Crystal Leafwee (14) – District 6
"Links, rechts, rechts, links, rechtdoor, rechts, links, links, rechts. Links, rechts, rechts, links, rechtdoor, rechts, links, links, rechts. Links, rechts-"
"Heb je het nog steeds niet onthouden?" vraag ik dodelijk geïrriteerd nadat Luna misschien voor de miljoenste keer wanhopig een poging doet de route van het doolhof te onthouden. Ik onderbreek haar bruusk, en daar lijkt ze niet al te blij mee te zijn. Met ogen die vlam lijken te hebben gevat kijkt ze me aan, haar blik bevelend dat ik mijn mond moet houden. Ze zegt echter niets, en gaat naïef weer verder met het oprakelen van de volgens haar vrijwel magische formule.
"Links rechts, rechts, links-"
"-rechtdoor, rechts, links, links, rechts. We weten het Luna, stop alsjeblieft met dat imbeciele gemompel," onderbreek ik haar weer, en deze keer stopt ze wel met het gebazel, maar ook met lopen. Ik zie dat ze uit gewoonte haar armen stug over elkaar wilt heenslaan, maar natuurlijk is dat tevergeefs. Na een korte twijfel plaatst ze haar linkerhand in haar zij, haar rechterhand levenloos bungelend in de door mij gemaakte mitella.
"Wil je soms vermorzeld worden door dit doolhof?"
Ik rol overdreven met mijn ogen, diep zuchtend door haar domme opmerking Aan de ene kant kan ik wel begrijpen dat ze zo achterlijk doet, ze is tot nu toe nog nooit weg geweest van de Hoorn. Ze is nog nooit in het doolhof geweest, laat staan de arena. Alles is voor haar nieuw en dat verklaart totaal haar schaapachtige gedrag. Maar als ze nou voor een seconde niet zo dwars en verschrikkelijk obstinaat zou zijn en naar mij zou luisteren, zou ze weten dat dat nergens voor nodig is.
"We zijn direct na het vorige gepiep vertrokken. Zelfs als we de weg kwijtraken hebben we meer dan genoeg tijd om eruit te komen. Je moet niet zo stressen, Luna, het is irritant." Na mijn laatste woorden afkerig uitgespuwd te hebben werp ik mijn blonde haren, die door de lichte wind in kleine plukken voor mijn gezicht is komen hangen, met opgeheven hoofd achter mijn schouder. Zonder verder aandacht te besteden aan Luna begin ik de weg door het doolhof te vervolgen.
Mijn lompe, oerlelijke schoenen schrapen door het lichte zand, en blijven nu en dan haken achter de uitstekende stenen in de bodem. Ik doe niet eens meer moeite om mijn voeten op te tillen, dat kost veel te veel moeite. Het voelt na twee lange dagen alsof ik twee blokken lood aan mijn voeten vastgeklemd heb, en ik weet zeker dat ik op dit moment met mijn pumps nog sneller door het doolhof zou kunnen bewegen. Misschien een idee voor een sponsorgift, bedenk ik grijnzend.
"Je gaat verkeerd, Crystal. We moeten hier links," hoor ik dan plots achter me. Ik zucht.
"We zijn het westen in vertrokken dus we moeten ook richting het westen blijven lopen om eruit te komen." Ik loop straal langs de ingang waar Luna in wilde gaan, een gang iets smaller dan de brede gang waar we nu doorheen lopen, waar de klimop van de linker en rechtermuur elkaar bijna raken.
"Ilar zei zelf dat we ons gewoon aan deze route moesten houden. Bij de laatste patrouille is hij in een kwartiertje door het doolhof gekomen ermee." Ik negeer haar, en loop door terwijl haar eigenwijze gedram steeds zachter wordt, en steeds verder van me af raakt. Blijkbaar is ze niet van plan me te volgen. "Crystal! Ik ga niet mee die kant op, hoor!"
Bijna kreunend van ergernis draai ik me dan om en mijn vuisten gefrustreerd ballend om het lange mes in mijn handen. Flink wat meters verderop is ze blijven staan, nog steeds bij de ingang van de gang. Ze gaat voet bij stuk houden, dat weet ik, want Luna is koppig als een stier. En omdat het achterlijk zou zijn om nu te splitsen moet ik haar maar haar zin geven. Als ik knarsetandend naar haar toe kom sjokken verschijnt er een grijns op haar lijkbleke gezicht.
"Wat jij wilt, Luna. Als jij zin hebt om een halfuur langer dan nodig is door dit doolhof te dwalen moet je het zelf weten."
"Waarom ga je niet alleen, als je het zo goed weet? Ik wacht wel op je buiten het doolhof, hoor. Als je tenminste nog niet verpulverd bent tot een hoopje druipend vlees, net zoals het meisje uit 10," daagt ze me uit, met haar mondhoeken nog verder omhoog gekruld dan voorheen.
Voor ik er erg in heb zie ik het beeld weer voor me. Vlak na het bloedbad kwamen de hovercrafts de vijf lijken die rondom de Hoorn verspreid lagen ophalen, precies op het moment dat wij allemaal druk bezig waren met Luna's stomp, die leegliep als een omgevallen melkpak. Toen deze vijf tributen in het ruim van de hovercraft verdwenen waren, werd er nog een zesde tribuut opgehaald, wiens kanonschot we wel hadden gehoord, maar wiens lijk we niet hadden gevonden.
We hoorden enkel een kort, ijselijk geschreeuw, vlak nadat het rode lampje in al onze mouwen vliegensvlug had geknipperd, en vervolgens onheilspellend bleef branden. Een schreeuw, gevolgd door een oorverdovend geluid van metaal, schurend over metaal. Het leek van overal te komen. Niemand durfde conclusies te trekken over de dood van het meisje uit 10, maar toen haar druipende lijk in twee delen opgehaald moest worden, vanuit het doolhof, en nog onherkenbaarder was dan het lijk van Blye uit 11, wisten we dat het doolhof gevaarlijk was. Geen tribuut kan zoiets aanrichten.
Dus misschien is het inderdaad niet al te slim om risico's te nemen als het op het doolhof aankomt, moet ik dan met tegenzin toegeven. Ik kan mezelf wel slaan op het moment dat ik het denk, maar misschien heeft Luna wel gelijk, misschien kunnen we beter gewoon de route van Ilar volgen.
"We doen jouw dierbare route wel, als je hem nog weet tenminste. Links, rechts, rechts, links, rechtdoor, rechts, links, links, rechts was het? En dan verscheen de uitgang vanzelf aan onze rechterhand, toch?" Als ik voor haar ben aangekomen wend ik met opgetrokken wenkbrauwen mijn blik naar de plek waar ooit haar hand had moeten zitten, nu ingepakt met een dikke laag vies en vergeelt verband. "Of rechterstompje natuurlijk."
