Hoofdstuk 35 Echo's uit het Verleden
Harry staarde naar de stok van meidoornhout tussen zijn vingers. Bij het zoeken naar schone kleren had hij wrevelig besloten om zijn hutkoffer weer eens uit te mesten. Hij had nu tenslotte kasten en laden en, Merlijn, een heel huis wat dat betreft. Hij hoefde vanaf september pas weer alles in zijn hutkoffer te bewaren.
Plotseling werd hij overspoeld door beelden. Hij zag weer hoe hij hem uit Draco's hand gerukt had samen met die van Bellatrix en Wormstaart, en Vaalhaar ermee had verlamd. Hij herinnerde zich weer zijn keus voor de 'kortste staf', omdat die vriendelijk aanvoelde toen hij een opschrift wilde maken, en zag nu de ironie van het feit dat hij met een 'Malfidusstok' Dobby als Vrije Elf had geëerd. Olivander, die de stok geïdentificeerd had als die van Draco: "Meidoorn en eenhoornhaar. 25 komma 4 centimeter. Redelijk soepel." En hoe hij tenslotte, met de stok die hij in zijn handen hield, Voldemort verslagen had.
Draco had in de Kamer van Hoge Nood gezegd dat hij de toverstok van Narcissa had geleend en Harry vroeg zich af of hij inmiddels een andere had. Hoewel hij Malfidus toen getoond had dat degene die gewonnen had hem mocht houden, was dat nooit echt zijn bedoeling geweest. Zeker niet nadat zijn eigen stok weer gerepareerd was.
De vraag was dus hoe hij de stok ging retourneren? Hij kon er moeilijk mee in zijn zak blijven rondlopen tot hij de Zwadderaar een keer tegen het lijf liep. Dat kon wel september worden, als Draco überhaupt terugkeerde naar Zweinstein. Het idee om naar Villa Malfidus te gaan en hem de stok persoonlijk te overhandigen was wat Harry betreft geen optie. Er bleven dus twee opties open: Draco per uil vragen ergens af te spreken zodat hij hem kon geven, of de stok opsturen.
Hoewel Harry wist dat het de laffe uitvlucht was, verkoos hij dat laatste. Het idee om in de Lekke Ketel – of erger nog; De Drie Bezemstelen – af te spreken was té bizar. Hij kon zich de ongemakkelijke situatie al voorstellen. Nee, dank je! Nu hij een besluit had genomen, riep hij Knijster en vroeg hem om een kistje of doosje waarin hij een toverstok kon verzenden. De huiself keek hem enigszins vreemd aan, maar kwam binnen de kortste keren terug met een eenvoudig houten kistje dat eruit zag alsof er een fles wijn in had gezeten. Harry snoof. In gedachten zag hij Draco zich verbaasd afvragen wie hem een fles wijn zou sturen.
Hij pakte de stok veilig in en beraadslaagde toen of hij er nog een briefje bij moest doen. Het is toch wel duidelijk wat het is en van wie het dus moet komen? Iets – de gedachte aan Hermelien waarschijnlijk – gebood hem de normen in acht te nemen en in ieder geval de afzender te vermelden. Na vijf minuten denken schreef hij tenslotte: 'Malfidus, bedankt voor het gebruik. H. Potter' op een kaartje, bijna een weerspiegeling van het kaartje dat in de bureaula lag. Het feit dat hij de stok niet bepaald met toestemming gekregen had, sloeg hij voor het gemak over. Tevreden bevestigde hij het kaartje aan het kistje en besloot eerst de rest van de inhoud van zijn koffer op te ruimen.
Twintig minuten later kwam hij de keuken binnen, z'n haar vochtig van een snelle douche. Hij begroette Knijster die het ontbijt al op tafel had gezet en nu een kop thee voor hem inschonk. Met het pakje in zijn hand liep hij naar Ric, die hem alert aankeek.
Harry aaide even over zijn kopje en vroeg: 'Wil je een pakje voor me bezorgen, Ric?' De uil maakte een instemmend geluid en Harry had durven wedden met Ludo Bazuyn dat het dier z'n borstveren uitzette. Hij lachte vol genegenheid. Hij had niet verwacht dat hij zo snel aan een andere uil gehecht zou raken.
