Hoofdstuk 24 De Verklaring is Liefde

Harry was voor de derde hoorzitting een stuk minder gespannen dan voor de vorige twee. Ook had hij niet de tegenstrijdige gevoelens die hij voor het volgende proces, dat van Draco, had. Voor zover hij het kon bekijken, sprak er meer voor dan tegen Narcissa Malfidus. Zeker als hij verslag moest doen van haar actie in het Verboden Bos. En daar had hij ook geen bezwaar tegen; de vrouw had tenslotte zijn leven gered.

Haar aanklacht bestond alleen uit het feit dat ze het teken van Voldemort droeg. Duidelijke bewijzen van duistere activiteiten waren er niet.

Het gemompel in de zaal nam toe en hij zag dat Narcissa Malfidus werd binnengeleid. Ze liep rechtop met opgeheven hoofd, maar haar houding straalde gespannenheid uit. Haar haren waren simpel, maar elegant opgestoken. Ze droeg een eenvoudig gewaad, al had Harry durven wedden dat het op maat gemaakt was in een chique winkel. Ze zag er breekbaar uit. Hij wist niet of dat een bewuste strategie was, maar het leek wel te werken, te oordelen naar de reacties in de zaal.

De bewaker bracht haar naar de stoel en behoedzaam ging de blonde vrouw zitten. Harry was opgelucht dat de kettingen bleven hangen. Narcissa sloot een moment haar ogen en ademde zichtbaar uit. Toen hij snel de zaal rondkeek, zag hij dat de meeste toeschouwers een afwachtende houding hadden. Een wereld van verschil met de vijandige sfeer tijdens de zitting van haar man, en zeker tijdens die van Vaalhaar. Hij glimlachte even toen hij meneer en mevrouw Wemel, Ginny en Loena zag zitten. Dit keer was mevrouw Wemel niet tegen te houden geweest, om hem morele steun te bieden. Harry vermoedde echter dat er bij Ginny ook een stukje sensatiezucht meespeelde. Loena was dan weer een ander verhaal; waarom zij uitgerekend naar de hoorzittingen van de Malfidussen wilde, was hem een raadsel.

Zijn blik gleed verder over een geheimzinnige vrouw hoog op de tribune die een sjaal over haar haren had gedrapeerd. De donkere stof verborg tevens haar gelaatstrekken. Harry zag dat ze met een intense blik voorover leunde. Haar handen lagen gebald op haar schoot. Hij vroeg zich af wie ze was.

Professor Anderling stond op en wachtte een ogenblik tot de zaal stil werd voordat ze opzij keek naar Percy. Ze tikte even met haar toverstok tegen haar keel en sprak toen, duidelijk hoorbaar tot achter in de rechtszaal: 'Narcissa Malfidus, geboren Zwarts, u moet vandaag voor de Magische Wetsraad verschijnen, betreffende overtredingen begaan onder de Wet op – '

Narcissa's ogen gleden over de eerste rij en haperden even toen haar blik die van Harry kruiste. Haar blauwe ogen keken uitdrukkingsloos, maar hij wist dat dit niets te betekenen had. Narcissa Malfidus had al lang geleden geleerd haar emoties te maskeren.

Ondertussen riep professor Anderling een getuige op die moest verklaren dat Narcissa aanwezig was geweest in Het Verboden Bos op 2 mei in de kring met aanhangers van Voldemort. Terwijl hij met een half oor luisterde, kwam de herinnering weer boven aan de emoties in Narcissa's stem toen ze angstig naar haar zoon had geïnformeerd.

' – naast Lucius Malfidus en Bijlhout in de kring … rond de Heer van het Duister toen – '

Haar familie bleek het uiteindelijk toch te winnen van haar idealen over bloedzuiverheid en haar loyaliteit voor de zaak van haar man. Toch weer die liefde waar Voldemort zo schamper over had gedaan, dacht hij peinzend. Maar familie was niet altijd haar prioriteit geweest, herinnerde hij zich bitter en de uitdrukking waarmee hij naar de vrouw keek, die indirect verantwoordelijk was voor Sirius' dood, verhardde.

De verdediger was nu aan het woord. Een andere dan Lucius had gehad, alsof ze bewust de associatie met de zwaardere misdaden van haar man wilde ontwijken. De lange, robuuste man met het kort geknipte sikje trachtte de Wikenweegschaar ervan te overtuigen dat Narcissa Malfidus met haar rug tegen de muur had gestaan.

