Emerald Melroe (16) – District 8
Zijn donkerrode vingers glijden over de aarde alsof het een leeg schilderdoek is, een dun spoor achterlatend van fijn geperste rode bessen. Zwaar ademend kijkt hij naar zijn eigen werk, zijn blik totaal gefocust op de beweging die hij maakt in de grond. De bruinige korrels die langs zijn vingers wegrollen, de kleine plukjes gras die hun lichtgroene kleur verliezen als Declans vingers hun weg erdoorheen hebben gebaand. Rood blijven ze achter, maar niet zo rood als Declan zou willen.
Met een rimpel tussen zijn wenkbrauwen doopt hij zijn vingers weer in het papperige goedje die hij gemaakt heeft op een stukje boomschors. Hij wrijft er even met zijn vingers doorheen, alsof hij hoopt dat ze zo meer van de substantie kunnen opnemen. Als hij zijn hand eruit haalt schept hij een beetje van het spul op zijn vingers, en kwakt hij deze argeloos op het punt waar hij net gestopt is, om het vervolgens uit te smeren. Het lijkt een 'n' te worden, maar het spul is lang niet hardnekkig genoeg om woorden te schrijven die je daadwerkelijk kan lezen. Ik kan het al niet lezen, laat staan de mensen in het Capitool vanaf hun mediaschermen. Want dat is wat hij volgens mij probeert te bereiken. En om heel eerlijk te zijn, ik had hem wel slimmer verwacht.
"In een creatieve bui, Declan?" merk ik nonchalant nadat we niet hebben gepraat sinds het moment dat hij na zijn patrouille aankwam bij het kamp, zijn zakken gevuld met giftige bessen.
In eerste instantie bedacht ik me in een vlaag van paniek dat hij een einde aan zijn leven wilde maken, na het zien van het lijk van zijn vriend. Toen hij dat ontkende heb ik hem maar gelaten, misschien is het wel een deel van het rouwproces uit district 9, wist ik veel. Maar naarmate de letters op de grond verschenen werd mijn argwaan ook groter, ik begon te begrijpen waar hij mee bezig is. En nu de zes letters op de grond naast ons kamp niet al te duidelijk, maar toch enigszins leesbaar, 'OPSTAN' vormen, kan ik me makkelijk inbeelden met welke letter het woord compleet zal zijn.
Geïrriteerd kijkt hij op, zijn gezicht wat bleekjes vetrokken, zijn kastanjebruine haar flink in de war en zijn blik verbeten. Hij kijkt me kort met een dodende blik aan en vervolgt dan weer zijn werk, zonder ook maar iets te zeggen.
"Niet echt in een vrolijke bui blijkbaar."
Die opmerking gaat niet onopgemerkt. Met de helft van het goedje nog niet uitgewreven kijkt hij abrupt op, zijn hoofd wat rood aangelopen. Niet felrood, meer het zielige excuus voor rood wat hij op de grond aan het smeren is.
"Denk je serieus dat dit een goed moment is om grappen te maken?"
Ik kijk hem met geknepen ogen aan, proberend te begrijpen hoe hij nou precies in elkaar zit. De afgelopen twee dagen is hij constant bezig geweest de sfeer wat lichter te maken, wat praatjes met me aan te knopen en grapjes te maken hier en daar, maar nu lijkt hij net zo verbitterd als ik in het begin was. Van alle mogelijke manieren waarop Declan op de foto had kunnen reageren had ik dit misschien wel het minst verwacht. Verdrietig, hulpeloos en machteloos of juist woedend naar het Capitool. Ik gok dat het laatste het geval is, maar verder heeft hij ook geen traan gelaten. Hij is alleen boos, heel erg boos.
"Ik probeer de sfeer wat te verlichten," antwoord ik, niet proberend snauwerig over te komen, maar aan zijn reactie te zien ben ik daar niet al te goed in geslaagd.
"Mijn beste vriend is vermoord. Dat valt niet te verlichten."
"Maar je maakt het ook niet erg makkelijk voor jezelf, hoor. Je wilt er niet eens over praten, niets! Het enige wat je tot nu toe hebt gedaan is gaan slapen zonder antwoord te willen geven op mijn vragen, en de volgende ochtend direct op zoek gaan naar die bessen. Ik wil me niet bemoeien met je rouwproces maar-"
De stilte waarmee Declan naar mijn woorden luisterde wordt bij die opmerking door hem onderbroken, maar eerlijk gezegd was ik al verrast dat ik tot zo ver in mijn verhaal zou komen. Dat is meer dan hij van mij geaccepteerd heeft zonder me af te katten, sinds het landen van het sponsorgift.
"Denk je dat dit ook maar iets te maken heeft met mijn rouwproces?" zegt hij op een felle toon. "Denk je dat ik hier de tijd kan nemen om überhaupt te rouwen?"
Ik blijf hem aankijken nadat hij is gestopt met praten, me plots heel klein voelend door de manier waarop hij mij de les leert. Ook al zitten we allebei op de grond, hij op zijn knieën en ik in kleermakerszit.
Tot nog toe heeft hij eigenlijk nooit zijn mond open durven te trekken tegen mij, maar iets lijkt in hem veranderd te zijn. En ik begrijp wel dat er op zo'n moment iets in je veranderd, het moment dat je een dierbare verliest, zonder dat je er iets aan kunt doen. Het moment dat al je andere dierbaren daarmee ook in levensgevaar zijn, wetende dat je daar ook niets aan kan doen. Maar ik begrijp niet waarom dit. Waarom ook zo boos ook mij, waarom kalken op de vloer, waarom een zielige poging tot verzet?
"Het antwoord is nee, Emerald."
"Dus dan ga je maar vingerverven?" antwoord ik, mijn armen onbegrijpend opheffend en schuddend met mijn hoofd. Hij rolt met zijn ogen en gaat weer verder, wederom mij negerend. "Leg het me dan uit!"
"Je begrijpt het toch niet."
Natuurlijk denkt hij dat ik het niet begrijp. Hij denkt dat ik er totaal onbewust van ben dat hij een rebel is. En geloof me, als ik het niet van Ebernate gehoord had, zou ik het op dit moment onmogelijk kunnen weten. Ik zou waarschijnlijk denken dat alle steekjes in zijn hoofd compleet losgeraakt zijn bij het zien van de foto, dat ik zo snel mogelijk moet vluchten voordat hij nog gestoorder wordt. Maar ik weet wel wat er aan de hand is, ik weet wat hij probeert te doen, maar waarom?
En eerlijk gezegd maak ik me er ook zorgen om, over de foto, over de hele situatie. Ik probeer alle vragen en paniek binnenin me zo goed mogelijk weg te drukken, maar ik kan er maar niet met mijn hoofd bij. Waarom heeft Ebernate het gestuurd? Het moet Ebernate zijn, dat kan niet anders, en ik weet ook honderd procent zeker dat er een doel achter zit. Ebernate mag dan wel een sadistische Capitool-gek zijn, een van duizenden, hij is niet een persoon die zomaar een foto van een lijk van Declans beste vriend naar hem zou sturen, gewoon voor de lol. Maar wat zit daar verdomme achter, en waarom weet ik daar niets van?
