Noach en Cham brachten de ganse dag door in de veilinghal. Voor hun plezier was dat bepaald niet, maar het was noodzakelijk om een oogje te houden op de veilingmeester. Het was namelijk algemeen bekend dat wanneer je niet zelf aanwezig was bij het veilen van je spullen, dat de veilingmeester je dan maar een schijntje uitbetaalde van de opbrengst, en de rest doodleuk in eigen zak stak.

Na alle emoties van de afgelopen nacht was Noach nu opvallend kalm. Afstandelijk bijna, alsof het lot van zijn dieren hem eigenlijk al niet meer aanging. In plaats daarvan hield hij nauwkeurig bij hoeveel elk van zijn dieren opbracht. En met die lijst als bewijs kreeg hij aan het eind van de dag inderdaad het volle pond uitbetaald (met aftrek van commissie en BTW natuurlijk) – ruim genoeg om het materiaal voor de boot te bestellen.

En zo togen ze dus de volgende ochtend terug naar de houthandel van Tiras. Noach had eigenlijk alleen willen gaan, maar Cham wilde met alle geweld mee. Zijn vader vermoedde wel waarom, en toen hij met Tiras verder de hal inliep om het voorradige acaciahout te bekijken, kreeg hij prompt gelijk.

Vals fluitend slenterde Cham met zijn handen in zijn zakken achter het tweetal aan – tot waar een doorgang tussen de houtstapels hem de mogelijkheid bood richting het kantoortje te lopen.

Niet dat hij naar het kantoortje keek... Welnee, zijn ogen dwaalden van de houtstapels naar het dak en van het dak naar de grond en van de grond naar de uitgang en van de uitgang terug naar de houtstapels... en zo kwam hij 'stomtoevallig' langs het kantoortje.

Er brandde licht, en hij wierp een quasi ongeïnteresseerde blik naar binnen. En daar was ze: zijn mooie Chaja.

Hij leunde quasi nonchalant tegen de deurpost en schraapte zijn keel. "Hallo."

Ze keek op van haar papieren. "Kan ik u ergens mee helpen?"

"Um... ja. Nee, bedoel ik. Ik bedoel..." Cham voelde hoe de vlammen hem uitsloegen. "Um... hebben wij elkaar misschien al eens eerder ontmoet?"

Ze trok sceptisch een wenkbrauw op, maar zei niets.

Er zat niets anders op voor Cham dan zelf verder te ploeteren. "Um... ja, nu weet ik het weer! Je kwam net thuis toen mijn vader en ik hier van de week waren! Maar toen was je in verpleegstersuniform. Werk je soms in het ziekenhuis of zo?"

De wenkbrauw rees nog verder. "En wat dan nog?"

"Nee, nee, niets. Gewoon." Cham slikte. "Ik vond... ik dacht alleen... Ik ben Cham overigens."

Ze knikte afwerend.

"En jij heet Chaja, geloof ik, hè? Ten minste, zo noemde je broer je. Mooie naam: Chaja."

Geen reactie.

"Mooie naam. Bijna net zo mooi als het meisje dat zo heet."

Ja, nu bloosde ze toch licht, en daardoor gesterkt waagde Cham het er toch op. "Wil je... Zou je misschien... Heb je zin om een keertje samen naar de film te gaan of zo?"

Onmiddellijk trok ze haar verschansing weer op. "Waarom zou ik? Ik ken u toch helemaal niet."

"Precies. En als we samen uitgaan, dan zullen we elkaar leren kennen. En dat is precies wat ik wil. Je lijkt me een heel lief meisje, en ik wil je graag beter leren kennen. Dus... wat denk je?"

Een geamuseerde trek vloog over haar gezicht. "Dat bewijst enkel dat je me inderdaad niet kent. Ik ben namelijk helemaal geen lief meisje; ik ben een haaibaai."

"Dat heeft ook zijn goeie kanten," improviseerde Cham vlug. "Ik moet er niet aan denken om met een meisje samen te zijn dat altijd alleen maar lief is. Dat zou gauw gaan vervelen!"

Ze grinnikte, en schudde haar hoofd. "Sorry, mijnheer Cham. Bedankt voor de uitnodiging, maar ik ben niet geïnteresseerd."

Cham verbeet zijn teleurstelling, en drong aan: "Misschien wat anders dan? Misschien samen ergens koffie drinken? Zonder enige verplichting natuurlijk. Ik zou je echt heel graag beter willen leren kennen."

Maar voordat ze kon antwoorden landde een zware hand op zijn schouder. Het was Tiras, die Cham met een broedende blik opzij draaide om zelf het kantoortje in te stappen. "Chaja, een nieuwe bestelling," kondigde hij aan, en legde het bestelformulier voor haar neer. "Direct inboeken a.u.b.! En jij..." Hij bekeek Cham van top tot teen met onverholen minachting. "Kleine jongetjes moeten bij hun pappie blijven als ze mee mogen boodschappen doen. Ze mochten anders eens verdwalen."

Cham wilde hem bijtend van repliek dienen, maar zijn vader trok hem voorzichtig achteruit het kantoortje uit. "Het is tijd om te betalen en naar huis te gaan, Cham. We hebben nog een hoop werk te doen."

"Maar...!"

Een blik van zijn vader bracht hem tot zwijgen, en er restte hem weinig anders dan toe te zien hoe een grote som geld van eigenaar wisselde. Zijn vader stond erop een reçu te krijgen, en toen dat geregeld was, gingen ze samen op huis aan.