Voorzichtig maakte hij het pakje vast aan Ric's poot en vertelde hem dat hij het pakje alleen aan Draco Malfidus persoonlijk mocht afgeven. Tenslotte is het niet echt gebruikelijk om een toverstok per post te versturen, dacht hij. Toen hij het keukenraam opendeed, werd Ric bijna terug de keuken in geslingerd toen er een invasie uilen op het raam afdook.
Harry vloekte en riep luid: 'Knijster! Help!'
Samen verwijderden ze zo snel mogelijk alle post en dirigeerden de uilen de keuken uit. Knijster begon grommend de veren en andere ongeregeldheden op te ruimen die de dieren hadden achtergelaten. Harry mopperde net zo hard toen hij aan de keukentafel neerplofte. Van die post elke morgen zou hij nog indigestie krijgen. Snel keek hij of er iets dringends of persoonlijks bij zat, maar vond niets dan fanmail en de Ochtendprofeet.
Hij schoof het eerste van zich af en pakte de krant. Zoals verwacht werd hij begroet door zijn eigen foto. Het was dezelfde foto als vorige week, zag hij. Blijkbaar werd het steeds lastiger om fotografen het Ministerie binnen te smokkelen, sinds Romeo de grens had getrokken bij verslaggevers. Met gemengde gevoelens begon hij het verslag te lezen.
Opgelucht zag hij dat er boven het artikel geen vergelijkbare kop stond als na de hoorzitting van Narcissa en Draco. De nadruk lag vooral op Ombers rol bij de 'arrestaties' van Dreuzeltelgen. Diverse 'getuigen' deden hun verslag. Ook hadden ze een paar brochuremakers gevonden die anoniem hadden bevestigd dat er inderdaad een magisch oog in Ombers deur had gezeten. Ze hadden zelfs in een kleine inzet een wazige foto van Dolleman geplaatst. Vol afkeer schoof Harry de krant van zich af.
Hij nam net een hap ei toen hij geluid in de hal hoorde. Hij keek Knijster aan die bezig was de kandelaars te poetsen, stond voorzichtig op en trok zijn toverstok.
Voor hij om de hoek van de keuken kon gluren, hoorde hij een vrouwenstem roepen: 'Hallo? Is er iemand? Harry?'
Verwonderd stapte hij de hal in, zijn toverstok voor zich uit gestrekt, want hij was niet van plan de voorzichtigheid uit het oog te verliezen. Geschokt bleef hij staan bij het zien van de vrouw die een griezelige gelijkenis vertoonde met Bellatrix van Detta. Het bundeltje doeken in haar armen bewoog. Het beeld van Peter Pippeling, drie jaar geleden met een soortgelijk bundeltje op het kerkhof, kwam ongewild naar voren.
'Hallo, Harry,' zei de vrouw vriendelijk en liep op hem toe. 'Ik hoop dat je het niet erg vind dat we zo onaangekondigd binnenvallen, maar Molly gaf me jouw adres.'
Nog steeds geschokt, zij het nu om een andere reden, staarde Harry naar Andromeda Tops, die met haar kleinkind op hem afliep. Haar kleinkind! Remus' kind! Zijn petekind!
'H-Hallo, mevrouw Tops,' stamelde Harry. Hij probeerde overal heen te kijken behalve naar dat wriemelende bundeltje, maar zijn ogen werden als een magneet naar zijn peetkind getrokken. Hulpeloos keek hij toe hoe Andromeda de doeken opensloeg en hem de eerste blik gunde op het meest bijzondere wezentje dat hij ooit had gezien.
'Zeg maar Andromeda, Harry,' hoorde hij haar zeggen, terwijl hij gefixeerd naar de baby in haar armen keek. Hij strekte zijn nekje en probeerde zijn hoofdje te bewegen tussen de doeken. De donzige haartjes waren licht turquoise.
'Harry, dit is je peetzoon, Teddy,' zei Andromeda vriendelijk en ze stak haar armen naar hem uit. Harry kon weinig anders doen dan de zijne uit te strekken zodat ze de baby in zijn armen kon leggen.
'Hoi, Marcel,' klonk een bekende stem. Verrast keek hij op en zag Parvati in de deuropening staan van Kas Drie. 'Ik hoorde dat je hier begonnen was,' zei ze. 'Heb je ook even tijd om wat te drinken?'
