Het was een paar dagen later dat Cham – op het punt om de ijzerhandel binnen te stappen voor een nieuwe voorraad spijkers – uit de tegenoverliggende supermarkt Chaja zag komen. Zeulend met twee zware tassen vol boodschappen.

Voordat hij wist wat hij deed, was hij de straat al over gesprongen. "Hé, hallo zeg! Hoe is het ermee?"

Ze bekeek hem koeltjes.

"Ik ben Cham, weet je nog? We hebben elkaar laatst ontmoet. In de houthandel van je broer."

"Ja, en?"

"Nou, ik dacht... ehm... Die tassen zien er nogal zwaar uit. Kan ik ze misschien voor je dragen?"

Ze glimlachte ondeugend, en haar hele gezicht lichtte op – iets dat Cham haast de adem benam van verrukking. "Zo'n aanbod sla ik natuurlijk niet af," grinnikte ze, en ze hield de tassen voor hem op.

En na een ogenblik van verwarring nam hij ze onhandig van haar over. "Dan loop ik even met je mee. Waar moet je naar toe?"

"Naar huis," was haar droge antwoord.

"Bij de houthandel?"

"Yep."

Dat was een heel eind, maar Cham liet zich niet kennen. Hij zou dit beeldschone meisje eens laten zien hoe sterk en galant hij was!

Ze liepen zwijgend de dorpsstraat uit, en Cham piekerde zich al suf over een geschikte manier om de conversatie te openen. Misschien kon hij het proberen met wat standaardzinnetjes; ze was allicht meer bereid tot praten nu hij haar een gunst verleende. Dus: "Hoe is het met je?"

Ze keek even op. "Goed."

Zwijgen.

"En met jou?"

"Ook goed. Prima zelfs!" Cham straalde – hoe banaal de vraag ook was, ze toonde ten minste interesse in hem! Nou doorzetten! "En op je werk?"

Ze keek hem vragend aan. "Welk werk? Bij mijn broer of in het ziekenhuis?"

"Ehm... allebei?" Cham fronste. "Ik wist niet dat je ook voor je broer werkte."

"Ik doe de administratie voor hem," verklaarde Chaja. "Je weet wel: bestellingen inboeken, rekeningen uitschrijven en dergelijke." Ze leek nog wat te willen zeggen, maar er kwam niets.

"Wat wou je zeggen?" moedigde Cham haar aan. Misschien durfde ze niet goed iets te zeggen dat die slavendrijver van een broer van haar in een kwaad daglicht stelde?

Maar nee: "Ik heb die bestelling van je vader natuurlijk ook ingeboekt. En ik vroeg me af... Hier in het dorp zeggen ze dat jullie een boot aan het bouwen zijn. Maar zoveel hout... Is dat niet veel te veel voor een boot?"

Cham zette trots zijn borst uit. "Het wordt ook geen gewone boot – het wordt een joekel van een ding! 135 meter lang!"

Ze gaf hem een sceptische blik. "Wat moet je in vredesnaam met zo'n gevaarte? En waar moet dat gaan varen?"

Cham kreunde inwendig. Dat hun eerste echte gesprek al meteen daar naar toe moest leiden... Kon hij haar de waarheid vertellen? Of zou ze hem dan subiet voor gek verklaren, zoals de rest van het dorp dat en bloc deed?

Hij besloot het er maar op te wagen. Als Chaja inderdaad degene was die straks als vrouw voor hem mee zou gaan in de boot, dan had ze er recht op te weten hoe en wat. Bovendien: liegen was nooit zijn sterkste kant geweest, en hij had geen enkel plausibel verhaal bij de hand om het idioot grote formaat van de boot anders te verklaren.

Dus schraapte hij zijn keel en begon: "Nou, zie je... Mijn vader, of eigenlijk wij allemaal, onze hele familie zeg maar... Wij geloven nog altijd in God." En haar blik ziende, voegde hij er snel aan toe: "Ik weet dat de moderne maatschappij het een achterhaald idee vindt, maar voor ons – en vooral voor mijn vader – is het een realistischer kijk op de wereld dan wat de meeste mensen tegenwoordig aanhangen."

