Engel stak zijn hoofd om de hoek van de make-up tent. "Hebben jullie de kinderen ook gezien?"
Wietse, die net onder handen genomen werd door Tine van de make-up, grijnsde breed. "Ga maar op het lawaai af."
Meer wilde hij niet zeggen, en Engel keek zoekend om zich heen.
"Goal!" hoorde hij eensklaps jubelen, en Wietse knikte hem toe. "Daar is je eerste aanwijzing."
Hoofdschuddend liep Engel om de tent heen. En inderdaad, in het weiland achter de tent was een soort free-for-all voetbalwedstrijd aan de gang tussen een stel vertellers en een aantal mensen van de crew.
Hij liep op het gekrioel af. "Karsten, Roy, Judith! O, ik bedoel natuurlijk Josefien."
Het kostte nog moeite om zodanig hun aandacht te trekken dat het tot het drietal doordrong dat hun regisseur hen nodig had, maar uiteindelijk stonden ze toch bezweet en nog nahijgend om hem heen.
"Luister. In de volgende scène hebben we een paar oude mannetjes nodig. Hebben jullie misschien een opa die wel even mee zou willen doen?"
Ze knikten alledrie, maar Josefien zei wel: "Mijn opa zit wel in zo'n scootmobiel. Is dat een probleem?"
"Helemaal niet," schudde Engel, en hij stak haar zijn ouderwetse mobieltje toe. "Hier. Bel hem maar. Als hij wil, dan sturen we dadelijk een taxi om hem te halen."
De bouw van de boot begon al aardig te vorderen. De bodem was klaar en zat zelfs al dik in de hars – dat was makkelijker nu dan wanneer de boot helemaal klaar zou zijn. Nu waren ze bezig met de brede loopplank die naar het middendek leidde. Je begon al echt een beetje te zien hoe het allemaal ging worden – iets dat hun enthousiasme alleen maar vergrootte.
Maar vandaag hadden ze bekijks. Het was al vaker gebeurd dat een nieuwsgierige dorpeling een kijkje was komen nemen. Maar het lekkere weer vandaag had Opa Mosterd, Opa Verhage en zelfs Opa Hendriks in zijn scootmobiel naar buiten gelokt. En zo kwamen ze dus op hun dooie akkertje de weg afkuieren, Opa Verhage en Opa Mosterd ieder met een linnen klapstoel in de hand.
"Zo," zei Opa Mosterd toen ze bij de oprit kwamen, en hij vouwde zijn klapstoel uit. "Hier hebben we een mooi zicht op de bouwwerkzaamheden."
Opa Verhage volgde zijn voorbeeld, en Opa Hendriks reed zijn scootmobiel vlak naast hen. De mannen maakten het zich gemakkelijk, en Opa Verhage stelde voor: "Jo, als jij de koffie nou eens inschenkt?"
Opa Hendriks nam een thermosfles en drie mokken uit het mandje van zijn scootmobiel, en even later zaten de drie oudjes genoeglijk in de zon te keuvelen onder het genot van een bakje koffie.
Vanuit het binnenste van de boot klonken hamerslagen. Men was duidelijk hard aan het werk.
"Het is natuurlijk krankzinnig," mijmerde Opa Verhage. "Wie bouwt er nu zo'n mammoettanker midden op het land?"
Opa Hendriks slurpte genietend van zijn hete koffie. "Ik moet het de man anders wel nageven: hij mag dan idioot groot zijn, maar die boot ziet er solide uit. Hij zal best zeewaardig zijn; dat is meer dan ik van zo'n landrot als Noach verwacht had." Hij keek zijn beide vrienden eens aan. "Die zoons van hem zijn toch ook nooit naar zee geweest? Of wel?"
Opa Mosterd schudde zijn hoofd. "Welnee, ze hebben hun hele leven hier gewoond. Dus wat ze ineens met die boot moeten?"
"Grootheidswaanzin," mompelde Opa Verhage.
Maar Opa Hendriks lachte: "Misschien proberen ze in het Guinness Recordboek te komen?"
Daar moesten ze alledrie om grinniken.