Nieuwsgierig keek hij haar aan, maar haar uitdrukking verraadde niets. 'Ja hoor, ik kan wel even pauze nemen.' Hij veegde eerst zijn handen af en haalde er daarna een over zijn voorhoofd, waar het inspannende werk samen met het meizonnetje voor een waas van transpiratie had gezorgd. Parvati gebaarde dat hij aarde op zijn gezicht achterliet en onhandig boende hij het weg.
Ze liepen naar het kasteel, waar buiten in de schaduw de lange houten banken uit de Grote Zaal waren neergezet. Op een van de tafels stonden kannen met gekoeld Pompoensap en schalen met Ketelkoek en andere versnaperingen. Ze schonken allebei een beker in en zochten een plaatsje.
'Ben je hier al lang bezig?' vroeg Marcel voordat hij een grote slok nam. 'Waar werk je?'
Parvati schudde haar hoofd. 'Ik ben gisteren begonnen. Ik ben ingedeeld bij de ploeg die met de slaapzalen bezig is. Momenteel werken we aan die van Huffelpuf. Blijkbaar zijn die er het beste vanaf gekomen.'
Dat klonk logisch. Net als bij de kassen werd er gezorgd dat er zo snel mogelijk enkele ruimtes klaar waren en hij vermoedde dat Griffoendor en Ravenklauw die beiden in een toren verbleven, er het slechtst aan toe waren.
'Is Padma er ook?' vroeg Marcel. Terwijl Parvati vertelde dat haar zus pas de volgende week kon beginnen, nam Marcel een stuk Ketelkoek van de schaal waar iemand mee rondging. Er waaide een aangenaam briesje en ondanks het trieste beeld van het gehavende kasteel heerste er een opgewekte sfeer. Mensen kwamen hier samen voor een gemeenschappelijk doel.
Ze praten samen over andere klasgenoten die Parvati hier al had zien rondlopen. Toen Marcel naar Belinda vroeg, viel het meisje echter stil.
'Ik maak me zorgen over haar, Marcel. Ze komt de deur niet uit en wil praktisch niemand zien. Vaak probeert ze met smoesjes te voorkomen dat ik langs kom, en volgens haar moeder ben ik de enige die ze ziet. Ze wilde niet eens weten van het idee om een avond af te spreken met de Griffoendors.' Parvati zag er bedrukt uit en leek ook een beetje ten einde raad. Hij vroeg zich af of ze daarom zijn gezelschap gezocht had.
'Is het heel erg, de littekens?' vroeg hij. Belinda was altijd een wat oppervlakkig en vrolijk vlindertje geweest voor wie de schending van haar gezicht erg hard moest zijn aangekomen.
'Het zijn een paar erg duidelijk aanwezige littekens,' gaf Parvati toe. 'De langste loopt vanaf haar rechterslaap over haar wang tot halverwege haar hals. Maar ik denk dat het in haar hoofd erger is dan in de realiteit.'
Marcel keek haar vragend aan.
'De littekens zullen nog een stuk vervagen, hebben ze haar in het St. Holisto verteld. De kleine zijn op den duur waarschijnlijk niet eens zichtbaar op het eerste gezicht, en met make-up en Cameoflagespreuken zal ze dat zo goed als helemaal kunnen verhullen. Maar de angst dat ze veranderen zal doordat de wonden toegebracht zijn door een weerwolf, daar heeft ze het het meeste moeilijk mee.'
Hij vreesde dat hij niet zo goed had opgelet in het derde jaar toen de kenmerken van weerwolven besproken werden door professor Sneep, en had dus weinig idee van de eventuele gevolgen.
'Was Rons oudste broer niet door Vaalhaar gebeten?' vroeg hij opeens. Destijds was iedereen vooral bezig met de dood van Perkamentus, maar hij herinnerde zich dat de familie zich zorgen had gemaakt over het effect. 'Zal ik eens aan Ginny vragen hoe dat bij hem uitgepakt heeft?' stelde hij voor.
Parvati knikte langzaam. 'Misschien helpt het wel als Belinda hoort dat er goed mee te leven valt.'
Ik heb een déjà vu, besloot Draco. Hij was opgeschrikt door een kabaal in de gang, en toen hij poolshoogte ging nemen, zag hij die vermaledijde huis-elf weer worstelen met een uil. Het was echter niet de lichtbruine ransuil van Blaise, maar een klein, vinnig beestje dat hij bij zijn weten nog nooit eerder gezien had.
