AN:

Voordat ik jullie laat beginnen aan het nieuwe hoofdstuk moet ik even drie belangrijke dingen kort aankaarten. Als eerste, en als belangrijkste, moet ik zeggen dat dit alleen nog maar het eerste deel is van het mentorhoofdstuk. Ik ben namelijk helemaal losgegaan dit hoofdstuk en het is veel langer geworden dan ik gepland had. Ik wilde in eerste instantie alleen een POV van Casper en een van Orian doen, en later besloot ik Blue er nog bij te voegen. Maar alleen Casper en Blue waren al over de 8000 woorden, en ik wist dat Orian waarschijnlijk langer zou worden dan deze twee bij elkaar!

Daarom heb ik het besloten op te splitsen, wat goed mogelijk is omdat deze twee POV erg veel met elkaar te maken hebben, en hoewel die van Casper ook wel een beetje over dezelfde onderwerpen gaat, heeft deze er net minder mee te maken. De POV van Orian, en dus deel 2 van het mentorhoofdstuk is al bijna af, en zal ik over twee weken posten! Hier worden komen nog meer verhaallijnen en karakters onder de mentors boven water, en zal natuurlijk heerlijk lang worden.

Als tweede wilde ik even kort melden dan allebei deze POV's vóór het vorige hoofdstuk afspelen. Die van Casper speelt af enkele uren na de dood van Hazel en die van Blue kort voordat Ilar en Pluto terugkomen van de patrouille. Ik kon deze echter niet voor het vorige hoofdstuk posten omdat er daar veel dingen duidelijk worden waarover in dit hoofdstuk, en het hoofdstuk van Orian over gesproken wordt. (Vooral dat van Orian eigenlijk.) Maar omdat ik dag twee pas 's ochtends laat ingaan is dit nog dag 1.

Als laatste, er zullen in dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk heel veel nieuwe of nog vrij onbekende namen voorbij komen. Op mijn profiel staat een lijst met alle mentors en wat informatie, daar kan je ze dus opzoeken als je iemand niet kent!

Genoeg gepraat, veel plezier met het lezen van misschien een van mijn persoonlijke favoriete hoofdstukken tot nu toe!


Casper O'Corrigan (23) – Mentor District 9

Het Victoriaplein is overladen met mensen. Luidruchtige, veel te kleurrijke maar vooral hongerige mensen. Hongerig naar sensatie. Het lijken kleine, luttele speelgoedfiguurtjes vanaf deze hoogte, maar hoe dichterbij de glazen lift van de Mentortoren naar de grond komt hoe groter de mensen worden, waardoor het zweet langzaam me uitbreekt. Vanaf deze hoogte zou ik ze nog kunnen verpletteren, ik zou het Victoriaplein zonder enige moeite over kunnen steken en al fluitend het Controlegebouw binnen kunnen lopen. Maar dadelijk zijn ze even groot als ik, vaak zelfs groter met de enorme objecten die ze op hun hoofden dragen. Ik moet er doorheen, wordt opgeslokt door de massa en heb het gevoel dat ik er nooit meer uitkom. Het is net als in de arena, alleen toen had je nauwelijks in de gaten dat er duizenden mensen naar je kijken, hier zie je alle blikken die je aanstaren. De blikken van de hongerige mensen, klaar om je te verteren.

Op de vijfde etage zie ik dat steeds meer gezichten, verlicht door het licht van de straatlantaarns, naar boven gericht worden. Mensen knijpen met hun ogen, houden hun handen boven hun ogen om de zon tegen te houden, en bij ongeveer de derde etage zien ze dat ik het ben. Jaren geleden ging ik nog helemaal achterin de lift staan, bijna tegen de begeleidende vredebewaker aan, in de hoop dat ze me niet zagen. Nu probeer ik me niet eens meer te verstoppen. Geen mutsen, hoodies, zonnebrillen, niets helpt toch.

Mijn naam weerklinkt binnen enkele seconden al over het veld, en hoewel het gedempt wordt door het dubbele glas van de lift kan ik het overduidelijk horen, hoog en nasaal. Ik ben niet eens een van de populairdere mentoren, integendeel. In de lijst die Rumora-magazine ieder jaar uitbrengt, de ranglijst van meest populaire winnaars, sta ik vast bij de laagste vijf. Enkele morphlings en Ren Indive staan altijd wel onder mij, maar als je bedenkt dat er al zeventig winnaars zijn, kan je wel zeggen dat ik niet een geliefde winnaar ben.

En toch staan ze schreeuwend tegen het glas van de lift aan te kloppen als ik beneden ben.

De donkergetinte vredebewaker in Capitool-uniform zet twee stappen naar voren en neemt vlak voor de schuifdeur van de lift plaats, om de gulzige Capitoolbewoners tegen te houden. Ik kan niet eens de eerste tegel op de grond na de opening van de lift zien, waar de naam van de allereerste Spelenwinnaar in gegraveerd is, zo dicht staan ze bij de lift opgedrongen. Ik kan nog net zien dat een vrouw met een gouden frame voor haar kin en een felblauw afrokapsel bijna geplet wordt tussen het glas en de massa achter haar, haar metalen kin tikkend tegen het glas. Als de deur langzaam openschuift valt ze in eerste instantie de lift binnen, maar de vredebewaker duwt haar zonder enige moeite naar de zijkant en maakt zich direct een baan door de menigte, waarna ik hem strak erachter volg.

Het geschreeuw lijkt mijn trommelvliezen te doorklieven en van alle kanten voel ik mensen tegen me aan duwen. Ik probeer ze af te houden met mijn rechterarm, maar omdat ik maar één arm heb om ze van me af te duwen heeft het bijna geen zin. Veren en franjes zwaaien in mijn gezicht en vanaf alle kanten voel ik pen en papier mijn lichaam in worden gestoken, in de hoop een handtekening te krijgen. De meesten roepen alleen mijn naam, of vragen of ze op de foto mogen, maar zoals altijd hoor ik ook andere kreten. Kreten die ik zou wensen niet te horen, die me achtervolgen zelfs als ik de massa uit ben.

"Loser!"

"Was je maar dood!"

"Noah was onze winnaar!"

Ik knijp met mijn ogen, druk mijn lichaam tegen die van de vredebewaker aan en loop zo spoedig mogelijk door, mijn omgeving proberend te negeren. Maar als we enkele meters voor de deur zijn, en we steeds dichter bij een van de vele tegels komen waar de namen van de winnaars opstaan, kan ik het niet helpen om naar beneden te kijken. Iedere keer zeg ik tegen mezelf dat ik het niet moet doen, maar iedere keer stel ik mezelf teleur. En als ik zie hoe mijn ingegraveerde naam op een van de tegels doorgekrast is, en hoe daaronder 'Noah Sterlingshire' is ingekrast, voelt het als de bijl in mijn hart die ik nooit heb gekregen, Noah's bijl.

De metalen voordeur van het gigantische Controlegebouw wordt voor me opengehouden door de vredebewaker en opgelucht laat ik de massa achter me. Maar als het ene gevaar geweken is, komt het andere al snel genoeg tevoorschijn, deze keer in de vorm van een secretaresse met hoog opgestoken, geel haar en een veel te grote witte bril.

"Casper O'Corrigan, u wordt over vijf minuten verwacht door Ebernate Mars, volgt u mij maar."

Zonder twijfel in mijn ogen te laten zien volg ik het meisje, wiens hakken gestaag tikken tegen de marmeren vloer. Het is nog een hele afstand om naar de liften te komen, de ontvangstruimte van het Controlegebouw is namelijk net zo kolossaal als het gebouw zelf. Twintig balies, tientallen zitgelegenheden en een vijver, midden in de ruimte. Al vanaf de eerste dag dat ik hier kwam heb ik me afgevraagd waarom ze een vijver in het midden van de ontvangstruimte hebben, zonder ooit een antwoord te hebben gekregen.