''Wanneer ga je nou eens ophouden met die stomme grapjes over mijn hand?" mompelt ze met een averse blik. Ik heb haar duidelijk gekwetst.
"Welke hand? De linker waarmee je nauwelijks een mes kan gooien of de rechter die langzaam aan het wegrotten is in je broekzak?" Ze snuift zonder antwoord te geven, maar ik kan zien dat ze aan het koken is. Ze neemt een flinke ademteug door haar neus en stapt na een laatste dodelijke blik te geven de gang in.
De volgende minuten, misschien uitstrekkend tot een kwartier, lopen we in stilte, en volg ik als een pasgeboren eendje Luna door de gangen. Hoewel ik normaal de neiging heb ieder moment van stilte op te vullen met gepraat, vind ik de stilte nu nauwelijks erg. Eerst dit verdomde doolhof uitkomen, dan heb ik tijd genoeg om grapjes te maken over Luna's hand. Eigenlijk dacht ik dat ik na meerdere keren wel gewend was aan het idee van een kindermoordend doolhof, en ik er zonder zorgen doorheen kon wandelen. Dat was ook zo, tot Luna het meisje uit 10 opmerkte.
Zelfs als ik na flink wat tijd Luna verderop weer bijna onverstaanbaar de route hoor mompelen weet ik mezelf in te houden. Eerst het doolhof uit.
Luna loopt langzamer dan een beroeps eigenlijk zou moeten doen, en als ik nauwkeuriger op haar ga letten zie ik dat het voor haar nog een enorme inspanning is. Ze tilt haar voeten nog minder op dan ik doe, wankelt zelfs een beetje als ze loopt, en na misschien drie keer het gewoonlijke rijtje opgerakeld te hebben, begint het zich langzaam te vervormen naar een gehijg bij iedere stap die ze zet.
Het kan ook niet anders met al het bloed dat ze is verloren. Het feit dat ze nu al deze afstand weet af te leggen zegt dat ze een enorme doorzetter is. Ik had om eerlijk te zijn niet verwacht dat ze überhaupt nog kon staan tijdens de Spelen. Hoe irritant ze ook is, ze weet me wel te verassen. Misschien vond ik vanochtend haar gezeur en koppige gedram dat ze per se de patrouille wilde doen wel dodelijk irritant, ik kan op zekere hoogte wel respect voor haar vinden. Maar dat verandert niets aan het feit dat Arwen en Ilar haar alleen de patrouille hebben laten doen om van het gezeur af te zijn, het zal waarschijnlijk ook niet de meest productieve patrouille worden.
Maar bloedverlies of niet, ze mag best doorlopen voordat al haar overige bloed aan de wanden van het labyrint kleeft, en zo ook de mijne.
"Crystal?" Plotseling weerklinkt Luna's stem door de gangen. Ze vertraagt haar pas wat om ongeveer naast me te komen lopen, ik weet niet waarom. Misschien is ze gewoon te moe om het tempo vast te houden, maar het lijkt alsof ze wilt praten.
"Wat?" mompel ik ietwat humeurig. Ik moet mezelf inhouden om er niet; 'is er aan de hand?' achteraan te plakken, iets wat bijna van nature gaat. Aan Luna's uitdrukking te zien wilt ze het echter ergens serieus over hebben, en dat soort grapjes zullen de sfeer niet echt verbeteren. Ik schrik bijna van mezelf als ik mijn woorden inslik. Ik kan me de laatste keer dat ik dat deed niet herinneren.
"Uh, ik had het met Ilar over, uh." Twijfelend begint ze met praten, en ik heb geen flauw idee waarom ze plotseling zo nerveus doet. We lopen iets langzamer, meer op een tempo waarop je makkelijk wandelend een gesprek kan voeren. "Nou ja, over jou, eigenlijk. Hij vertelde me dat jij alles weet over de Spelen van zijn ouders, en zijn broer en zus. En over alle Hongerspelen eigenlijk."
Ik heb werkelijk geen flauw idee waar dit gesprek heengaat, en voordat ze Ilars naam noemde kon ik ook alleen maar bedenken dat ze verdomme door moest lopen. Bijna uit gewoonte worden mijn ogen echter groot als ze zegt dat ze het met Ilar over mij heeft gehad, en heb ik de neiging om Luna aan haar hand naar de grond mee te sleuren zodat ik haar van begin tot einde kan ondervragen. Probleem is alleen dat Luna aan de kant waar ik loop geen hand heeft om vast te grijpen, en dat ik me misschien na een seconde van enthousiasme besef dat Ilar Straton me eigenlijk vrij weinig meer doet. Ilar is saai, en zelfs Straton als achternaam kan dat niet oplossen.
"Ja, en dan?" antwoord ik nogal kort van stof.
"Nou, ik vroeg me eigenlijk af..." Ze verplaatst haar blik beschaamd naar de grond en haalt haar hand wat zenuwachtig door haar warrige, zwarte haar. "Ik vroeg me af of je mijn ouders kan herinneren. Mijn tante heeft me altijd verboden de Spelen terug te kijken. Ik weet alleen dat ze dood zijn gegaan, niet een hoeveelste ze zijn geworden."
Ze voelt zich overduidelijk extreem ongemakkelijk door het feit dat ze mij om een gunst vraagt, alweer. Luna is niet een persoon die snel hulp aanneemt, en het feit dat ik haar leven heb gered heeft altijd voor een rare verhouding tussen ons gezorgd. Misschien heeft het ook wat te maken met de grappen die ik altijd ten koste van haar maak, en natuurlijk dat we weten dat één van ons dood zal gaan binnen een week.
Maar op dit moment voel ik niet eens een klein beetje de neiging om een bijtende opmerking te maken, wat normaal wel het geval zou zijn gezien ze zich zo kwetsbaar opstelt. Een raar, onbekend gevoel van medelijden begint op te borrelen, en ik weet moeilijk wat ik ermee moet doen. Luna heeft beide ouders verloren in de Spelen en dat is de enige reden waarom ze vandaag de dag meedoet, om hun eer te herstellen. En op haar eerste dag verliest ze haar werphand, waarmee haar kansen om te winnen praktisch gezien verdwenen zijn. Voor het eerst probeer ik me voor te stellen hoe Luna zich wel niet zou moeten voelen op dit moment, en besef ik me dat het misschien wel een beetje overdadig is om te zeuren over mijn te zware schoenen. Een beetje maar, want mijn schoenen zijn ook gewoon achterlijk zwaar.
"Welke Spelen waren het?" vraag ik vervolgens, op een toon die zowel Luna als mij lijkt te verassen.
"Mijn vader deed mee aan de 54ste Spelen toen hij achttien was, mijn moeder op dezelfde leeftijd aan de 55ste. Critor Hellwood en Elektra Millis."