Ik besluit maar antwoord te geven op Declan voordat vervolgende gedachtes in mijn hoofd op komen zetten. Gedachtes waar ik niet minder bang van zal worden, integendeel. Ik kan me goed voorstellen dat iemand als Ebernate dubbel spel zal spelen, en niet misschien alleen Declan erin probeert te luizen, maar ook mijzelf. Of misschien verwacht hij wel dat ik op een bepaalde manier met de situatie omga, en is dit het moment waarop ik alles voor mezelf kan verpesten. Ik weet niet wat hij van me wilt, het enige wat ik heb is een stom script waar ik pas over dagen mee kan beginnen. Tot dan moet ik het zelf verzinnen. Nooit gedacht dat ik ooit zou verlangen naar een extra script, regels uit je hoofd leren is een stuk makkelijker dan ze zelf bedenken.
"Help me begrijpen dan, Declan. Je hebt nog nauwelijks iets tegen me gezegd, je doet alsof alles niet eens gebeurt is. Ik wil je helpen, wij zijn bondgenoten, toch?"
De woorden verlaten zo overtuigend mijn mond dat ik zelf niet eens meer weet of ik lieg of niet, iets wat ik de afgelopen dagen veel vaker ervaren heb. Als hij de rode substantie helemaal heeft uitgeveegd, en de vage 'n' ogenschijnlijk heeft afgemaakt, kijkt hij op.
"Ik kan me het niet veroorloven om hier te gaan huilen om hem. Als ik me nu niet concentreer op de Spelen lig ik over een klein weekje naast hem op de begraafplaats, en wie weet wie er allemaal bij ligt. Ik moet dit winnen om naar huis te gaan-" Hij lijkt klaar te zijn als hij zijn vingers weer in het goedje steekt en iets triester dan net erin begint te wrijven, alsof hij voor het eerst een andere emotie laat zien dan woede. Maar er komt nog meer, iets wat ik flink miste in zijn verhaal. "-en om wraak te nemen op het Capitool."
Stilte, en ik weet dat ik deze stilte langer moet vasthouden dan ik oorspronkelijk zou willen, want ik moet meer geschokt lijken dan ik daadwerkelijk ben. Ik tel vluchtig in mijn hoofd tot vijf tot ik reageer.
"Doe je daarom dit? Zet je daarom 'opstand' op de grond?"
Met zijn gezicht naar de grond gericht zie ik hem lichtjes grijnzen, heel lichtjes maar, en dat geeft een gevoel van opluchting. Meer opluchting dan ik eigenlijk zou willen toegeven.
"Je kunt het dus lezen," antwoord hij.
"Zo ongeveer." Ik sta op om wat dichterbij te komen, en het woord te bekijken vanaf de kant waar hij zit. "De 's' is alleen verkeerd om, dat is een vijf."
"Helemaal niet." Verbaasd kijkt hij op een houdt hij zijn hoofd wat schuin om de letter beter te bekijken, en aan zijn uitdrukking te zien valt hem het ook op. Hij kan er alleen niet om lachen als ik doe. "Verdomme, het werkt ook helemaal niet dit."
Binnensmonds vloekend werpt hij het stukje boomschors waar nog een klein kwakje bessencompote opzat van zich af, en wrijft hij zijn vinger af aan een stukje mos op de grond. Met een chagrijnige grimas op zijn gezicht trekt hij zijn knieën op en zet hij zijn handen in zijn haren. Hij zit er overduidelijk doorheen, bijna alsof hij zijn vingers met opzet af zou likken om op de meest simpele manier uit deze ellende te komen.
"Om eerlijk te zijn denk ik ook niet dat ze dit in het Capitool óf in Panem zouden laten zien. Ik weet eigenlijk ook niet of ze het kunnen zien."
"Ze hebben onze scènes nodig, mensen willen weten hoe het met ons gaat. En als ze ons in beeld hebben, hebben ze ook de woorden," snauwt hij terug, niet echt gecharmeerd door mijn commentaar. "Of woord eigenlijk."
"Dat kunnen ze wegretoucheren." Hij snuift geïrriteerd.
"Ik wil gewoon iets doen. Ik moet gewoon iets doen, maar ik kan hier niets doen. Ik wil gewoon naar de camera's schreeuwen, Snow, Ebernate Mars en het hele Capitool uitschelden voor wat ze hebben gedaan, voor wat ze nog steeds doen. Ik wil gewoon ieder namaaksel van een plant kapottrappen, de krachtvelden vernietigen de Hoorn inrammen met een bijl maar ik weet dat dat allemaal niets zal uitmaken." Voor het eerst sinds tijden lijkt er een kraak in zijn stem te komen, lijken zijn ooghoeken te glinsteren van de tranen die komen opzetten. En voor het eerst voel ik ook oprecht medelijden met Declan, medeleven voor wat hij moet doorstaan. En dat wordt meteen gevolgd door een gigantisch, onbeschrijflijk schuldgevoel. "Ik moet winnen."
Als bij de laatste drie woorden de kraak in zijn stem geleidelijk verdwijnt, als zijn ogen de tranen als een spons weer lijken te absorberen, weet ik wat er veranderd is bij Declan. Ik kan me tot op het kleinste detail herinneren hoe hij met trillende handen de pijl vasthield in het bloedbad, hoe hij het meisje uit twee moest vermoorden terwijl ik wist dat hij het nooit zou kunnen. Dat is er veranderd, hij is niet meer die jongen. Hij zou nu die pijl recht in haar hart steken, denkend aan zijn eigen vriend die door het Capitool vermoord is. Voorheen weigerde hij deel uit te maken van de Spelen, wat een ware rebel zou doen. Nu maakt het hem niets meer uit, hij heeft geen medelijden meer, hij wilt winnen. Hij moet winnen.
Maar hij kan niet winnen.
Op dat moment ben ik sprakeloos, volkomen sprakeloos. Mijn mond is geopend maar geen geluid verlaat mijn keel. Alsof ik onder water ben, alsof een dikke glazen plaat ons van elkaar scheidt, alsof ik doof ben. Ik kan niets zeggen, alles wat ik wil zeggen is op een of andere manier fout. Ofwel voor Ebernate, ofwel voor de camera, ofwel voor Declan, ofwel voor mijzelf. Ik kan maar aan één ding denken: Ik moet deze jongen gaan vermoorden.
"Ik ga denk ik maar wat meer bessen zoeken. Ik zit hier nu misschien twee seconde niets te doen en ik voel me nu al gek worden. Het zal misschien niet veel uitmaken voor de camera, wel voor mij."
Hij klopt de aarde van zijn broek als hij is opgestaan en maakt aanstalten om het bos in te vertrekken. Maar voordat hij we stapt bedenkt hij zichzelf, en draait hij om.
"Mag ik de pijl mee?" De vastberadenheid in zijn ogen is onmiskenbaar, maar past totaal niet bij Declan. Niet de Declan die ik ken tenminste, maar blijkbaar is het tijd voor een nieuwe Declan. Ik twijfel dan ook geen seconde om hem de pijl mee te geven, en twijfel ook geen seconde over het feit dat hij de keel zal doorsnijden van iedere tribuut die hij tegenkomt. Of het hem makkelijk af zal gaan weet ik niet, maar hij zal het doen. De moord op zijn vriend heeft zijn onschuld onherstelbaar beschadigd, en beschadigde mensen zijn het gevaarlijkst van allemaal.
