Toen Jafeth die middag thuiskwam uit school, vond hij Cham in de schuur, vrolijk fluitend over de werkbank gebogen. Hij was bezig dunne latten op maat te zagen.

"Wat doe je?"

Hij keek op. "O, hai Jafeth. Ik ben bezig met het schaalmodel van pappa's boot." Hij gebaarde naar de stapel latjes. "Die zijn voor de romp. En die dikkere gebruik ik voor het geraamte."

Jafeth pakte één van de dikkere latten en zwiepte ermee in het rond alsof het een degen was.

Cham grijnsde. "Hé, voorzichtig ermee, joh."

Jafeth legde de lat gehoorzaam weer terug. "Is het gelukt met het hout?"

"Yep!" Maar Chams gezicht verduisterde meteen. "Maar die Tiras is een schoft, joh – niet te geloven..."

"Hoezo? Laat hij pappa veel te veel betalen?"

"Huh? O. Ja, dat ook, neem ik aan. Maar ik bedoelde zijn zuster."

Jafeth fronste. "Wat is er met zijn zus dan?"

Cham liet zijn zaag even rusten, en zijn gezicht kreeg iets dromerigs. "Het mooiste meisje dat ik ooit heb gezien: donker haar, lichte ogen, een heel lichte huid, en een figuurtje..." Hij kuste zijn vingers. "Zo zie je er niet veel!"

Jafeth grinnikte. "Geef het maar toe: je bent verliefd!"

Cham gooide hem een reststukje hout naar zijn hoofd, maar zijn broertje ontweek het handig. "En wat dan nog?" vond hij uitdagend. "Ik zal toch een vrouw nodig hebben als we straks in de boot gaan. Jij ook trouwens. Of wou je Steffie met z'n drieën delen?"

Jafeth trok een gezicht. "Alsjeblieft niet, zeg! Meisjes kunnen me gestolen worden, die malle giebelwichten."

Dat bracht een grijns op Chams gezicht. "Wacht maar, jochie. Over een paar jaar piep je wel anders."

"Van mijn leven niet!" riep Jafeth verontwaardigd.

"We zullen zien." Hij pakte zijn zaag weer op en fronste dreigend. "Maar die broer van haar, joh, dat is..."

"Wie?"

"Chaja." En op Jafeth's niet-begrijpende blik: "Zo heet ze. Is het geen prachtige naam? Chaja..." Maar zijn toon verhardde zich. "Maar die broer van haar, die Tiras, man, wat een hufter! Komt ze daar thuis, doodop van de nachtdienst of zo, en het is meteen van Chaja, doe dit, Chaja, doe dat, Chaja, waarom heb je dit nog niet gedaan, en Chaja, wanneer denk je dat eindelijk eens te doen? Het kind heeft gewoon een slavenleven! En zoals 'ie over haar praat...! Ik had hem met liefde een dreun verkocht!"

"Dat had pappa nooit goed gevonden," bracht Jafeth nuchter in het midden.

"Maar die vent verdient het wel!" riep Cham verhit. "Als ik nog eens zie dat hij zijn zus zo behandelt...!"


Op het bankje achter de schuur zat Noach. Letterlijk met de handen in het haar. "Wat moet ik doen?" kreunde hij zachtjes. "Hoe kan ik nu kiezen?"

Een warme hand op zijn schouder deed hem opkijken. "Engel! Engel, je moet me helpen!"

Engels gezicht drukte niets dan meegevoel uit. "Noach, hoe kan ik je helpen?"

"De dieren..." Noach zoog beverig zijn longen vol. "We hebben geld nodig voor het hout van de boot. En de jongens stelden voor dat ik dan alvast kies welke van onze dieren er meegaan in de boot, en dan kon ik de andere verkopen. Maar ik kan het niet, Engel. Ik kan het niet! Is er geen andere manier?"

Engel zei niets; hij keek hem alleen maar aan.

En Noach zuchtte verslagen. "Ik weet het, ik wéét het... Cham en ik hebben allebei een volle dagtaak aan het werk op de boerderij. Als we daar niet drastisch verandering in brengen, komt er van die boot niets terecht." Hij wreef vermoeid over zijn gezicht. Haalde nog eens vertwijfeld zijn handen door zijn haar. "Maar ik kan het niet, Engel! Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om de stal in te stappen en tegen mijn dieren te zeggen: 'Jij mag straks fijn met me mee in de boot, en jullie anderen laat ik domweg verdrinken.' Hoe kan ik dat nou doen?! Hoe kan God zo wreed zijn om dat van me te vragen?! Die dieren zijn me haast even lief als mijn kinderen!"

"Ik weet het, Noach," sprak Engel zacht. "Ik weet dat het wreed lijkt, maar het is meer een kwestie van praktische overwegingen. Geen enkel dier op deze wereld is schuldig aan de val van de mensheid. Maar ze kunnen onmogelijk allemaal mee in de boot. Met één mannetje en één vrouwtje van elke soort zal in elk geval elke diersoort het ten minste overleven."

Noach zuchtte diep. "Verstandelijk gezien weet ik dat ook wel. Maar zodra het er werkelijk op aankomt om te kiezen wie er gered wordt en wie ik laat verdrinken...? Hoe moet ik ooit zo'n keuze maken? En op welke gronden?" Hij slikte. "Ik voel me gewoon een moordenaar..." Hij verborg zijn gezicht in zijn handen, en Engel drukte begrijpend zijn schouder.