Hij zweeg een moment en richtte na de effectieve stilte het woord tot professor Anderling. 'De Verdediging zou nu graag als getuige meneer Harry James Potter oproepen.'

Plotseling klonk er weer van alle kanten gefluister. Ook was er zichtbare verwarring over het feit dat Harry voor de Verdediging zou getuigen. Ondanks dat de kranten uit de meest onwaarschijnlijke – en vaak onbetrouwbare – bronnen informatie kregen toegespeeld over de gebeurtenissen op Zweinstein, waren er maar weinig mensen die de ware toedracht kenden.

Harry had de man via meneer Wemel bedongen om hem geen vragen te stellen die niet relevant waren en aangezien veel informatie niet voor Narcissa zou pleiten, – al was het maar indirect – had hij er wel vertrouwen in dat de verdediger dat niet zou doen.

Hij stond op en trachtte zo beheerst mogelijk de rij uit te lopen, langs Percy, de trap af, naar de houten stoel met de hoge rugleuning die professor Anderling met een zwiep van haar stok tevoorschijn liet komen. Narcissa staarde recht voor zich uit toen hij plaatsnam. Ze leek uiterlijk onbewogen, maar hij zag dat haar handen de

leuningen krampachtig omklemden. De verdediger schraapte zijn keel om opnieuw de aandacht van het publiek en de Wikenweegschaar op te eisen en Harry keek op.

'U bent Harry James Potter, woonachtig in Klein Zanikem, aan de Ligusterlaan 4?'

Vanaf de tribunes klonk zacht gelach bij deze retorische vraag.

Harry wist dat hij absoluut niet meer woonachtig was in de Ligusterlaan en dat ook nooit meer zou zijn. Maar aangezien hij daar nog wel ingeschreven stond, zei hij simpelweg: 'Ja'.

De verdediger keek even in zijn papieren en vroeg: 'Meneer Potter, kunt u ons vertellen waar u was op zaterdag 2 mei jongstleden, rond vier uur in de morgen?'

Harry's ogen vielen even op professor Anderling die hem bemoedigend aankeek en hij wendde zijn hoofd tot de verdediger en antwoordde: 'Rond die tijd moet ik op weg zijn geweest van Zweinstein naar het Verboden Bos.' Plotseling denkend aan Sneeps lessen voegde hij eraan toe: 'Meneer.'

De man knikte en ging verder: 'Klopt het dat u daar naartoe ging om u over te geven aan Jeweetwel, zoals hij in een ultimatum had geëist?'

Achter Harry klonken kreten van ontzetting en iemand snakte hoorbaar naar adem.

Dat was dicht genoeg bij de waarheid, besloot hij echter, zich bewust van de driftig schrijvende persmuskieten aan zijn rechterzijde. Hij knikte en zei: 'Dat klopt, meneer. Het ultimatum van Marten Vilijn.'

De verdediger pauzeerde even. Voor het effect of omdat hij de naam van Voldemort moest verwerken. Toen vroeg hij: 'U hoorde zojuist meneer Rombaud verklaren dat hij die nacht mevrouw Malfidus in de kring van Dooddoeners heeft gezien met Je – uhm – Marten Vilijn in het midden. Kunt u dat bevestigen, meneer Potter?'

Opnieuw zei Harry: 'Dat klopt, meneer.'

De ademhaling van Narcissa klonk onregelmatig naast hem. Hij voelde zich ongemakkelijk dat hij over iemand moest praten die naast hem, maar buiten zijn gezichtsveld zat. Hoewel dat het in een bepaald opzicht ook makkelijker maakte.

'Wat gebeurde er toen u daar aankwam, meneer Potter? En wat kunt u met betrekking daarop vertellen over mevrouw Malfidus?'

Onwillekeurig wierp Harry een blik opzij; van dichtbij zag Narcissa nog bleker. Haar ogen lagen diep in hun kassen. Iets wat werd geaccentueerd door de donkere schaduwen eronder. Ze staarde nog steeds voor zich uit, naar een punt net onder het podium van de Wikenweegschaar. Hij beet op zijn onderlip. Hoe zwaar woog het verraden van Sirius op tegen het redden van zijn leven? Maar had hij niet tegen Ron geroepen dat hij geen eigen rechter wilde spelen? Het enige dat hij hoefde te doen, was de feiten geven. Vertellen wat hij gezien en gehoord had.