Als we samen de lift instappen drukt het meisje met haar driehoekige nagel op de knop van de vijftigste verdieping, de hoogste, waarna ze haar hoofd omdraait en me lachend aankijkt.

"Meneer Mars houdt van een uitzicht." Na een kleine knipoog te geven wendt ze haar blik weer naar voren.

Ik zou willen zeggen dat hij ook van vechtende kinderen, dertienjarige gestoorde moordenaars, en heel veel slaappillen houdt, maar die woorden slik ik snel in. Er zullen misschien winnaars zijn die genoeg ballen hebben dit tegen de secretaresse van de hoofdspelmaker te zeggen, maar dat is niet voor mij weggelegd. Dat soort winnaars hebben vaak niets meer te verliezen, of verliezen alles na dat soort opmerkingen. Dat soort winnaars worden niet uitgenodigd door Ebernate Mars voor een vergadering. Dat soort winnaars sponsoren geen harteloze gekken en dat soort winnaars maken geen plannen om hun eigen tribuut uit te moorden.

Dat soort winnaars zijn dapper, en durven door te blijven vechten na de Spelen. Ik niet.

"Ik moet zeggen, meneer O'Corrigan, ik ben een enorme fan van beiden van uw tributen," brengt het meisje na een korte stilte op. "Declan leek in het begin nogal onopvallend door de hysterie bij de andere tributen. Maar sinds zijn bondgenootschap met Emerald heeft hij mijn volle interesse. Misschien krijgen we dit jaar nog wel een tweede liefdeskoppel."

Even draait ze zich weer om, en kijk ik recht in haar paarse ogen als de woorden blijven steken in mijn mond. Terwijl de stilte zich vordert blijf ik stamelen, op zoek naar een gepast antwoord. Want hoewel ik weet dat ze niet hoeft te rekenen op een liefdeskoppel, laat staan een goed einde van dit bondgenootschap, ben ik veel te bang om enige argwaan te wekken bij wie dan ook om zo'n antwoord te geven.

"Misschien, inderdaad," antwoord ik vluchtig, hopend dat ze snel weer het woord zal nemen en ík niets meer hoef te zeggen.

"En Pandora, och, wat een fantastische tribuut. Wij hebben vanavond aan de buis gekluisterd gezeten tijdens haar aanvaring met het meisje uit twaalf. Wat verschrikkelijk jammer alleen dat ze het niet kon afmaken."

Op dat moment gaat de liftdeur met een klein piepend geluidje open en weet ik niet hoe snel ik uit de lift moet stappen. Als ik de hoek omloop zie ik dat ik Ebernate's secretaresse verbaasd achterlaat. Maar ik kan de dingen die ze zegt over Pandora, over het meisje uit twaalf, gewoon even niet aan, wetende dat ik ervoor heb gezorgd dat Hazel Tanngar dood is. En niet zomaar dood, gemarteld en vermoord.

"Waar ga je naartoe? Ik-"

"Ik vind Ebernate's kantoor zelf wel," mompel ik terloops terug, me steeds verder verwijderend van het verstomde meisje. Ik kan geen woord van haar aanhoren, geen opmerking meer over Declan of Pandora, zonder dat het schuldgevoel me bekruipt. Want wie zorgt nou voor sponsors voor een gestoorde moordenaar, welke mentor die ook maar een beetje bij zinnen is regelt een mes voor misschien wel de meest moordlustige tribuut in de arena.

Ik dus.

En hoewel ik weet dat het me is opgedragen door Ebernate, en dat het hele plan om Declan 'op de juiste manier' te vermoorden ook allemaal zijn idee is, voel ik me nog steeds als de slechtste mentor die er is, samenzwerend met het Capitool.

Ik vervolg de lange gang terwijl mijn voetstappen gedempt worden door de donkergroene vloerbedekking. Ik probeer mijn zenuwen te onderdrukken als ik Ebernate's kantoor en dus ons overleg steeds sneller nader, want ik wil niet laten zien dat ik bang ben. Maar tot nu toe heeft Ebernate me met ieder gesprek weer verrast, en niet op een goede manier. Dus ik heb alle redenen om zenuwachtig te zijn.

Als ik aankom aan het einde van de gang, moet ik even diep nadenken of ik naar links of naar rechts moet. Ik spiek de rechtergang in, en zie een lange rij met portretten van ex-spelmakers, en enkele meters verderop een deur die waarschijnlijk leidt naar een bezemkast. Ik herken de gang, maar voor de zekerheid kijk ik ook naar links, en zie dat hier ook een hele rij met portretten hangt. Maar voordat ik me ook maar kan bedenken wel kant ik opga, laat staan een keuze weet te maken, voel ik plotseling iets bij mijn kraag grijpen en wordt er een hand voor mijn mond gedrukt.

Ik probeer te schreeuwen maar het is nauwelijks hoorbaar. Ik probeer te spartelen, te vluchten, maar voor ik het weet wordt ik de bezemkast ingesleurd en wordt de deur dichtgeslagen. Even is het compleet donker, maar nadat ik hoor hoe de deur op slot wordt gedaan, gaat het licht aan.

Dan kijk ik recht in de donkere ogen van Shiwa.

"Waar denk jij heen te gaan?" zegt ze langzaam en behoedzaam, mijn borst met haar linkerarm tegen de muur aandrukkend en mijn rechterarm vastpakkend. Ik probeer nog tegen te stribbelen, maar ik weet dat alle pogingen tot vluchten tevergeefs zijn. Shiwa is breed, gespierd en sterk. Als ik allebei mijn armen nog had was het me waarschijnlijk niet eens gelukt, laat staan met een stompje als linkerarm.

"Jeetje, Casper, na al die tijd vraag ik me nog steeds af hoe jij ooit in vredesnaam de Spelen hebt kunnen winnen," zegt ze spottend, haar lippen gevormd tot een sarcastische grijns.

"Wat moet je," mompel ik bars.

"Ik vraag me af waarom je net tegen de rest hebt gezegd dat je ingepland bent voor een benefietavond in de buitenwijk, en dat je op bijzondere wijze toch te vinden bent in het Controlegebouw."

Shiwa is boos, woedend, dat is duidelijk te merken. Als ze praat zijn haar kiezen op elkaar geklemd en heeft ze een frons op haar voorhoofd. De gewoonlijke sarcastische ondertoon in haar stem is duidelijk te merken, maar ze praat feller dan normaal, veel feller. En dat kan maar één reden hebben: Shiwa weet ervan, overal van.

"Je hebt me gevolgd," antwoord ik met geknepen ogen, met alle macht proberend mijn doodsangst te onderdrukken. Maar ik voel mijn benen al beginnen met trillen, mijn ademhaling sneller worden en het zweet me uitbreken. Shiwa kan het niet weten, hoe kan ze het weten?

"Natuurlijk heb ik je gevolgd, idioot. Ik weet dat je een afspraak hebt met Ebernate en ik weet dat dat niet de eerste is. Je bent zo sneu, Casper, zwak en laf. Ben je vergeten wie zij zijn?!" Haar stem wordt steeds harder, haar toon steeds furieuzer, en ik begin steeds harder te trillen. "Zij zijn degenen die jou in de arena hebben gestopt, die totale families van onze soort hebben uitgeroeid. Zij zijn de vijand, Casper!"

"I-ik moet mijn familie bescher-"

"Weet je, het maakt me geen zak uit wie jij probeert de beschermen met jouw zaakjes. Van mij part mag je doodvallen. Ik wil gewoon nu weten wat je met hem aan het plannen bent, want ik weet dat het met Emerald te maken heeft."