"Gemakkelijk zal het niet zijn, Noach. Maar gebeuren moet het. Nu – of op het laatste moment, als de hemelsluizen opengaan."

Op dat moment kwam Jafeth om de hoek van de schuur rennen. "Pap, is het... Hé, Engel! Is het waar wat...?" Hij stuiterde zowat tot stilstand en keek onzeker van de één naar de ander. "Wat is er, pap? Huil je?" vroeg hij ongerust.

Verlegen dat zijn zoon hem zo zag boende Noach met zijn mouw over zijn wangen.

"Wat is er?" drong Jafeth aan.

Maar het was Engel die wat opschoof en Jafeth tussen hen in op het bankje trok. "Je vader probeert uit te maken welke van jullie dieren er mee mogen in de boot, en welke hij zal verkopen."

"Maar da's toch logisch!" vond Jafeth.

Zijn vader lachte vreugdeloos. "Logisch, zei je?"

"Ja! De dieren die meegaan worden straks de stamvader en –moeder van hun ras. Toch? Dus ze moeten in elk geval kerngezond zijn. En nog jong, zodat ze nog veel kleintjes kunnen krijgen."

Noach keek zijn jongste zoon peinzend aan. "Wel, het is een begin."

"Ja! En als er verschillende kleuren zijn, dan moet je er niet twee van dezelfde kleur meenemen. Met de schapen bijvoorbeeld. Als je twee witte schapen meeneemt, zijn er straks alleen maar witte schapen. Maar als je één wit en één zwart schaap kiest, dan hebben we straks nog een beetje variatie." Hij keek vragend op naar Engel. "Zo werkt dat toch?"

Die knikte. "Daar komt het wel op neer, ja."

En vader Noach legde zijn hand op Jafeth's knie. "Dank je wel, jongen. Je hebt me in ieder geval op weg geholpen."

Jafeth straalde.

"Maar wat was er nou?" wilde Engel weten.

"Hè?"

"Ja, je kwam de hoek omrennen met: 'Pap, is het waar dat...?' Is wat waar?"

"O, dat!" Jafeth schuifelde verlegen met zijn voeten.

"Wat?" vroeg zijn vader. "Zeg het maar."

"Nou, Cham zegt..." Een diepe ademteug. "Cham zegt dat ik een vrouw moet zoeken. Om mee te nemen in de boot straks. Is dat zo?"

Zijn vader knikte, en glimlachte begrijpend. "God heeft duidelijk gezegd dat je moeder en ik, plus jullie drieën samen met jullie vrouwen mee mogen in de boot. Sem heeft Steffie natuurlijk, en voor Cham en jou zullen we moeten afwachten wie het wordt."

Engel klopte hem op de schouder. "Maak je geen zorgen, Jafeth. God zorgt heus wel dat het juiste meisje op je pad komt."

Jafeth schopte naar een steen. "Maar kan ik niet gewoon Gomer meenemen? Dat is toch veel leuker. Wat moet ik in vredesnaam met een meisje?"

Zijn vader grinnikte. "Wacht maar af."

Jafeth keek naar Engel voor een duidelijker verklaring.

"Het is net als wat je zei over de dieren," zei die. "De dieren die meegaan in de boot worden de stamvader en –moeder van de nieuwe dierenbevolking. En hetzelfde geldt voor Sem en Cham en jou: jullie worden straks de stamvaders van de nieuwe wereldbevolking. Maar daar heb je natuurlijk wel een meisje voor nodig; Gomer en jij kunnen immers geen kinderen krijgen samen."

"Maar... maar...!" Jafeth was zo geschokt dat hij nauwelijks uit zijn woorden kwam. "Maar... ik ben toch pas elf! Ik ben nog veel te jong om te trouwen en vader en moeder te worden! Ik heb geen idee hoe dat moet!" Er kroop paniek in zijn stem. "En... en moet ik dan nu al iemand kiezen om mee te trouwen? Ik zou niet weten wie! En... en...!"

"Jafeth, rustig." Zijn vader trok hem beschermend tegen zich aan. "Dat trouwen en kinderen krijgen heeft geen haast. Voorlopig ben je nog gewoon mijn jongen. Maar het is natuurlijk wel zo, dat als jij later wilt trouwen en kinderen krijgen, dan moet er een meisje voor jou met ons meekomen in de boot."

"Waarom?" kwam het opstandig van Jafeth.

"Omdat de mensen die meegaan in de boot de enigen zijn die de overstroming zullen overleven," zei Engel zacht. "Na de overstroming zal er nergens anders meer een meisje te vinden zijn om mee te trouwen. Je zult op den duur dus echt één van je medepassagiers moeten trouwen. Dat kan niet anders."

"Wie dan?" Jafeth vouwde weerspannig zijn armen over elkaar. "Ik zou er geen één weten. Alle meisjes zijn stom."

"Wacht maar af," zei zijn vader nog eens. "God heeft vast wel een plan voor jou."

"Dat zeker!" bevestigde Engel.

"Bah!" bromde Jafeth, en hij sprong overeind. "Zal ik jullie eens wat vertellen? Misschien trouw ik wel helemaal niet!"