Hij keek op en focuste zich op professor Anderling, het voorbeeld van een rechtvaardige Griffoendor en begon te praten. Net als de dag ervoor werd het doodstil in de zaal.

'Er was voorspeld dat we niet beiden konden blijven leven, Marten Vilijn en ik. Dat was tenminste de interpretatie van een achttien jaar oude profetie.'

De leden van de Wikenweegschaar keken hem gebiologeerd aan. Alsof hij Vertelsels van Baker de Bard voorlas.

'Dus ging ik naar het Verboden Bos om te sterven,' zei hij eenvoudig. Hij negeerde de ontzette geluiden achter zich. 'Marten Vilijn probeerde me te doden, maar ook dit keer slaagde hij daar niet in.' De bijdehante opmerking veroorzaakte een rimpel van gelach door de zaal. Weer ernstig kijkend, ging hij verder.

'Toen ik me weer bewust werd van mijn omgeving lag ik op de grond en Vilijn koos Narcissa Malfidus uit om te controleren of ik echt dood was.'

Hardop peinzend zei hij: 'Had hij iemand anders gekozen, dan was alles heel anders verlopen. Dan zou ik alsnog gedood zijn en zou Vilijn definitief gewonnen hebben. Narcissa Malfidus kwam naar me toe en onderzocht me. Ze voelde mijn bonzende hart, maar verklaarde tegenover Marten Vilijn dat ik dood was.'

Verbazing tekende zich op de gezichten voor hem. Toen de verdediger het woord nam, keek Harry de man verrast aan; hij was hem praktisch vergeten.

'Meneer Potter, kreeg u nog een verklaring voor deze ongelofelijke daad van medeleven?'

Harry vond dat hij het er wel erg dik bovenop legde, maar antwoordde niettemin: 'De verklaring was liefde. De liefde van Narcissa Malfidus voor haar zoon. De strijd van Vilijn interesseerde haar allang niet meer. Het enige wat ze wilde weten, was of haar zoon nog leefde, en waar hij was.'

'En waar was die zoon?' klonk een nieuwsgierige stem. Een tovenaar van middelbare leeftijd die twee rijen achter Romeo zat, vroeg: 'Is dat niet Draco Malfidus, de jongen die Dooddoeners binnenliet in - ?'

'Draco Malfidus staat hier nu niet terecht,' onderbrak professor Anderling de man op scherpe toon. De man boog zijn hoofd in erkenning en professor Anderling gebaarde dat Harry verder kon gaan.

Hij vertelde wat Narcissa precies gezegd en gedaan had om te zorgen dat ze haar zoon kon gaan zoeken. Dat ze, eenmaal in het kasteel, niet meegevochten had, maar samen met haar man wanhopig het kasteel af had gezocht naar Draco. De tovenaar achter Romeo keek bij de naam van Lucius alsof hij Harry weer in de rede wilde vallen, maar een blik op de kaarsrechte rug van professor Anderling verdreef dat idee.

Harry liet zijn ogen snel van de ene tribune naar de andere gaan. Toen zijn blik weer langs Narcissa gleed, zag hij hoe een eenzame druppel langzaam over haar verder onbewogen gezicht rolde. Het was een schokkend gezicht.

Tot zijn grote opluchting mocht hij weer plaatsnemen op de tribune. Hij keek naar de plaats waar de Wemels zaten. Ginny en mevrouw Wemel keken hem sympathiek aan en meneer Wemel knikte hem goedkeurend toe. Harry beantwoordde Loena's knipoog met een glimlachje. Professor Anderling stond op. Met haar scherpe ogen keek ze doordringend de zaal rond tot het meeste geluid verstild was.

'Hoewel Narcissa Malfidus, geboren Zwarts, niet het Duistere Teken droeg, zijn er duidelijke bewijzen dat ze een aanhanger van Marten Vilijn was. Er is ook aangetoond dat er misschien verzachtende omstandigheden meespeelden. Ik vraag nu of de juryleden hun hand willen opsteken als ze vóór gevangenisstraf zijn.'

