Epiloog

Hij had de strijd verloren, en nu zat Grindelwald opgesloten in een kleine cel. Iets wat hij enkele dagen daarvoor niet had verwacht. Opgesloten in zijn eigen gevangenis. Hoe ironisch.
Het was verboden om hem nieuws van buitenaf te verschaffen, maar hij kon wel raden wat er nu gebeurde. Zijn volgelingen zouden zich overgeven en hij zou alle schuld krijgen. Al zijn werk was voor niets geweest. De start van zijn nieuwe wereld was ten einde.
Hij hoorde geschuifel in de gang. De aflossing van de wacht.
Grindelwald had werkelijk alles verloren in één duel. Zijn nieuwe wereldorde en zijn kostbare Reliek. Die was nu in de handen van zijn overwinnaar, Albus Perkamentus. De man uit zijn verleden die plots weer was opgedoken. En Grindelwald was er niet in geslaagd hem te overtuigen. Het was nochtans hun droomwereld, maar nu was het over. Hij wist wat komen zou.
Een rechtszaak, een veroordeling en een jarenlange opsluiting. Misschien wel in deze gevangenis.
'Voor zijn bestwil' zouden ze zeggen.
En toen zag hij het.
Vanuit een kleine opening in de deur, die de bewakers gebruikten om de gevangene in het oog te houden, keken twee felblauwe ogen hem aan. Zodra hun ogen elkaar ontmoetten verdwenen de ogen weer. Maar Grindelwald was zeker.
Albus Perkamentus huilde.

Peter bekeek de gepakte koffers die hij net in de gang had neergezet. Hij had al zijn spullen ingepakt, en zou straks terugkeren naar huis.
Huis.
Het was raar om dat te zeggen, zijn thuis was de voorbije maanden hier geweest. En nu keerde hij terug naar zijn gezin. Hij was veranderd, door de gebeurtenissen, oorlog en de verliezen. Marcel, een landgenoot en vader, Arman, wiens zoon net was getrouwd, en Tom. Zijn beste vriend sinds Zweinstein.
Hij bleef nog even in de deurpost staan, zijn helft van de kamer was leeggemaakt, maar de andere kant stond nog vol met de spullen van Tom. Zijn dood was nu twee dagen geleden, en Peter was er nog niet aan toe gekomen om Toms kant leeg te maken. Ook al herinnerden al die spullen hem zo erg aan Tom. Hij zou als eerste vertrekken, de anderen waren door Boris gevraagd om nog even te blijven. Maar Peter had momenteel geen enkele reden meer om te blijven, hij was waardeloos.

Albus Perkamentus was gisterenavond ook nog langs geweest, hij had de hele dag de pers te woord gestaan en Peter was blij dat hij dat niet hoefde te doen toen hij Albus' vermoeide gezicht zag. De hele hetze zou alles alleen nog maar ondraaglijker maken. Na even iets te hebben gedronken, had Perkamentus hem gevraagd of hij Peter even apart kon spreken. Ze hadden zich afgezonderd in de keuken.
"Hoe gaat het met je?"
Peter keek Perkamentus doordingend aan.
"Stomme vraag. Is er nog iets wat je kwijt wil?"
Peter schudde 'nee'.
"Morgen ben ik terug in Engeland. Als je me nodig hebt, weet je me te vinden. Ik zit nog steeds in dat krappe kantoortje waar ik jou en Tom strafstudies gaf."

Het was even stil gebleven, uiteindelijk verbrak Perkamentus de stilte.
"Peter, je handelde uit zelfverdediging en woede. Woede, die volkomen te begrijpen is. Wat gebeurd is, is gebeurd. Laat de dood van Rastaban je rouwproces niet overschaduwen."
Toen had Perkamentus de keuken verlaten, en Peter alleen achtergelaten. Het was daar dat hij zijn vertrek had besloten.