Ik wacht misschien vijf minuten nadat hij met mijn pijl is weggelopen voordat ik het opgevouwen script uit mijn sok trek, en zelfs dan kijk ik verwoed en vol argwaan om me heen. Het is in de lengte dubbel opgevouwen, in de breedte driedubbel, bevlekt met wat modder en bloed van mijn linkerhand maar verder helemaal intact. Ik vouw het open, en begroet de bekende zwarte letters op het witte papier met mijn ogen. Het is geschreven op een typemachine, waarschijnlijk omdat ze dan zeker weten dat het nergens anders in een databse te vinden is, de letters ouderwets en bijna on-Capitools. Het lijkt de miljoenste keer te zijn als ik het script doorlees, maar ieder woord dat ik lees lijkt plotseling een dubbele laag te hebben. Voorheen waren het holle woorden. Het waren niet mijn woorden dus waarom zou ik er waarde aan hechten? Maar voor Declan zullen dit wel mijn woorden zijn, voor heel Panem zullen dit mijn woorden zijn. Iedereen zal mij zien als de enige moordenaar van Declan Murray, de laffe onderdaan van het Capitool. En misschien het ergste; dat zal ik ook zijn.
Ebernate Mars (32) – Hoofdspelmaker
"Schakel over naar camera vier."
Een lage stem weerklinkt door de controlekamer, en het beeld op het grootste scherm in de ruimte veranderd onmiddellijk. Een close-up van Pandora's gezicht, nog hier en daar bedekt met een opgedroogde spetter bloed. Hazels bloed. Haar blik is compleet verbeten, ogen groot en vol met emotie. Ze mompelt iets onverstaanbaars in haarzelf wat we niet op kunnen vangen met onze microfoons, maar dat is geen probleem. Het beeld is fantastisch op zichzelf.
"Camera twaa-"
"Nee." Ik benadruk mijn stem zo hard als ik kan, zodat het door de gehele ronde, witte ruimte galmt en iedereen in de ruimte me optimaal kan horen. Omdat mijn balkon het dichts bij de rand van de ruimte zit, die de vorm heeft van een koepel, galmt mijn stem het hardst van alle stemmen in de controlekamer langs de gebogen muren van de koepel heen, harder dan die van de overige personen in de ruimte. Een ingenieuze truc, bedacht door Ursula Drainer, hoofdspelmaakster van de 52e Hongerspelen. Maar het mocht haar leven als spelmaakster niet redden, natuurlijk niet. "Blijf bij camera vier. Verwijd het beeld langzaam zodat we de minotaurus de gang in kunnen zien stormen naast haar."
Enkele personen kijken me één seconde verbaasd aan, maar richten zich al snel weer op het controlepaneel voor hen, en zenden de nodige commando's uit om mijn opdracht uit te voeren. Dertig mensen zijn er nodig om de Spelen onder controle te krijgen, en ook nog eens goed in beeld te brengen zodat het hele Capitool het kan ervaren alsof ze zelf in de arena zitten. En vaak zijn zelfs die dertig mensen te weinig.
Ik kan echter niet zeggen dat ze niet goed hun best doen, iedereen zittend rondom de enorme projectie van de arena is met zweet op het voorhoofd bezig om alles perfect te krijgen. Zowel de mensen van arenabesturing op de eerste rij als de mensen van camerabesturing op de tweede rij. Maar ik weet honderd procent zeker dat niemand zo het zweet in de handen heeft staan als ik. Niemand krijgt al hartkloppingen als ze alleen maar denken aan deze ruimte. En niemand moet zijn medicatie voor de stress verdubbelen voordat hij voet kan zetten in de controlekamer. Hoewel ik betwijfel of wat ik neem echt medicatie genoemd kan worden.
"Vermeerder het woedeniveau van mutilant nummer één met acht," weerklinkt Persis' bekende stem. Haar zetel is zowat het middelpunt van de ruimte, gericht naar het gigantische scherm en direct gegrensd aan de arena in het midden. Ze zit op de eerste rij, hoewel ze iets hoger zit dan de andere spelmakers in die rij. Haar controlepaneel is minstens drie keer zo groot als die van de andere spelmakers, omdat ze uiteindelijk alle touwtjes in handen heeft. Ze kan zelfs het controlepaneel van één van de spelmakers in de ruimte compleet uitschakelen, als er niet wordt gedaan wat gevraagd wordt door haar. Er is maar één persoon die meer macht heeft dan haar, en die staat aan een balustrade, uitkijkend op de taferelen in de controlekamer waar je niet van uit kunt maken of het nu totale chaos of totale controle is. Dat ben ik, maar ik heb geen controlepaneel. Ik moet zeggen wat ik wil.
"Vermeerder het met twintig," zeg ik zo duidelijk mogelijk, proberend de trillingen in mijn stem zo goed mogelijk te verbergen en even zeker te klinken als alle personen in deze ruimte. Iets waar ik de afgelopen maanden enorm begaafd in ben geworden.
"Twintig is teveel, Ebernate. We moeten een mooie scène hebben," antwoord Persis streng, zonder om te kijken en druk bezig met schakelen, schuiven, allerlei handelingen waar ik me nooit in verdiept heb.
"Ik geef niets om een mooie scène, ze moet dood." Ik knijp met mijn handen in het metaal van de balustrade, dat koud aanvoelt tegen mijn klamme, warme huid. Ik staar naar het beeld dat verschijnt op het grote scherm, het beeld dat ik net beschreven heb en nog mooier is dan ik verwacht had door de rode springerige haren die net op dat moment wat opvliegen door een bries. Dan komt de minotaurus om de hoek, sluipend, niet stormend.
"Waarom rent de minotaurus niet?" Sommige spelmakers kijken op maar durven geen antwoord te geven op mijn vraag, Persis negeert me. "Hallo, ik vroeg wat! Waarom rent de minotaurus niet?"
"Hij is niet boos genoeg, dit is mooier," antwoord Persis kil en kortaf.
"Ik zei toch twintig?!" Ik leun mijn bovenlichaam over het hek heen, mijn benen nog erger trillend dan mijn stem. Mijn blik verplaatst zich van Persis, die wederom geen antwoord geeft, naar het grote scherm waar de minotaurus de gang in komt sluipen, en weer terug naar Persis. Ik wil mijn mond opentrekken om te bevelen, te schreeuwen dat de mutilant tot volle capaciteit aangezet moet worden, maar dan schiet Pandora's hoofd naar links. En voor we er iets aan kunnen doen is ze uit het shot verdwenen.
"Camera zestien."
Ik kreun hardop terwijl de cameramensen op de tweede rij zo snel met hun armen over de panelen bewegen dat het net stuiptrekkingen lijken. Het beeld op het scherm is weer prachtig, de camera samen met Pandora door het doolhof razend terwijl in de verte ook de minotaurus in actie is gekomen, maar ik wil geen achtervolgingen meer. Ik. Wil. Haar. Dood.
"Mutilant één op volle capaciteit."
"Ebernate, doe normaal. We-"
"Mutilant één op volle capaciteit," herhaal ik, woedend starend naar de spelmakers op de eerste rij. Ze lijken verward, niet wetend of ze naar mij moeten luisteren of naar Persis, die nog steeds niet de moeite doet om naar me om te kijken. Uiteindelijk begrijpen ze dat ik hier de baas ben, en zie ik een persoon een geprojecteerde schakelaar naar het maximum zetten, en het beest lijkt bijna te ontploffen van woede.