Harry draaide zijn hoofd om. Er waren een paar leden van de Wikenweegschaar die – zijn blik ontwijkend – langzaam een hand omhoog brachten, maar een overduidelijke meerderheid was tegen gevangenisstraf. Er klonk heel zacht een snik, maar toen hij opzij keek, was Narcissa's masker alweer op zijn plaats.

Hij voelde zich vreemd … opgelucht. De reacties uit het publiek waren gemengd – er klonk applaus en ook boegeroep – maar hij had het idee dat het merendeel het toch wel eens was met het vonnis. Links bewogen de ganzenveren steeds sneller heen en weer. Aan de andere kant depte de mysterieuze vrouw haar ogen met een punt van haar sjaal.

Professor Anderling vroeg opnieuw om aandacht. 'Hoewel de aangeklaagde niet naar Azkaban hoeft, zal de raad nog vergaderen over de juiste strafmaat in verband met de overtredingen die begaan zijn. Narcissa Malfidus, geboren Zwarts, u bent daarom vrij het Ministerie te verlaten. U heeft echter huisarrest tot het moment dat de Wikenweegschaar een besluit heeft genomen.'

Terwijl het volume in de rechtszaal weer toenam, gingen de deuren open en kwam er een bewaker binnen om Narcissa naar buiten – en vermoedelijk naar huis – te begeleiden. Mensen begonnen overeind te komen en de journalisten haastten zich om hun spullen bij elkaar te pakken en zich te verzamelen bij de deur. Romeo boog zich voorover en zei tegen Harry: 'Als je hier even wacht dan zorg ik dat de zaal ontruimd wordt.'

Harry knikte opgelucht. De leden van de Wikenweegschaar begonnen ook te vertrekken. Ze verlieten de zaal één voor één door een kleinere deur aan Percy's kant van de tribune. De bewakers spoorden de mensen aan de zaal te verlaten wat tot heftige protesten van de pers leidde. Sommige journalisten probeerden luid roepend zijn aandacht te trekken.

'Harry Potter! Ben je tevreden met de uitspraak?'

'Meneer Potter, wat vindt u ervan dat u vanmiddag ook moet getuigen bij het proces van Draco Malfidus?'

'Harry, – '

Hij keek ontwijkend naar de andere kant en was opgelucht om te zien dat de Wemels en Loena mochten wachten.

o~0~O~0~o

'Ik laat geen gaten in me boren terwijl jij moed staat te verzamelen. Vertel de man waarom we hier zijn!'

De man in kwestie keek verbijsterd van Ron naar Hermelien en weer terug. Wilbert Wanders, de Australische tandarts die vergeten was dat hij als Gerard Griffel was geboren. Die vergeten was dat hij een dochter had.

Zijn aanblik was zo vertrouwd, maar tegelijkertijd zo … leeg. Er was geen herkenning, geen vreugde in zijn ogen. Verdwenen was de man die een poppenhuis had gebouwd voor haar achtste verjaardag, tenietgegaan de vader die haar getroost had en het wiel van haar poppenwagen had gerepareerd.

Deze man – vriendelijk, maar beleefd – had geen kinderen. Hij had nooit een cavia meegebracht, was nooit een tienerkamer binnengestapt om begroet te worden door onredelijk gesnauw.

Hermelien keek hem verontschuldigend aan en zei: 'Neem ons niet kwalijk. Behalve voor een hoognodige controle voor meneer Wemel –' ze wierp een vinnige blik naar Ron – 'kwamen we inderdaad ook nog voor iets anders.

Wilbert Wanders trok verbaasd zijn wenkbrauwen op, zodat zijn bril iets omlaag gleed. Afwezig duwde hij hem omhoog, en dat vertrouwde gebaar ontlokte haar een zwak glimlachje.

Terwijl ze bij zichzelf naging hoe ze het gesprek moest beginnen – haar ingestudeerde praatje was aan haar geheugen onttrokken op het moment dat ze oog in oog met haar vader was komen te staan – gleed haar blik door de behandelkamer.

'Misschien kunnen we even gaan zitten?' Ze gebaarde naar de tafel met stoelen in de hoek waar wachtende familieleden of begeleiders een tijdschrift konden lezen.

De tandarts knikte beleefd. Ron was sneller dan Kruml tijdens een Spatski-Schijnbeweging uit de behandelstoel geklommen en nam plaats aan de hoek van de tafel. De anderen volgden zijn voorbeeld.

