"Jafeth, ga jij Cham eens roepen. Het eten is bijna klaar."

Jafeth knikte, en schoot al in zijn laarzen. "En pappa ook?"

Nora slaakte een zucht. "Nee. Laat pappa maar even. Hij komt wel als hij klaar is."

Vijf minuten later zaten ze met z'n vijven aan tafel. In beklemmende stilte. Pappa's lege stoel en lege bord stonden daar als een aanklacht, en niemand waagde het ook maar een woord te uiten.

Ze waren al aan het toetje toen Nora eindelijk het zwijgen verbrak. "Ik hoop werkelijk dat jullie dit niet nog moeilijker voor pappa zullen maken dan het al is. Met smeekbeden om dit of dat dier mee te nemen en zo. Het is pappa's verantwoording; hij zal zijn reden hebben waarom hij voor bepaalde dieren kiest."

De jongere generatie knikte bedrukt.

"Ik vraag me af," begon Sem aarzelend, "of het net zo moeilijk is geweest voor God om één gezin te kiezen dat de ramp zal overleven..."


Noach had de ganse middag verbracht in gebed. Gebed om wijsheid. Gebed om kracht. Gebed om uitstel van executie – want van uitstel komt immers vaak afstel?

Maar uiteindelijk namen wijsheid en kracht de overhand, en hij kon niet anders meer dan zijn lot en dat van zijn dieren te aanvaarden. Hoezeer zijn hart ook bloedde, hij wist wat hem te doen stond.

Moeizaam kwam hij uit zijn geknielde houding overeind. Hij moest even steun zoeken tegen het schot, want allebei zijn benen sliepen. Maar daarna ging hij doelbewust rond, en bracht de dieren die mee zouden gaan in de boot naar een ander deel van de stal: een koe en een stier, een hengst en een merrie, en evenzo twee geiten, twee schapen, twee konijnen, twee varkens – plus een haan en vijf kippen, want die vroegen betrekkelijk weinig verzorging en de eieren kwamen voorlopig nog goed van pas.

Daarna ging hij terug naar de achtergebleven dieren en omhelsde en knuffelde ze één voor één. Hij noemde elk van hen bij naam, haalde anecdotes op van wat ze samen zoal beleefd hadden, en dankte hen voor de liefde en de trouw die ze hem over de jaren betoond hadden. En hij kuste ieder van hen vaarwel.

De dieren leken te begrijpen wat er stond te gebeuren. Ze lieten zich knuffelen en aanhalen, en toonden Noach hun genegenheid ieder op zijn eigen wijze. Maar uiteindelijk...

Nog één keer begroef Noach zijn gezicht in de manen van zijn oudste, zijn liefste merrie. Maar toen stapte hij toch echt achteruit en legde zijn hand op de klink van de staldeur. Het was voorbij. Nog een laatste blik liet hij over zijn dieren dwalen en... "Het spijt me, jongens," bracht hij met moeite uit.

En met die woorden vluchtte hij naar buiten, de nacht in, terwijl de tranen over zijn wangen stroomden.


Ook Nora deed geen oog dicht die nacht. Noach bleef de hele nacht weg. Ze wilde hem niet storen bij zijn afscheid van de dieren, maar ze voelde zijn pijn. Pas bij het ochtendgloren hoorde ze hem in de keuken rommelen, en ze schoot vlug haar ochtendjas en haar muiltjes aan en glipte naar beneden.

Hij stond aan het aanrecht een boterham te smeren – schijnbaar kalm, maar de sporen van vele tranen waren nog duidelijk zichtbaar.

Doch ze vroeg niets en ze zei niets; ze nam hem gewoon in haar armen. En hij klemde zich aan haar vast alsof ze een reddingsboei was.

Vele minuten stonden ze zo, met Noach die zijn gezicht in het nog warrige haar van zijn vrouw verborg. Maar uiteindelijk richtte hij zich met een zucht op.

"Het is misschien wel goed als de kinderen ook even rustig afscheid kunnen nemen, voordat de veewagen komt. En jij ook."

Ze knikte. "Ik zal ze roepen."

Niet veel later dromde de hele troep in vlug aangeschoten kleren de keuken in. Steffie gaf haar schoonvader (die intussen aan zijn ontbijt zat) een warme knuffel; de jongens wisten zich niet goed raad met hun houding en waren opvallend luidruchtig. Maar eenmaal in de stal...

"Wat...!" snakte Jafeth. "Nee... nee! Niet Polly...!"

Hij wilde de stal alweer uitrennen, maar zijn moeder ving hem op: "Jafeth, toe..."

"Nee! Nee! Hoe durft 'ie! Polly laten verdrinken!? Ik zal...! Hij moet...!" Hij worstelde in haar armen, en Sem schoot haar te hulp om te voorkomen dat Jafeth linea recta naar binnen zou vliegen om zijn vader ter verantwoording te roepen. "Laat me los!" gilde Jafeth over zijn toeren. "Ik wil... Hij moet... Ik zal... Nee, niet Polly!" Uiteindelijk barstte hij in snikken uit, en Nora wiegde haar jongste in haar armen.