Op dat moment stokt mijn adem in mijn keel en lijk ik bijna flauw te vallen van angst. Shiwa is de laatste persoon die achter het plan mocht komen, dat heeft Ebernate me uitdrukkelijk toegelegd. Shiwa was de grootste probleemfactor die ik onder controle moest krijgen, en dat heb ik niet gedaan. Ik ken Shiwa, en ik weet dat ze me niet zal laten gaan voordat ik alles aan haar vertel, maar vanbinnen weet ik dat Ebernate duizend keer zo gevaarlijk is als Shiwa. Shiwa kan alleen mij vermoorden, Ebernate iedereen die ik liefheb.

"Want luister goed, als jij ook een haartje van Emerald probeert te krenken, is het gedaan met jou," spuwt ze uit vol afschuw en haat, terwijl speekseldruppels in mijn gezicht terechtkomen.

Een deel van mij, een deel dat zo snel mogelijk weer uit deze bezemkast en weg van Shiwa wilt komen, staat op het punt om alles op te biechten. Maar ergens weet ik de kracht vandaan te halen om het niet te doen. Ik neem een diepe ademteug, probeer een zo zelfverzekerd mogelijke blik op mijn gezicht te laten verschijnen en ik ga tegen Shiwa in, doodsbang voor de consequenties.

"Daar kan ik niets over zeggen."

Ze blijft me aanstaren, voor seconden die uren lijken te zijn, met een intense en moordende blik. Ik verwacht een klap in mijn maag, een mes die ze achter haar rug vandaan haalt, maar het tegenovergestelde gebeurt. Ze geeft me een laatste duw waarmee mijn rug met een flinke, pijnlijke klap tegen de betonnen muur aanknalt, ze loopt de bezemkast uit en laat me verbijsterd achter.

Voor ik het weet zak ik neer op de grond, en neemt mijn paniek het over. Hijgend en half hyperventilerend blijf ik op de grond zitten, proberend te begrijpen waarom ze zomaar is weggegaan. Waarom ze me niet hier heeft vastgehouden tot ze antwoord had op haar vragen. Het is allemaal gewoon niet logisch, en niets voor Shiwa om te doen.

Maar na een minuut of twee denk ik opeens aan Ebernate, voor wiens afspraak ik waarschijnlijk al laat ben. Met knikkende knieën sta ik op en loop ik de kleine bezemkast uit, met nog een onregelmatige ademhaling en een licht gevoel in mijn hoofd. Ik loop enkele keren verkeerd, maar na enige minuten sta ik met mijn adem en gedachten enigszins onder controle voor de withouten deur van Ebernates kantoor. Ik leg mijn hand op de gouden deurknop en open de zware deur.

"Casper O'Corrigan, ik verwachtte je al."

Ik stap de ruimte binnen en zie ik Ebernate aan zijn bureau zitten, minstens tien meter verderop. Want je moet eerst langs een ware zuilengang doorlopen voordat je bij het enige meubelstuk in deze gigantische ruimte bent. Twijfelend begin ik me richting Ebernate te bewegen, langs de witte pilaren van de zuilengang.

"Je mag wel iets sneller lopen, Casper. Je hebt me al vijf minuten laten wachten," zegt Ebernate, zijn stem nagalmend door de ruimte. Ik versnel mijn pas en neem vervolgens plaats in de met bont beklede stoel tegenover hem, waar het berenhoofd aan de achterkant van de stoel nog aan vast zit.

"Kan ik iets te drinken voor je inschenken? Komkommersap, caramelkoffie, wat gezoete geitenmelk?" vraagt hij, terwijl hij zenuwachtig met zijn vingers tegen het houten tafelblad aantikt.

"Nee dank je," antwoord ik zo beleefd mogelijk, waarna Ebernate me een nerveus glimlachje schenkt en een pluk van zijn meterslange, donkerblauwe haar weer achter zijn oor schuift.

"Oké, laten we ter zake komen, want het is al bijna negen uur en ik heb nog drie afspraken op de planning. We hebben heel wat te bespreken in een korte tijd," mompelt Ebernate terwijl hij uit een van de vele lades in zijn bureau een stapeltje papieren haalt en deze neer laat ploffen op zijn bureau. "Te beginnen met Pandora."

Ik wacht tot hij het halve stapeltje heeft doorgespit zoekend naar een bepaald bestand, deze eruit heeft getrokken en met een kleine trilling in zijn stem weer zijn woorden hervat.

"Wat een geweldig schouwspel was het, vond je niet? Pandora is echt een pareltje die we moeten koesteren. Ze brengt zoveel sensatie mee! Enkele uren geleden stond ze bijna onderaan de lijst, en werd er nauwelijks geld op haar ingezet, en binnen drie uur is ze dertien plaatsen gestegen. Dertien! Ik kan me niet herinneren dat dat ooit is gebeurt."

Met mijn hoofd knikkend luister ik naar zijn woorden, maar bijna alles gaat langs me op. Hij ziet de hele situatie zo anders dan ik. Terwijl hij alleen maar denkt aan de spanning en sensatie waarvoor Pandora heeft gezorgd, kan ik alleen maar denken aan het meisje uit twaalf. Zie ik alleen maar haar gevilde gezicht dat ik veroorzaakt heb.

"En het meisje uit twaalf was zo'n geweldige eerste slachtoffer. Het toneelstukje dat Pandora in eerste instantie opvoerde, werkte fantastisch bij haar! Och, ik kan me nu al voorstellen hoeveel mensen er verkleed zullen zijn als een gemartelde Hazel Tanngar bij de Avond van de Doden van dit jaar. Maar er is wel slecht nieuws, Hazels moeder heeft enkele uren geleden, direct na de dood van haar dochter zelfmoord gepleegd."

"Wat?"

Op dat moment kan ik wel ineenzakken. Alles wat Ebernate zegt over Pandora, over Hazel is afschuwelijk, maar kon ik nog wel negeren. Maar het nieuws over Hazels moeder slaat als een bom bij me in. Ik kan me alleen bedenken dat ik degene ben geweest die wanhopig langs alle sponsors is gegaan om een mes voor Pandora te regelen, wat nog een enorme klus was omdat niemand geloofde dat Pandora inderdaad de moordenaar is die Ebernate zei dat ze is, ikzelf geloofde het niet eens. En dat ik degene ben die er dus voor heeft gezorgd dat Hazel dood is, en dus dat haar moeder zelfmoord heeft gepleegd.

"Ja, blijkbaar had ze verder geen familie een gaf ze niet al teveel om Crayen, die nog wél in leven is. En dat is meteen het probleem, mocht Crayen bij de laatste acht komen, dan hebben we niemand om te interviewen."

Als Ebernate Crayen opbrengt wordt het schuldgevoel me bijna teveel. Hij is binnen een uur zijn zus én moeder verloren, door mij. Ik moet de tranen wegdrukken als Ebernate weer doorgaat met praten, en mezelf eraan herinneren dat het zijn familie, of de mijne was.

"Misschien sturen we gewoon Pandora met een nieuw mes op hem af, dan zijn we ook meteen van dat probleem af," zegt Ebernate, waarna hij hardop begint te lachen. Maar als hij ziet dat ik hem enkel vol afschuw aan kan staren, niet eens proberend te lachen, vervormt zijn geschater al snel tot een zenuwachtig lachje. En terwijl hij met een ongemakkelijke blik zijn haar weer achter zijn oren schuift, vervaagd zijn gelach.

"Nee, ik maak natuurlijk een grapje, Casper," mompelt hij duidelijk ongemakkelijk door mijn afkeurende blik. "Maar nu ik het zeg, misschien toch niet zo'n gek idee. Dat moet ik zo even opschrijven! Ik denk sowieso dat het de volgende keer niet meer zo moeilijk voor je wordt om aan een sponsor te komen, Casper. En als het niet voor de dood van Crayen is, dan wel voor die van het meisje uit vijf, of de jongen uit elf. Hoewel het wel erg interessant zou zijn als ze broer én zus vermoord. Zie je, ik verras mezelf gewoon weer!"

