Noot: Ik had oorspronkelijk Maria Boonzaaijer (aka de oudere Lea) gecast voor de rol van Judith's moeder, maar nu ik haar in het verhaal bracht, bleek ze meer geschikt te zijn voor de rol van de roddeltante mevrouw Jansen, die ik in eerste instantie aan Petra van Hartskamp (aka Suka, de vrouw van Potifar) toegedacht had. Aangezien ook Petra – hoewel een stuk jonger – volledig geloofwaardig is in de rol van Judith's moeder, is de rolbezetting bij deze dus omgedraaid. De eerste twee hoofdstukken zijn inmiddels ook aangepast aan de nieuwe situatie.

Tevens geïntroduceerd in dit hoofdstuk: een bijrolletje voor Janine Pormes (aka de jongere Bella, Rachels dienstmeisje en één van Jakobs bijvrouwen).


.

Engel snelwandelde geagiteerd door de dorpsstraat, terwijl hij onhandig probeerde een nummer in te toetsen op zijn ouderwetse mobieltje. "Nee, een zeven moet ik hebben, verdorie! Hè!" Hij wiste zich het zweet van zijn voorhoofd en woei zich wat koelte toe met zijn hoed. "Die kleine rotknopjes ook... Ik kan misschien beter even gaan zitten."

De daad bij het woord voegend viel hij neer op een bankje onder een grote boom. "Zo. En nou eerst even bellen."

Hij toetste het gewenste nummer in (dit keer zonder fouten), en algauw kreeg hij gehoor. "Maria? Met Bill Engel hier. Ben je beschikbaar op het moment? ... Mooi. Ik heb namelijk een rolletje voor je. Als roddeltante."

Hij hoorde haar lachen aan de andere kant van de lijn.

"Kun je zo gauw mogelijk naar de Albert Heijn komen? ... Mooi zo. Enne... zou je onderweg ook Janine kunnen oppikken? Die heb ik nodig als kassière. Ze weet er al van."

"Komt voor mekaar," beloofde Maria. "Met een kwartiertje zijn we bij je."


Het was niet druk in de supermarkt om deze tijd. Je kon er rustig twee wagentjes volladen zonder dat je iemand in de weg liep.

"Hé mam," zei Steffie ineens toen ze een grote voordeelverpakking toiletpapier aan hun inkopen toevoegden. "Zouden we eigenlijk niet alvast moeten gaan hamsteren? Ik bedoel: het duurt nog wel even voor die boot klaar is, maar anders kunnen we straks alleen maar inslaan wat er op dat moment beschikbaar is. Terwijl als we nu beginnen, dan kunnen we langzaamaan een flinke voorraad opbouwen."

"Je hebt gelijk natuurlijk," knikte Nora. "En we kunnen de boel voorlopig mooi opslaan in de schuur. Daar is toch ruimte genoeg nu."

Zo gezegd, zo gedaan. Ze pakten er nog twee pakken toiletpapier bij, en behalve hun eigenlijke benodigde boodschappen vulden ze hun karretjes met grote blikken soep, pakken knäckebröd en macaroni, een grote zak rijst, dozen cornflakes en muesli, drie grote blikken aardappelpuree in poedervorm, kloppudding, rookworsten, en pakken kant-en-klare zuurkool.

En zo, met twee afgeladen karretjes, kwamen ze bij de kassa.

"O nee," mompelde Nora tegen Steffie terwijl ze de eerste grootverpakking toiletpapier op de band hees. Ze maakte een hoofdbeweging naar de vrouw die aan het andere eind van de kassa haar boodschappen aan het inpakken was. "Daar hebben we mevrouw Jansen. Nou zullen we er van lusten!"

Steffie grimaste, en ja hoor...

"Nee máár...! Is dat niet Nora? En de jonge Steffie? Hoe gaat het ermee, zeg?"

"Goed," antwoordde Nora neutraal, terwijl ze stoïcijns verder ging met het laden van de band.

"Ja," ging mevrouw Jansen verder, "er gaan van die rare verhalen over die man van je... Is het waar, dat hij probeert een boot te bouwen op het droge?"

"Ja, dat klopt."

"'t Is toch wat..." Mevrouw Jansen schudde medelijdend haar hoofd, en legde haar hand op Nora's arm. "Ach, arme ziel... Twintig, vijfentwintig jaar getrouwd, en dan krijgt je man ineens de kolder in zijn kop. Het zal je maar gebeuren..."

"Nou," klonk een spottende stem achter hen, en Nora en Steffie keken onaangenaam verrast om. Het was buurvrouw Ada, de moeder van Judith, die achter hen in de rij stond met een mandje boodschappen. "Ik moet zeggen," zei ze, "dat ik de buurman altijd al een rare vogel heb gevonden, maar dit slaat werkelijk alles! Hebt u het formaat van die boot gezien?"

De ogen van mevrouw Jansen lichtten nieuwsgierig op. "Nee, vertel eens! U woont er vlakbij toch, nietwaar, mevrouw De Vries?"