'Ophouden,' riep hij geërgerd. Waarschijnlijk had ook deze uil opdracht om zijn boodschap enkel aan de geadresseerde af te geven. Waar gaan we heen in de toverwereld als huis-elfen niet meer gebruikt kunnen worden om post aan te nemen?
Juvie had blijkbaar nog wat kroos in haar oren, want ze deed nog steeds verwoede pogingen om de poot van het dier te grijpen.
'JUVIE!'
Toen hij eindelijk haar aandacht had, wees hij naar de deur. Ze beet op haar lip en snifte even, maar vertrok toen als een gehoorzame elf. Misschien wordt het ooit nog wat met haar.
De uil keek hem verontwaardigd aan alsof het hem de aanranding verweet. Draco trok een wenkbrauw op, benieuwd aan wie het eigenwijze dier toebehoorde.
'Kwam je iets bezorgen?' vroeg hij tenslotte ongeduldig. Een beetje onnodige vraag aangezien het een pakketje bij zich had dat groot genoeg leek om de uil zelf te vervoeren. Nieuwsgierig naderde hij de uil en stak zijn hand uit. Het leek wel een verpakking van een fles wijn, maar de vogel had onmogelijk het gewicht van een fles wijn kunnen dragen, en iedereen wist dat je geen Vederlicht Bezwering op alcohol moest gebruiken.
Het houten doosje voelde licht, alsof het gevuld was met niets dan lucht. Er zat geen briefje bij en hij keek een beetje argwanend naar het pakketje alsof het een vervloekt item bevatte. De herinnering aan de ketting die hij Katja Bell had gestuurd, kwam boven en hij sommeerde een handdoek waarmee hij voorzichtig het deksel opende.
Met een schok staarde hij naar de inhoud. Zijn toverstok! Er kon maar één persoon zijn die hem gestuurd kon hebben, maar waarom zou hij dat doen? En dan ook nog eens net nadat hij zijn straf gekregen had van de Wikenweegschaar? Wilde Potter hem treiteren? Draco zou dat graag geloofd hebben, maar het paste niet bij het beeld dat de Uitverkorene bij hem had achtergelaten tijdens zijn getuigenis.
Behoedzaam pakte hij de toverstaf uit het kistje, de toverstaf die hem op zijn elfde bij Olivander had uitgekozen. Het verleden flitste voorbij; het duel met Potter in het tweede jaar, het martelen van Bijlhout op bevel van de Heer van het Duister, de warmtespreuken die hij voor de gevangenen in hun kelder had uitgesproken, het moment dat de staf in zijn hand had getrild toen hij hem op Perkamentus had gericht.
De stok glipte tussen zijn vingers uit en belandde voor zijn voeten op het dikke tapijt. Hoe blij en trots was hij destijds geweest toen hij oud genoeg was voor een toverstok? Hij had gedacht dat hij er grootse dingen mee zou gaan doen. Hij beet op zijn lip. Grootse dingen, wel ja. Het enige grootse dat ooit met deze stok gedaan was, had hij niet eens zelf gedaan. Ook de loyaliteit van zijn toverstok had hij verloren aan Potter. Hoe ironisch. Zijn huis-elf, zijn peetvader, zijn toverstok, allemaal kozen ze op het eind voor De Jongen Die Bleef Leven. Zijn blik viel op een strookje perkament dat uit het kistje stak. Met een frons pakte hij het en las: 'Malfidus, bedankt voor het gebruik. H. Potter.'
De toon was bijna een echo van het briefje dat hij de ander op aandringen van zijn moeder had gestuurd. Hij snoof. Moest hij nu weer een bedankje terugsturen voor het retourneren van zijn toverstok? Nog even en ze zouden penvrienden worden. Hij schudde zijn hoofd om die absurde gedachte.
Terwijl hij peinzend naar het briefje staarde, verscheen Juvie opnieuw in de hal. In haar hand had ze een stapeltje brieven. Ze keek hem met haar grote ogen een beetje angstig aan en zei: 'Juvie heeft nog meer post voor meneer Meliefes.'
Draco zuchtte, dwong voor zichzelf geduld af en zei: 'Bedankt, Juvie!'
Haar ogen begonnen onmiddellijk te stralen, dus voordat ze zich aan zijn voeten kon werpen, nam hij de post en verliet de hal.