Beneden stonden de andere bewoners samen met Boris hem op te wachten. Hij zette zijn koffers voor een tweede keer neer en nam afscheid.
"Het ga je goed, Peter," zei Boris, "Ik zal nooit vergeten wat je hebt gedaan voor ons."
Boris' gezicht plooide zich in een treurige grimas, hij spreidde zijn armen open en omhelsde Peter stevig. Peter werd geroerd door dit gebaar, hij wist hoe moeilijk Boris het nu had. Deze ochtend was Agnetha naar hem toegekomen, ze had op verzoek van Boris gekeken of zijn zoon toch niet ergens bij de overlevenden zat. Maar zijn zoon was niet teruggevonden, en Boris zijn laatste ijdele hoop was gesmolten als sneeuw voor de zon.
"Dank je, Boris."
"Ik moet je nog één ding laten weten," zei Boris toen hij zich van Peter losmaakte, "De familie van Arman vraagt of je naar de begrafenis komt. Volgende week. Denk er even over, ik stuur je nog een uil."
Jonathan was als tweede aan de beurt.
"Ik had ook liever gehad dat we met ons vijven terug naar huis konden. Tom zal gemist worden."
Emma en Arthur kwamen daarna.
"Doe de groetjes aan Meggie en Max daar in Engeland," zei Emma.
"Zodra we weer thuis zijn komen we langs. Hou je sterk, Peter. We missen hem ook," zei Arthur, hij wreef troostend over Emma schouders wiens ogen begonnen te tranen. Als laatste stonden daar de Huiselfen verscholen achter de groep mensen.
"Wat gaan jullie nu doen?" vroeg Peter.
"Sarlic mag van meneer Boris bij mij blijven. Wij terugkeren naar meesteres Jill. Wij willen zeggen dat wij ook verdriet hebben, meneer."
"Wij willen ook danken," vervolgde Sarlic zijn broer.
"Nee, ik moet jullie bedanken. Zonder jullie hulp was het nooit gelukt om de gevangenen te bevrijden."
"Meneer, Sarlic ook schuldig voelen voor dood van meneer Tom. Als ik niet gepraat had meneer Tom en meneer Marcel nog geleefd. Ik u mijn levenslange dienst aanbieden."
De elf knielde neer voor Peters voeten.
"En die weiger ik. Knoop dit goed in die grote oren van je, Sarlic. Als jij niet gepraat had, had Grindelwald een ander slachtoffer gevonden wie hij kon uithoren. Je hebt jezelf niets te verwijten."
"Dank u, meneer."
Sarlic stond weer recht, en schudde enthousiast Peters hand.
"Het is tijd denk ik. Tot later."
Peter nam zijn koffers op en verliet de oude schuilplaats. De lente kondigde zich aan. Er bloeide weer hoop in dit land. Hij maakte zich gereed om te Verdwijnselen. Hij tolde en dacht aan zijn woonkamer, de vloer vol met het speelgoed van zijn zoontje, Meggie die een boek zat te lezen voor het haardvuur. Zijn familie. Het tollen was gestopt. Peter opende zijn ogen.
Hij was thuis.

52 jaar later

Grindelwald hield het deken goed over zijn knokige lichaam om zich te beschermen tegen de felle koude. Maar hoe hard hij zijn best ook deed, hij kreeg het niet warm. In al die jaren had hij geen greintje warmte meer gevoeld. Maar dat was zijn straf, hij verdiende het ook. Het jarenlange gevangenschap had hem aan het nadenken gezet. De eerste jaren dacht hij aan wat hij had fout gedaan en hoe hij Albus Perkamentus had kunnen verslaan. De laatste tien jaren kwam pas het echte besef van wat hij had misdaan. En hij wist nu maar al te goed dat zijn opsluiting voor zijn bestwil was en voor het welvaren van de anderen. Grindelwald werd zich gewaard dat er iets naderde. De kille wind ging liggen, iemand was zijn cel binnengekomen. Langzaam draaide hij zich naar zijn gast toe. Hij keek in twee emotieloze rode ogen, een nog witter dan lijkbleek gezicht met enkel twee smalle gaten als neus. Hij moest lachen bij het zien van zo'n belachelijke verschijning. Grindelwald wist dat het nu zijn kans was.
"Dus daar ben je eindelijk. Ik wist wel dat je zou komen… ooit. Maar je reis was zinloos. Ik heb hem nooit gehad," zei Grindelwald, in zijn gedachten voegde er nog aan toe:
'Dit is voor jou, Albus.'
"Je liegt! Avada kedavra!"
Het enige wat Grindelwald zich nog herinnerde was de warmte die terugkeerde na al die jaren en zich over zijn hele lichaam verspreidde.