Toen Hermelien opkeek, ontmoette ze twee paar ogen; één paar blauwe met een ietwat ongeduldige uitdrukking, schuin naast zich, en een paar bruine, die een weerspiegeling van haar eigen ogen waren en haar nieuwsgierig aankeken.

'U kunt het zich waarschijnlijk niet herinneren, maar we kennen elkaar uit Engeland,' begon ze. Wilbert Wanders keek haar afwachtend aan. Haperend ging ze verder. 'Hoe lang verblijft u al in Australië?'

Haar vader fronste bijna vanzelf zijn wenkbrauwen alsof hij al vaker over die vraag had nagedacht.

'Dat kan ik me vreemd genoeg niet herinneren. Volgens mij al een aantal jaren, maar mijn vrouw beweert dat het een stuk korter is.'

Zijn gezicht vertrok even tot een pijnlijke grimas toen hij zijn vrouw noemde. Hermelien voelde een golf van verontrusting door zich heen gaan.

'Is alles goed met ma– met Monica?' vroeg ze bezorgd.

Haar vader keek haar verrast aan, maar kwam blijkbaar tot de conclusie dat ze zijn vrouw ook kende uit Engeland en antwoordde ietwat terughoudend: 'Monica en ik zijn sinds kort uit elkaar.' De naam van zijn vrouw kwam onwennig over zijn lippen alsof hij onbewust herinnerde dat hij haar altijd Jeanine genoemd had.

'Uit elkaar?' herhaalde Hermelien. Onrust vormde een bal die in haar maag op en neer stuiterde. Wilbert Wanders keek haar bevreemd aan. Ongetwijfeld vroeg hij zich af waarom deze onbekende vrouw zo bewogen leek.

De stem van Ron leek van ver te komen. 'Mijn vriendin had altijd een hechte band met Monica,' verklaarde hij haar reactie. 'U zei 'sinds kort'. Is het een definitieve breuk of is er nog kans op verzoening?'

Het antwoord kwam in de vorm van een diepe zucht. Daarna zei de man: 'Ik hoop het. Het ging al een poosje niet meer en vorige week heeft ze haar koffers gepakt.'

Er klonk behalve verdriet ook verwondering door in zijn stem. Het was niet duidelijk of dat vanwege het vertrek van zijn vrouw was, of omdat hij zijn privézaken besprak met een stel jonge Engelse bezoekers. Niettemin ging hij verder: 'Ik heb altijd het idee gehad dat ze het me kwalijk heeft genomen dat we geëmigreerd zijn. Ze kan hier moeilijk aarden. Maar we hebben die beslissing toch samen genomen.'

Hij eindigde de zin wat hoger alsof hij er zelf ook niet helemaal zeker van was. Er ontsnapte een zacht geluidje aan Hermeliens keel.

Wat moet ik in Merlijnsnaam doen? Hoe kan ik dit uitleggen?

'Hermelien!' Rons stem trok haar aandacht. 'Doe het gewoon. Dat is op dit moment het enige wat je kunt doen.'

Het medeleven klonk duidelijk door. Ze slikte en wilde hem uit gewoonte tegenspreken, maar dit keer had ze zelf ook geen beter plan. Wanhopig probeerde ze te bedenken wat ze het beste kon zeggen. Angst borrelde op en verlamde haar tong en haar brein. Haar ouders waren uit elkaar omdat zij gedacht had te weten wat het beste was voor hen.

'Maar ze leven nog,' zei haar rationele hersenhelft.

Ja, ze waren veilig geweest, precies zoals ze bedoeld had, maar blijkbaar waren ze er niet gelukkiger op geworden. Hoe zouden ze reageren als ze de waarheid zouden weten?

Misschien leggen ze het weer bij, zei haar hart hoopvol.

Ze keek naar Ron. In zijn ogen zag ze niets anders dan compassie en ze wist dat hij haar begreep en zou steunen, zelfs als haar ouders dat niet zouden kunnen.

Met een kort knikje liet ze weten dat ze zijn raad op ging volgen. Toen vonden haar ogen die van haar vader. Met een mengeling van bezorgdheid en verbazing keek hij hen beiden om beurten aan. Toen Hermelien echter uit haar binnenzak een toverstok tevoorschijn trok en op hem richtte, sperde hij zijn ogen open. Een moment flitste er iets ondefinieerbaars in zijn ogen.