"Je weet echt helemaal niets?" vraag ik vervolgens, en ze schudt haar hoofd.
Ik hoef niet al te lang te graven in mijn hoofd, en bedenk al vrij snel dat de 55ste Spelen die van Shiwa Elestern, district 8, waren. Ik probeer me de Spelen zo goed mogelijk voor de geest te halen. Er was sneeuw, heel veel sneeuw, en naaldbossen compleet gemaakt van ijzer. Veel stierven door natuurlijke omstandigheden, maar de mannelijke tribuut uit één hield het volgens mij vrij lang vol. En dan herinner ik het me.
"Je vader kwam tot de finale." Ze hangt aan mijn lippen als ik begin met vertellen. Ze vergeet bijna te lopen, vergeet bijna adem te nemen, wat ik wel begrijp na al die jaren niets te weten over de dood van je ouders. "Er waren nog drie beroeps over, waaronder jouw vader. Het was misschien wel de sterkste beroepsgroep in de geschiedenis van de Spelen, alleen het meisje uit één was doodgegaan bij het feestmaal, vermoord door Shiwa, en district vier had in die periode een tijdje geen vrijwilligers volgens mij. In de finale was het drie tegen één, een ijzersterke beroepsgroep die langer dan welke ooit samenbleef, tegen het meisje uit acht alleen."
"En toen?" kraamt ze uit als een kind dat vers in bed ingestopt ligt, luisterend naar een spannend verhaal van haar vader. Maar dit verhaal heeft geen goed einde, en dan heb ik het nog niet eens gehad over haar moeder.
"Shiwa vermoordde ze alle drie. Jouw vader als tweede."
Ze zwijgt alsof haar tong eruit is gerukt, geschokt, verdrietig, en ik voel schuldig dat ik haar zo heb laten voelen. Maar wat had ik anders moeten doen? Ik kan het niet verzwijgen, ik kan er niet over liegen, of wel?
"En mijn moeder?" Ik slik als ze ernaar vraagt, wetende dat haar vaders tijd in de arena verreweg het minst slechte gedeelte van het verhaal is. Tot de finale komen is totaal niet slecht, en nog best eervol. Winnen zou toch beter zijn, maar ik gok dat Luna er wel op de hoogte van is dat haar vader niet heeft gewonnen. Derde is dan helemaal geen grote teleurstelling, lijkt me. Maar haar moeders verhaal is alles behalve eervol.
"Dat kan ik me niet herinneren," lieg ik dan. "Sorry."
Want ik kan het me wel herinneren, ik kan me het helemaal herinneren.
Haar moeder was de eerste dode in de 55ste Hongerspelen, vermoord door haar bondgenoot uit twee waar ze eerder ruzie mee had gehad. Bij het interview had ze nog beloofd dat ze de dood van haar geliefde zou wreken, dat ze terug zou komen voor haar dochter en haar dochter niet ouderloos zou achterlaten. En ze beloofde ook dat ze de jongen uit twee zou vermoorden, haar zelfbenoemde aartsrivaal. Ze was favoriet van het Capitool door haar achtergrondverhaal, maar dat redde haar niet in het bloedbad.
De jongen trok haar hoofd van haar romp af, hakte haar lichaam in stukjes en voerde het aan de vleesetende vissen in het meer rondom de Hoorn. Haar hoofd doorboorde hij met de langste speer die hij in de Hoorn kon vinden, en knoopte haar haar vast aan het uiteinde zodat ze zou blijven hangen als hij de speer in de grond stak. Als een waarschuwing aan de andere tributen wilde hij het zo de gehele 55ste Hongerspelen laten hangen, maar het Capitool was er totaal niet van gediend. Haar hoofd werd zo snel mogelijk de arena uitgehaald, hoewel haar lichaam niet meer te herstellen was. De jongen werd door dezelfde vissen die hij gevoerd had met Elektra's lichaam vermoord. Elektra Millis wordt niet herinnerd als een dappere tribuut, Elektra Millis wordt herinnerd als een levenloos hoofd, gespiesd door een speer.
En plotseling is dat slachtoffer niet een van de honderden onbekende tributen die hun dood hebben gevonden in de Spelen, plotseling is het Luna's moeder.
"Echt helemaal niets?"
Ze kijkt me met grote ogen aan, bijna smekend naar meer informatie. Waarschijnlijk denkt ze dat niets erger is dan niet te weten wat er met haar ouders gebeurd is, maar ik weet wel beter. Haar tante wist waarschijnlijk ook wel beter, ik kan zien waarom ze het nooit heeft verteld.
"Nee." Teleurgesteld knikt ze, waarschijnlijk nog proberend de nieuwe informatie over haar vader een plaatsje te geven. Maar dan bedenk ik me iets. "Waarom heb je het eigenlijk niet aan je begeleider gevraagd, of je mentor of iemand anders in het Capitool? Die wisten het vast wel."
"Nou, uh, iedereen ging ervan uit dat ik het wel wist, uitte zijn medeleven en zei dat ze het fantastisch vonden dat ik hun eer wilde herstellen. Ik durfde niet te zeggen dat ik het niet wist, dat ik niet eens weet hoe mijn eigen ouders gestorven zijn." Emotie weerklinkt in haar stem terwijl we bijna schuifelen door het doolhof, Luna sip starend naar de grond en ik kijkend naar haar. Ze herpakt zichzelf. "Maar toch bedankt, Crystal. Ik ben blij dat ik het gevraagd heb."
"Graag gedaan," antwoord ik zacht, en daarmee lijkt het gesprek afgelopen te zijn. Raar dat ik me nog nooit ongemakkelijk heb gevoeld in de arena als er een stilte viel, of het nou was na een hatelijke opmerking van mij of dat het gesprek stilviel, maar nu voelt de stilte voor het eerst ineens drukkend. Alsof ik het moet doorbreken. Niet met een grap of terloopse opmerking over de patrouille, maar met een uiting van medeleven.
"Het spijt me van je ouders, Luna. En het spijt me ook wat er is gebeurd met je hier." Ze kijkt op en glimlacht kort naar me, een triestige glimlach.
"Van alle mensen zou jij dat het minste hoeven zeggen. Jij hebt mijn leven gered. Volgens mij heb ik je daar nooit voor bedankt, of wel?" Ik schud mijn hoofd. "Bij deze dan, bedankt. Een bloedbadslachtoffer zijn zou het ergste zijn wat me had kunnen overkomen. Niet dat het nu heel goed gaat, maar alsnog."
"Ook al had Pluto ook je linkerhand eraf gehakt was je nog door gegaan tot het bittere eind. En dat laat meer kracht zien dan de Spelen zonder al te veel moeite te winnen. Onthoud dat." Ze lijkt eerst even niet te reageren, deze keer niet starend naar de grond maar naar de verte. Naar het einde van de gang die dichterbij komt. Maar dan begint haar verhaal.
