De rest van de week verliep eigenlijk betrekkelijk rustig. Cham en Noach werkten hard aan hun schaalmodel van de boot, terwijl Sem en Steffie de zorg voor de overgebleven dieren voor hun rekening namen. Nora zorgde ervoor dat iedereen gevoed werd, en Jafeth zat een groot deel van de dag op school, en hing na thuiskomst voornamelijk om Cham en zijn vader heen, waarbij hij meer in de weg liep dan wat anders.

Maar uiteindelijk, toen het schaalmodel bijna klaar was, kwam er leven in de brouwerij: vijf grote vrachtwagens afgeladen met maagdelijk blanke planken kwamen de weg afgereden!

Jafeth was de eerste die ze zag, en hij rende prompt de schuur in. "Pap! Cham! Kom gauw! Het hout is er!"

Ze dromden naar buiten het erf op, en vanuit het woonhuis kwamen ook de anderen.

De voorste vrachtauto draaide moeizaam de oprit op, en toen hij bij het erf kwam, sprong de chauffeur eruit. "Een levering van acaciahout voor de heer Noach?"

"Dat klopt. Dat ben ik." Noach stapte naar voren.

De man stak hem een formulier en een potlood toe. "Even tekenen voor ontvangst graag."

Noach krabbelde zijn handtekening op het papier, en toen vroeg de chauffeur: "Waar wilt u het hebben?"

"Wat?"

"Het hout natuurlijk. Waar wilt u het hebben?"

Noach keek om zich heen. Cham wilde bouwen op de oprit, had hij gezegd. Maar dan kon dat hout daar dus niet liggen.

"Misschien in het weiland hier naast de oprit?" hoorde hij Cham achter zich.

"Ja! Dat is een goed idee, Cham. In het weiland dus."

Het afladen duurde wel een uur of twee, maar toen de vrachtwagens weer vertrokken, was het hele weiland één grote houtopslagplaats.

"Nu kunnen we beginnen!" juichte Jafeth, maar zijn vader temperde zijn enthousiasme meteen.

"Eerst moet het schaalmodel helemaal af zijn en goed werken, Jafeth. Pas dan beginnen we aan de grote boot."

"Hoe lang nog?" wilde Jafeth weten.

"Een dag of twee op z'n hoogst," dacht Cham.

"Maar we zullen eerst een dekzeil over dat hout moeten trekken, anders is het al nat voor we met de bouw beginnen," besloot Noach. "Sem, Jafeth, helpen jullie even mee?"

Zo gezegd, zo gedaan, en daarna werd er nog eens zo koortsachtig aan het model gewerkt. Ze bestreken het met hars, en uiteindelijk was het dan zover dat ze hem konden uitproberen in de karpervijver in de tuin.

Doodvoorzichtig droegen Noach en Cham hun werkstuk naar buiten. Jafeth en Sem zeulden alle gieters mee die ze hadden kunnen vinden, en vulden ze met water uit de vijver.

En daar, voor de ogen van de hele familie, werd de miniatuurboot onder gespannen toezicht te water gelaten.

"Hij drijft! Hij drijft echt!" jubelde Jafeth opgetogen.

Cham gaf hem verontwaardigd een duw. "Ja, wat dacht je dan?"

Jafeth dreigde hem even speels met zijn gieter, en sprong lachend achteruit toen Cham nog een uitval naar hem deed. Maar toen besloot hij toch maar om zijn watervoorraad (zoals de bedoeling was) over de boot legen voor het simuleren van regen.

Maar zijn vader hield hem tegen. "Wacht even, Jafeth. Eerst kijken of het inderdaad goed blijft gaan."

"Maar we zullen ook moeten testen of hij stabiel is in woelig water," vond Cham. Hij trok zijn laarzen en sokken al uit en stroopte zijn broek op tot zijn knieën. Sem volgde zijn voorbeeld, en samen stapten de twee broers de vijver in en begonnen – tot grote verbazing van de karpers – woeste golven naar de miniatuurboot te sturen.

Die hield zich echter knap. Hij schommelde vervaarlijk natuurlijk, maar hij lag stevig op het water en sloeg niet om, zelfs niet als er golven over de boot sloegen.