Bijna alsof hij zich iets herinnerde, dacht ze hoopvol. Op hetzelfde moment besefte ze dat dat niet mogelijk was en ze klemde haar vingers nog wat steviger om het wijnstokhout terwijl ze zich concentreerde op de spreuk die alles weer recht moest zetten.

In het blauwgroene licht dat haar woorden begeleidde, zag ze de ogen van haar vader wegdraaien. Bezorgd beet ze op haar onderlip. Opnieuw was ze de onbekende Schouwers dankbaar die een groepje Bloedhonden opgepakt hadden, en onder andere haar toverstok in beslag hadden genomen. Met een andere toverstok zou ze dit nooit aangedurfd hebben. Pas toen een mannenhand geruststellend die van haar bedekte, merkte ze dat ze haar vuisten rond het hout gebald had. Een tel keek ze dankbaar opzij naar Ron voor ze haar hoofd weer naar haar vader wendde.

'Hermelien?' Zijn stem haperde alsof zijn wereld zojuist honderdtachtig graden was gekanteld. 'En je vriend Ron … Wemel, toch?'

Hermelien voelde meer dan dat ze zag dat Ron knikte. Zelf kon ze dat nog niet eens opbrengen. Was de tegenspreuk gelukt of herinnerde hij zich alleen de namen van de Engelse toeristen in zijn praktijk?

Gerard Griffel richtte zijn ogen doordringend op haar en Hermelien voelde zich alsof ze weer oog in oog met een Basilisk stond. Opnieuw schoot Ron haar te hulp.

'Herinnert u zich uw leven in Engeland weer, meneer Griffel?'

De lippen van haar vader bewogen geluidloos alsof hij die naam zelf in zijn mond wilde proeven na al die tijd. Langzaam knikte hij.

'We woonden en werkten in Londen, maar Hermelien ging in Schotland naar een –' zijn ogen schoten kort naar de toverstok die ze nog steeds vasthield. '– naar school,' besloot hij.

'Er was oorlog, papa. Jullie waren niet veilig.' Haar stem klonk kleintjes bij de eerste woorden. 'Het spijt me zo.'

Haar vader haalde in een vertrouwd gebaar zijn hand door zijn haar en een zonnestraal werd gevangen door zijn trouwring. Hermelien probeerde te slikken, maar haar keel was dik, en haar ogen prikten. Uit het niets voelde ze hoe er een druppel water op haar handen uiteenspatte. Ze keek verbaasd toen er nog een viel en een derde. Ze hief haar hoofd en keek haar vader door een waas van tranen aan. 'Jullie waren niet veilig,' herhaalde ze hees.

Hoewel die zin voor haar de keuze die zij gemaakt had, gerechtvaardigd had, begreep ze wel dat haar vader meer uitleg nodig zou hebben. Met de beste wil van de wereld kon ze echter niet de woorden vinden om duidelijk te maken hoeveel groter de dreiging voor hen was geweest dan ze hen voorgehouden had.

Vol wanhoop staarde ze naar haar handen. Ze hoorde niet dat er plotseling een stoel naar achteren geschoven werd. Ze miste de voetstappen die rond de tafel bewogen, tot iemand haar naam met zoveel liefde en vreugde uitsprak dat ze vol ongeloof haar vochtige gezicht hief.

Het volgende moment vloog ze overeind, uit de stoel, en in de uitgestrekte armen van haar vader. Ondanks alles voelde het nog net zo vertrouwd als de laatste keer dat ze hem een knuffel had gegeven.

Het gevoel van dankbaarheid was overweldigend; haar vader leefde! Hij kende haar nog, en hij hield haar vast alsof hij haar voorlopig niet zou loslaten.

o~0~O~0~o

Na een lunch in de kantine van het Ministerie met de Wemels en Loena zat Harry opnieuw aan de kant van de verdediger. Het voelde zelfs nog vreemder dan die ochtend, vanwege de jarenlange vete tussen Draco Malfidus en hemzelf.

Verrast zag hij op de tribune een paar Zwadderaars uit hun jaar. Degenen die neutraal waren gebleven. Hij herkende onder andere Daphne Goedleers en Blaise Zabini. Ze wierpen af en toe een steelse blik in zijn richting, maar keken weg voor hij oogcontact kon maken.