"Weet je, doorzetten is nog nooit zo moeilijk geweest als nu. Ik heb nooit iets in de weg laten staan tussen mij en mijn doel, maar op een of andere manier lijkt mijn energie gewoon op. Ik probeer wel, maar het lukt gewoon niet." Na dat gezegd te hebben breekt ze, en lijkt er ineens een compleet ander persoon naast me te staan. Zelfs toen haar hand eraf was gehakt, toen we haar stomp moesten dichtbranden weigerde ze te huilen. En nu zie ik de tranen uit haar ogen dwarrelen, haar gezicht blijven stekend in een stugge blik. Maar ze huilt wel. "Mijn tante heeft me als sponsorgift een amulet gegeven. Een gifgroen amulet die je open kon draaien, waar vergif in zat. Ze zei dat ik het moest gebruiken in geval van nood. Voor een snelle dood als dat de enige optie zou zijn."
Ze doet zo haar best haar tranen binnen te laten, maar ze blijven elkaar opvolgen. Ze wrijft ze dapper weg, hopend haarzelf onder bedwang te krijgen, maar het werkt niet. Ik twijfel of ik mijn hand op haar schouder moet leggen of haar moet troosten op een andere manier, maar ik denk dat het alleen maar nep zou lijken als ik dat zou doen. Na al die grapjes over haar hand en alle gemene die ik heb gezegd is aardige Crystal niet echt geloofwaardig, ook zeer zeldzaam nota bene. Dus ik luister maar naar haar verhaal, in stilte.
"De eerste dag heb ik iedere seconde van ieder uur eraan gedacht om het te slikken, toen ik 's nachts in mijn slaapzak lag heb ik het aan mijn lippen gezet, maar ik kon het niet. Ik heb het over de grond gegoten, denkend dat ik daarmee dapper zou zijn. Denkend dat ik een eervolle, sterke tribuut zou zijn als ik het vol zou houden tot het einde, mijn einde. Maar hoe langer ik in deze arena zit, hoe meer ik begin te denken dat ik het gewoon had moeten nemen."
Het is Luna wel gelukt, voor het eerst in mijn leven weet ik niet wat ik moet zeggen. In stilte staar ik naar Luna die inmiddels iets verder voor me loopt, en kijk ik geschokt naar een persoon die ik dacht te kennen. Ze wrijft haar laatste tranen weg en schuift haar haar achter haar oren. Ze kijkt om, verwachtend dat ik haar een reactie zal geven die ik niet heb. Het blijft even stil, terwijl ik zoek naar een juiste reactie. Maar als ik uiteindelijk mijn mond open wil trekken worden we onderbroken. Niet door het gepraat of geschreeuw van een tribuut, het gegrom van een mutilant of een omroep door de arena, we worden niet eens onderbroken door een geluid. Twee kleine lampjes beginnen heel langzaam met knipperen, een diepe rode kleur. Een lampje in mijn mouw en eentje in de hare. Twee minuscule lampjes, die zorgen voor een ontzaglijke reactie.
Ik weet niet eens wie er begint met rennen. Na misschien één milliseconde een doodsbange blik uitgewisseld te hebben zetten we ons beiden af van de grond, en razen we plotseling door de gangen van het doolhof. Een angst die ik nog nooit heb gevoeld, zelfs niet tijdens de boete, zelfs niet tijdens het bloedbad, laat mijn hart zo hevig tegen mijn borst aankloppen dat het lijkt alsof mijn ribben in kleine stukjes breken. Het enige wat ik kan doen is rennen.
"Als we dadelijk rechts gaan zijn we er, we gaan het redden!" schreeuwt Luna hijgend, maar ik kan haar woorden nauwelijks horen. Mijn ogen zijn gefocust op het einde van de gang en ik hoor alleen mijn eigen smeekbedes in mijn hoofd. Ik kan zo niet doodgaan, niet zo vroeg en niet door zo'n achterlijk doolhof. Ik weiger dood te gaan, dus ik ren, harder en harder tot ik Luna langzaam maar zeker inhaal. Want Luna's tempo verslapt al snel.
Ik kom eerder dan haar aan bij het einde van de gang, het rode lampje steeds sneller knipperend alsof het een hartslagmeter in een ziekenhuis is. Hoopvol kijk ik naar de gang rechts, verwachtend dat de uitgang daar op ons wacht, maar direct lijkt alle hoop te vergaan. Ik kan vanaf hier zien dat het doodloopt, het is niet eens een lange gang. Het loopt gewoon dood.
Luna komt ook aangestrompeld en ziet aan mijn reactie al dat er iets goed mis is. Maar terwijl ik moedeloos blijf staan, de hoop bijna helemaal verloren, wilt Luna al de gang in snellen, strompelend, hijgend en met zoveel meer hoop dan ik. Maar ze komt al snel hakkelend tot stilstand als ze over haar schouder kijkt en ziet dat ik niet mee ren.
"Crystal, kom!" schreeuwt ze hysterisch, haar ogen nog rood van tranen en haar borst op en neer bewegend van het hijgen. Maar ik heb alleen oog voor het lichtje in haar mouw dat steeds maar sneller en sneller knippert.
"Het loopt dood, Luna. Het is zinloos."
Even blijft ze ongelovig staan, ongelovig dat ik zomaar opgeef. Maar dan komt ze naar me toe gestormd, pakt ze met haar goede hand de mijne vast en trekt ze me mee naar de andere kant. Ze rent zo snel als ze kan de andere richting op, en ik volg haar. Ik volg haar maar weet dat we de gang niet uit gaan komen. We kunnen niets meer doen om onze levens te redden. Wij kunnen niets meer doen om onze levens te redden.
"Als het Capitool ons niet dood wilt hebben gaan we niet dood," hijg ik tijdens het rennen. Maar Luna lijkt me niet te horen. "Luna, we gaan niet dood als het Capitool dat niet wilt."
Ze blijft rennen, zonder te reageren, en ik dus ook. We blijven rennen als het lampje sneller gaat dan mijn hartslag of voetstappen, we blijven rennen als het lampje onverhoeds felrood blijft branden, we blijven rennen als het oorverdovende schurende geluid vanuit de muren opbroeit en we blijven rennen als alles om ons heen geleidelijk zwart wordt. Maar ik voel niets, geen harde klap of abrupte pijn. Enkel Luna's klamme hand in de mijne geklemd en de lucht om me heen die plotseling koud wordt door het verdwijnende zonlicht. Tot het licht terugkomt.
De muren schuiven weer open.
