Hoofdstuk 38 Wedergeboorte

POV Emma

Zijn handen waren net grote, bleke spinnen; zijn lange witte vingers gleden langs zijn borst, zijn armen, zijn gezicht; zijn rode ogen, met spleetvormige pupillen als een kat, glommen nog feller in het duister. Hij hield zijn handen omhoog en boog en strekte zijn vingers, opgetogen en gefascineerd. Hij lette niet op Wormstaart, die trillend en bloedend op de grond lag en ook niet op de grote slang, die terug was geglibberd en weer sissend om Harry en Emma heen kronkelde. Jeweetwel stak een hand met onnatuurlijk lange vingers in zijn zak en haalde een toverstok tevoorschijn. Die streelde hij ook even zacht, hief hem op en wees naar Wormstaart, die van de grond werd getild en tegen de grafsteen werd gesmeten waaraan Emma en harry waren vastgebonden; hij plofte bij de steen neer en bleef daar in een verfomfaaid hoopje liggen. Jeweetwel richtte zijn vuurrode ogen op Harry en stootte een hoge, kille, vreugdeloze lach uit.

Wormstaarts kleren waren nat van het bloed en dat deed Emma huiveren. "Heer..." zei Wormstaart, "heer... u had beloofd... u had me beloofd..."

"Steek je arm uit." zei Jeweetwel langzaam.

"O, dank u... dank u, meester..."

Hij stak zijn bloedende stomp uit, maar Jeweetwel lachte opnieuw. "Je andere arm, Wormstaart." "Meester, alstublieft... alstublieft..."

Jeweetwel bukte zich en trok Wormstaarts linkerarm naar zich toe; hij stroopte de mouw van zijn gewaad ruw op, tot over zijn elleboog en Emma zag een soort felrode tatoeage - een schedel met een slang uit zijn mond - het Duistere Teken, dat na het WK Zwerkbal aan de hemel was verschenen. Jeweetwel bestudeerde het zorgvuldig en negeerde Wormstaarts onbedwingbare gesnik.

"Het is terug." zei hij zacht. "Dat hebben ze allemaal gemerkt... en nu zullen we zien... nu zullen we het weten..."

Hij drukte met zijn lange, bleke wijsvinger op het teken op Wormstaarts arm.

Wormstaart slaakte een luide kreet. Jeweetwel haalde zijn vinger weg en Emma zag dat het teken inktzwart was geworden.

Jeweetwel kwam overeind, hief zijn hoofd op en keek over her donkere kerkhof.

"Wie zullen de moed hebben om terug te keren als ze het voelen?" fluisterde hij en zijn glanzende rode ogen staarden naar de sterren. "En wie zullen dwaas genoeg zijn om weg te blijven?"

Hij begon heen en weer te lopen en zijn blik gleed constant over het kerkhof. Na een paar minuten keek hij weer naar Harry en Emma en op zijn slangachtige gezicht prijkte een wrede glimlach.

"Je staat op de overblijfselen van wijlen mijn vader, Harry Potter." siste hij zacht. "Een Dreuzel en een dwaas... net zoals jouw eigen lieve moeder. Maar toch waren ze niet helemaal nutteloos, nietwaar? Jouw moeder gaf haar leven om jou te redden toen je klein was... en hoewel ik mijn eigen vader heb gedood, kwam hij me nu heel goed van pas..." Jeweetwel lachte en richtte zich tot Emma. "En jij hebt een trouwe dienaar van mij naar Azkaban gestuurd, smerig Modderbloedje." Emma keek hem angstig aan.

"Kijk eens, Harry! Mijn echte familie keert terug..."

Plotseling klonk overal het geruis van mantels. Tovenaars en heksen Verschijnselden tussen de graven, achter de taxusboom, op ieder beschaduwd plekje. Ze droegen kappen en maskers en liepen een voor een naar Jeweetwel toe... langzaam en voorzichtig, alsof ze hun ogen nauwelijks konden geloven. Jeweetwel wachtte hen zwijgend op. Plotseling viel een van de Dooddoeners op zijn knieën, kroop naar Jeweetwel en kuste de zoom van zijn zwarte gewaad.

"Meester... meester..." mompelde hij.

De Dooddoeners achter hem deden hetzelfde; een voor een kropen ze op hun knieën naar Jeweetwel, kusten zijn gewaad, kropen terug, stonden op en vormden een zwijgende kring om het graf van Jeweetwels vader, Emma, Harry, en het snikkende en schokkende hoopje dat Wormstaart was. Toch lieten ze plaatsen open in de kring, alsof ze dachten dat er nog meer mensen zouden komen, maar Jeweetwel scheen niemand meer te verwachten. Hij keek naar de gemaskerde gezichten en hoewel het windstil was, ging er een soort rilling door de kring, alsof iedereen even huiverde.

