Alsof hij door de duivel op de hielen gezeten werd, zo viel Noach de keuken binnen. "Nora!"
Ze liet van schrik een lepel uit haar handen vallen. "Noach!? Wat is er?"
Maar in plaats van te antwoorden stortte Noach zich in haar armen en begroef zijn gezicht in haar haren.
Ze hield hem stevig vast; ze had geen flauw idee wat er aan de hand was, maar het moest wel iets heel ernstigs zijn. Haar gedachten vlogen naar de jongens, naar de dieren, de boerderij...? Wat kon er in vredesnaam gebeurd zijn?! Zo geagiteerd had ze haar man in de bijna vijfentwintig jaar van hun huwelijk nog nooit meegemaakt!
Maar ineens maakte hij zich los uit haar armen. "Papier. En een pen." Hij scheurde domweg de huidige maand van de keukenkalender, keerde de keukenla om op zoek naar iets om mee te schrijven, en zette zich zonder een woord van uitleg aan de keukentafel en schreef wat op de achterkant van het kalenderblad.
"Noach? Man, wat is er? Je ziet eruit alsof je een geest gezien hebt!"
Noach sloot zijn ogen en legde zijn potlood neer. "Zoiets, ja. Ik kan het haast niet geloven, maar... Nora, de Heere heeft met me gesproken."
Nora's ogen werden zo groot als schoteltjes. "Wat zeg je daar?!"
Hij keek op. "Ja, je hoort het goed. De Heere heeft tot mij gesproken. In de stal. En Hij..." Hij slikte. "Je kunt beter even gaan zitten."
Nora zakte neer op een stoel, en Noach krabbelde nog een paar laatste aantekeningen. Cijfers, zag Nora. En iets over dekken.
Maar zodra hij zijn potlood weer neerlegde, legde hij zijn hand over de hare. "Noralief, schrik niet, maar... Gods geduld met de mensheid is op. Hij heeft besloten om de wereld te straffen. Hij zal een grote watersnoodramp veroorzaken, en het is de bedoeling dat de hele mensheid zal verdrinken."
"Wat?!"
"Maar ons gezin wil Hij sparen. Hij heeft me opgedragen een grote boot te bouwen waarin we alle dieren moeten meenemen. En daar zullen de jongens en wij... en hun vrouwen veilig zijn."
Het was zo'n enormiteit, dat die arme Nora in eerste instantie reageerde op een kleinigheid. "Hun vrouwen?! Welke vrouwen? Sem mag dan getrouwd zijn nu, maar Jafeth is nog geen twaalf, en Cham is iedere week weg van een ander meisje."
Noach keek haar bevreemd aan. Was dat voor haar het grootste probleem? Hij bedwong de neiging om met zijn ogen te rollen. Vrouwen – hij zou ze nooit begrijpen... "Het zal wel even duren voor die boot klaar is. In die tijd kan er nog van alles gebeuren."
Ze bekeek hem sceptisch. "Maar Jafeth...?"
Hij slaakte een zucht. "Hij zal wel moeten, Nora. Als wij straks met alleen ons gezin een nieuwe wereldbevolking moeten opbouwen, dan heeft Jafeth tezijnertijd een vrouw nodig. En die kan hij dan alleen maar vinden als ze nu met ons meegaat in die boot. Maar ik weet zeker dat God weet wat Hij doet. Wie weet – misschien heeft Jafeth tegen die tijd wel een vriendinnetje waar hij gek op is. Daar zou hij dan op den duur mee kunnen trouwen."
Het bleef even stil, en Noach drukte bemoedigend haar hand. "Ik weet het – het is een schok. Alles en iedereen weggevaagd, en alleen ons gezin blijft over. Ik kan het ook nauwelijks bevatten, maar..."
"En die dieren," kwam het schril van Nora. "Wij moeten in die boot met alle dieren van de hele wereld?!"
"Van elk soort een mannetje en een vrouwtje. Zo kunnen ze zich straks in elk geval voortplanten."
"En wil jij me eens vertellen," wilde zijn vrouw weten, "hoe we die dieren hier krijgen – precies één mannetje en één vrouwtje van elk soort?"
"Laat dat maar aan God over, Nora," klonk plotseling een kalme stem bij de deur.
"Engel!" Noach was al overeind. "Je komt als geroepen! Was dat...? Weet je...?" Zijn stem stierf weg in verlegenheid. "Ik bedoel... niet dat ik God niet zou geloven, maar... was dat echt God die met me sprak in de stal? Niet één of andere kwajongensstreek?"