Mijn geren komt tot stilstand op het moment dat de lichtblauwe lucht weer boven ons verschijnt, hier en daar bevlekt door een wolk. Als de overgroeide muren weer in mijn blikveld verschijnen. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit zo blij ben geweest, of ooit zo blij zal zijn, om de zo gehate muren weer te zien. Luna komt enkele stappen later ook tot stilstand, en kijkt nog hijgend en snikkend naar me om.
"Ik zei het toch," weet ik uit te stamelen, hoestend, zwoegend, half lachend en euforisch. Maar ook nog in de greep van de schrik en doodsangst van momenten geleden. Luna moet iets langer bijkomen, maar na een tijdje verschijnt er ook een voorzichtige glimlach op haar gezicht. Ze neemt al adem om te reageren, maar direct erna zie ik haar gezicht weer wegtrekken. Haar ogen worden groot en de paniek die net was weg gedaald komt vliegensvlug weer terug.
Ik kijk onmiddellijk over mijn schouder, naar de richting waar Luna ogenschijnlijk iets zag, en zie in eerste instantie enkel een lege gang. Het enige dat me opvalt is dat het een andere gang is dan net, niet met een afslag naar rechts maar met een afslag naar links, veel breder, en veel, veel langer. Maar tijd om me daarover te verwonderen heb ik niet.
Op hetzelfde moment dat Luna zich naast me afzet van de grond om naar de plaats des onheils te stormen, zie ik bovenaan de metershoge uur iets bewegen, bijna aan het einde van de lange gang. Mijn gezicht vertrekt van verbijstering, net zoals dat net bij Luna gebeurde. Er hangt iets in het klimop van de muur, ver boven grond, dat zich op snel tempo een weg naar beneden baant. Een persoon, een tribuut.
Een meisje.
Pandora Ronan (13) – District 9
Vijf jaar eerder.
Mijn rug is tegen de ijskoude, stenen muur aangedrukt. IJskoud omdat ik alleen een bevlekt en gescheurd wit jurkje draag, en ijskoud omdat het hele weeshuis koud is. Altijd. De ruwe stenen schuren tegen mijn bovenarmen aan en laat krassen achter, maar dat zijn niet de krassen die maar niet stoppen met branden. Ik voel ze op mijn gezicht, niet diep genoeg om te bloeden, maar schrijnend alsof ze tot aan mijn schedel komen. Ik hijg, snik, alles door elkaar, maar weet vooral mijn adem niet onder controle te houden. Alles gaat door elkaar in mijn hoofd, het is chaos in mijn hoofd.
Ik voel me opgesloten in dit gebouw, alsof ik nergens naar toe kan. Ik heb gerend maar ik wist dat ik niet verder kon komen dan deze gang. De zuster zal me vrij snel komen halen, het kan niet anders. Ik ben bang voor haar, doodsbang. Ze zal snel genoeg komen als ze ziet dat hij niet meer ademt. Dat hij dood is.
Ik zet mijn handen in mijn haar als ik eraan denk, en trek er zo hard aan dat mijn hand wegschiet van mijn hoofd, met een grote pluk rood, pluizig haar tussen mijn vingers geklemd. Tussen mijn bebloede vingers. Ik huil nog harder, maar druk mijn lippen op elkaar zodat niemand het zal horen. Ze mogen het niet horen, dan komen ze me halen. Ze mogen me niet komen halen. Ik wil hier weg.
Mijn geschreeuw weerklinkt voor ik er iets aan kan doen door de holle gangen van het weeshuis, en weerkaatsen terug naar mij. Ik hoor niet alleen mijn eigen geschreeuw, maar ook het geschreeuw van duizend anderen die klinken als ik. Ik wil geen geschreeuw, maar ik heb mezelf niet onder controle.
Ik schreeuw omdat ik hier niet weg kan. Ik schreeuw omdat ik weet dat de zuster me zo komt halen, omdat ik bang ben. Ik schreeuw omdat Timothy dood is, door mij. Door mij. Maar ik schreeuw vooral omdat ik het gevoel van onbeschrijflijke razernij maar niet weet te onderdrukken. Ik schreeuw omdat ik meer mensen wil vermoorden, iedereen in dit gebouw.
Mijn rug is tegen de overgroeide, betonnen muur aangedrukt. De planten jeuken in mijn nek bij iedere hijgende stuiptrekking die mijn lichaam maakt, maar ik haal mijn rug niet van de muur af. Ik blijf bewegingloos staan, mijn handen in mijn haar, mijn hart in hoog tempo samentrekkend, mijn adem stuurloos en mijn kiezen strak op elkaar gedrukt om alles te verbijten. De paniek, de angst maar vooral de woede. De woede dat het niet gaat zoals ik wil, niets gaat zoals ik wil.
Ik kan schreeuwen, schreeuwen naar alles en iedereen maar druk mijn lippen op elkaar zodat niemand het zal horen. Ik wil niet dat iemand mijn geschreeuw hoort, de mensen in het Capitool, het wezen dat me opjaagt, maar ik wil vooral zelf mijn geschreeuw niet horen. Ik wil geen chaos, ik wil geen wanorde.
"Ik wil geen geschreeuw," mompel ik met mijn lippen op elkaar gedrukt, mijn kaken aangespannen om de woede binnenin me tegen te houden. "Ik ben degene die macht heeft. Ik wil geen chaos. Ik wil geen geschreeuw."
Mijn hand schiet los van mijn hoofd met een steek van pijn op mijn schedel, ik kijk in mijn hand en zie een grote pluk rood, pluizig haar tussen mijn vingers geklemd. Tussen mijn bebloede vingers. Ik knijp mijn kiezen nog sterker op elkaar, voel de manie nog sterker opwakkeren binnenin me. Het bloed aan mijn vingers is oud, opgedroogd. Van twee dagen geleden. Niets gaat zoals ik wilt. Alles in een chaos en ik heb nul controle. Ik wil geen geschreeuw. Ik wil geen geschreeuw.
Ik had mezelf nooit moeten laten gaan, ik had nooit het doolhof in moeten vertrekken. Ik had gewoon moeten wachten, wachten zoals ik altijd in district 9 heb gedaan. Weken wachten, maanden wachten, jaren wachten was nooit een probleem. Ik sleep mijn messen, dacht aan moorden en hield mijn slachtoffers in de gaten. Wachten was nooit een probleem. Maar in de arena is drie dagen zonder een moord, drie dagen zonder een slachtoffer om me heen ondraaglijk.
De eerste avond waren er namen in de lucht, de tweede avond was er een naam in de lucht en zelfs vanochtend klonk er een kanonschot door de arena. Geen slachtoffer voor mij. Ik kon twee repen huid bij het meisje uit 12 losrukken voordat de beroeps mijn slachtoffer kwamen stelen. Sindsdien heb ik geen levende ziel gezien. Geen dode ziel gezien. En mijn mes is nutteloos. Het meisje is dood, het mes was voor haar. Ik heb het niet eens bewaard.