"Welkom, Dooddoeners. Dertien jaar... dertien jaar geleden hebben we elkaar voor het laatst ontmoet. En toch reageerden jullie op mijn oproep alsof het gisteren was... we zijn dus nog allemaal verenigd onder het Duistere Teken. Maar is dat wel zo?" Jeweetwel hief zijn angstwekkende gezicht op en sperde zijn spleetvormige neusgaten snuivend open.

"Ik ruik slechte gewetens!" zei hij. "Ik ruik de stank van schuldgevoelens!"

Er ging een tweede huivering door de kring, alsof iedere Dooddoener eigenlijk een stap achteruit wilde doen, maar dat niet durfde.

"Ik zie jullie hier, gezond en wel, met je krachten intact - jullie hadden nauwelijks sneller kunnen komen! - en dan vraag ik me af... waarom zijn deze tovenaars hun meester nooit te hulp geschoten, die ze toch eeuwig trouw gezworen hadden?"

Niemand zei iets en niemand verroerde zich, behalve Wormstaart, die nog steeds snikkend op de grond lag en zijn bloedende arm vasthield.

"En dit is mijn antwoord: waarschijnlijk dachten ze dat mijn macht gebroken was, dat ik voorgoed was uitgeschakeld." fluisterde Jeweetwel. "Ze glipten gauw terug naar het kamp van mijn vijanden en beriepen zich op onschuld en onwetendheid en verderfelijke spreuken...

En dan ik vraag me af: hoe konden ze geloven dat ik niet zou herrijzen? Ze wisten toch wat voor stappen ik lang geleden al genomen had, om mezelf te beschermen tegen de dood van gewone stervelingen? Ze hadden toch de enorme omvang van mijn krachten gezien, in de tijd dat ik machtiger was dan welke tovenaar ook?

Laat ik mijn eigen vraag beantwoorden: misschien geloofden ze wel dat er een nog grotere macht kon bestaan, een macht die Heer Voldemort kon overwinnen... misschien hebben ze nu trouw gezworen aan een ander... misschien zelfs aan die hartsvriend van Modderbloedjes, Dreuzels en ander gepeupel: Albus Perkamentus?"

Toen hij de naam van Perkamentus noemde, bewogen de leden van de kring zich onbehaaglijk en sommige mompelden en schudden hun hoofd.

Jeweetwel negeerde hen. "Dat was een grote teleurstelling voor me... ik geef toe dat ik teleurgesteld was..."

Een van de mannen sprong plotseling naar voren en verbrak de kring. Trillend van top tot teen viel hij aan de voeten van Jeweetwel neer.

"Meester!" krijste hij. "Meester, vergeef me! Vergeef ons!"

Jeweetwel barstte in lachen uit en hief zijn toverstok op. "Crucio!"

De Dooddoener krijste en spartelde. Emma kneep haar ogen dicht en voelde bijna zelf de pijn.

Jeweetwel hief zijn toverstok op. De gemartelde Dooddoener bleef plat op de grond liggen en snakte naar adem.

"Sta op, Arduin." zei Jeweetwel zacht. "Sta op. Vraag je om vergiffenis? Ik vergeef niet. Ik vergeet niet. Dertien lange jaren... ik wil dertien jaar boetedoening voor ik jullie vergeef! Wormstaart heeft al een deel van zijn schuld ingelost, nietwaar, Wormstaart?"

Hij keek naar Wormstaart, die nog steeds lag te huilen.

"Je bent niet teruggekeerd uit trouw, maar uit angst voor je oude vrienden. Je verdient deze pijn, Wormstaart. Dat besef je toch, hoop ik?"

"Ja, meester." kreunde Wormstaart. "Alstublieft, meester... alstublieft..."

"Maar je hebt me wel geholpen mijn lichaam terug te krijgen." zei Jeweetwel kil en hij keek hoe Wormstaart snikkend op de grond lag. "Je bent verachtelijk en verraderlijk, maar toch heb je me geholpen... en Heer Voldemort beloont zijn helpers..."

Jeweetwel hief zijn toverstok weer op en zwaaide ermee door de lucht. Een flits van wat gesmolten zilver leek, dreef glanzend achter de toverstok aan. Even was het vormeloos, maar toen begon het te kronkelen en vormde zich tot een replica van een hand, glanzend als het maanlicht, die naar Wormstaart schoot en zich aan zijn bloedende pols hechtte.

Wormstaart hield abrupt op met snikken. Schor ademend tilde hij zijn hoofd op en staarde vol ongeloof naar de zilveren hand, die naadloos met zijn arm versmolten was. Hij boog en strekte de glimmende vingers, pakte trillend een klein takje en verkruimelde dat tot poeder.

"Heer," fluisterde hij. "meester... hij is prachtig... dank u... dank u..."

Hij kroop op zijn knieën naar Jeweetwel en kuste de zoom van diens gewaad.

"Ik hoop dat je trouw nooit meer zal wankelen, Wormstaart." zei Jeweetwel.

"Nee, Heer... nooit, Heer..."

