Korte dagen
De dagen leken steeds sneller te gaan. Mijn buik was nu zo rond dat hij alleen nog onder een trui van Jacob paste. Iets waar ik prima mee kon leven – tot ergernis van Alice.
Jacobs truien waren warm en zaten lekker.
De dagen werden ook steeds makkelijker. Ik sliep de hele dag en werd alleen wakker om te eten. Vervolgens kroop ik mijn bed weer in. En niet omdat ik nou zo lui was. Nee, ik was gewoon echt doodmoe.
Ik vond het heerlijk, als je sliep ging de tijd snel en hoefde je je geen zorgen te maken over dingen. Je kon gewoon zorgeloos leven in je eigen dromen.
Mijn dromen verbeterden. Ik kwam niet meer terecht in de hel. Niets brandde meer, niets deed pijn. Ik leefde in mijn eigen perfecte wereld, waar het was zoals ik wilde, verwarmende zonneschijn of verkoelende regen, waar ik geen pijn had en waar ik kon zijn als een normaal persoon. Ik hoefde me niet te verbergen.
Na mijn zoveelste droomloze – of misschien had ik wel gedroomd maar kon ik me het niet meer herinneren – uurtje slaap rolde ik uit bed. Langzaam strompelde ik de trap af naar beneden, waar ik een aantal mensen trof.
'Goeie…morgen…middag…avond?'
Ik had echt totaal geen tijdsbesef meer – het enige nadeel als je zoveel sliep.
'Middag,' zei Alice glimlachend. Zij was overigens de enige die opgewekt leek, Edward stond fronsend tegenover Carlisle.
'Slechte middag?' vroeg ik hem, terwijl ik naast hem ging staan en een arm om zijn middel sloeg.
'Carlisle wil naar Italië. Nu meteen.'
'Naar de Volturi? Is er iets gebeurd?'
Carlisle knikte, al leek hij niet zo bezorgd als Edward. 'Ze hebben iets door. Alice heeft het gezien. Ik ga er naar toe voordat ze hierheen besluiten te komen om alles uit te zoeken.'
'Alleen?'
Nu schudde Carlisle zijn hoofd. 'Esmé, Rosalie, Emmett en Jasper gaan mee. Alice en Edward blijven hier.'
'Is het niet veel te gevaarlijk nu te gaan? Stel dat er iets fout gaat. Jullie kunnen er dan nooit op tijd zijn.'
'Edward, rustig nou. Alles komt goed, dat heeft een engel mij verteld.' Ik glimlachte naar Carlisle. Hij kon best naar Italië. Alles kwam goed.
'Een engel?' vroeg Edward verbaast, 'Hoe weet je dat het een engel was? Hoe zag hij eruit?'
'Wel.' Ik dacht even diep na. 'Hij leek vaagjes op jou. Geloof ik.'
Ik hoorde belletjes rinkelen en merkte de pretlichtjes in Alice' ogen op.
'Wat?' vroeg ik verward, 'ik meen het.'
'Weet ik,' giechelde Alice, 'en je hebt gelijk.'
Een klein beetje zelfvoldaan ontweek ik Edwards vreemde blik. Ik wist wel dat het echt gebeurd was.
Carlisle glimlachte. 'Ik ben blij dat je zo zelfverzekerd bent. Dat maakt je sterk.'
Zie je wel? Iedereen vertrouwde dat het goed ging komen. De engel had gelijk. Ik had ook niet anders verwacht van een engel.
Edward zuchtte verslagen. 'Ik geloof niet dat ik hier nog iets tegenin te brengen heb.' Edward drukte me wat dichter tegen zich aan. 'Als jou iets overkomt, heeft die engel een enorm probleem.'
Ik giechelde en ontving een kus op mijn voorhoofd van Edward. Mij zou niets overkomen.
Niet veel later vertrokken Carlisle, Esmé, Rosalie, Emmett en Jasper naar Volterra, waar Edward nog steeds niet echt vrede mee had gesloten.
Ik kon me er niet druk om maken en kroop mijn bed weer in na een uurtje wakker te zijn geweest. Wakker zijn was uitputtend. Ook al deed ik niets.