In het doolhof zijn mensen, dacht ik, bij de Hoorn zijn mensen. De mensen die mijn slachtoffer hebben afgenomen. Ik had geen idee, ik moest ernaartoe. Ik had geen controle over mezelf. Het was chaos, wanorde. Ik wilde moorden, moorden zoals ik normaal doe. Ik wilde moorden, gen geschreeuw. Ik wil geen geschreeuw.
Dan hoor ik geen geschreeuw, geen geschreeuw maar gegrom. Het enige geluid dat misschien erger zou kunnen zijn dan geschreeuw. Dichtbij, van links, een pruttelend gegrom dat niet lijkt te stoppen. Het enige wat ik zie is de groene muren, de bruine grond en de blauwe lucht van dit verdomde doolhof, maar ik weet dat er meer is. Ik weet dat het beest om de hoek rondloopt. Het beest met het stierenhoofd, de minotaurus. De straf voor mijn wanorde. De straf voor mijn gretigheid en woede. Hij komt me halen. Ze mogen het niet horen, dan komen ze me halen. Ze mogen me niet komen halen. Ik wil hier weg.
Zijn schaduw verraad zijn aanwezigheid. Als eerste komen zijn hoorns, maar als de schaduw van zijn hoofd op de grond de hoek komt zetten ben ik al gevlucht. Ik kan vluchten deze keer. Vluchten in eindeloze gangen, maar ik kan vluchten. Ik zit opgesloten, maar ik kan vluchten. En vluchten doe ik. Ik ren zonder achterover te kijken, zonder te weten of de minotaurus me volgt. Want ik weet dat ik mijn pas niet zal vertragen als hij er niet zal zijn. Ik zal pas stoppen met vluchten als ik weer uit dit doolhof ben. Weer veilig ben en weer kan wachten, hoe ondraaglijk dat ook is.
Ik ren door smalle gangen, door brede gangen, met de schrijnende zon die mijn gezicht verwarmt en mijn ogen verblind, of in de schaduw van de metershoge muren. Ik ren tot ik denk zijn voetstappen niet meer te horen. Ik maak een laatste hoek en druk mijn rug weer tegen de planten aan, hijgend, hopend dat de minotaurus zal wegblijven. Maar vooral proberend het geschreeuw, dat zich binnenin me weer zo snel verspreid, binnen te houden. De razernij, het gekrijs dat zijn klauwen in mijn keel zet, vastberaden eruit te klimmen. Schreeuwen is wanorde, en ik heb macht.
Ik kijk knarsetandend om de hoek van de muur. In eerste instantie zie ik niets, een lege gang, tot het beest om de hoek komt zetten, stof oprijzend achter zijn enorme hoeven en kwijl druipend van zijn ontblote tanden. Zijn ogen worden groot van razernij als hij me lijkt te zien, alsof hij me kent, alsof hij weet wat ik allemaal heb gedaan. Hij richt zijn zwarte hoorns naar voren en komt naar me toe gestormd. Hij lijkt bozer dan ooit. Ik vlucht weer weg, krijsend vanbinnen, stil vanbuiten.
Maar na twee stappen zie ik waar ik mezelf in heb geleid, zie ik dat de eindeloze gangen plotseling een einde hebben. De gang loopt dood, en er is geen weg meer terug.
"Ik wil geen geschreeuw. Ik wil geen geschreeuw," moet ik zeggen, forceer ik mezelf woedend uit te spuwen als de situatie uitzichtloos lijkt. Als ik begin in te zien dat ik de orde verloren heb, maar nog steeds wil ik niet schreeuwen. Ik moet stil blijven, ik moet orde vinden. Dit kan niet het einde zijn.
Ik hoef niet lang na te denken voor een oplossing. Het enige wat ik zie is planten, is klimop, begroeid over de muren alsof ze schreeuwen om beklommen te worden. Met de razende voetstappen van de minotaurus naderend vlug ik naar de rechterwand, en grijp ik met mijn donkerrode vingers de stengels van het klimop vast. Ze zijn sterker dan ik verwacht had, sterker dan eigenlijk mogelijk is. Ze zijn nep, gemaakt om te beklimmen.
Ik hoef niet hoog te klimmen voordat ik recht onder me de minotaurus met een gigantische klap tegen de muur aan zie knallen. Ik knijp zo hard mogelijk met mijn trillende handen in de planten, bang om alsnog mijn grip te verliezen en naar beneden te vallen. Ik blijf hangen in de klimop als de minotaurus zijn blik naar boven verplaatst, zijn kleine, bloeddoorlopen ogen. Hij schopt mijn zijn poot tegen de grond aan, briest woedend en slaat meerdere keren met zijn hoorns tegen de muur, misschien hopend dat het om zal vallen. Mijn mondhoeken krullen omhoog en met een sadistische grijns kijk ik naar het hulpeloze beest onder me, ik lijk weer macht te hebben, controle en orde te hebben. Maar de spelmakers laten dit gevoel maar voor korte duur zijn.
Vol ongeloof staar ik naar mijn mouw, die mijn wit wegtrekkende hand enigszins bedekt, waar het kleine lampje langzaam begint te knipperen. Het gaat gepaard met geen geluid, ik hoor enkel wind, vogels en het gestamp en gebries van het beest onder me, maar binnenin hoor ik het gepiep. Het opjagende, zware, meedogenloze gepiep en geschreeuw van frustratie die me als een aardbeving overvalt. Het is weer chaos, maar buiten is het stil.
Het moment dat het lampje begint met knipperen zijn mijn eerdere gedachtes bevestigd, het kan geen toeval zijn. De spelmakers willen me dood hebben. Eerst de minotaurus die me maar bleef achtervolgen, en nu het gepiep. Ik weet wat het gepiep betekent, ik heb zelf gezien en gehoord hoe de muren in elkaar knalden, meerdere keren. Ze willen me dood hebben, en dat maakt me zo verschrikkelijk kwaad. Ik wil schreeuwen, ik moet schreeuwen.
"Ik wil geen geschreeuw," fluister ik, grom ik bijna. Maar ik weet dat ik geen tijd heb om mezelf onder bedwang te krijgen. Ik moet hier weg. Nu.
Ik kan niet naar onder, daar staat een minotaurus die klaar is me levend te verslinden. Ik heb geen tijd om naar links of rechts te klimmen, om te zoeken naar een uitgang. De enige optie is naar boven, misschien ben ik bovenop de muur veilig. Ik heb geen andere keuze. Ik moet naar boven.