Met een scheve glimlach op zijn gezicht krabbelt hij snel even een paar dingen op zijn velletje papier, terwijl ik me al voorstel dat ik vannacht nachtmerries ga krijgen hoe ik ook Crayen, het meisje uit vijf en de jongen uit elf de dood injaag.

"Hoe zit het eigenlijk met Lucine, is ze al gevonden?" mompel ik maar snel, om het onderwerp te veranderen. Maar dat lijkt een gevoelige snaar bij Ebernate te raken. Zijn ogen woorden direct groot van schrik, en hij kan even niet uit zijn woorden komen voordat hij antwoord geeft, maar ik weet niet of dat komt doordat ik het onderwerp verander, of door het onderwerp zelf.

"Uh, L-Lucine. Nee, die- die is helaas nog steeds vermist. Maar daar zou ik niet teveel zorgen over maken, Pandora is niet een winnaarstype en wij weten beiden dat Declan niet gaat winnen, is het niet Casper." Hij voegt aan het einde een kleine glimlach toe, een cynische, misselijkmakende glimlach. "Maar toch zal ik voor de zekerheid iemand aanstellen om mogelijke winnaarsoutfits te maken voor Pandora, mocht ze winnen. Stelt je dat al gerust?"

Alsof ik het alleen maar erg vindt dat Lucine vermist is omdat ik bang ben dat Pandora geen outfits na haar winst zou hebben, integendeel. Ik wil alles behalve dat Pandora de Spelen zou winnen. Hij denkt er ook maar geen seconde over na dat ik na vijf jaar met haar gewerkt te hebben haar misschien wel aardig vind, en dat ik het oprecht erg vind dat ze vermist is. Maar ergens had ik ook niet anders van hem verwacht. Ebernate geeft maar om één persoon in deze hele wereld, hemzelf.

"Ja, enorm," lieg ik, met een lichtelijke sarcastische ondertoon in mijn die Ebernate niet opmerkt.

"Oké goed, dan het belangrijkste onderwerp; Declan." Ik knik, maar weet dat hier waarschijnlijk de adder onder het gras tevoorschijn gaat komen, net als de vorige keren. "Tot nu toe gaat alles volgens planning. Emerald houdt zich netjes aan het schema en is al meerdere keren gezien haar tekst proberend te onthouden, maar het probleem is Declan."

"Wat is er met Declan?" vraag ik zachtjes, angstig voor het antwoord.

"Nou, ons plan was natuurlijk om hem terug op zijn plaats te zetten. Eerst moest het lijken alsof dé rebel van de 71ste Hongerspelen aan onze kant staat, hij moest alle verkeerde keuzes maken en gehaat worden in de districten. Vervolgens moest hij afgeslacht worden, door Emerald, alsmede het script om alle rebellen in alle districten te laten zien wat er gebeurt met een rebel. Maar voordat we dat allemaal kunnen doen, moeten we wel een échte rebel hebben."

"Hoe bedoel je?"

"Declan is niet half de rebel die jij beweerde dat hij was, tot nu toe heeft hij niets gedaan wat ook maar een klein beetje gelinkt kan worden met rebellie. Waarschijnlijk weten de mensen in de districten niet eens dat hij een rebel is."

Al zijn woorden klinken ook als verwijten naar mijn kant, alsof ik degene ben die Declan de Hongerspelen heeft ingestuurd. Terwijl ik alleen maar bevestigd heb dat zijn vader een rebel was. Ik blijf Ebernate vragend aanstaren, nog steeds niet begrijpend waar hij naartoe wilt. Maar als hij zijn volgende woorden zegt weet ik precies wat er gaat komen, de verassing die ik al verwachtte, de adder onder het gras.

"Het wordt tijd voor onze rebel om te rebelleren."


Blue Muldoon (24) – Mentor District 5

Bijna iedereen is al vertrokken uit de mentorruimte na een lange, lange eerste dag van de Spelen. Het is tien over twaalf, begrijpelijk dus dat grotendeels van de mentors er een einde aan hebben gemaakt. Maar toch zit ik nog steeds in de mentorhoek van district twaalf, languit liggend op de sofa met halfgeopende ogen starend naar het gigantische beeldscherm. Starend maar nauwelijks oplettend.

"Mag ik wat aspirines, en snel alsjeblieft," mompel ik nogal loom tegen de avox die al een tijdje naast de bank staat, misschien meer om even van haar af te zijn dan tegen de steken in mijn hoofd.

Ik zucht, en kijk even om me heen om te kijken welke mentors er precies nog over zijn in de ruimte. Ik zie Abraxas net nog de deur uitlopen, wat betekent dat we nog maar met z'n drieën over zijn. De mentorruimte is ingedeeld met een soort schuine tribune waar twaalf inhammen in zijn gemaakt, ieder met een kleine loungehoek, voor elke mentor één. Al die hoeken zijn gericht naar het gigantische scherm die een hele muur in de ruimte vult. Dat scherm is weer opgedeeld in veel verschillende schermen, zodat wij als mentors de Spelen zo goed mogelijk kunnen volgen.

Bijna alle mentorhoeken zijn verlaten, alleen die van district elf, die van district zeven én die van mij zijn nog bezet. Het is Ovids eerste mentorjaar, dus het is zeer begrijpelijk dat hij zo lang mogelijk in de mentorruimte blijft, terwijl zijn enige tribuut rustig ligt te slapen. Adelaide is de andere mentor die er nog is, maar als ik me omdraai naar haar vak, zie ik dat deze ook al leeg is.

"Waarom ben jij er nog?"

Ik schrik op van de plotselinge stem achter me, maar direct hoor ik aan de zachte klank dat het Adelaide is. Met een glimlach op mijn gezicht draai ik me om, en zie ik dat Adelaide naast me op de mosgroene hoekbank is gaan zitten, net naast het bontkleed wat erover gedrapeerd is.

"Ik moet je eerlijk zeggen, ik heb geen flauw idee," zeg ik lichtelijk grijnzend, mezelf even wrijvend over mijn voorhoofd als ik nog een steek voel.

"Ik herken het," antwoord ze met een lieflijke glimlach waarbij er kleine rimpels om haar ogen ontstaan. "Je bent aan het nadenken, nogal in jezelf gekeerd en voor je het weet is het twaalf uur."

"Ik ben ook echt totaal niet aan het opletten. Niet dat er veel is om op te letten, alle pret voor vandaag is wel achter de rug, denk ik." Ik trek mijn benen van de bank af en ga iets gepaster zitten voor een gesprek.

"Zit je ergens mee?" vraagt Adelaide vervolgens terwijl ik haar een vluchtige blik zie werpen naar een van de grote beeldschermen, waarschijnlijk degene waar de situatie voor het bondgenootschap van Gabriël, Eri en Yeatee op wordt afgebeeld.

"Niet iets speciaals, de gewoonlijke mentorzorgen."

"Ik dacht dat je had besloten die dit jaar niet meer te hebben?" zegt Adelaide.

"Dat is dus het hele probleem," antwoord ik barser dan ik bedoeld had, om vervolgens om me heen te kijken of de aspirientjes al in aantocht zijn. Maar er is niets te zien. "Ik had me zo voorgenomen om dit jaar gewoon onverschillig te blijven, om het mezelf niet nog moeilijker te maken dan het al is. Om niet gehecht te raken aan mijn tributen."

"Zoals je je vorig jaar dat ook al had voorgenomen, en het jaar daarvoor."

Een kleine grijns verschijnt op Adelaide's gezicht, en terwijl ik van andere mensen zo'n opmerking misschien niet zo pikken, kan ik enkel teruglachen naar Adelaide. Want ik weet dat Adelaide alleen de beste bedoelingen heeft. Voor mij, mijn tributen. Voor iedereen.

