"Dat was het voor biologie vandaag, jongens en meisjes. Zijn er nog vragen?"

Jafeth stak meteen zijn vinger op.

"Ja, Jafeth?"

"Meester, hoeveel soorten dieren zijn er eigenlijk?"

Meester Nimrod bekeek hem afkeurend. "Dat weet je toch wel, jongen. Er zijn zoogdieren, weekdieren, vissen, vogels en insecten."

"Ja maar, ik bedoel: hoeveel soorten zoogdieren zijn er? En hoeveel soorten vogels en vissen en insecten en... O nee..." Hij kreunde.

"Wat 'o nee'?" vroeg de meester.

Jafeth schudde zijn hoofd. "Insecten. Muggen! Ik hoop echt heel, héél erg dat mijn vader geen muggen meeneemt. Laat die alsjeblieft verdrinken!"

"Muggen verdrinken?!" De meester fronste dreigend. "In hemelsnaam, Jafeth, waar heb je het over?"

"Over de boot." Jafeth ging wat rechterop zitten. "Mijn vader gaat een hele grote boot bouwen – een reusachtige boot! En alle dieren mogen mee, en wij ook." Er klonk wat onderdrukt gelach, maar Jafeth vervolgde: "Alleen de muggen hopelijk niet. Die kunnen beter verdrinken in de overstroming."

"Welke overstroming?" wilde Gomer naast hem weten. "Man, we zitten hier mijlenver van zee! En de beek overstroomt ook zo hard niet om deze tijd van het jaar."

"Maar Gomer, die overstroming komt nu ook nog niet," verduidelijkte Jafeth. "Eerst moet de boot klaar zijn, en alle dieren erin en zo. En dan komt er pas een overstroming, en iedereen die dan niet bij ons in de boot zit, zal verdrinken."

Nu was het hoongelach niet van de lucht. Zelfs de meester deed mee.

"Dus die overstroming wacht tot je vader klaar is met z'n boot?" riep Kenan dwars door de klas.

"Of kan hij soms in de toekomst kijken?" spotte Eva.

"Ik kan toevallig zwemmen, hoor!" sneerde Seth.

"Maar als..." begon Jafeth. Maar hij kreeg de kans niet.

"Dat gaat een boot bouwen – mijlen van zee – in de hoop dat er een overstroming komt, want anders kan hij niet varen!" kraaide Enos. "Jongens, dan moet je wel helemaal mesjogge zijn!"

"Maar mijn vader zegt..."

"Jafeth," kwam de meester er streng tussendoor. "Je ziet toch zeker zelf wel in wat een onzin je daar uitkraamt. Je vader kan onmogelijk weten dat er over enige tijd een overstroming komt, dus..."

"Jawel!" onderbrak Jafeth hem.

"Hoe dan?" vroeg Gomer half spottend, half nieuwsgierig.

"Dat heeft God hem zelf verteld! Gisteren, in de stal!"

De hele klas lag dubbel. Alleen de meester keek minachtend op hem neer. "Jafeth, zoon van Noach," sprak hij ijzig zodra hij zich verstaanbaar kon maken. "Ik heb je al vaker gewezen op het feit dat die vader van jou een bijgelovige oude gek is."

Jafeth's ogen vlamden van verontwaardiging, maar hij kreeg de kans niet om iets te zeggen.

"Die God van hem is niks anders dan een sprookje. Fantasie. Voor dergelijke onzin is in onze hoogontwikkelde maatschappij geen plaats. De huidige stand van de wetenschap berust enkel en alleen op feiten – bewijsbare feiten! Feiten, daar gaat het om, Jafeth! Dus laat ik nooit ook nog maar één woord over die God van je vader horen. Als het de man gelukkig maakt, mag hij voor mijn part in die onzin geloven. Maar jij zou beter moeten weten, jongen. Hoe dan ook, hier op school wil ik geen woord over dat malle godje van jullie horen. Is dat duidelijk?"

"Maar...!"

"Ik zei: is – dat – duidelijk?"

Jafeth sloeg verslagen zijn ogen neer. "Ja, meester."

"Prima. Dan nu naar buiten allemaal. Het is pauze."

De kinderen stroomden het lokaal uit naar buiten. En Jafeth incasseerde niets dan stompen, duwen en spottende gezichten.