"Het lijkt me een aardig meisje, Cham," verbrak zijn vader uiteindelijk het stilzwijgen.

Cham bromde wat.

"Heb je haar uit gevraagd?"

Een zucht. "Dat wel, maar erg toeschietelijk was ze niet." Hij haalde zijn hand door zijn haar. "Toch, hè? Eerst was ze zo afwerend als wat, en ze zei zo goed als niets. Maar op het eind lachte ze zowaar. Da's toch een vooruitgang." Zijn gezicht betrok. "Maar ze wilde niet met me naar de film. En die broer van haar kwam tussenbeiden voordat ze kon antwoorden op mijn voorstel om dan samen een keer wat te gaan drinken."

Zijn vader had een trage glimlach. "Als je haar echt de moeite waard vindt, zit er maar één ding op: volhouden, jongen. Misschien draait ze bij wanneer ze ziet dat jij serieus bent in je belangstelling voor haar. En misschien ook niet. Dat is haar goed recht. Maar dan weet je voor jezelf in elk geval dat je er alles aan gedaan hebt."


De voordeur stond op een kier, en Steffie duwde hem voorzichtig verder open. "Pap? Ben je daar?"

Vanuit het binnenste van de boerderij klonk wat verward gestommel en gebrom, waar je met wat moeite 'kom verder' uit op kon maken.

Steffie stapte naar binnen en deed de deur achter zich dicht. "Pap? Waar ben je?"

Er kwam geluid uit de oude woonkeuken, dus daar liep ze naar toe. "Pap?"

Ze vond hem met zijn hoofd in zijn handen gesteund aan de smerige keukentafel, omringd door een paar whiskeyflessen.

"Pap?"

Moeizaam hief haar vader zijn hoofd op en staarde haar lodderig aan. "Timna? Wat doe jij hier?"

Steffie zuchtte. "Nee, pap. Ik ben het – Steffie."

Het kostte haar vaders brein duidelijk moeite haar antwoord te interpreteren. "O. Ja. Steffie." Langzaam schudde hij zijn hoofd – en greep het meteen vast met een haast dierlijk gekreun.

Met een zucht begon Steffie de lege flessen op het al overvolle aanrecht te zetten. Haar vader was echter nog bij genoeg om de enige nog halfvolle fles te grijpen en een slok te nemen.

Hij hoestte erbarmelijk. "Elke keer dat ik je zie, lijk je meer op je moeder," bracht hij uit. Het klonk haast als een beschuldiging.

"Als je dan ook eens naar me wilde luisteren alsof ik haar was?" stelde Steffie voor.

Hij gromde wat onverstaanbaars, en ze zette zich bij hem aan tafel.

"Ik weet dat je mamma mist, maar dit kan zo niet doorgaan, pap. Je drinkt jezelf te gronde!"

"Bemoei je met je eigen zaken," grauwde hij terug. "Ik hoef me niet de les te laten lezen door een kleine meid die totaal geen verstand heeft van de harde kant van het leven."

"Het zijn wèl mijn zaken," weerlegde Steffie. "Je bent nog altijd mijn vader, pap."

"O, toch?" Hij hoestte nog eens. "Je schijnt je anders beter thuis te voelen bij die schoonfamilie van je. Bij die gek van een Noach." Hij hinnikte wezenloos. "Is het waar trouwens? Dat hij een boot wil bouwen voor alle dieren, voor het geval dat er ooit eens een overstroming komt?"

Steffie sloot een moment haar ogen. Haar vader mocht dan de meeste van zijn dagen in beschonken toestand doorbrengen, maar de dorpsroddels bereikten hem net zo goed als ieder ander.

"Hij gaat een boot bouwen omdat God hem gevraagd heeft dat te doen," zei ze langzaam. "Het is God die gezegd heeft dat er een enorme overstroming zal komen, die de hele mensheid zal vernietigen. Maar jij bent een deel van de familie. Als je wilt, mag je mee aan boord, en dan zul je gered worden."

Haar vader hikte, en begon weer zo dom te grinniken. "In een boot? Ikke?! Wat denk je wel, domme meid! Je krijgt mij niet in een boot. En zeker niet als die gebouwd is door die halvegare van een Noach!"

"Maar pap, als je niet meekomt in die boot, dan zul je verdrinken!"

"Nou, dan maakt het ook allemaal niet meer uit toch?" Hij greep haar bij de pols. Hard. "Geef jij je vader dan eens een lekkere natte afscheidszoen, meissie!"

Maar ze deinsde achteruit en wist haar arm zo te draaien dat haar vader gedwongen was haar los te laten.

"Tuurlijk, tuurlijk," gromde hij geërgerd. "Jij hebt natuurlijk liever die nietsnut van een man van je, die klaploper, die slampamper... Jij moest je zo nodig aan die rare familie vergooien toch? Nou, als je hen liever hebt dan je eigen vlees en bloed, verdwijn dan maar. Ga maar met z'n allen in die boot zitten wachten op een overstroming. Stelletje idioten..."

Steffie deed een stap achteruit, maar aarzelde toch. Het had vandaag duidelijk geen zin te proberen haar vader over te halen om mee te gaan in de boot. Ze kon het beter een andere keer proberen; het zou tenslotte nog wel even duren voordat die boot klaar was. Misschien als hij nuchter was, dat haar vader meer voor rede vatbaar was.

De vraag was echter: was hij ooit nog werkelijk nuchter?