Engel keek hem begrijpend aan. "Ja, Noach. Dat was echt God die met je gesproken heeft in de stal. Het was beslist geen kwajongensstreek."
Nora keek onzeker van de één naar de ander. "Dus die boot...?"
Engel knikte haar toe. "Die boot wordt de reddingssloep van de schepping. En God heeft jullie uitgekozen om mee te gaan."
"Maar die vrouwen..." kwam Nora weer terug op haar eerste bezwaar. "Hoe moet dat? Engel, Jafeth is nog geen twaalf! Moet die heus al een vrouw zoeken? En Cham...!"
Hij keek haar een moment zwijgend aan. "Nora, God heeft beloofd dat Hij jullie zal redden. Durf je daarop te vertrouwen?"
Ze aarzelde even, maar knikte toen met overtuiging. "Ja. Als Hij zegt dat Hij iets zal doen, dan doet Hij het ook.
"Zou je er dan ook niet op kunnen vertrouwen dat God het beste voor heeft met Cham en Jafeth?"
Nu knikte ze zonder de minste aarzeling, en hij schonk haar een bemoedigende glimlach.
"Maak je dus maar geen zorgen. Als je God de touwtjes in handen geeft, dan zal het allemaal best in orde komen."
Die avond na het eten hielden ze krijgsraad rond de keukentafel. Noach had net het hele verhaal aan zijn zoons en zijn schoondochter verteld, en wachtte gespannen op hun reacties.
Jafeth, de jongste, was natuurlijk de eerste. "Met z'n allen in een boot? Wow, wat gaaf! En met alle dieren erbij! Pap, dat wordt een prachtavontuur! Meesterlijk gewoon!"
Steffie moest lachen om zijn enthousiasme, maar werd direct weer ernstig. "Pap, je zegt zo dat 'alleen ons gezin' mee mag in die boot. Maar mijn vader dan? Moet ik die zomaar laten verdrinken?"
Noach slikte moeilijk, maar Sem antwoordde al in zijn plaats: "Ik neem aan dat als je het hem vertelt en hij wil ook mee, dat daar wel ruimte voor is in zo'n grote boot. Of niet, pap?"
"Ja, die boot is enorm," kwam het bedachtzaam van Cham. "Gigantisch gewoon! 135 meter – man, dat is zoiets als anderhalf voetbalveld!"
Jafeth's mond viel open. "Zo groot?!" Hij dacht even na, en zijn gezicht lichtte op. "In zo'n grote boot kunnen we het halve dorp meenemen! Wat denk je – zouden we kaartjes kunnen verkopen?"
Noach schudde triest zijn hoofd. "Nee, Jafeth. God was heel duidelijk: alleen ons gezin mag mee. Vergeet niet dat die ramp een straf is. De mensen zijn zo slecht en verdorven geworden; ze luisteren helemaal niet meer naar God. Ze doen alleen maar waar ze zelf zin in hebben. En dat zijn vooral slechte dingen." Hij keek eindelijk zijn schoondochter aan. "Je vader, Steffie, is in zekere zin een deel van ons gezin, dus hem kun je denk ik wel vragen. Maar verder..."
"Maar..." Jafeth schoof geschrokken op zijn stoel heen en weer. "Maar Gomer dan? Da's mijn beste vriend – al jaren! Mag die niet mee?"
Zijn vader schudde zijn hoofd. "Je weet zelf ook wel dat Gomer bepaald geen heilige is, Jafeth. Zijn inbrekerspraktijken, zijn zakkenrollerij, zijn vechtpartijen..."
"Maar...! Maar als ik hem vertel wat er gaat gebeuren, van die watersnoodramp en zo, en dat iedereen gaat verdrinken... Dan krijgt hij misschien wel spijt! En als hij dan zijn leven betert terwijl de boot gebouwd wordt...?"
Zijn moeder knikte hem toe. "Je kunt het allicht proberen, Jafeth. We kennen God tenslotte als een genadig God. Dus als Gomer echt spijt krijgt, misschien laat God hem dan toch ook meegaan." Ze zei nog maar even niets over het feit dat hij – Jafeth – geacht werd een meisje mee te nemen aan boord. Dat kon nog wel even wachten, en hopelijk loste zich dat probleem vanzelf op.
Haar antwoord deed Jafeth in gedachten verzinken, en in de ontstane stilte kwam Cham met een prangende vraag. "Maar pa, Jafeth roerde daar wel een probleem aan. Zo'n reusachtige boot, daar heb je een fortuin aan hout voor nodig. Wie zal dat betalen?"