Wormstaart stond op en nam zijn plaats in de kring in. Hij staarde naar zijn krachtige nieuwe hand, met een gezicht dat nog nat was van tranen. Jeweetwel liep naar de man rechts van Wormstaart.

"Lucius, m'n aalgladde vriend." fluisterde hij en hij bleef staan. "Ik heb gehoord dat jij de oude gebruiken nog niet hebt afgezworen, hoewel je in het openbaar een respectabel masker draagt. Je bent nog altijd bereid om het voortouw te nemen als het om het martelen van Dreuzels gaat, nietwaar? En toch heb je nooit geprobeerd om me te vinden, Lucius... je hebt waarschijnlijk genoten van je daden tijdens het WK Zwerkbal... maar had je die energie niet beter in het opsporen en helpen van je meester kunnen steken?"

"Heer, ik was constant waakzaam." zei de stem van Lucius Malfidus vlug van onder zijn kap. Is dat... Draco's vader? Skye's oom? "Als er ook maar een spoor van u was gevonden, een gerucht dat op uw verblijfplaats wees, had ik me onmiddellijk bij u gevoegd. Niets had dat kunnen verhinderen -"

"En toch vluchtte je voor mijn Teken, toen een trouwe Dooddoener dat van de zomer aan de hemel liet verschijnen." zei Jeweetwel traag, en meneer Malfidus deed er abrupt het zwijgen toe. "Ja, daar weet ik van, Lucius... je hebt me teleurgesteld... ik verwacht dat je in de toekomst een trouwere dienaar zult zijn."

"Natuurlijk, Heer, natuurlijk... u bent genadig... dank u..."

Jeweetwel liep verder, bleef staan en keek naar de ruimte - groot genoeg voor vier mensen - tussen Malfidus en de volgende man.

"Eigenlijk horen de Van Detta's hier te staan." zei Jeweetwel zacht. "Maar die zijn levend begraven in Azkaban. Zij waren me trouw. Ze gingen liever naar Azkaban dan mij te loochenen... als Azkaban wordt opengebroken, zullen de Van Detta's rijker beloond en geëerd worden dan ze ooit hadden kunnen dromen. De Dementors zullen zich bij ons aansluiten... zij zijn onze natuurlijke bondgenoten... we zullen de verbannen reuzen terugroepen... ik zal weer over al mijn trouwe dienaars beschikken en over een leger van wezens die iedereen vreest..." Jeweetwel keek naar de andere twee plaatsen. "En hier horen de Wizards. Maar die moesten naar het Toverschooltoernooi." Emma keek Jeweetwel ongelovig aan. Skye's ouders, Dooddoeners? Dat kan niet! Daar zijn ze te aardig voor! Maar Jeweetwel zal daar toch niet over liegen? Skye wel. Waarom houd ze toch steeds dingen geheim?

Jeweetwel liep verder. Sommige Dooddoeners passeerde hij in stilte, maar andere sprak hij aan.

"Vleeschhouwer... ik heb van Wormstaart gehoord dat je nu gevaarlijke beesten afmaakt voor het Ministerie van Toverkunst. Binnenkort zul je betere slachtoffers hebben, Vleeschhouwer. Daar zal Heer Voldemort voor zorgen..."

"Dank u, meester... dank u." prevelde Vleeschhouwer.

"En hier," zei Jeweetwel, die naar de twee grootste gemaskerde gedaanten liep. "hebben we Korzel... deze keer doe je het beter, nietwaar, Korzel? En jij ook, Kwast?"

Ze bogen onbeholpen en mompelden dof:

"Ja, meester..."

"Jazeker, meester..."

"En dat geldt ook voor jou, Noot." zei Jeweetwel zacht, toen hij langs een gebogen gedaante liep die in de schaduw van Kwast stond.

"Heer, ik werp me aan uw voeten, ik ben uw trouwste -"

"Zo is het wel genoeg." zei Jeweetwel.

Hij was bij de grootste opening in de kring gekomen en keek ernaar met zijn uitdrukkingsloze rode ogen, alsof hij daar mensen zag staan.

"En hier hebben we zes ontbrekende Dooddoeners... drie zijn voor mij gesneuveld. Eentje was te laf om terug te keren... die zal boeten. Eentje heeft mij voorgoed verlaten... die zal uiteraard gedood worden... en eentje is nog steeds mijn trouwste volgeling en heeft me al grote diensten bewezen."

De Dooddoeners bewogen even.

"Mijn trouwste volgeling bevindt zich op Zweinstein en door zijn inspanningen kunnen we vanavond genieten van het gezelschap van onze jonge vriend..."

Jeweetwels liploze mond krulde tot een grijns toen iedereen in de kring naar Harry keek. "Ja," zei hij. "Harry Potter is zo vriendelijk geweest om mijn feestelijke wedergeboorte bij te wonen. Je zou hem zelfs mijn eregast kunnen noemen."