"Dames," begon Nora zuchtend, maar buurvrouw Ada de Vries was haar te vlug af.

"Het is werkelijk een enorm gevaarte, mevrouw Jansen. Ze werken er bijkant dag en nacht aan, Noach en zijn zonen. Krankzinnig gewoon, zo'n grote boot! Hoe dat ooit moet varen? Als er nu nog ergens water in de buurt was...?"

De beide dames kirden van het lachen. En Steffie trok vragend haar wenkbrauwen op naar haar schoonmoeder. Maar die volhardde in het zwijgend laden van de band, en schudde haast onmerkbaar haar hoofd.

"Toen jullie al je dieren verkochten, dacht ik eerst dat jullie van plan waren om te emigreren," ging buurvrouw Ada verder. "Ik bedoel, die wilde verhalen van je jongste zoon over watersnoodrampen konden we toch nauwelijks serieus nemen. Maar met je man die zo ijverig aan het bouwen is geslagen... Gaan jullie soms met die boot emigreren?"

Het meisje aan de kassa, dat schaamteloos meeluisterde terwijl ze de boodschappen scande, grinnikte. "Dan nemen ze zeker hun hele huis mee op die boot. Echt, ik heb hem gezien. Zo groot als 'ie is – niet normaal gewoon!"

Het drietal keek zo verwachtingsvol naar Nora, dat Steffie niet goed wist waar ze kijken moest.

"Nou, zeg ook eens wat," drong mevrouw Jansen aan. "Jullie staan hier maar stommetje te spelen terwijl je je boodschappen op de band laadt." Ze knipperde even met de ogen. "Gut, wat moeten jullie in vredesnaam met zoveel eten? En toiletpapier?"

"Voor op de boot natuurlijk," spotte buurvrouw Ada. "Als je denkt dat de wereld vergaat, kun je maar beter zorgen voldoende toiletpapier in huis te hebben. Je weet maar nooit wanneer de winkels weer opengaan."

Ze lachten hartelijk samen, en ook het meisje achter de kassa grijnsde vrolijk. "Nou, mijn baas vindt het vast niet erg," zei ze. "Stel je voor dat iedereen gaat denken dat de winkels een tijdlang niet open kunnen. Dat wordt hamsteren! Wat een omzet dat wordt!"

Steffie kon zich ineens niet meer inhouden. "Nou, veel plezier zal je baas er niet aan beleven als hij straks verdrinkt."

"Tut tut, meisje." Mevrouw Jansen schudde misprijzend haar hoofd. "Je wilt me toch niet vertellen dat jullie die onzin over watersnoodrampen echt geloven, hè?"

"Ja, dat geloven wij echt." Nora richtte zich op. "Sterker nog: we weten het. God heeft met mijn man gesproken en hem verteld wat er gaat gebeuren. En als God zegt dat iets zal gebeuren, dan gebeurt dat ook."

Mevrouw Jansen keek zuinig."Nou ja, als ik in een god geloofde, zou ik hem misschien ook wel op zijn woord geloven."

"Maar wie gelooft er vandaag de dag nog in zoiets abstracts als goden?" poneerde buurvrouw Ada dramatisch.

"Wij," antwoordde Steffie uitdagend. "En als uw leven u lief is, zou u er goed aan doen om dat voorbeeld te volgen."

Buurvrouw Ada snoof verachtelijk. "En dan zeker bij jullie in die boot komen zitten en wachten op een overstroming die nooit komt. Ha! Mij niet gezien!"

Het meisje achter de kassa grinnikte.

"Mij ook niet," stemde mevrouw Jansen met haar in. "Ik moet er niet aan denken, zeg. Het hele dorp zou ons uitlachen!"

"Dan is het maar goed dat God met mijn man gesproken heeft, en niet met de uwe," vond Nora droog terwijl ze betaalde. "Kom, Steffie. We gaan op huis aan."

Terwijl Nora en Steffie hun winkelwagentjes naar buiten duwden en hun aankopen in de buggy begonnen te stouwen, keken de drie achterblijvers hen hoofdschuddend na.

"Het is toch eeuwig zonde dat zo'n mooi meisje als Steffie juist bij die rare familie terecht gekomen is," klaagde mevrouw Jansen. "De vooruitzichten die ze gehad zou hebben als ze wat verstandiger gekozen had! Eén van mijn zoons bijvoorbeeld - allemaal sterke, hardwerkende kerels. En in plaats daarvan moet ze nu delen in de hoon van haar gekke schoonfamilie. Schandalig gewoon, vindt u niet, mevrouw De Vries?"

Buurvrouw Ada knikte. "Ik heb weleens horen vertellen dat Nora als meisje bijzonder intelligent en verstandig was. Nou, dat is er onder de invloed van die man van haar wel grondig uitgebroed, lijkt me zo."

"Een waar woord, mevrouw De Vries." Mevrouw Jansen was het roerend met haar eens. "Maar of ze werkelijk zo intelligent is als men beweert? Dat ze het aanzoek van die Noach geaccepteerd heeft, was nou niet het meest verstandige wat ze ooit gedaan heeft."