Zijn vader trok plotseling wit weg, maar Sem had al een oplossing klaar. "Nou, dan verkoop je toch gewoon de dieren. Als jullie zo druk zijn met die boot, dan blijft er toch nauwelijks tijd over om behoorlijk voor de boerderij te zorgen. Dus je houdt de dieren die je mee wilt nemen in de boot, en de rest verkoop je. Zo sla je twee vliegen in één klap."
"Maar die zullen dan verdrinken!" protesteerde Jafeth.
Sem zuchtte. "Verdrinken zullen ze toch, Jafeth. Ook als we ze hier houden. Als we maar één mannetje en één vrouwtje van elk soort mee kunnen nemen..."
"Hij heeft gelijk, pa," vond ook Cham. "Puur vanuit een praktisch oogpunt bekeken is alle tijd en geld die we nog besteden aan dieren die toch niet meegaan eigenlijk weggegooid. Ik begrijp dat het moeilijk voor je zal zijn, maar Sem heeft wel gelijk."
"Die arme dieren," zuchtte Steffie.
En Noach haalde gekweld zijn vingers door zijn haar. "Ik moet er niet aan denken... maar ik ben bang dat jullie gelijk hebben." Hij zuchtte eens diep. "Nou ja. Het moet dan maar."
Nora legde een hand op zijn arm als steun.
En Noach keek zijn middelste zoon aan. "Cham, zou jij me kunnen helpen met een werktekening morgen? En met het uitrekenen hoeveel hout we nodig hebben?"
Cham knikte. "Natuurlijk."
"En jij, Sem – je onhandigheid met gereedschap mag dan legendarisch zijn" (Cham gniffelde verstolen) "maar we zullen je hard nodig hebben voor hand- en spandiensten bij de bouw. Ik zou het dus op prijs stellen als je in elk geval overdag zoveel mogelijk beschikbaar bent om met de boot te helpen."
Sem knikte. "Geen probleem. Zolang ik maar niet hoef te zagen of te timmeren of zo."
"Je zou het kunnen leren," stelde Cham vol leedvermaak voor.
"Sems handen zijn gemaakt voor mooiere dingen," was Steffies oordeel, waarop ze een dankbare kus van haar echtgenoot kreeg.
En zijn vader verzekerde hem: "Maak je geen zorgen – er is genoeg te doen zonder hamer en zaag."
"En ik?" kwam Jafeth er tussendoor. "Ik wil ook helpen!"
"Jij helpt mee na schooltijd," bepaalde zijn moeder.
"Schooltijd?!" Jafeth staarde haar met open mond aan. "Wie gaat er nou naar school als het einde van de wereld voor de deur staat?"
"Jij," was Noach's droge antwoord. "Als straks alleen wij over zijn, is er geen enkele echte leerkracht meer om je behoorlijk te onderwijzen."
"Hiep hoi!" riep Jafeth over zijn vaders woorden, maar Noach voltooide onverstoorbaar: "En daarom wil ik dat jij nog zoveel mogelijk leert in de tijd die je nog rest. Is dat goed begrepen, Jafeth?"
Jafeth trok een lelijk gezicht, maar gaf toch zijn belofte: "Ja, pap."
"Mooi. Daar houd ik je aan."
"Maar na schooltijd en in het weekend mag ik helpen met de boot!"
"Dat zeiden we al," zei zijn moeder. "En we zullen je hulp hard nodig hebben."
"En mag Gomer ook meehelpen?"
"Als hij dat wil – mij best," vond Noach.
Jafeth was tevreden, en Nora wendde zich tot haar schoondochter. "Steffie, jij en ik zullen ook bepaald geen tijd hebben om stil te zitten. Ten eerste weet ik uit ervaring dat bouwende mannen constant honger hebben, en ten tweede is er een hoop te regelen voor we in die boot kunnen. We zullen een lijst moeten maken van wat er mee moet, er zullen massa's boodschappen gedaan moeten worden, en misschien wel de lastigste taak: we zullen moeten proberen een plan te maken voor hoe de dieren in de boot moeten worden ondergebracht. Want dat kan natuurlijk niet in het wilde weg: zet een kat naast een muis, en je komt zonder muis over."
Steffie knikte, en Sem vroeg ineens peinzend: "Hoeveel soorten dieren zijn er eigenlijk?"
Men keek elkaar eens aan, met op ieders gezicht een zichtbaar groeiende ontzetting...