Als Pandora dan uit blijft hijgen nadat ze een hoek is omgeslagen komt mijn hele lichaam in spanning. Ik laat de balustrade los en zet mijn handen uit gewoonte in mijn haar, geobsedeerd starend naar het beeld dat zich langzaam inzoomt op Pandora. Minder dichterbij dan net, en dat is maar goed als ze vanuit het niets besluit om de hoek om te kijken. Het beeld verspringt naar een bovenaanzicht waarin we kunnen zien hoe de minotaurus ieder moment in de gang kan verschijnen waar Pandora in kijkt. Het beeld verspringt weer naar Pandora, klaar voor haar reactie.
"De gang waar ze nu in staat loopt dood," merkt Persis dan op, mijn blik wegtrekkend van het scherm. "Het is gedaan met Pandora."
Ik zou haar willen zien lachen, maar ik zie nog steeds alleen haar slordig opgestoken, zandblonde haar. Alleen maar hoe haar vingers behendig een soort van code intikt, waarschijnlijk om de naderende dood van Pandora klaar te zetten voor bevestiging. Er verschijnt een rode knop op haar paneel, die ik wel herken. Het kanonschot.
De minotaurus komt de hoek om gestormd. Pandora begint weer te rennen, zet twee stappen, maar ziet dat het pad dood loopt, zoals wij al wisten. De camera verspringt naar haar gezicht voor haar reactie, en twee camera's aan de andere kant staan al klaar voor het moment dat ze zich zal omdraaien naar de minotaurus. Een spelmaker heeft zijn vinger al boven de activatie van camera negentien hangen, maar ze draait zich niet om. Ze blijft staan, haar ogen haar hele blikveld afspeurend, haar hele gezicht vertrokken van frustratie, haar lippen iets lispelend.
"Activeer microfoons." Persis is me voor. De tweede keer hebben we haar gemompel te pakken.
"Ik wil geen geschreeuw."
Dat slaat echt nergens op, bedenk ik me. Er is geen geschreeuw in de arena. Ze is echt volkomen gestoord. Dat bevestigd ook maar weer dat ik een goede keuze heb gemaakt. Ik heb Pandora niet in de hand. Als ik alles onder controle wil hebben dan moet ik ook alles onder controle hebben. Pandora moet gewoon dood, geen laatste paar moorden of laatste paar scènes, gewoon dood.
"Wat doet ze?"
"Ze is buiten de shots. Maak camera veertig klaar!"
"Ze gaat klimmen!"
Een kleine oproer ontstaat in de ruimte, en als ik opkijk kan ik niet zien waar het vandaan komt. Het enige wat ik zie is een leeg scherm, geen Pandora, geen minotaurus, alleen het doolhof. Maar de seconde dat ik er iets van wil zeggen veranderd het in het beeld dat direct mijn hart in mijn schoenen laat zakken. Pandora beklimt de muren.
"Wie heeft er verdomme bedacht dat die muren in het doolhof beklimbaar moeten zijn?" bulder ik woest uit vanaf mijn balkon, maar niemand reageert in eerste instantie, iedereen is nog drukker bezig dan normaal. Dit zijn precies de momenten dat we mensen tekort hebben in de controleruimte. Al is het maar iemand naast me die me zonder vertraging antwoord kan geven op mijn vragen.
"U-u meneer," merkt iemand zenuwachtig op, en die jongen krijgt meteen een dodelijke blik, omdat hij blijkbaar minder druk bezig is dan de anderen, gezien het feit dat hij wel antwoord kan geven.
De radertjes in mijn hoofd gaan draaien terwijl iedereen in de controleruimte alleen maar bezig is Pandora's geklim goed in beeld te krijgen. Maar ik geef niets om een goed beeld, ik geef erom dat Pandora zichzelf zojuist gered heeft. En hoewel dat natuurlijk een wonderschone plottwist is, wil ik haar verdomme dood. Ik wil haar nu dood, nu. Het maakt niet meer uit hoe.
En dan weet ik hoe.
"Activeer de muren," stamel ik eerst zachtjes uit, precies op het moment dat het opkomt in mijn hoofd. Daarna verhef ik mijn stem pas. "Activeer de muren!"
"Crystal en Luna zitten in het doolhof, idioot. En we zitten buiten het tijdsframe. Heb gewoon geduld, uiteindelijk zal ze toch naar beneden moeten komen, Ebernate."
"Ik zei-" zeg ik zo hard en langzaam mogelijk. Ze moeten me horen, ze moeten naar me luisteren. "Activeer de muren."
"Ebernate, Crystal en Luna kunnen nog niet doodgaan!" buldert Persis vanaf haar zetel.
"ACTIVEER DE MUREN!"
Persis draait zich om in haar stoel, razernij in haar ogen en haar paneel onbemand. Iedereen kijkt geschokt haar kant op, Persis laat tijdens werkuren nooit haar paneel onbemand, ze richt normaal haar blik niet eens ergens anders op dan haar paneel, de projectie van de arena en de schermen die de muur bedekken. Maar nu kijkt ze naar mij, en hoewel ik misschien een meter hoger sta, kan ik niet ontkennen dat ik me geïntimideerd voel.
"Ik weiger Luna en Crystal te vermoorden, Ebernate," slist ze fel. "Je verpest de Spelen als je dat doet."
Mijn lichaam lijkt van bloedheet onmiddellijk ijskoud te worden, mijn mond wordt droog en mijn hoofd wordt licht. Alsof alle medicatie plotseling is uitgewerkt als ze dat zegt. Ik verpest de Spelen. En als ik de Spelen verpest…
Dan hang ik.
"Plaats een foutmelding op de muren die Luna en Crystal omringen." mompel ik terwijl de rest van de ruimte zich waant in complete stilte. "En activeer de muren."
Ik onttrek mijn blik van Persis' priemende ogen en richt me met een raar gevoel weer op het scherm. Vrij snel begint de timer boven de schermen, dat speciaal voor deze Spelen daar is geplaatst, af te tellen. Ze filmen Pandora's reactie op het knipperen van het lampje in haar mouw, ze filmen Crystals en Luna's zelfde reactie, maar het doet me allemaal niet meer. Ik wil Pandora's kanonschot gewoon horen, ik wil het gewoon gehad hebben. Ik wil vanavond weer kunnen slapen wetende dat ze van de lijst is afgeschreven, maar diep vanbinnen weet ik dat dat sowieso niet kan slapen vannacht. Niet met de duizend en één overige zorgen die ik nog heb, sommigen vele malen groter dan het Pandora-probleem ooit had kunnen worden.
"Versnel het, alsjeblieft, versnel het," kraam ik geteisterd uit.
"Kan niet," antwoord Persis. "Het is één minuut precies, daar kunnen we niet mee spelen. Dat zouden teveel variabelen zijn."
