoofd toe, en zet ik de schacht van het pistool tegen mijn slaap aan. Ik kijk voor de laatste keer naar Hazel, naar mijn man, en met de gedachte dat ik door de dood met ze herenigd wordt, haal ik de trekker over.

Ik hoor het daadwerkelijke schot niet, want een ander schot weerklinkt door mijn hoofd als ik afvuur. Hazels kanonschot, het schot waarmee ik eigenlijk al gestorven was.


De eerste dode na het Bloedbad, ik zal het meteen maar officieel maken.

Hazel Tanngar (14) - District 12 - Vermoord door Ilar Straton - Cicillia

Toch wel een heftig hoofdstuk. Natuurlijk is Hazel niet de eerste dode, maar omdat er in de arena zoveel tegelijk doodgaan, kan ik daar moeilijk zo diep op ingaan. Maar voor Hazel wilde ik graag een heel hoofdstuk wijden waar toch heel veel in gebeurt. Ikzelf vond Hazel een geweldig karakter, ze was zo bijzonder om over te schrijven, lastig maar echt heel erg leuk. Daarom vond ik toch echt wel belangrijk dat zij een heel hoofdstuk kreeg, met natuurlijk Crayens reactie én Gazelle's reactie. Ja, Hazel was Gazelle's hele leven, dus eigenlijk zag ik geen andere uitkomst voor haar dan dit. En hoewel ik al eerder zo'n scene geschreven heb, blijft het enorm heftig. Ik hoop dat jullie vooral deze kunnen appreciëren.

En natuurlijk Pandora, wat vonden jullie van haar in dit hoofdstuk? Haar eerste slachtoffer, en ze is lekker creatief geweest. Ik ben lekker creatief geweest, haha. Eerst het toneelstukje, het verhaaltje en vervolgens de marteling. Maar zal ze dit kunstje nog een keer kunnen doen nu de beroeps haar geheim weten? En ze heeft het niet eens mogen afmaken, haha! Die zal niet erg blij zijn! En daarnaast toch flink wat beroepsdrama, maar ook een beetje een omslag voor Ilar. Ik besefte me eigenlijk pas tijdens het schrijven dat de beroeps alleen nog maar interne problemen hebben gehad, en misschien niet beseffen wat er allemaal voor andere tributen zijn. Daarom was dit wel een belangrijke omslag, maar zullen de andere beroeps daarmee instemmen? Dat zullen we het volgende hoofdstuk zien...

Maar tenslotte wil ik Cicillia echt bedanken voor haar bijzondere karakter! Hazel was en blijft een van mijn favorieten. Ik vond het echt erg om haar dood te laten gaan, maar ze heeft het natuurlijk al verder geschopt dan iedereen verwachtte! En ik zal ook meteen bekendmaken wie Pandora heeft gesponsord met het mes: kirstenav! Dus alle fans van Hazel, zij is de schuldige, haha!

En dan de puntentelling:

Weer even voor de duidelijkheid:

Je krijgt 5 punten als je in het begin een tribuut hebt ingestuurd (2 tributen telt niet voor 10 punten, dat blijft 5)
Je krijgt 5 punten als je mijn verhaal followed
Je krijgt 2 punten voor een review (hier mag van alles instaan)
Je krijgt 3 punten voor een review waarin je tips geeft
Je krijgt 3 punten als je een strijdwagenkostuum hebt ingestuurd (2 kostuums telt niet voor 6 punten, dat blijft 3)

Jade Lammourgy - 86 punten
MyWeirdWorld - 86 punten
LauraTwilightHungergamesHPfan - 83 punten
Cicillia - 75 punten
greendiamond123 - 69 punten
FF-Schwarz - 67 punten
sissihuys - 64 punten
NoxSelkirk - 61 punten
leakingpenholder - 59 punten
JesseGabriel - 57 punten
evalovespeeta - 57 punten
miniMinaxx - 45 punten
Madeby Mel - 42 punten
Azmidiske87 - 38 punten
XxwhitechocolatexX - 37 punten
Luutje19 - 36 punten
serenetie-ishida - 35 punten
Kirstenav - 20 punten
randomlypandas - 14 punten
Miss Little ME - 12 punten
Tiger outsider - 13 punten
freddie97 - 8 punten
TeensReadToo - 3 punten

Wat je kan sponsoren voor welke hoeveelheid punten is te vinden op mijn profiel!

Vergeet echt geen review achter te laten! Zoals ik al zei helpt dat me echt voor het schrijven van het volgende hoofdstuk! Als je het hoofdstuk gelezen hebt, laat gewoon even hieronder een bericht achter wat je ervan vond, wat op dat moment in je opkomt! Ik ben blij alles te lezen, je zou me er echt blij mee maken! En ook mensen die geen account hebben op deze site, vul gewoon hieronder wat gedachten in, zet je naam erboven en druk op versturen! Je hebt geen account nodig om een review achter te laten, en je zou me er echt blij mee maken!

Vergeet ook niet dat je kan sponsoren! Natuurlijk wil iedereen het liefste later in het hoofdstuk sponsoren, maar als ik dan drie sponsorgiften per hoofdstuk krijg, kies ik slechtst de leukste uit. Dus je kan het risico nemen, maar als je, als het verhaal afgelopen is, met 60 sponsorpunten over zit, heb ik je gewaarschuwd!

Het volgende hoofdstuk wordt waarschijnlijk weer iets korter, net zoals deze, wat wel lekker is! De afgelopen hoofdstukken waren zo verschrikkelijk lang, haha! Dit is iets makkelijker te schrijven en te lezen! Maargoed, het volgende hoofdstuk zal weer heeel veel nieuwe plottwisten brengen, en is weer een erg belangrijk hoofdstuk! Ik hoop het zo snel mogelijk te posten! Tot dan!

Levi :)