Het meisje aan de kassa grijnsde. "Wie weet – misschien was het een moetje."

"Ooh – pikant!" Buurvrouw Ada liet veelzeggend haar wenkbrauwen werken. "Ik moet zeggen, dat had ik nooit achter die vent gezocht, maar het zou veel verklaren. Wat denkt u, mevrouw Jansen?"

"Ik weet niet." Mevrouw Jansen dacht even na. "Ik kan me wel herinneren dat ze trouwden, maar hoe lang daarna Sem geboren is? Ik dacht dat het wel zowat een jaar later was, maar ik kan me vergissen natuurlijk."

"Natuurlijk," zei buurvrouw Ada gemoedelijk. "Da's ook al... wat - zo'n twintig jaar geleden? Maar je ziet: een sappig schandaal komt vroeg of laat altijd wel aan het licht!"

Mevrouw Jansen schudde bedroefd het hoofd. "'t Is toch wat. En dan nu Steffie, het arme kind... Die gaat nog dezelfde kant uit; ze hebben haar gewoon gehersenspoeld met die idioterieën over goden."

Buurvrouw Ada snoof. "Nou, eer ik mijn dochter met die achterlijke familie inlaat...!"


"Jafeth! Hé Jafeth!"

Er klonken rennende voetstappen, en Jafeth keek om. Het was Judith, zijn buurmeisje.

"Hoi," zei hij weinig enthousiast. "Wat moet je?"

"Nou zeg!" Ze keek hem lichtelijk gepikeerd aan. "Gewoon. We wonen immers dezelfde kant uit. Dus wat is er op tegen als we samen oplopen?"

Jafeth haalde zijn schouders op. Feit was dat hij nog steeds gepest werd met zijn verhalen over de boot en de komende watersnoodramp. En de situatie was er bepaald niet op vooruit gegaan nu bekend was dat ze met de bouw begonnen waren. Hij was iedere dag blij als hij zijn schoolkameraden achter zich kon laten.

"Die boot van jullie, hè?" begon Judith. "Die wordt wel ontzettend groot. Ik kan hem zien vanuit mijn kamertje."

Jafeth knikte stuurs. "Wou je daarom met me oplopen? Om me dat te vertellen?"

Ze lachte vrolijk. "Welnee. Maar... is het waar dat straks alle dieren van de hele wereld erin gaan?"

Jafeth knikte opnieuw – iets toeschietelijker deze keer. Judith leek tenslotte echt geïnteresseerd. "Nou ja, niet echt alle dieren," preciseerde hij eerlijkheidshalve. "Maar van elke diersoort één mannetje en één vrouwtje. Op die manier kunnen ze dan straks in elk geval jonkies krijgen."

Judith zuchtte van verlangen. "Wat zou ik dat graag willen zien: zoveel verschillende dieren!"

Ze liepen een paar minuten zwijgend naast elkaar voort.

"En wie zorgt er dan voor die dieren als ze in de boot zijn?"

"Wij natuurlijk." Jafeth begon zich een beetje trots te voelen.

"Ohh..." Nog een zucht. "Ik wou dat ik ook mee kon... Ik hou ontzettend veel van dieren, weet je. Maar mijn goudvissen zijn de enige huisdieren die ik heb. Mijn moeder is namelijk allergisch, dus andere dieren gaat niet bij ons thuis." Ze zweeg even. "Denk je...?"

"Wat?"

"Denk je dat ik zou mogen komen kijken als jullie al die dieren in de boot brengen?"

Jafeth haalde onverschillig zijn schouders op. "Ik zou niet weten waarom dat niet zou mogen."

Ze lachte hem toe. "Fijn. Kom je me dan waarschuwen als jullie beginnen? Met de dieren, bedoel ik."

"Best hoor."

"Niet vergeten!" bedong Judith – en daarmee rende ze de oprit naar haar huis in.

Jafeth keek haar na, en voelde zich eensklaps ongemakkelijk. Allemaal goed en wel dat Judith wilde komen kijken als ze de dieren aan boord namen, maar daarna...? Zou pappa dan voor haar neus de deur van de boot dichtdoen, en zou hij dan – veilig en wel in de boot – moeten toekijken hoe ze verdronk?!

Op de één of andere manier leek de gedachte aan het verdrinken van het hele dorp en alle mensen op de hele wereld hem niet half zo erg toe als het idee om één meisje voor zijn ogen te zien verdrinken.

Hij schudde zich kort, en begon de weg verder af te lopen naar huis. Beter maar niks zeggen thuis – ze mochten eens denken dat hij verliefd op dat kind was. Mooi niet! Voor je het wist zouden ze Judith mee aan boord willen nemen als zijn toekomstige vrouw. En hoezeer het hem ook tegen de borst stuitte om haar voor zijn ogen te zien verdrinken, met haar trouwen was wel het andere uiterste!