"Ik dacht dat het wel zou lukken dit jaar," vervolg ik, en terwijl ik praat begin ik steeds meer de brok in mijn keel te voelen, waardoor ik mezelf nog meer begin te verafschuwen. "Na vorig jaar."

Adelaide knikt begrijpend, want zij weet precies hoeveel waarde ik vorig jaar hechtte aan mijn vrouwelijke tribuut. En hoewel ik me ook vorig jaar zo heb voorgenomen onverschillig te blijven, heb ik flink gefaald. Willow werd vierde, gewurgd door de jongen uit twee, en het was net alsof het weer een van mijn eerste jaren als mentor was.

Tegen andere mensen zou Adelaide sowieso misschien wat strenger zijn, omdat Adelaide altijd pleit voor een actief mentorschap en omdat ze mentors die hun tributen verwaarlozen verafschuwt. Maar ze weet dat het mentorschap bij mij moeilijker ligt, iedereen weet dat. En dat komt allemaal door mijn allereerste mentorjaar, het jaar dat Casper O'Corrigan de Spelen won.

Ik besluit de gedachte eraan snel weg te drukken, en hervat snel weer mijn woorden voor afleiding. Ik kan nu niet ook nog aan hem gaan denken, niet aan Noah.

"Toen kwam Alec, wat gewoon één grote bundel hoop was. Vervolgens probeerde Hanmet zelfmoord te plegen, nog meer drama, maar ik hield vol. Ik bleef onverschillig terwijl alles in me schreeuwde om ze te helpen. En nu is Alec dood en zit Hanmet weg te kleumen in de kou en ik voel me gewoon zo egoïstisch en slecht."

"Het spijt me van Alec, maar je kan Hanmet toch nog helpen," zegt Adelaide hoopvol, proberend mij op te peppen, maar ik weet dat het niet gaat werken.

"Ik weet het. Maar laten we eerlijk zijn, Hanmet gaat deze Spelen niet winnen, dus in hoeverre help ik haar echt? Ik weet dat als ik eenmaal langs de sponsors ga, ik vroeg of laat toch gehecht aan haar ga raken. Het liefst wil ik gewoon dat het weer voorbij is, ik ben er zo klaar mee."

Even valt het stil, en zie ik Adelaide me zorgelijk aankijken, zoals ze dat als de beste doet. Alleen de nachtgeluiden uit de arena klinken in de ruimte, gemengd met de gedempte voetstappen van de mensen in de gangen naast de mentorruimte. De linker- en rechterwand zijn namelijk allebei compleet gemaakt uit glas. En terwijl je vanaf de rechterwand uitkijkt op het Victoriaplein, zie je aan de linkerwand drie verdiepingen aan gangen waar constant werknemers van de Spelen doorheen lopen, die maar al te graag naar ons kijken.

"Je moet je herinneren dat wij hier zijn om deze kinderen een kans te geven. Ik weet dat het moeilijk is, maar die kinderen hebben onze hulp zo hard nodig. Dat meisje is aan het vechten voor haar leven in de arena, en omdat jij besloten hebt dat ze toch niet gaat winnen, vriest ze misschien wel dood vannacht."

Adelaides woorden zijn iets strenger dan voorheen, en zorgen er beslist niet voor dat ik me beter over mezelf voel. Met een frons op mijn voorhoofd, mede door mijn schuldgevoel en mede door de hoofdpijn die steeds erger woord, blijf ik haar woorden volgen.

"Als jij ieder jaar er maar vanuit gaat dat jouw twee tributen toch niet gaan winnen, dan zal je ieder jaar twee doden op je geweten hebben."

"Dat heb ik nu toch ook, dat heb jij toch ook, dat hebben we allemaal," mompel ik zwaarmoedig.

"Ik probeer mezelf ieder jaar honderd procent in te zetten voor mijn tributen. Ik raak aan ze gehecht en het doet zo verschrikkelijk veel pijn als ze doodgaan, maar ik weet dat ik er alles aan heb gedaan om ze te helpen, en dat is genoeg troost om mij iedere Spelen door te helpen."

Ik slaak een weemoedige zucht en grijp voor de zoveelste keer naar mijn voorhoofd als ik weer een steek voel. Ik probeer de pijn tevergeefs weg te wrijven als Adelaide haar hand zachtjes op mijn schouder plaatst.

"Probeer het gewoon, vanaf morgen. Hanmet verdient een eerlijke kans."

Twijfelend ontmoet ik haar donkerbruine ogen, maar zonder er al te veel over na te denken knik ik met mijn hoofd, en besluit ik met tegenzin mezelf vanaf morgen in te zetten voor Hanmet, me nu al zorgen makend over de consequenties.

Als Adelaide langzaam opstaat van de bank om te vertrekken komt eindelijk de Avox aanlopen met een flink glas water en een klein, wit schaaltje met daarop drie aspirientjes. Ik schenk Adelaide een laatste glimlach waarna ik snel twee pilletjes van het schaaltje graai en deze met een flinke slok water doorslik. Als ik ze door mijn keel voel glijden zie ik in mijn ooghoeken Adelaide zich omdraaien om nog het laatste tegen me te zeggen.

"Wees blij dat je maar één tribuut dit jaar hebt om over te bekommeren, ik heb er drie."

Met een droevige glimlach zie ik haar weer omdraaien, en kijk ik haar na als ze de trap tussen alle mentorhoeken en de glazen wand oploopt, en boven de mentorruimte verlaat. Dan pas besef ik me pas waar Adelaide het over heeft. Gabriël is haar eigen tribuut, maar omdat zijn twee bondgenoten Ren als mentor hebben, een mentor die niet eens de moeite heeft gedaan om op te dagen in de mentorruimte bij het bloedbad, ziet ze hen tweeën nu ook als haar eigen tributen. En dat laat me alleen maar nog egoïstischer voelen, omdat ik al moeilijk doe over één tribuut.

Ik werp nog een blik naar de bibberende Hanmet op het scherm en sta dan zelf ook op van de bank. Met een zwaar gevoel in mijn hoofd loop ik langs het gigantische raam de trap op. Ik neem altijd de rechtertrap, omdat ik het haat aangestaard te worden door de mensen in de gangen. Als ik in mijn mentorhoek zit kan ik het nauwelijks merken, maar als ze enkele meters van me aflopen met enkel een dikke laag glas ertussen, voel ik me als een opgesloten beest. En hoewel ik weet dat ik dat eigenlijk ook ben in het Capitool, wil ik daar graag zo min mogelijk aan herinnerd worden.

Als ik langs de rij van de laatste drie districten kom, zie ik Ovid, de winnaar van vorig jaar en de mentor van district elf, verslagen naar het beeldscherm staren. Hij lijkt enorm van slag, en hoewel ik het gevoel heb dat hij wel met iemand wilt praten, kan ik niet de kracht vinden om naar hem toe te lopen. Ik ben van nature al niet zo'n praten, en ik weet al helemaal niet of ik het persoon zou kunnen zijn die hem op kan peppen, zoals Adelaide dat kan. Ik ben te pessimistisch, te bot zonder dat ik het wil. En daarnaast doet alles aan hem me aan Noah denken, en dat kan ik er nu al helemaal niet bij hebben.

Ik loop de laatste treden van de zwartmarmeren trap op en wandel richting de uitgang van de mentorruimte, als niemand minder dan Casper O'Corrigan de ruimte net binnen komt lopen, met een geteisterde blik op zijn gezicht. Maar als hij mij ziet veranderd deze blik plots in een van angst, en ontzag.