Mijn tintelende vingers zijn me eeuwig dankbaar als ik met mijn rechterhand de planten loslaat, en ze kort losschud. Maar direct grijp ik zo ver mogelijk van me af de klimop weer vast, en komt de stekende pijn onmiddellijk terug. Ik klim met grote bewegingen, mijn kleine lichaam steeds behendiger wordend zodat ik de bovenrand van de muur op steeds een sneller tempo nader. Maar terwijl mijn tempo versnelt, versnelt ook het geknipper van het rode lampje. Het geknipper dat de belichaming is van de spelmakers die al klaar zitten om mijn kanonschot door de arena te laten luiden. Maar dat laat ik niet gebeuren. Ik vermoord, ik word niet vermoord. Niet door een mutilant, niet door een tribuut, niet door de spelmakers.
Met een lichaam trillend en tintelend van uitputting kom ik aan bij de bovenrand, meters en meters boven de vaste grond. Ik beveel mezelf niet naar beneden te kijken, daar ontstaat alleen meer chaos door. Alleen maar meer redenen om te schreeuwen.
Ik leg mijn arm op de rand en wordt onmiddellijk overvallen door een verschrikkelijke pijn door mijn hele arm. Ik probeer hem terug te trekken maar ik lijk vastgeklemd te zitten, en de pijn schiet vanuit mijn arm door mijn hele lichaam, alsof mijn zenuwen in brand staan. Met tranen in mijn ogen kijk ik over de rand, als ik zie dat de betonnen rand bedekt is met metalen stekels. Metalen stekels die in mijn bloedende arm verdwijnen, waar mijn bloedende arm in vastzit. Ik wil geen geschreeuw. Ik wil geen geschreeuw. Ik wil geen geschreeuw.
Door al het rood dat zich over mijn mouw verspreid kan ik het lampje bijna niet meer vinden, en ik ben als de dood dat het al gestopt is met flikkeren, wat betekent dat de muren ieder moment tegen elkaar kunnen knallen en mijn lichaam onder mijn oksels kan platwalsen. Maar dan zie ik het lampje knipperen, veel te snel, veel te dreigend. Ik twijfel geen seconde en trek mijn arm omhoog, los van te stekels, en klim zo snel maar voorzichtig mogelijk op de rand van de muur. Ik bijt mijn kiezen op elkaar, knijp mijn ogen op elkaar om niet te schreeuwen of te huilen als ik mijn knieën en handen tussen de stekels probeer te plaatsen. Met mijn handen lukt dat, maar mijn knieën zijn te breed en ik voel de metalen punten in mijn huid verdwijnen. Ik verbijt de pijn, ik moet de pijn verbijten, en laat mijn lichaam bevriezen, afwachtend tot alles voorbij is. Ik hoor het geluid van de schuivende muren, het geluid nog harder dan het hardste geschreeuw, gevolgd door stilte. Stilte. Geen geschuur, geen stamp of gebries.
Stilte.
Ik durf mijn ogen pas open te doen als de orde teruggekeerd lijkt te zijn. Mijn hoofd is naar onder gericht, en het eerst ewat ik zie zijn de ronde, metalen stekels, bedekt met bloed. Hier en daar heeft een stengel klimop zijn weg gevonden door de stekels, en omsluiert het het beton eronder. De muur is nog geen meter breed, dus het tweede wat me opvalt is de ongelooflijke diepte. Paniek ontvlamt direct, en ik hef mijn hoofd in een schok op, afwendend van de diepte. Ik heb nooit hoogtevrees gehad, maar ieder persoon zou doodsbang zijn te pletter te vallen van deze hoogte.
Als ik mijn hoofd opgeheven heb zie ik pas waar ik beland ben. Bovenop het doolhof. Ik zit echt bovenop het doolhof. Ik kan alles zien.
De stekels onder me lopen door over de rand tot ver buiten mijn blikveld, tot ze zo klein zijn dat mijn oog ze niet meer kunnen opmaken. De rand maakt hoeken en wegen, en vormt zo het doolhof wat er van bovenaf veel minder indrukwekkend uitziet. Minder groots en indrukwekkend. Het enige wat indrukwekkend is, is de diepte. Ik voel me alsof ik de macht heb over het hele labyrint, over de hele arena, en dat gevoel is het enige wat ik in deze situatie nodig heb om door te kunnen gaan, om te winnen, om te moorden.
Ik negeer het uitzicht op de arena dat ik vanaf hier heb, de bossen, de rotswand, de bloemenvelden, het feit dat ik zelfs de Hoorn des Overvloeds kan zien, en focus me volkomen op de wegen van het doolhof. Ik probeer de weg naar de uitgang zo goed mogelijk te onthouden, op te slaan in mijn gedachten zodat ik in een keer het doolhof uit kan komen als ik beneden ben. Ik zie dat het niet heel ver weg is, en zie vanaf hier ook dat die uitgang leidt naar een deel van de arena dat ik al ken. Het gedeelte waar ik na het bloedbad naartoe ben gevlucht, waar ik het meisje uit twaalf heb gemarteld. De bloemenvelden, perfect.
Ik wil in beweging komen om zo snel mogelijk naar beneden te klimmen, maar wordt overmand door de schreeuwende pijn in mijn arm en knieën, die ik bijna vergeten was. De mouw van mijn jas bevlekt is met mijn favoriete kleur en het bloed druipt langs mijn vingers naar beneden, het ziet er niet goed uit. Ik zou mijn mouw op willen stroken om de schade te bekijken, maar ik durf die beweging niet te maken, bang dat de punten nog dieper in mijn knieën zullen gaan, bang dat ik de wonden in mijn arm alleen erger maak. Ik weet dat ik van de rand af moet komen. Als ik uit het doolhof ben heb ik genoeg tijd om mijn wonden te bekijken. Ik moet uit het doolhof komen, nu.
Het afklimmen van de wand gaat makkelijker dan gedacht. Nadat ik met gespannen lichaam mijn knieën van de stekels heb weten te krijgen, hing ik vrij snel weer in de planten van klimop. Het klimmen ging minder snel door de pijn die ik bij iedere greep door mijn rechterarm voelde schieten. Hetzelfde geld voor mijn knieën, hoewel mijn wonden daar minder diep zijn. Maar het maakt niet uit. Met de verse smaak van de dood nog op het puntje van mijn tong zijn de verwondingen niets, maar dat is ook niet hetgeen waar ik me zorgen over maak. Dat is ook niet de reden waarom ik nog steeds geen zucht van opluchting kan slaken als ik met beide benen op de grond terecht kom, hoewel het gevaar van de dreigende diepte verdwenen is. Ik mag dan wel twee slagen van de arena gewonnen hebben, van de spelmakers gewonnen hebben, ik vraag me af of daarmee de strijd is afgelopen. En met mijn verwondingen ben ik zwakker dan ooit, ik heb niet eens wapens en ik ben vrijwel zeker dat ik deze ook niet meer van sponsors zal ontvangen, zoals ik verwachtte. Niets gaat zoals ik wil, helemaal niets. Ik dacht dat ik macht had, maar die is in mijn handen in vlam opgegaan, als as langs mijn vingers gegleden.