Onverwachts gingen de deuren open en zijn buik voelde alsof hij met borrelende, modderachtige Wisseldrank gevuld werd.

Draco Malfidus werd door twee bewakers binnengeleid. Uit het publiek klonk van verschillende kanten zacht boegeroep, maar Draco reageerde nergens op en liet zich naar de stoel leiden. Op het moment dat hij ging zitten, begonnen de kettingen te rammelen. Harry hield net als veel anderen zijn adem in en wachtte of de kettingen zouden gaan stralen. Maar het goudkleurig licht bleef uit en de kettingen bleven hangen.

Draco zag er nog net zo bleek en ingevallen uit als Harry zich herinnerde. Hij keek niemand aan, maar staarde uitdrukkingsloos naar de stenen vloer. Hij had donkere kringen onder zijn ogen, alsof hij sinds vorige week zaterdag geen oog dichtgedaan had. Zou hij ook bijna elke nacht nachtmerries hebben? Waarschijnlijk wel, dacht Harry.

Professor Anderling was inmiddels opgestaan en las de aanklachten voor; aanhanger van Marten Vilijn, poging tot moord op Albus Perkamentus en het binnenlaten van Dooddoeners in Zweinstein. Terwijl de eerste getuige van de Wikenweegschaar werd opgeroepen, vroeg Harry zich af of Draco ooit andere Onvergeeflijke Vloeken had moeten gebruiken dan de Cruciatusvloek. Er werd in ieder geval niets over gezegd bij de aanklachten. Harry vond het niet nodig om de halfuitgesproken Onvergeeflijke Vloek te noemen van Draco in de badkamer van Jammerende Jenny. Hij herinnerde zich beschaamd de Imperius- en Cruciatusvloek die hijzelf nog niet zo lang geleden had gebruikt. Het doel heiligt de middelen, dacht hij cynisch. Als het anders gelopen was met die toverstokken – als hij niet toevallig Draco's toverstok in handen had gekregen – dan had hij zich niet kunnen redden met een Ontwapeningsspreuk tegen Vilijn en had hij ook de Vloek des Doods op zijn conto kunnen schrijven. Ondertussen werd professor Banning ondervraagd over gebeurtenissen op Zweinstein, zowel met betrekking tot Perkamentus' dood als die van Vilijn.

Zou het juist voor- of tegen werken als hij zijn visioenen moest delen waarin hij gezien had hoe Vilijn Draco dwong Bijlhout te martelen, vroeg Harry zich af.

De volgende getuige werd opgeroepen. Katja Bell. Ze zag er niet op haar gemak uit, maar liep met de vastberadenheid van een Griffoendor naar de lege stoel naast Draco. Ondertussen bedacht Harry dat hij zich niet meer, zoals Ron, druk kon maken om alle rottigheid die Draco tijdens hun schooltijd had uitgehaald. Hij mocht hem niet en dat zou wel nooit veranderen. Er was teveel slecht bloed tussen hen. Hij snoof inwendig om de dubbele betekenis.

Maar wat stelden vechtpartijtjes tussen twee rivalen nou voor in vergelijking met de verschrikkingen die ze beiden door Voldemort hadden ondergaan? De gedachte was schokkend; het idee dat ze iets gemeenschappelijks hadden.

De stem van professor Anderling haalde hem uit zijn gedachten: 'Meneer Potter! Als u plaats wilt nemen?' Ze gebaarde naar de lege stoel beneden, met een waarschuwende uitdrukking en hij besefte dat hij al eerder geroepen was. Haastig kwam hij overeind en repte zich door de rij naar de trap. Ondertussen probeerde hij zijn geschrokken hart te kalmeren. Langzamer liep hij naar het midden van de ruimte waar de twee stoelen stonden. Draco hield zijn blik nog steeds neerwaarts gericht. Pas toen Harry's voetstappen naderden, hief hij zijn hoofd op. Hun blikken ontmoetten elkaar en Harry was verbijsterd door de storm van emoties die hij in die gewoonlijk zo kille, beheerste ogen zag. Ontzetting, vernedering, wantrouwen, wanhoop en iets wat hij niet kon plaatsen. Hij nam plaats naast de Zwadderaar en keek in afwachting op naar de tribune.

o~0~O~0~o

Volgende keer in hoofdstuk 25: Verhoor na Verhoor