Hij wierp een vlugge blik op haar, maar ze zei niets en wachtte duidelijk op zijn verdere uitleg. En hij slikte. "Een week of wat geleden heeft God met mijn vader gesproken, en Hij zei dat Hij de mensheid wil vernie... wil straffen. En dat Hij een enorme overstroming zou laten komen. En dat mijn vader een boot moest bouwen – Hij gaf precies de maten – waarin straks één mannetje en één vrouwtje van elke diersoort meegaat, om de overstroming te overleven. Nou ja, samen met onze familie dan, om voor al die dieren te zorgen."

Het bleef stil. En hij keek schuw opzij. Maar haar ogen waren strak op het trottoir gericht. Hij slikte. Had hij het verbruid?

Maar uiteindelijk verbrak ze toch de stilte. "Het klinkt nogal fantastisch. Heeft je vader werkelijk die God gezien?"

Cham was al blij dat ze hem niet direct uitlachte. "Nee, niet gezien. Alleen gesproken."

Ze gaf hem die sceptische blik van haar. "En dan gelooft hij dat? Ik ken wel meer mensen die stemmen denken te horen. Ze eindigen over het algemeen in een inrichting."

Daar had je het... "Ik weet dat het ongeloofwaardig klinkt, Chaja, maar het is echt zo. Engel heeft het ook bevestigd."

"En wie is Engel, als ik vragen mag?"

Hij keek haar stomverbaasd aan. "Engel! Onze beschermengel! Die heb jij toch ook wel?"

Ze snoof. "Jochie, als je het mij vraagt, heb jij nog heel wat jaartjes nodig om volwassen te worden. Beschermengelen, goden die met je praten, een reuzeboot om alle dieren van de wereld te redden... Typische kinderbedtijdverhaaltjes. Zielig, hoor."

"Maar...!" Cham aarzelde even. Haar minachting stak, maar als hij het hierbij liet, zou ze straks beslist omkomen. Nee, hij moest het proberen! "Ik weet dat het ongeloofwaardig klinkt, Chaja. Maar wil je dan verdrinken straks? Zou het niet verstandiger zijn om bij ons in de boot te komen – gewoon voor de zekerheid? Je weet wat ze zeggen: baat het niet, het schaadt ook niet."

"Ja, ik kan me zo voorstellen wat de mensen zullen zeggen als ik met jullie in die boot ging zitten," sneerde ze. "'Die arme Chaja is al net zo gek als die ouwe Noach met zijn boot.' Mijn reputatie zou voorgoed naar de haaien zijn; geen mens zou nog wat met me te maken willen hebben – laat staan dat ik nog een man zou vinden die me enigszins respecteert. Nee, dank je."

"Je begrijpt het niet," pleitte Cham. "De mensen die in de boot gaan, zijn de enigen die de ramp zullen overleven! En dat zijn wij – onze familie, bedoel ik – en jij, als je wilt. Ik zou je man kunnen worden. Alsjeblieft?"

"Nou, bedankt voor de eer, maar mij niet gezien. Zo'n stel kinderlijke idioten hoef ik niet als schoonfamilie." Ze trok de beide tassen uit zijn handen. "Bedankt voor het dragen, maar als we elkaar nog eens zien voor die befaamde overstroming komt, dan had ik liever dat je me gewoon negeerde. Vaar wel met je reuzeboot, mijnheer Cham. En doe je beschermengel de groeten."


Terwijl Cham het meisje van zijn dromen mismoedig nastaarde, kwam Engel vanachter een boom tevoorschijn. Hij keek de verdwijnende Chaja na, en schudde zijn hoofd. "Da's me ook wat. Hoe moet dat nu met mijn verhaal? Cham is duidelijk weg van Chaja, en zo heel veel tijd heeft hij niet meer tot de overstroming komt. Zou hij vlug genoeg over zijn gebroken hart heen kunnen komen om nog op tijd een ander meisje te vinden? Een meisje dat wel mee wil in de boot?"