Wat overblijft in mijn handen is niets. As, bloed en geschreeuw, niet eens de dood. Niet de dood van anderen of van mezelf. Want zelfs mijn dood ligt in de handen van de spelmakers. Hoe lang ik ook wil rennen, hoe ver ik ook wil vluchten. Mijn handen blijven leeg.
Met die gedachte lijken mijn voeten vastgeketend te zijn aan de aarden vloer, evenals de rest van mijn ledematen. Ik kan niet bewegen, ik kan niet vluchten omdat ik weet dat ik nergens naartoe kan. Nergens in deze arena zal ik de macht terug in handen krijgen, de macht over mijn eigen dood of de dood van anderen. Ik ben verstijfd, met bloedende knieën en een ontploffing van geschreeuw in mijn hoofd.
Tot ik weer voetstappen hoor.
Daar zijn we weer! Iets langer dan twee weken, maar goed, ik heb dan ook wel ongelooflijk veel geschreven.
Want ik heb het weer gedaan, misschien zullen jullie het niet zien aan dit hoofdstuk, maar ik heb het hoofdstuk weer moeten splitsen. Het was niet zo lang als het mentorhoofdstuk, maar alsnog boven de 15.000 woorden. En dat vind ik wel echt te lang voor een hoofdstuk. Ik heb wat research gedaan, en dat is meer van vijftig pagina's in een gewoon boek! Pfhew, dat zijn heel wat pagina's hoor! Dus heb ik het gesplitst, eigenlijk zorgt dat wel voor twee mooie hoofdstukken van rond de 8000 woorden, perfect dus!
Het heeft wel heel wat moeite gekost om de hoofdstukken ongeveer gelijk te krijgen, even interessant en spannend, en ook nog eens om voor allebei een goede titel te bedenken! En ik moet wel eerlijk toegeven dat ik wel een lichte voorkeur heb voor het hoofdstuk dat ik volgende week (ja, volgende week, daar kom ik zo) ga posten. In het oorspronkelijke draft waren dit de middelste twee POV's, er zat er een voor en twee na die allemaal ook heel wat interessante dingen meebrachten.
Desalniettemin ben ik zeker enthousiast over dit hoofdstuk!Bij het editen heb ik natuurlijk het nog een keer doorgelezen, en ik denk alsnog dat het hoofdstuk op zich heel veel verschillende dingen met zich meebrengt! Te beginnen met het gesprek tussen Crystal en Luna, waar we heel wat meer te weten krijgen over Luna's ouders (iets wat in het allereerste hoofdstuk werd geïntroduceerd) en we eindelijk een zachtere kant zien van Crystal! Ze heeft er een, wonder boven wonder! Maar ik ben van mening dat zelfs het meest slechte (als in evil) karakter een emotionele kant moet hebben, mits je hem/haar een round character wilt maken. En daar streef ik toch naar bij alle tributen, terwijl ik weet dat dat eigenlijk niet kan.
Hetzelfde geldt voor Pandora. Een totaal andere kant zagen we in dit hoofdstuk van haar! Een kant die eigenlijk heel erg nodig was. Tot nu toe was ze erg oppervlakkig, konden we niet meekijken in haar hoofd en was ze alleen bezig met messen en bloed. Maar achter iedere psycho zit een geschiedenis, en iedere psycho heeft een zwakke kant. En in het volgende hoofdstuk zullen we dat zelfs misschien nog meer zien!
Ik vraag me ook echt af wat jullie vinden van het einde van het hoofdstuk, waar ook de titel op gebaseerd is. Vooral als je de symboliek over wat er in haar handen en dat van Spelmakers gaat analyseren kom je veel meer te weten of Pandora's denkwijze. Hoe ze altijd in controle is geweest van de dood van anderen, en in de arena is dat afgenomen, samen met de controle over haar eigen dood. Laat me weten wat jullie ervan denken!
De puntentelling:
MyWeirdWorld - 89 punten
LauraTwilightHungergamesHPfan - 86 punten
FF-Schwarz - 85 punten
evalovespeeta - 83 punten
sissihuys - 82 punten
NoxSelkirk - 80 punten
Cicillia - 75 punten
Madeby Mel - 69 punten
Azmidiske87 - 69 punten
serenetie-ishida - 62 punten
leakingpenholder - 59 punten
JesseGabriel - 57 punten
miniMinaxx - 45 punten
XxwhitechocolatexX - 40 punten
Strawberrychickk - 40 punten
Marielene - 37 punten
Luutje19 - 36 punten
Jade Lammourgy - 34 punten
Kirstenav - 20 punten
jeffreyhphg - 18 punten
randomlypandas - 14 punten
Tiger outsider - 13 punten
Miss Little ME - 12 punten
lynnboudiny - 10 punten
mjg43 - 8 punten
greendiamond123 - 8 punten
freddie97 - 8 punten
silk tiger - 5 punten
TeensReadToo - 3 punten
Wat je kan sponsoren voor welke hoeveelheid punten is te vinden op mijn profiel!
Tenslotte wil ik natuurlijk Jade Lammourgy bedanken, die op dit moment ergens in New York aan het banjeren is! (Jezus, laatst was het nog Parijs, Jade heeft geld teveel volgens mij.) En natuurlijk wil ik jullie allemaal vragen een review achter te laten. Ondertussen weten jullie allemaal wel dat ik zo ontzetten gelukkig van reviews wordt, wat er ook instaat! Wat vond je van de tributen in dit hoofdstuk, Crystal, Luna, Pandora, wat vond je van het doolhof en wat verwacht je in het volgende hoofdstuk te zien? Vooral naar dat laatste ben ik erg benieuwd! Laat het me weten!
En goed nieuws, want dit hoofdstuk heeft echt een deel 2! Ik heb er zelfs aan gedacht de hoofdstukken dezelfde titels te geven, maar dan met deel 1 en deel 2 erbij, maar dat paste niet. Ik heb wel de titels laten matchen, net zoals bij het bloedbad. In het volgende hoofdstuk zullen gigantisch veel verklaringen komen voor de acties in dit hoofdstuk, omdat we een POV krijgen vanuit de controlekamer! En omdat ik met zo'n cliffhanger eindig zal ik het niet over twee, maar over één week posten. Het is ook al helemaal af, dus geen vertraging! En daarin meer doolhof, meer Pandora, meer Crystal en Luna, en nog allerlei andere verassingen... Aahh, het is zo'n leuk hoofdstuk! Ik kan niet wachten het te posten!
Tot over één week!
LeviAntonius