"Okay, Jafeth – nu regen erbij!" riep Noach. Hijzelf en Nora en Steffie pakten ook ieder een gieter, en zo besproeiden ze de boot met een vierdubbel regenfront, terwijl Cham en Sem nog steeds hun golven maakten.

Maar toen de regen op was, vond Noach het mooi geweest. "Kom, jongens. We zullen het model aan een grondige inspectie onderwerpen en..."

Verder kwam hij niet, want in zijn opgetogen enthousiasme over de geslaagde proef had Cham Sem – die allebei al danig nat geworden waren bij hun golvenmakerij – kopje onder geduwd. Die liet dat natuurlijk niet op zich zitten, en binnen de kortste keren lagen ze samen tussen de karpers te spartelen. Steffie en Jafeth moedigden de twee om het hardst aan, maar Noach viste met Nora's hulp voorzichtig de boot uit het water.

"Laat ze maar even," zei hij tegen zijn vrouw. "Het zal nog hard genoeg werken worden de komende weken."


De 'proefvaart' zoals Sem het noemde had eigenlijk maar twee problemen aan het licht gebracht. Ten eerste kon het water niet weg van het dek tot het overstroomde, maar dat was eenvoudig opgelost met wat openingen in de reling.

Het tweede probleem was lastiger: er kwam water naar binnen door de kieren van de deur. En hoe nauw ze de deur ook lieten passen, het probleem bleef.

"Logisch natuurlijk," verzuchtte Cham. "De hele rest van de boot is waterdicht dankzij de hars. Eigenlijk zouden we die kieren gewoon dicht moeten kitten met hars."

"Maar hoe komen de dieren er dan in?" vroeg Jafeth die er weer eens met zijn neus bovenop hing.

"Nadat de dieren binnen zijn natuurlijk. En wij." Noach slaakte een zucht. "We moeten maar een pot hars mee in de boot nemen dan, en als alles en iedereen binnen is en de regen begint, dan kitten we die kieren dicht."

"Maar hoe komen we er dan weer uit?" vroeg Jafeth bezorgd.

"Dat wordt bikken," grijnsde Cham. "Zullen we het even proberen, pap? En ook of die hars inderdaad weer weg te bikken is?"

Ze voegden de daad bij het woord, en bij de hernieuwde proefvaart kwam er inderdaad geen druppel water naar binnen. Het wegbikken van de hars bleek ook geen onoverkomelijk probleem te zijn, en zo kondigde Noach die avond bij het eten aan dat ze de volgende dag met de bouw van de echte boot zouden beginnen.

"Eindelijk!" verzuchtte Jafeth. "Nu gaat het echte werk beginnen!"


De zon was nog maar net op de volgende ochtend toen de vier mannen hun beoogde bouwterrein inspecteerden en de balken voor het geraamte van de boot op hun plaats begonnen te slepen. Daarna zetten Noach en Cham zich aan het zagen, terwijl Sem en Jafeth vooral werden ingezet bij het aanslepen en wegslepen van de planken. Het was zwaar werk, en elke aangekondigde schaft werd met gejuich begroet.

's Middags werden de balken die reeds op maat gezaagd waren met vereende krachten op hun plaats bevestigd, en tegen de avond begon je (met veel fantasie) te zien dat dit een boot in aanbouw was.

In de ondergaande zon stond het hele gezin naar het resultaat van een dag hard werken te kijken.

"Het wordt echt enorm, hè pap?" kwam het van Jafeth.

"Ja, jongen. Maar God weet wat Hij doet. Er zijn waarschijnlijk meer soorten dieren op de wereld dan we vermoeden."

Sem krabde zich eens in zijn krullen. "Zeg pap, heb je er eigenlijk weleens over nagedacht hoe zo'n zware boot moet gaan drijven?"

Cham snoof. "Da's toch logisch, Sem: zo'n boot is toch hol!"

Sem fronste. "Maar is dat genoeg om die boot plus al die dieren drijvende te houden? Ook holle boten kunnen zinken – dat hebben we als kind vaak genoeg gezien in de vijver."

Nora glimlachte. "Zoals je vader al zei: God weet wel wat Hij doet. Mocht de boot inderdaad te zwaar zijn, dan houdt Hij hem vast en zeker in Zijn hand. Maar gered worden zullen we!"