"Die vader van jou is hartstikke geschift," zei iemand achter zijn rug, en hij kreeg weer een duw.

"Ja, Jafeth!" brulde Hardhandige Hur. "Je bent zelf wel niet zo lekker, maar je vader is nog gekker!"

Op de één of andere manier werd die zin opgepikt, en algauw zong het halve schoolplein van:

"Ha ha ha, je vader, ja, je vader die is gek!
Je bent zelf wel niet zo lekker,
Maar je vader is nog gekker,
Ja, je vader is nog gekkerder dan gek!"*

Jafeth probeerde zich voor die overmacht aan treiterende kwelgeesten te verstoppen, maar hij kon eigenlijk nergens heen. De meute had zijn slachtoffer in het vizier, en er was geen schijn van kans om weg te glippen. Zelfs Gomer – nota bene zijn beste vriend! – deed mee.

Het huilen stond Jafeth nader dan het lachen, en toen de bel ging en iedereen weer naar binnen dromde, zag hij tot zijn opluchting Engel bij het schoolhek staan.

"Engel!" Hij stortte zich opgelucht in de mans armen. "Engel, wat moet ik doen? Niemand gelooft me!"

Engel klopte hem geruststellend op de rug. "Had je dan verwacht dat ze je zonder meer zouden geloven?"

Jafeth zuchtte diep. "Nou... dat misschien ook niet, nee. Maar dit had ik ook niet verwacht. Ze maken mijn vader gewoon belachelijk. Dat kan ik toch niet zomaar over zijn kant laten gaan, Engel? En de meester is het ergst van allemaal!"

Engel knikte. "Ik weet het. En ik kan je verzekeren dat hij zijn straf niet zal ontlopen. Maar het is allemaal een uitvloeisel van hoe slecht de wereld geworden is. Begrijp je nu waarom God de mensen wil straffen?"

Jafeth knikte mismoedig. "Misschien moet ik maar gewoon mijn mond houden over de boot."

Engel knikte langzaam. "Misschien, ja..."

Jafeth keek op. "Je klinkt niet erg overtuigd. Moet ik soms nog meer uitgelachen worden?"

"De mensen die Gods waarheid verkondigen worden vaak uitgelachen, Jafeth. Dat is niks nieuws. Maar misschien..."

"Misschien wat? Maak je zin nou eens af!"

"Misschien moet je in dit geval wat selectiever zijn in de keuze van je gehoor."

"Hè? Wat bedoel je?"

"Je begrijpt best wat ik bedoel. Er is wel degelijk iemand hier die nieuwsgierig is naar wat je te vertellen hebt. Zie die te vinden, Jafeth. Het zou het verschil tussen leven en dood betekenen voor die persoon."

"Maar wie is het dan?"

"Ja, dat moet je zelf uitzoeken, jongen. Dat kan ik je niet zeggen. Ik zou zeggen: ga terug naar de klas en..."

"Nee." Jafeth's blik verduisterde. "Ik ga niet meer naar die rotschool. Ze lachen me toch alleen maar uit."

Engel trok een wenkbrauw op. "En wat heb jij je vader gisteravond beloofd?"

Jafeth mompelde wat onverstaanbaars.

"Wat zeg je? Ik versta je niet."

Jafeth legde zuchtend zijn hoofd in zijn nek. "Dat ik nog zoveel mogelijk zou leren voordat de overstroming komt."

"Precies. En wat je belooft, moet je ook doen. Toch? Dus jij gaat nu terug naar de klas, want hoe moeilijk het ook is, het is de enige manier om je belofte te houden. En Jafeth?"

Jafeth keek hem afwachtend aan.

"Denk eraan dat je er niet alleen voor staat. Al maken ze het je nog zo moeilijk – God is altijd bij je. Vergeet dat nooit."

Dat toverde toch een lachje op Jafeth's gezicht, al vroeg hij nog wel, of Engel dan niet ook met hem mee naar binnen kon.

Maar met een hoofdschudden en een bemoedigende hand op zijn schouder nam Engel afscheid – al wachtte hij wel even in de nabijheid om te zien of Jafeth inderdaad werkelijk naar de klas terugging.

.


* Dit is het refrein van een nummer uit de vroegste jaren van Kinderen voor Kinderen.