Gefrustreerd kijk ik hoe Pandora vluchtig haar weg naar boven baant, sneller dan iedereen zou willen. De timer geeft veertig seconden aan en ik heb geen flauw idee of ze het gaat redden. Ze filmen het van onder, waardoor de af te leggen afstand minder groot lijkt. Ze proberen de kijker thuis hoop te geven, maar het geeft mij alleen een vertekend beeld van de waarheid. Ik zoek de kleine schermen af naar een objectiever beeld, maar zie alleen enkele beroeps niets doen bij de Hoorn, Gabriël en Eri druk aan het overleggen in de grot, Siren chagrijnig door de bossen trekken, Crystal en Luna hysterisch door het doolhof snellen en natuurlijk Declan die nog steeds bezig is met het vingerverven, maar daarvoor zullen we binnenkort meer dan genoeg tijd voor vrijmaken. Melan is er druk mee bezig, en tot nu toe gaat alles perfect volgens schema. In tegenstelling tot Pandora.
"Wat als ze het haalt?"
"Dan haalt ze het," antwoord Persis me kortaf.
"Is er geen krachtveld die we in kunnen schakelen? Wie heeft er bedacht dat ze op de muren kunnen?" De paniek borrelt op hoog tempo weer op als Pandora steeds dichter bij de rand komt. Alles leek goed te gaan met mijn laatste beslissing, maar op een of andere manier is Pandora net een kakkerlak die maar niet het loodje wilt leggen. Die steeds weer stuiptrekkingen geeft nadat je zeker bent hem dood te hebben getrapt, die steeds weer wegglipt waarna je er opnieuw achteraan moet. Maar iedereen weet dat de kakkerlak nooit wint.
"Er zijn stekels."
"Genoeg om haar te doden?" Als ik geen reactie krijg, kijk ik naar Persis en zie ik haar nee schudden. Ik scheld binnensmonds. "Dat heb ik zeker weer bedacht, of niet?"
Ik werp een blik op de Spelmaker die me net verweet van het beklimbaar maken van de doolhoven, en merk dat onze blikken kruisen. Ik knijp mijn ogen en probeer achteraf nog duidelijk te maken dat mijn vraag naar hem was gericht. Hij kijkt wat schuchter om zich heen, alsof hij klaar is om de controlekamer uit te vluchten. Misschien zou dat maar beter zijn, dan zou ik verdomme op die stoel kunnen gaan zitten en die muren eigenhandig tegen elkaar laten knallen, met Pandora als een platte kakkerlak ertussen.
"Dat heeft u inderdaad," antwoord hij dan, en met rood hoofd gaat hij weer aan het werk, en mij bozer makend dan ik al was.
"Persis, doe iets! Druk die muren tegen elkaar, laat die pinnen eruit komen, doe iets!" Ik krijg geen reactie, van niemand deze keer, want als de teller bij de laatste tien seconde aankomt lijkt de ruimte zelf overmand te zijn door totale chaos. Iedereen staat op spanning, iedereen is snoeihard aan het werk terwijl ik niets kan doen. Ik kan alleen de balustrade vol nijdigheid weer vastpakken als Pandora aankomt bij de rand, mijn ogen gefixeerd op het scherm, alleen op het scherm.
Ze werpt haar arm over de rand, en een vlaag van opwinding schiet door me heen als ik die stekels in haar bovenarm zie verdwijnen. Ze laten het geweldig zien, met een close-up op haar verbeten blik, afwisselend met haar mouw waar én het bloed zich langzaam in verspreid én het lampje zo snel knippert dat de camera de beweging bijna niet meer kan opvangen. Als de teller zeven slaat trekt ze haar arm los, en klimt ze zonder twijfel op de rand. Ze klimt op de rand. Ze klimt op de rand.
Ze is veilig.
"Waarom gebeurt er niets?" schreeuw ik wanhopig. "Laat de pinnen verder uitsteken, werp haar van de muur af. Doe iets, Persis! Doe iets!"
Maar er gebeurt niets. De timer slaat naar nul, het lampje blijft branden, de stekels komen uit de muren zetten en ze schuiven naar elkaar. Iedereen kijkt verslagen naar het beeld, Pandora die zich met dichtgeknepen ogen en onder het bloed, vers en oud, op het doolhof bevindt. De camera zoomt uit, we zien het doolhof verschuiven, de gangen veranderen terwijl Pandora blijft zitten. De kakkerlak is weer ontsnapt, weer.
"Activeer muur 118a, 235c en 14f, maak een passage van knooppunt 22 naar de muur waar Pandora op zit. En doe het snel." Persis onderbreekt als eerste de stilte. Terwijl iedereen nog sprakeloos en confuus naar het scherm staart neemt zij geen seconde om zich uit het veld te laten slaan, en zo geeft ze de andere spelmakers ook geen seconde tijd om op adem te komen. De drukte vloeit vanzelf weer op, en voor ik in de gaten kan hebben wat er gebeurt, zie ik dat de muren zich weer openen.
"Wat doe je?" vraag ik ontstelt. "Breng de minotaurus terug, Persis! Waar wacht je op?!"
"Mutilant nummer één is net opgeslagen in de database, we hebben zeven minuten nodig. Maar ik heb een ander plan, Ebernate. Zet extra camera's op Crystal en Luna, we zullen ze nodig hebben."
Het grote scherm veranderd naar een bovenaanzicht van het doolhof, en ik zie onmiddellijk wat Persis aan het doen is. Ze heeft een directe gang gecreëerd van Crystal en Luna naar Pandora, die weer bezig is met de afdaling van de muur, kreunend en haar pijn verbijtend. Ze wilt het nog meer uitrekken, nog meer drama creëeren, verdomme. Ik wil het niet. Het duurt me te lang.
Voor ik ook maar iets kan opmerken ziet Luna Pandora, vrij snel gevolgd door Crystal. Maar het is nog een enorme afstand voordat ze bij haar zijn, Pandora is dan al lang en breed beneden. Het wordt een achtervolging, weer. Maar ik wil geen achtervolging. Ik wil Pandora dood.
"Dit slaat nergens op, Persis!"
"Camera vierentwintig uitzoomen, richten op Luna. Activeren." Ze negeert me, helemaal ingenomen door haar werk. Maar ik weet dat ze me hoort.
"Persis, ze zou al lang dood moeten zijn! Je rekt het uit!" Ik bulder spugend over de rand van mijn balkon heen, spetters ervan neerkomend op de controlepanelen van de spelmakers onder me, maar zelfs zij reageren er niet op. Niemand heeft oog voor mij, terwijl ik hier degene zou moeten zijn die de leiding heeft. "WAAROM LUISTERT NIEMAND?"
Ik druk mezelf weg van de rand en storm naar de witte trap aan de zijkant van mijn balkon, die leidt naar de spelmakers beneden. Pas als ik woest de trap afstap krijg ik enkele blikken naar me toe gericht. Spelmakers stoten hun buurman aan om naar me te wijzen, kijken me met grote ogen aan of geven zelfs een kleinerend lachje, waarna ze doorgaan met hun werk. Alleen Persis blijft zitten, tot ik bij haar zetel aankom en deze met een ruk wegdraai van haar controlepaneel.
"Ik heb hier de leiding en je moet luisteren naar mij! Ik wil Pandora dood! NU!" Ergens verwacht ik dat ze helemaal niet zal reageren, haar stoel weer vluchtig zal omdraaien en gewoon weer verder zal gaan met haar werk, maar ze bewijst me het tegendeel. Geschrokken schiet ik achteruit als ze opkomt uit haar stoel, haar vinger opheft en deze bedreigend tegen mijn borst aanzet.