"Dan zal hij toch moeten bewijzen dat hij ermee kan varen," dacht Opa Mosterd. "Hoe denkt hij dat te doen? Ik zou geen water hier in de buurt weten dat groot genoeg is voor dat bakbeest."
"En hoe krijgen ze hem in dat water?" kwam het van Opa Verhage.
"En hoe gaan ze ermee varen? Roeien soms?" Opa Hendriks boog zich wat opzij om het achtersteven beter te kunnen zien. "Er zit niet eens een roer aan. Jongens, er zit niet eens een roer aan!"
"Dat komt misschien nog," dacht Opa Verhage.
"Onmogelijk, man. Een roer is niet iets dat je er op het laatste moment aanhangt."
"Maar dan kunnen ze dus alleen maar dobberen!"
Dat leidde tot algemene hilariteit – en juist op dat moment kwam Noach uit de boot-in-aanbouw tevoorschijn om een nieuwe voorraad spijkers uit de schuur te halen.
Hij keek even verbaasd op bij het zien van het vrolijke troepje op zijn erf, maar toen groette hij hen hoffelijk. "Goeiemorgen, heren."
"Môge, kap'tein," hinnikte Opa Mosterd. "Hoe staat de wind vandaag?"
"Pardon?" Noach keek hem niet-begrijpend aan.
"Niets, niets. Een grapje." Opa Mosterd leegde zijn beker. "We vragen ons alleen af wat je van plan bent met dat bakbeest. Waar wou je gaan varen?"
"En hoe wou je gaan varen?" wilde Opa Hendriks weten. "Je bent het roer vergeten, man! Wou je soms zomaar wat ronddobberen op de baren?"
Noach zocht hun gezichten af. Zou de oudere generatie misschien ontvankelijker zijn voor Gods woorden? Goed, Steffies vader dan niet, maar dat was een dronkelap sinds hij zijn vrouw verloren had. Misschien dat deze drie oudjes meer voor rede vatbaar waren? Hij kon het allicht proberen.
"Ik weet niet precies hoe het zal gaan," gaf hij toe. "Ik weet alleen dat ik opdracht gekregen heb om deze boot te bouwen – met maten en al."
"Welke idioot wil er nou zo'n mammoettanker?" onderbrak Opa Verhage hem.
"God zelf."
Dat leidde tot een nieuwe lachbui, maar Noach wachtte wat zuur maar geduldig tot ze een beetje uitgelachen waren. "Heren, God zal binnenkort een heuse watersnoodramp over de wereld sturen. En iedereen die dan niet in deze boot zit, zal onherroepelijk verdrinken."
"Bewaar me – een watersnoodramp!" schaterde Opa Hendriks opnieuw.
"En een heuse ook!" viel Opa Mosterd hem bij. "O, o, wat een mop! Laat ik mijn zwembroek vast klaarleggen!"
"Man, er is hier nog nooit een watersnoodramp geweest," sneerde Opa Verhage. "De beek die eens overstroomt zal dat logge gevaarte echt niet vlot trekken, hoor." Hij grinnikte genoeglijk. "Die god van jou heeft wel verbeelding. Wie denkt 'ie wel dat hij is, dat 'ie zomaar een overstroming kan veroorzaken?"
Noach rechtte zijn rug. "Hij is de Schepper van hemel en aarde, die alles gemaakt heeft: de zon, de maan, de sterren, en deze wereld met al wat er leeft. Ook u en mij."
"Behalve die boot dan," hikte Opa Mosterd. "Die laat hij door jou maken. Kon hij dat niet zelf?"
"Abracadabra, pief poef paf!" lachte Opa Hendriks. "Misschien was zijn toverkracht op nadat hij al dat andere gemaakt had?"
"Hé pap, waar blijf je?" kwam plotseling Sems stem uit de boot-in-aanbouw. Zijn hoofd dook op boven de rand, en toen hij zag dat zijn vader bloedserieus stond te praten met drie schaterende mannen, klom hij vastbesloten uit de boot. "Wat is er aan de hand?"
"Daar hebben we de dromer van de familie," hinnikte Opa Mosterd. "Ja, die was natuurlijk wel te vinden voor zo'n kamikazeplan: een reuzeboot bouwen om de mensheid te redden van de overstroming! Zo vader, zo zoon, zullen we maar zeggen, niet?"