Ik kan hem nauwelijks aankijken, alles aan hem maakt me direct woedend, maar ook zo ongelukkig. Maar toch kijk ik hem aan, staar ik hem aan met een blik zo moordend dat hij weg lijkt te lopen als een kleine puppy. Als het aan mij lag zou ik hem negeren, zijn hele bestaan, en net alsof doen dat hij nooit geboren was. Maar zo makkelijk laat ik hem er niet vanaf komen. Mijn wrok daarvoor is te groot. Ik wil dat hij net zo hard geconfronteerd wordt met zijn verleden als hij mij tegenkomt, zoals ik geconfronteerd wordt met de mijne als ik hem tegenkom. Want hij heeft per slot van rekening Noah vermoord, mijn Noah.

Ik dacht dat alle ellende afgelopen zou zijn nadat ik mijn Spelen had gewonnen, dat alles achter de rug zou zijn. Er kon maar één enkel ding nog fout gaan, maar hoe groot was de kans dat ik én mijn geliefde in achtereenvolgende jaren de Spelen in moesten. Groot genoeg bleek maar, want het gebeurde. Mijn leven leek voorbij te zijn.

Maar hij gaf niet op, ik gaf niet op, we waren een ijzersterk team en groeiden tijdens de Spelen dichter naar elkaar dan we ooit waren geweest. We waren elkaars beste vrienden, als broer en zus, zielsverwanten, en hij leek zelfs bijna te winnen. We zouden de eerste geliefden zijn die beiden de Spelen wonnen, in achtereenvolgende jaren. Wat allemaal als een nachtmerrie begon leek uit te lopen tot een sprookje, een sprookje met gruwelijke moorden waarin je mentaal verwoest wordt, maar toch een sprookje.

Iedereen dacht hij Noah ging winnen Hij was favoriet, ik was favoriet en het hele Capitool bereidde zich al voor op een winnaarskoppel, tot hij werd vermoord. Door Casper. Hij werd tweede, maar er is geen tweede prijs bij de Spelen, is het niet? Hij is dood, ligt zeven meter onder grond met een graf die nauwelijks meer bezocht wordt. En dat is allemaal zijn schuld.

Als hij weg is gelopen, gevlucht bijna, loop ik uiteindelijk de deur uit en wandel ik direct door naar de liften. Ik stap met een nog hevig kloppend hart de lift binnen die precies op het moment opengaat als ik aankom. Mijn vinger drukt bijna in een automatisme op de twintigste verdieping en ik wacht tot de matglazen deuren waarin in weerzinwekkend bloemenpatroon is verwerkt dichtschuiven. Ik luister naar het lift-muziekje dat nog weerzinwekkender is dan het bloemenpatroon en voel de koppijn alweer opkomen door het afschuwelijk geschater van een trompet terwijl de lift begint te stijgen. En met alles binnenin me verlang ik naar het moment dat ik gewoon weer terug kan naar district vijf.

Op de twaalfde verdieping gaan de liftdeuren echter alweer open, en met een flinke zucht en rollende ogen wacht ik tot waarschijnlijk een klein groepje Capitoolse mensen de lift instappen. Dit gebouw wordt namelijk gebruikt door de mentors, we slapen en 'werken' hierin, maar hier worden ook alle sponsorzaken geregeld. En terwijl er maar twaalf mentors zijn, zijn er honderden sponsors in dit gebouw, die de Sponsortoren of de Mentortoren wordt genoemd. En geloof me, die sponsors zijn het allerergst.

Maar tot mijn grote verbazing staat er geen kleurrijk groepje mensen op de lift te wachten, maar één persoon. Een vrouw in een simpele, zwarte outfit en een donkere huidskleur, flinke lichaamsbouw, kort gewiekt haar en donkere, doordringende ogen. Shiwa Elestern, de mentor van district acht.

"Ha-"

"We gaan naar de zestiende verdieping."

Ik kijk verbaasd op als ze me bars onderbreekt, en bijna als een machine de woorden mompelt. Maar als ze mijn verbazing opmerkt kijkt ze me slechts doordringend aan en herhaalt ze haar woorden.

"We gaan naar de zestiende verdieping, oké?"

Zonder op mijn antwoord te wachten drukt Shiwa de knop van de zestiende verdieping in en blijft ze strak naar voren kijken. Uit verbazing weet ik niet wat ik moet zeggen, en even denk ik dat dit een geintje is van Alaster, die uitgevoerd moet worden door Shiwa omdat dat geloofwaardiger is.

"Als jij daar gelukkig van wordt, Shiw," antwoord ik grijnzend, maar haar reactie verontrust me nog meer dan het al deed. Terwijl ze alle hoeken van de lift begint af te speuren klinkt haar fluisterende stem niet meer zo ernstig als het verontrust klinkt.

"Niets meer zeggen tot we binnen zijn."

Op dat moment schuift de deur open en sprint Shiwa bijna de lift uit, waarna ik haar met opgetrokken wenkbrauwen volg. Langzaam word ik zelf ook steeds meer argwanend en verontrust, hoewel ik weet dat ik Shiwa kan vertrouwen. Van alle mentors, van alle mensen in het Capitool vertrouw ik haar samen met Adelaide misschien wel het meest. Maar toch lijkt er iets niet te kloppen.

We nemen de raarste route, we lijken rondjes te lopen en wandelen met enorme omwegen naar plaatsen waar ik nog nooit ben geweest. En ondertussen blijft Shiwa maar naar de hoeken van alle ruimtes kijken. Ik blijf niet begrijpen wat er aan de hand is tot ik na enkele minuten van ronddwalen snap dat Shiwa de camera's aan het ontwijken is. Dan pas weet ik dat het echt serieuze boel is.

Uiteindelijk komen we in een gedeelte van het gebouw dat compleet verlaten en verouderd lijkt. Voor districtbewoners zou dit net zo luxueus zijn als de rest van het gebouw, maar inmiddels kom ik al vaak genoeg in het Capitool om te begrijpen dat deze inrichting en decoratie minstens al tien jaar uit de mode, en verouderd is.

Uiteindelijk stoppen we bij een van de vele deuren in een gang en toets Shiwa een code in bij het apparaatje naast de houten deur. Ze kijkt vluchtig om zich heen om te kijken of er niemand is, en doet dan de deur open.

"We zijn er."

Het eerste wat ik zie is het licht van een kleine gloeilamp, en als ik de kamer binnenloop zie ik dat er heel veel meer eigenlijk ook niet is. Het is een kleine kamer, met betonnen muren en een betonnen vloer, en het enige wat erin staat is een houten tafel met een bijeengeraapt zooitje stoelen. Maar wat me wel opvalt is dat er iemand in de kamer zit, iemand die ik al wel verwachtte. Alaster Phron, mentor van district tien.

"Hè, hè, eindelijk. Ik zit hier al een halfuur te wachten, Shiwa," mompelt Alaster duidelijk geïrriteerd met een klein glas in zijn hand waar een donkerbruin goedje in zit. En ik hoef niet drie keer te raden om te raden wat daarin zit. "Ik wist dat we het beter gewoon in de mentorruimte konden doen, ze gaan ons daar echt niet afluisteren, hoor. En het is niet alsof het een echte vergadering is."

"Stop met zeuren, Alaster," snauwt Shiwa snel terwijl ik nog steeds rondkijk in de kamer, om zeker te weten dat ik echt niets over het hoofd zie.

"Ik had wel iets spectaculairders verwacht na die klopjacht door de gangen, Shiw," zeg ik lichtjes grijnzend als ik plaatsneem in een krakende, houten stoel waar een poot van afgebroken is.

"De volgende keer zullen we slingers voor je ophangen," antwoord Shiwa grappend, waarna ze het glas van Alaster pakt en daar de bodem in een slok uit wegdrinkt.

"Hé, die wilde ik opdrinken!" roept hij ontdaan. Shiwa's gezicht vertrekt even tot een grimas als ze de sterke drank heeft doorgeslikt, en dan geeft ze antwoord.

"Je kan vanavond genoeg drinken in de Winnaarswaard, er moet nu werk gedaan worden."