"Luister, Ebernate," begint ze op denigrerende en haatvolle toon. "Ik heb ácht jaar in de leer gezeten om te zijn waar ik nu ben, en ik doe dit werk al víerjaar. Ik weet precies, maar dan ook precies, waar ik mee bezig ben. Terwijl de enige reden is dat jij hier bent, is dat jouw vader het wilde en jij de ballen niet hebt om tegen hem in te gaan. Jij weet niets van de Spelen, jij geeft niets om de Spelen maar alleen om jezelf. Dus laat me verdomme mijn werk doen. Pandora gaat dood, hoe dat gebeurt is mijn taak."
Alle ogen in de ruimte zijn op dat moment op mij gericht, behalve de ogen van Persis als ze niet eens de moeite neemt om mijn reactie af te wachten. Ze gaat zitten in haar zetel, draait zich om en gaat weer aan de slag alsof er niets is gebeurt, terwijl ik bijna versteend achter haar blijf staan. Beledigd, gekrenkt en woedend, maar vooral zeker om zo snel mogelijk weg te komen van al die starende, oordelende blikken. Ik heb het gevoel dat ik gek word.
"Als ze binnen een uur niet dood is ben je ontslagen," mompel ik, niet eens in staat om pit in mijn stem te leggen. Het komt er als een slappe kwak uit, en dat is ook precies hoe ik me voel. Zonder een blik te werpen op de spelmakers in de ruimte, Persis of het grote scherm loop ik de trap weer op, de deur weer uit. Ik kan daar geen seconde meer blijven, nu al helemaal niet. De minotaurus hadden we nog zelf onder controle, maar nu ligt het lot van Pandora in de handen van Crystal en Luna, en daar kan ik niet op wachten.
Met trillende handen haal ik een klein potje met pillen uit mijn borstzak, trommel ik er twee of drie, ik weet het niet, op mijn hand en slik ik ze zonder water door. Ik ga terug naar mijn kamer en val daar bijna bewusteloos op bed.
Pandora Ronan (13) – District 9
Tot ik weer voetstappen hoor.
Ik draai me om, verwachtend weer in de ogen van de minotaurus te kijken, maar ik heb het fout. Twee meisjes rennen verderop in de gang op hoog tempo mijn kant op. Volgens mij zijn het beroeps, maar ze zijn niet al te oud. Het blonde meisje herken ik meteen als het meisje uit 6, die er later bijkwam, en het andere meisje zou wel die uit 1 zijn. Ze zien er niet uit alsof ze al te goede bedoelingen hebben. Maar die heb ik ook niet, integendeel. Alles is beter dan de minotaurus of een doolhof, met deze twee meisjes maak ik nog een kans.
Ik draai mijn knieën naar binnen, maak mijn ogen groot, sla mijn handen in elkaar en hou deze bibberend voor mijn borst. Ik probeer mezelf zo onschuldig mogelijk te laten lijken, tot een trillende lip aan toe. Ik weet dat het bloed waarin ik doordrenkt ben niet echt mee zal helpen, maar voor hetzelfde geld zou het mijn eigen bloed kunnen zijn. Dat is het voor een deel ook, maar grotendeel is van het meisje van 12.
"Help me, alsjeblieft," probeer ik zo hard mogelijk te jammeren, maar nog steeds klinkend als een schriel, onschuldig stemmetje. Ze lijken me niet te horen, en komen steeds dichterbij gestormd, waardoor ik steeds meer aan mezelf begin te twijfelen. Wat als ze geen medelijden hebben? Wat als ze me zonder enige moeite vermoorden? Wat als ik ze niet aankan?
Maar dat laatste weerleg ik al snel. Als ik ze aanval tijdens een overleg, wanneer ze het het minst verwachten, zou ik ze nog aankunnen als ze met z'n drieën waren. Ik heb ooit eens twee vredebewakers zonder enige moeite vermoord, daar heb je niet eens goede vechttechnieken voor nodig. Enkel de uitstraling van een zielig dertienjarig meisje en de meedogenloosheid om iemands keel door te snijden.
"Alsjeblie-"
Maar dan veranderd de hele situatie. Mijn adem stokt in mijn keel als ik een vlijmscherp mes een kleine meter langs mijn hoofd zie razen, en bijna hoor suizen. Het mes is afkomstig van het meisje uit één, die haar arm nog gestrekt heeft na de worp. Ze komen dichterbij en dichterbij, en ze lijken niet te trappen in de truc. Waarom trappen ze niet in de truc? Mijn neppe blik van angst en paniek veranderd in een oprechte blik van angst en paniek, en het enige wat ik nog kan doen is omdraaien en rennen. Rennen.
Bij iedere stap voel ik de pijn door mijn knieën schieten, en nog des te meer door mijn rechterarm. Daarnaast voel ik ook na enkele meters de uitputting al opzetten na al het gevlucht voor de minotaurus en het geklim in de muur. Ik ben uitgeput, verwond, maar kan geen seconde rust nemen. Ik heb niet eens tijd om het geworpen mes van het meisje uit 1 van de grond te rapen, ik weet dat ik me geen vertragingen kan permitteren. Een mes zou me sterker maken, maar zonder het verassingseffect kan ik niet winnen. Niet tegen twee beroeps. Het liefst zou ik het mes grijpen, hun kelen doorsnijden, hun ogen eruit rukken, doen waarvoor ik in deze arena ben. Met de ongrijpbare woede die ik nu in me voel zal het zeker een waardige show worden, maar het kan niet. Ik moet deze Spelen winnen, ik moet en zal de winnaar zijn van de 71ste Hongerspelen. Geen risico's.
Het enige goede aan de situatie is dat ik precies weet welke weg ik moet nemen, dat ik zeker weet dat ik niet terecht kom in een doodlopende weg. De weg naar de uitgang was niet al te ver, ik moet er alleen voor zorgen dat ze me niet inhalen. Blijven rennen en rennen, niet achterom kijken, niet uitrusten, gewoon blijven rennen tegen alle signalen van mijn lichaam in. Ik voel het bloed uit mijn wonden vloeien, ik voel mijn longen branden bij iedere droge ademteug die ik neem, mijn benen tintelen, mijn hoofd voelt licht en zwarte vlekken komen in mijn zichtveld, maar ik blijf rennen. Ik heb niet eens meer de energie om me woest te maken, om na te denken. Ik neem afslagen en ontwijk uitstekende stenen op automatische piloot. Ik denk niet na.
"We gaan je krijgen, Pandora!" schreeuwt en van de meisjes achter me met hese, hijgende stem, maar ze lijkt lang niet zo uitgeput als ik. "Je kan wel vluchten, maar uiteindelijk krijgen we je wel!"
De woorden komen niet bij me aan, en dat is maar goed ook. Ik heb geen kracht meer om boos te worden, geen kracht om terug te schreeuwen. Ik blijf mijn benen optillen, wat steeds moeilijker en langzamer gaat. Maar na flink wat tijd heb ik mijn einddoel in ogen, de uitgang van het doolhof met de ijzeren poort erboven. Aan het woord dat met het krullende metaal gemaakt is te zien zit ik goed. 'Acedia', dit is mijn territorium. Hier moet ik ze kwijt kunnen raken.