Sem keek van de één naar de ander, en haalde haast onmerkbaar zijn schouders op. "We zullen zien, mijnheer Mosterd. We kunnen u niet tegenhouden als u ons uit wilt lachen."
"En God belachelijk maken," zei zijn vader zacht.
Sem keek hem even aan, en knikte. "We zullen zien wie er het laatst lacht. Kom, pap, we moeten verder." Hij nam zijn vader bij de schouder, en begeleid door hoongelach voerde hij hem in de richting van de schuur, waar de benodigde spijkers lagen. "Trek het je niet aan, pap. Die kerels zijn niet wijzer. Je hebt het in ieder geval geprobeerd."
Noach slaakte een zucht. "Het is gewoon... Ik weet wel dat de mensheid verdorven is, Sem. God straft ons heus niet om niets. Maar ik kan me gewoon niet voorstellen dat er op de hele wereld zelfs niet één ander goed mens leeft..."
In de keuken zaten Nora en Steffie inmiddels met de handen in het haar. Op tafel lag de gedetailleerde plattegrond van de boot die Cham voor hen getekend had. Je zag precies hoe alle hokken kwamen te liggen.
Ze hadden ook een lijst gemaakt van alle dieren die ze kenden, en ze onderverdeeld in roofdieren (op grootte) en prooidieren, en dan verder in landdieren en vogels. Maar het was algauw gebleken dat er veel en veel meer diersoorten moesten zijn dan hen bekend was – of de halve boot zou leeg blijven.
Maar hoe kon je in vredesnaam iets plannen als je de feiten niet wist?
"Ik weet het niet meer," verzuchtte Nora terwijl ze toekeek hoe Steffie voor de zoveelste keer hun poging tot een indeling uitgumde. "Misschien moeten we God maar om hulp vragen."
"Dat is altijd het beste," kwam Engel's stem van bij de buitendeur.
De dames schrokken op. "Engel! Je komt als geroepen! Kun jij ons niet helpen?" smeekte Steffie.
"We zitten al twee dagen te puzzelen, maar we komen er niet uit," verklaarde Nora. "Hoe kunnen we een veilige indeling maken als we niet eens weten hoeveel roofdieren er zijn? Dat is onze grootste zorg: dat die de andere dieren op zullen eten."
Engel kwam tegenover hen zitten. "Steffie, Nora," begon hij. "Er is een heleboel wat jullie kunnen en moeten plannen. En dat doen jullie uitstekend, zoals jullie bijvoorbeeld al begonnen zijn een voedselvoorraad op te bouwen. Maar sommige dingen moet je aan God overlaten. Hij weet precies hoeveel diersoorten er zijn; hij kent elk dier bij naam. Zou Hij dan ook niet de aangewezen persoon zijn om te plannen welk dier in welk hok gaat?"
"Maar hoe doet Hij dat dan?" wilde Steffie weten. "Ik bedoel: als wij die dieren niet naar het juiste hok kunnen leiden, hoe weten de dieren dan waar ze moeten zijn?"
Engel trok zijn vraagtekengezicht. "Dat weet ik niet, Steffie. Maar als God dieren van over de hele wereld naar jullie boerderij kan sturen om in de boot te gaan, zou Hij ze dan ook niet kunnen micromanagen naar het hok waar Hij ze wil hebben?"
Een lach brak door op Steffies gezicht. "Dus als die dieren straks komen, dan hoeven we alleen maar toe te kijken hoe ze aan boord gaan en zelf hun hok opzoeken?"
"Dat denk ik wel," knikte Engel. "God zal nooit het onmogelijke van ons vragen. Die dieren verzorgen straks in de boot, dat kunnen jullie best. Maar laat de logistiek van hoe ze hier komen en wie waar ondergebracht wordt maar rustig aan God over. Hij weet wat daarvoor nodig is; jullie niet."
"Nou, da's dan mooi. Dan zijn we klaar." Nora schoof de plattegrond van zich af en leunde demonstratief achterover.
Engel trok verbaasd zijn wenkbrauwen op. "En jullie eigen spullen dan? Moeten die niet uitgezocht en ingepakt worden?"