Shiwa en Alaster zijn niet het enige koppel onder de winnaars, maar wel het enige koppel dat hun relatie verborgen houdt voor het Capitool, omdat ze weten dat het Capitool alles wat ze hebben zullen verpesten. Het heeft consequenties; ze mogen niet trouwen, geen kinderen krijgen en ze zien elkaar maar enkele maanden in het jaar. Maar toch zijn ze al zeker vijftien jaar samen. En tevens zijn ze het enige koppel onder de winnaars dat ik kan aanzien.

Een winnaarskoppel herinnert mij alleen aan hetgeen wat ik had kunnen hebben, met Noah. Het verscheurt me tot stukjes vanbinnen als ik alleen al een klein interview zie tussen de twee geliefden uit district één. Gelukkig komen zij bijna nooit meer naar het Capitool. Waarom zouden ze, ze hebben elkaar. En zo zijn er nog enkele koppels, die ik allemaal verafschuw. Behalve Shiwa en Alaster. Het zijn goede mensen, en daarnaast kan je nauwelijks merken dat ze een koppel zijn. Ze verbergen het zo goed dat ze wel broer en zus lijken, of broer en broer eerder.

"Nou vertel eens, wat is er zo belangrijk dat ik praktisch vanuit de lift ontvoerd moest worden?"

Ik verwacht direct een antwoord, maar een kleine stilte blijft hangen tussen mij en de andere kant van de tafel. Shiwa kijkt heel even over haar schouder naar Alaster, die haar een klein knikje geeft, en direct voel ik alle ernst en spanning weer terugkeren. Shiwa neemt een flinke ademteug en begint met haar betoog.

"We kunnen niet alles vertellen, Blue, want er is enorm veel gaande. We wilden je er al eerder bij betrekken, maar er was nooit echt een reden daartoe. Tot nu."

"Waarbij betrekken?" vraag ik bedenkelijk.

"Er is een beginnende rebellie gaande. Alaster en ik zijn er lid van, en vele anderen. Anderen die jij goed kent, anderen die jij niet kent, maar we kunnen nog geen namen vrijgeven. Je moet eerst bewijzen dat je te vertrouwen bent."

Ik staar Shiwa met grote ogen aan, haar woorden nauwelijks gelovend. In al deze jaren opgesloten te zitten in het Capitool, in het district, me overal ellendig voelend en nergens thuis, heb ik nooit gedacht aan een rebellie. En nu nog lijkt het onuitvoerbaar, een missie die alleen maar kan eindigen in een gruwelijke dood. Want iedereen weet wat er in het verleden is gebeurd met mensen die ook maar durfden te denken over een rebellie.

"Ik weet wat er allemaal in je hoofd rondgaat, Blue, maar ik wil dat je die gedachten uitschakelt en naar me luistert. We weten wat we aan het doen zijn, we zijn te vertrouwen en het belangrijkste, we zijn niet alleen. Er zijn meer mensen die betrokken zijn in dit enorme plan dan je ook maar kunt bedenken. Onbelangrijke mensen maar zeker ook mensen met hoge posities." Shiwa leunt lichtjes naar voren over de tafel en kijkt me met een bemoedigende blik aan, terwijl mijn mond nog steeds bijna openhangt van verbazing. "Ik vraag je niet om direct je naam onder een contract te schrijven en je leven op te offeren. Ik vraag je te luisteren naar een van de vele plannen waar we mee bezig zijn, waarvoor we jou nodig hebben, en daarover na te denken."

"Vertel me het plan," weet ik verstomd uit te brengen. "Dan zal ik het overwegen."

"Tot nu toe is alles wat wij doen strict geheim en ondergronds gebleven, maar ooit zullen we moeten uitkomen en het hele volk mee moeten krijgen, willen we iets bereiken. Daarvoor hebben we boegbeelden nodig, en wie zijn betere boegbeelden dan winnaars," begint Shiwa uit te leggen, met haar handen in elkaar geslagen en af en toe omkijkend naar Alaster die aandachtig zit te luisteren. "We hebben winnaars, maar alleen winnaars is niet genoeg. We hebben winnaars nodig waar het volk gek op is, die op dit moment de ware royalty onder de winnaars zijn. En dan kunnen we wel in de ranglijst van Rumora-magazine kijken, maar jij en ik weten beiden dat types als Mimi Velvet en Orian Straton nooit deel zullen uitmaken van een rebellie."

"We hebben een verse winnaar nodig," zegt Alaster dan, met een kraak in zijn lage stem.

"We hebben een nieuwe winnaar nodig, eentje van de 71ste Spelen, en daarom zijn wij met z'n allen aan het proberen onze krachten in te zetten voor twee bepaalde tributen. Tributen waarvan wij verwachten dat ze geschikt zijn voor de rol die wij in ogen hebben. Tributen die wij als winnaars willen zien van de 71ste Hongerspelen, zodat ze deel kunnen uitmaken van de rebellie en wij weer een flinke stap verder zijn."

"Welke tributen?" mompel ik zachtjes uit, terwijl ik ongeveer al wel een idee heb wie een van de twee tributen is, gezien het feit hoe enthousiast Shiwa de laatste tijd is geweest over haar eigen tribuut.

"Emerald Melroe, en Declan Murray."

Ik staar haar bedenkelijk aan. Declan Murray, dat was alles behalve de tribuut die ik had verwacht. De enige logische verklaring die ik kan bedenken is dat hij Emeralds bondgenoot is, en dat het daarom makkelijker is om hen beiden te helpen. Maar Declan lijkt zwak, angstig en tenslotte is Casper O'Corrigan zijn mentor, en hij zou wel als laatste deel uitmaken van een rebellie.

"Waarom Declan?"

"We hebben van verscheidene bronnen te horen gekregen dat Declan in zijn thuisdistrict al meerdere uitingen van rebellie heeft getoond, en tevens was zijn vader een rebel. Declan lijkt misschien niet sterk genoeg om het persoon te zijn dat wij willen vinden, maar dat kunnen we creëren. Emerald is precies andersom. Emerald is sterk, dapper maar zoals we al verwachtten, niet de natuurlijke rebel die Declan is, integendeel."

Shiwa kijkt voor de zoveelste keer om naar Alaster, en seint dat hij het woord moet nemen. Hij grijpt zijn glas vast en slurpt de laatste druppel er onbeschaamd uit, meer uit gewoonte dan uit drankzucht, vermoed ik, en begint met vertellen.

"We hadden eerder al vermoedens dat Declan's rebel-aard in hogere kringen ook al was opgevallen, en sommigen zeggen dat dát zelfs de reden is waarom hij gekozen is voor de Spelen. Voorheen waren dit nog vermoedens, tot we vandaag achter de waarheid zijn gekomen. Shiwa verdacht al langer dat er een plan gaande was om Declan te laten vermoorden door Emerald, die bij het plan hoort, tussen Ebernate Mars en…" Een kleine pauze valt tussen zijn woorden, Shiwa en Alaster kijken elkaar aan alsof ze iets verschrikkelijks gaan zeggen, en richten hun blikken dan weer op mij. "Casper O'Corrigan."

Direct voel ik de woede weer opkomen, maar deze keer niet alleen omdat ik zijn naam hoor, omdat ik aan hem moet denken, maar om wat hij aan het doen is. En dat maakt me nog duizend keer zo woest. Ik dacht dat hij na Noah wel enige spijt en berouw voelde, en nog steeds voelt, maar hij zweert gewetenloos samen met het Capitool om zijn eigen tribuut de dood in te helpen.

"In andere woorden, die klootzak probeert zijn eigen tribuut te vermoorden en jouw tribuut daarin mee te slepen, waardoor Emerald automatisch een Capitool-pop wordt en ze allebei ongeschikt worden voor de rebellie," spuwt Shiwa dan vol pure haat uit, voor de eerste keer loskomend uit haar zakelijke schijn. Maar die haat deel ik compleet met haar. Alaster weet ons beiden te kalmeren.