"We weten wie je bent, Pandora! We krijgen je!" Het geschreeuw klinkt weer een stuk dichterbij dan net. De woorden komen niet aan, maar plots lijk ik bewust te zijn van de naderende tributen achter me. Ze komen dichterbij, en in die wetenschap vlucht ik niet harder maar kijk ik over mijn schouder.
Het blonde meisje loopt met een lang mes in haar hand en een grimmige blik in haar ogen. Ze rent voorop, en sneller dan het andere meisje, maar dat maakt haar niet gevaarlijker. Hoewel het andere meisje moeilijker rent heeft ze een riem met werpmessen, en eentje daarvan in haar linkerhand. Haar rechterarm ligt bewegingsloos in een mitella, maar haar andere arm is alles behalve bewingsloos als ze naar achteren uithaalt met haar mes, en deze met een brandende haat in haar ogen naar me toewerpt. Ik kan aan de worp, aan het gedraai van het mes in de lucht al zien dat het een goede worp is, en dat ik moet duiken wil ik overleven. Ik draai mijn hoofd weer om en maak een enorme snoekduik in de stoffige aarde, mijn knieën schreeuwen van de pijn als ze tegen de grond schuren, wat niet meer de grond is van het doolhof. Ik ben eruit.
Het mes klettert enkele meters voor me op de grond. Ik krabbel op, mijn hele lichaam verzuurd en tegenstribbelend, en sprint naar het mes toe. Zonder te twijfelen grijp ik het aan het scherpe gedeelte vast, en flinke snee achterlatend in mijn hand, zodat ik het direct in de goede positie heb op te werpen. Ik draai me om, in de beweging haal ik mijn arm naar achteren en werp ik het. Ik richt op het blonde meisje, met al mijn overgebleven kracht.
Ik zwaai mijn lichaam door in mijn draai, geen tijd nemend om te kijken waar het mes terechtkomt, en zet me weer af. Met de kleine pauze is het rennen duizend keer moeilijker geworden, en ik merk dat ik veel langzamer ga dan voorheen. Maar als ik een kreet van pijn achter me hoor weet ik dat ik niet de enige zal zijn met vertraging. De aarde maakt al snel plaats voor gras, en met iedere meter die ik maak lijkt het langer te worden. Van mijn enkels tot mijn knieën en van mijn knieën tot mijn middel. Gras veranderd in bloemen en bloemen veranderen van kleur. In het begin herken ik ze allemaal, ik heb ze allemaal al een keer gezien. Ik herken de witte bloemen waar ik Hazel tussen bespioneerde, de gelige bloemetjes die hier en daar uit de grond staken op de plaats waar ik Hazel achter liet, rode bloemen, oranje bloemen, ik laat ze allemaal op hoog tempo achter me. Tot mijn voet blijft haken en ik voorover val in het hoge gras.
Ik wil weer opkrabbelen zoals ik net deed, weer verder vluchten, maar mijn lichaam komt niet in beweging. Ik ben uitgeput, en de wereld lijkt te draaien om me heen. Alle planten alle bloemen, mijn eigen bebloede armen die voor me uitgestrekt liggen, ik kan niet meer. Ik kan niet meer. Ik kan niet meer.
"Waar is ze?" De stemmen beginnen zachtjes, zo zachtjes dat ze makkelijk overstemd worden door de ruis in mijn oren en eigen gehijg. Ik hoor ze niet, ik wil ze niet horen. Ik wil niet meer vluchten, ik wil geen chaos meer. Ik wil dat de wereld stopt met draaien, ik wil dat mijn arm en knieën stoppen met schrijnen, ik wil dat mijn hoofd stopt met praten, stopt met schreeuwen. Ik wil geen geschreeuw. Laat het stoppen.
"Ze dook het gras in, ze moet hier ergens zijn. Kom op, Crystal, loop door! We raken haar nog kwijt!"
De stemmen worden harder en harder, worden steeds meer als geschreeuw. Ik wil geen geschreeuw. Ik wil geen geschreeuw.
"Ik zie haar!" schreeuwt ze. Schreeuwt ze. "Daar!"
Het geschreeuw laat alle stoppen in mijn hoofd doorslaan, maar op dit moment voel ik geen woede meer. Ik voel alleen pure angst. Alle mensen die in mijn verleden naar me hebben geschreeuw lijken me te achtervolgen. Ze zusters in het weeshuis, vredebewakers, mijn pleegmoeders. Ze komen me halen, ze komen naar me schreeuwen, en ik wil geen geschreeuw. Ik wil stilte.
Ik dacht dat woede de krachtigste emotie was die ik bezat, maar op een of andere manier weet woede me niet meer ter been te krijgen als ik middenin het bloemenveld ligt, en angst wel. Met een doodsangst die jaren niet meer heb ervaren krabbel ik op van de grond, en strompel ik verder. Ik ren niet hard, maar het feit dat mijn lichaam zich nog weet te bewegen is wonderbaarlijk. Ik beveel mezelf niet achterom te kijken, maar op dit moment ben ik de controle over alles verloren, zo ook mezelf. Mijn hoofd schiet om de zoveel stappen over mijn schouder, en hoewel ik een flinke voorsprong heb gecreëerd op mijn achtervolgers, komen ze steeds dichterbij. Mijn lichaam trilt, geeft zenuwtrekkingen bij iedere beweging. Mijn lip trilt nog erger, nu oprecht, en tranen zetten op in de hoeken van mijn ogen. Tranen van angst.
Ik richt mijn hoofd weer naar voren en lijk bijna de donkere gangen van het weeshuis weer voor me te zien. Ik ga door de eerste deur, ik ga door de tweede deur, maar weet dat er ooit een deur zal komen die op slot zit. Ik weet dat de zuster me op de hielen zit en me uiteindelijk komt halen. Nu is het geen zuster, het zijn niets eens de beroeps. Het is de dood.
De bloemen veranderden weer van kleur, van oranje naar een diepe kleur blauw. De kleur van de lucht als het nacht is, met zelfs de sterren als minuscule gele puntjes op haar bladeren. Als ik in het veld van de nieuwe, onbekende bloemensoort stapt lijkt er plotseling een walm uit de bloemen op te stijgen. Als rook van een schoorsteen, maar deze rook is subtiel, bijna onzichtbaar met haar lichte gele kleur. Hoe verder ik door de bloemen strompel hoe meer van de walm lijkt op te rijzen, tot het me bijna helemaal omcirkeld. Plotseling lijkt alles een walm te hebben van geel, iets wat me bekend voorkomt, heel bekend voorkomt.
Maankruid.
Ik neem direct een grote hap adem, waarmee ik merk dat ik al een beetje van haar poeder mee snuif door mijn neus, en ik al licht word in mijn hoofd. Ik hou mijn adem in als ik mijn weg door de bloemen vervolg, zoals een van de begeleiders in het trainingscentrum me heeft aangeleerd. Misschien is de rookwolk nog niet zwaar genoeg om je compleet bewusteloos te krijgen, maar-
En dan schiet het me te binnen, de laatste kans om uit de grip van de dood te ontsnappen.
Ik kijk met bolle wangen achterom, en zie Crystal en Luna hun weg banen door de gelige wolken, proberend het voor zich weg te wapperen. Als ik op dit tempo door zou gaan zouden ze me binnen een minuut te pakken hebben, misschien al eerder als Luna een van haar messen raak weet te werpen, maar zo ver zal ik het niet laten komen.