"Als het straks allemaal achter de rug is, mag jij uit de eerste nieuwe veulens een eigen paard uitzoeken," beloofde ze zachtjes.

"Maar ik wil Polly..." huilde Jafeth. "We kunnen haar toch niet zomaar laten verdrinken!"

Ze wisten echter allemaal dat dat precies was wat er binnenkort zou gebeuren, en het was een stil groepje dat rondging tussen de hokken en boxen om afscheid te nemen van de kameraden van jaren. Jafeth daarentegen drukte zich uitsluitend tegen zijn lievelingspaard aan, met wie hij druk fluisterde.

"Kom nu, Jafeth," zei Nora op het laatst terwijl de anderen langzaam de stal verlieten. "Het is bijna tijd om naar school te gaan, en je moet wel iets eten."

Jafeth draaide zijn hoofd af. "Ik kom zo," mompelde hij in Polly's manen.

Nora zuchtte. Haar hart ging uit naar haar jongste. "Twee minuten dan, okay?"

Jafeth zei niets, maar ze liet hem nu toch maar even met Polly alleen en ging naar binnen.

Ze zat nog amper of er klonk het geluid van hoefgetrappel op het erf, en Steffie sprong overeind. "Jafeth!" wees ze geschrokken door het venster.

"Die idioot..." Cham schoof zijn stoel al naar achteren. "Laat maar, pap. Ik ga wel achter hem aan."

In minder dan een minuut galoppeerde er een tweede paard het erf af, dwars door de weilanden achter de vluchtende Jafeth en Polly aan. Cham was een uitstekend ruiter, en hoe gedreven Jafeth ook was om te ontsnappen, het duurde niet lang voordat Cham zijn veel onervarener broertje op zijn kleinere paard had ingehaald.

"Ho even," zei hij niet onvriendelijk, en legde een zware hand op Jafeth's schouder.

In eerste instantie kromp Jafeth ineen terwijl de beide paarden hun vaart terugbrachten tot voetstaps, maar ineens schoot hij weer rechtop. "Cham! Je komt als geroepen! Je moet me helpen!"

Cham trok een sceptische wenkbrauw op. "Om van huis weg te lopen?"

"Nee, om Polly te verstoppen! Ik weet een heel goeie plek: die grot, je weet wel, bij die bocht in de beek!"

"En dan? Wat wou je dan?"

"Haar meesmokkelen natuurlijk! Als verstekeling op de boot. Als die hele boot vol dieren komt, dan merkt pappa dat vast niet eens. En als hij het wel merkt, zal hij Polly heus niet overboord gooien – dat kan hij nooit! Maar jij moet me zolang helpen om voor eten voor haar te zorgen en zo. Dat doe je toch wel? Voor Polly?"

"Jafeth..." Cham haalde zijn hand door zijn nog altijd ongekamde haar. "Je weet wat God tegen pappa gezegd heeft: van ieder soort één mannetje, en één vrouwtje. Niet meer, niet minder. Weet je nog wat er met Adam en Eva gebeurde toen ze probeerden Gods regels een beetje op te rekken?"

"Je bedoelt dat met die appel en zo?" Jafeth zuchtte; hij zag al welke kant dit op ging, maar hij was vooralsnog niet bereid al te capituleren.

"Precies. Als wij proberen een extra paard aan boord te smokkelen, dan zou die hele boot straks weleens kunnen zinken. Met ons erbij. Wou je dat soms op je geweten hebben?"

Jafeth schudde stuurs zijn hoofd.

"Daarom. Pappa heeft zijn keus gemaakt, en wij hebben beloo..."

"Maar hij kan die merrie die hij gekozen heeft...!"

"Sanna," wist Cham.

"Sanna. Hij kan Sanna toch wel inruilen voor Polly?"

"Nee, Jafeth. Pappa heeft zijn keus gemaakt. Vergeet niet dat het voor hem minstens zo erg is als voor ons. Hij houdt van zijn dieren haast alsof het zijn kinderen zijn. En wij hebben mamma gisteren beloofd dat we het hem niet nog moeilijker zouden maken met allerlei smeekbeden. Jij ook. Weet je dat nog?"

Daar gaf Jafeth geen antwoord op.

"Kom nu," zei Cham. "We gaan naar huis. Je zult Polly nooit vergeten, maar je kunt haar niet je hele leven bij je houden. Zo gaat dat nu eenmaal met dieren. Maar misschien kan Sem Polly's portret voor je tekenen – dan heb je ten minste iets."

Cham keerde zijn paard, en zwijgend volgde Jafeth zijn voorbeeld. In een rustig gangetje reden ze op huis aan, maar toen ze dichterbij kwamen en de veewagen op het erf zagen staan, hield Jafeth zijn paard in. "Ik begin die rotboot te haten, weet je dat?" zei hij zacht. "Polly mag niet mee, Gomer mag niet mee, bijna al onze dieren moeten we domweg laten verdrinken... En in plaats daarvan moet ik één of ander stom meisje meevragen." Hij fronste dreigend. "Ik wou dat God nooit met pappa gepraat had..."