"Shiwa heeft Casper vandaag onderschept op weg naar het kantoor van Ebernate Mars, en hem geconfronteerd maar hij liet niets los. Vervolgens heeft ze een kleine geluidschip in zijn borstzak weten te doen zonder dat hij het merkte, en zo hebben we met enkele leden van de organisatie het hele gesprek af kunnen luisteren, waarmee onze vermoedens eindelijk werden bevestigd." Shiwa grijnst zachtjes als Alaster dat verteld, maar haar grijns heeft een trieste onderlaag. Ik kom er snel genoeg achter waarom dat is. "Casper doet precies wat Ebernate zegt, Ebernate heeft hem totaal onder controle. Ze hebben een afschuwelijk, ziek script aan Emerald gegeven met daarin precies de manier waarop ze Declan moet vermoorden. Ze is al meerdere keren gezien het script uit haar hoofd lerend en ze weten vrijwel zeker dat ze Declan inderdaad gaat vermoorden op de 'juistemanier', hoewel we niet helemaal weten wat dat betekent."

Ik kijk Shiwa aan als Alaster het over Emerald heeft, wetende hoeveel waarde ze hechtte aan haar tribuut. Ze heeft wel honderd keer gezegd dat ze eindelijk een winnaar zou hebben, een winnaar zoals zij met kracht, dapperheid en een goed hart, en ik kan in haar ogen zien hoe erg ze het vindt dat ze het fout heeft.

"Het spijt me Shiwa, maar waarom is Emerald dan nog steeds een mogelijke rebel. Ze heeft nu al samengezworen met het Capitool," vraag ik zachtjes, proberend Shiwa niet te kwetsen met mijn woorden.

"Ik denk, ik weet zelfs dat Emerald een goed hart heeft. Wij weten allemaal hoe wanhopig je bent als je voor het eerst de arena in moet, hoe doodsbang. Je doet alles om je kansen te vergroten, en Ebernate bood haar een speer als sponsorgift aan als ze het zou doen," legt Shiwa uit, zo overtuigend mogelijk maar ik hoor ook de twijfel in haar stem.

"Alleen een speer? Heeft hij haar niet eens de winst beloofd?" vraag ik ontdaan, waarna Shiwa en Alaster beiden met hun hoofd schudden.

"Dus onze taak is nu om dit plan stop te zetten. Één van hen moet ongeschonden de arena uitkomen, en dat betekent ook dat ze niet afgebeeld mogen worden als marionetpoppen van het Capitool in de Spelen, wat Ebernate en Casper tevens wel van plan zijn. Als ze de arena uit zijn moeten we de controle over Emerald of Declan krijgen, bij Emerald is dit makkelijk omdat Shiwa haar mentor is. Bij Declan ligt dit lastiger," zegt Alaster, terwijl ik de conclusie al geleidelijk voel aankomen. "Dus om het plan stop te zetten, om controle te krijgen over Emerald én Declan moeten we de mentor onder controle krijgen."

"Jullie denken toch niet dat ik ga samen werken met Casper, want dat gaat echt niet gebeuren."

"Nee, Blue. We gaan hem vervangen. De oud-mentor van district negen staat aan onze kant, hij moet Caspers positie krijgen." Na Shiwa's woorden is het even stil, en ontstaat er een onheilspellende blik op haar gezicht. "We gaan Casper O'Corrigan vermoorden, en daar hebben wij jouw hulp voor nodig."


Dat was dan het eerste deel van het mentorhoofdstuk, uiteindelijk toch een goede lengte, als je het feit negeert dat er nog een heel hoofdstuk bij moet komen!

Zoals ik al zei is dit, samen met het volgende hoofdstuk, een van mijn favoriete hoofdstukken. Vooral ook omdat er zo veel nieuwe verhaallijnen, karakters maar ook details geïntroduceerd is! Ik moest heel veel nieuwe dingen bedenken, dingen die ik al heel lang op de planning had staan, maar ook dingen zoals de ranglijst van het Rumora-magazine, de tegels op het Victoriaplein en alle nieuwe ruimtes en gebouwen, wat plotselinge ideeën waren!

Daarom omdat er zo veel nieuws was wil ik heel graag weten wat jullie ervan vonden, het is natuurlijk heel iets anders dan de andere hoofdstukken. We leren de mentoren natuurlijk veel beter kennen! Eerst Casper, die blijkbaar ook in het complot zit met Ebernate en een heel vals spelletje aan het spelen is. Maar ik zou hem geen slecht persoon noemen, zoals Blue en Shiwa dat wel doen, hij is gewoon niet zo dapper als de anderen. En hoewel het wel enorm zielig is dat iedereen het nog steeds jammer vindt dat Noah niet heeft gewonnen, kan ik niet ontkennen dat ik waarschijnlijk ook team Noah geweest zou zijn...

En Blue! In eerste instantie wisten we niet dat deze twee mentors zoveel met elkaar te maken zouden hebben, ikzelf zelfs ook niet, maar deze twee POV's hebben echt een enorm nauw verband. Ik vond het heel leuk om haar geschiedenis over Noah uit te werken, en ik vind haar sowieso een enorm leuk karakter! En natuurlijk de rebellie, de plannen met Shiwa en Alaster! Natuurlijk wordt dat vervolgt, evenals Caspers verhaallijn, alleen niet al in het volgende hoofdstuk. Dat gaat helemaal over Orian, hoewel ze daar allebei wel in voorkomen!

En dan de puntentelling:

Weer even voor de duidelijkheid:

Je krijgt 5 punten als je in het begin een tribuut hebt ingestuurd (2 tributen telt niet voor 10 punten, dat blijft 5)
Je krijgt 5 punten als je mijn verhaal followed
Je krijgt 2 punten voor een review (hier mag van alles instaan)
Je krijgt 3 punten voor een review waarin je tips geeft
Je krijgt 3 punten als je een strijdwagenkostuum hebt ingestuurd (2 kostuums telt niet voor 6 punten, dat blijft 3)

Jade Lammourgy - 95 punten
LauraTwilightHungergamesHPfan - 86 punten
MyWeirdWorld - 83 punten
FF-Schwarz - 82 punten
Cicillia - 75 punten
greendiamond123 - 73 punten
sissihuys - 70 punten
evalovespeeta - 65 punten
NoxSelkirk - 65 punten
leakingpenholder - 59 punten
JesseGabriel - 57 punten
Madeby Mel - 48 punten
miniMinaxx - 45 punten
Azmidiske87 - 44 punten
serenetie-ishida - 41 punten
XxwhitechocolatexX - 37 punten
Luutje19 - 36 punten
Kirstenav - 20 punten
randomlypandas - 14 punten
Miss Little ME - 12 punten
Tiger outsider - 13 punten
lynnboudiny - 10 punten
freddie97 - 8 punten
TeensReadToo - 3 punten

Wat je kan sponsoren voor welke hoeveelheid punten is te vinden op mijn profiel!

Natuurlijk wil ik Jade Lammourgy weer enorm bedanken voor haar constante hulp in mijn verhaal, en vergeet allemaal niet een review achter te laten, bij dit hoofdstuk in het bijzonder omdat ik hier zo verschrikkelijk hard aan gewerkt heb! Er is genoeg nieuws om over te praten, over de nieuwe mentors, de nieuwe ruimtes en gebouwen en natuurlijk de nieuwe verhaallijnen!

Het volgende hoofdstuk is al bijna af, maar zal ik over twee weken posten om mezelf iets meer ruimte te geven. Hierin komen nóg meer mentors voor, worden nóg meer verhaallijnen geïntroduceerd en gaan de mentors met z'n allen naar de Winnaarswaard, het speciale café voor winnaars in het Capitool. Ik kan niet wachten het te posten!

LeviAntonius