Met het allerlaatste beetje kracht in mijn lichaam versnel ik mijn gestrompel, en begin ik wild met mijn armen om me heen te wapperen. Ik voel de hoge stengels van de bloemen tegen mijn armen aankomen, en sla zo hard als ik kan tegen de donkerblauwe bloemen aan het einde van de stengels aan. Zo hard dat de wolk steeds dichter en dichter wordt, en ik achter me Luna en Crystal nauwelijks meer kan zien. Ik hoor alleen gekuch, wat gekreun, maar uiteindelijk worden die geluiden gesmoord. Ik ren door en door, mijn borst stuiptrekkend en schreeuwend naar lucht, maar dat zal ik pas krijgen als ik uit het gedeelte met donkerblauwe bloemen ben, uit de gele wolk.
Ik neem adem, een grote teug, maar neem geen tijd om tot rust te komen, ik kijk niet eens achterover. Ik weet dat Crystal en Luna bewusteloos in het veld moeten liggen, dat nu mijn kans is om wraak op ze te nemen, maar ik voel de razernij niet die ik zou moeten voelen. Ik voel me als een klein, opgejaagd dier dat enkel veilig wilt zijn. Weg wilt vluchten van al het gevaar, van alle wanorde. Van het geschreeuw, van de dood.
Dus ik strompel, door de velden, richting de bosrand. Door de bossen, richting nergens. Ik wil rennen tot ik de omgeving niet meer herken, tot ik het gevoel heb dat ik diep genoeg in de arena zit. Maar dat gevoel komt maar niet, ik voel me niet veilig, ik voel alleen maar chaos.
Ik wil niet stoppen tot ik het gevoel van wanorde heb verdreven, maar uiteindelijk wordt ik gedwongen. Niet omdat ik uitgeput ben, niet omdat ik de rand van de arena heb bereikt. Niet omdat ik mezelf uit mijn roes van angst weet te trekken en besef dat het rennen zinloos is. Ik stop omdat ik na vele meters afgelegd te hebben op een kamp stuit, die ik achteloos binnenstrompel. Een kamp die omcirkeld is door rode teksten op de vloer, alsof het geschreven is met bloed, een kamp waar twee paar ogen me vol vijandigheid aankijken. Een paar is onbekend.
Het andere paar is van mijn districtspartner.
Dat was deel twee, de dood op de hielen!
Zoals ik vorige week al zei, mijn favoriete van de twee delen. Ik vond het dialoog tussen Crystal en Luna, en het begin van Pandora's vlucht super om te schrijven, maar de POV in de controlekamer was ook echt een van mijn favorieten om te doen! Samen maakt het wel een mooi geheel denk ik, haha!
Emerald's POV was er natuurlijk ook eentje waar jullie al langer op wachtten. Ik heb het script nog een beetje vaag gehouden, maar als het goed is weten jullie al een stuk meer! En we hebben gezien wat de foto heeft gedaan met Declan, hij lijkt ineens wel een ander persoon. Ik heb er lang over na moeten denken hoe hij zou reageren, en ik denk dat ik het op geen andere manier had willen doen. Ik ben erg tevreden over die POV, ook met het kalken op de vloer, wat een leuke terugverwijzing is naar zijn boete. En de twijfels van Emerald natuurlijk!
Zoals ik al zei, de POV in de controlekamer vond ik heerlijk! Ik had nog nooit een POV daar vanuit gedaan, en het bracht zo'n andere dimensie met zich mee! Eigenlijk zie je nu pas hoe alles is uitgedacht. Ik weet niet of Suzanne Collins dat ook zo heeft bedacht, maar ik vind het echt een heel interessant gegeven. En daarnaast vond ik de interactie tussen Persis en Ebernate ook zo leuk om te doen. Ebernate heeft er even van langs gekregen, haha! En wat doet Ebernate als het even niet mee zit? Dat dacht ik al, pillen!
En dan de conclusie, het eigenlijke vervolg op het vorige hoofdstuk. We begonnen zelfs met de zin waar het vorige hoofdstuk eindigde! Een POV met heel veel spanning en twisten. Hadden jullie verwacht dat het zo zou eindigen, en wat verwachten jullie dat er nu gaat gebeuren? Zowel voor Pandora als Crystal en Luna, het zal niet zonder gevolgen zijn... Ik ben echt benieuwd wat jullie ervan vonden!
De puntentelling:
MyWeirdWorld - 89 punten
LauraTwilightHungergamesHPfan - 86 punten
FF-Schwarz - 85 punten
evalovespeeta - 83 punten
sissihuys - 82 punten
NoxSelkirk - 80 punten
Cicillia - 75 punten
Madeby Mel - 72 punten
Azmidiske87 - 69 punten
serenetie-ishida - 65 punten
leakingpenholder - 59 punten
JesseGabriel - 57 punten
miniMinaxx - 45 punten
Marielene - 45 punten
Strawberrychickk - 43 punten
XxwhitechocolatexX - 40 punten
Luutje19 - 36 punten
Jade Lammourgy - 34 punten
Kirstenav - 20 punten
jeffreyhphg - 18 punten
randomlypandas - 14 punten
Tiger outsider - 13 punten
Miss Little ME - 12 punten
lynnboudiny - 10 punten
mjg43 - 8 punten
greendiamond123 - 8 punten
freddie97 - 8 punten
silk tiger - 5 punten
TeensReadToo - 3 punten
Wat je kan sponsoren voor welke hoeveelheid punten is te vinden op mijn profiel!
Vergeet inmiddels ook niet alvast na te gaan denken over mogelijke sponsorgiften! Zoals ik eerder heb gezegd, ik sta niet te wachten op een overvloed aan sponsorgiften tegen het einde van het verhaal. Ik kan niet garanderen dat je gift er dan nog inkomt, dus spendeer het zo slim mogelijk! Je kunt natuurlijk ook altijd punten combineren, onderhandelen of iets kiezen wat niet op de lijst staat. Stuur me een PM!
Tenslotte wil ik natuurlijk Jade Lammourgy bedanken en jullie vragen om een review achter te laten! Was het het vervolg wat jullie verwacht hadden? Ik weet dat sommigen dachten dat er wel iemand dood zou gaat, maar niet in dit hoofdstuk hoor, haha! De doden komen nog wel! En wat vond je van de scène in de controlekamer? Van Ebernate en Persis? En natuurlijk van Declan en Emerald! Hoe denk je dat het verder gaat met Pandora, en hoe denk je dat het verder zal gaan met Crystal en Luna? Laat het me weten, ik ben benieuwd!
Het volgende hoofdstuk zal weer mooi over twee weken verschijnen. Ik ben er al aan begonnen, het wordt hopelijk weer een korte, haha! Ofwel Crystal en Luna ofwel Pandora zal een vervolg krijgen, en daarnaast twee andere tributen in de arena. Ik zie jullie dan!
LeviAntonius
PS: Even een kleine vermelding voor het verhaal van Strawberrychickk: De 47ste Hongerspelen, dat ik tevens ook bèta. Het is pas begonnen dus je kunt nog makkelijk invallen, en het wordt fantastisch! Een SYOT, maar heel anders aangepakt dan normale en met een hele leuke reeks tributen. Be sure to check it out! Het tweede hoofdstuk zal zeer snel online verschijnen!
