Hij staarde haar aan. "Jij?! Echt?"
Judith knikte. "Zoals ik laatst al zei: ik hou ontzettend veel van dieren. Het lijkt me vetgaaf om tussen alle dieren van de hele wereld te wonen, en met ze te spelen, en te aaien en eten te geven en zo." Ze hield haar hoofd schuin. "Denk je dat je vader dat goed zou vinden? Dat ik meega in plaats van Gomer, bedoel ik?"
Jafeth schokschouderde. "Weet ik niet. Maar het is meer de vraag of God het goed zou vinden."
"Kun je Hem dat niet vragen dan?"
"Je bedoelt... bidden?"
Judith haalde haar schouders op. "Weet ik veel hoe je dat doet. Wij doen niet aan godsdienst thuis."
Hij keek haar zwijgend aan, niet wetend of hij opgelucht of bezorgd moest zijn. Als Judith niet in God geloofde, vond God het vast niet goed als ze meeging. Maar wat als Hij het wèl goed vond? Dan zat hij – Jafeth – de rest van zijn leven met het kind opgescheept!
En toch, hè? Toch kon hij ook dat gruwelijke beeld van een verdrinkende Judith niet uit zijn geest bannen. In gedachten hoorde hij haar al om hulp gillen...
"Jafeth?"
Hij schrok op. "Ja?"
"Beloof je dat je het zult vragen thuis? Aan je God, bedoel ik?"
Hij knikte wat onwillig. "Maar ik weet niet wanneer ik antwoord krijg, hoor," hield hij een slag om de arm. "Dat kan weleens een tijdje duren."
Ze lachte hem zonnig toe. "Dan hoor ik wel van je, okay?"
En weg was ze.
Die avond na het eten trok Jafeth zijn oudste broer aan zijn mouw. "Sem, kan ik je even spreken?" vroeg hij zachtjes.
"Tuurlijk. Wat is 't?"
Jafeth schudde zijn hoofd. "Niet hier. Onder vier ogen. Kom." Hij trok hem mee naar buiten, en Sem liet zich gewillig meetrekken naar het bankje achter de schuur.
"Zo." Jafeth keek spiedend om zich heen. "Hier kan niemand ons horen – als we niet te hard praten ten minste."
Sem liet zijn lange lijf op het bankje neer en informeerde goedmoedig: "Wat heb je uitgespookt?"
"Niks!" vloog Jafeth op. "Het is alleen..." Met een zucht die wel uit zijn tenen leek te komen liet hij zich naast zijn broer op het bankje vallen.
Sem klopte hem vaderlijk op de knie. "Vertel het maar aan ome Sem."
Jafeth duwde geïrriteerd zijn hand weg. "Sem, kun je even serieus zijn, alsjeblieft?"
"Okay, okay. Wel, wat is er?"
Balorig schopte Jafeth een steen voor zijn voeten weg. "Wel... jij en Steffie, jullie kennen elkaar al je hele leven toch?"
"Wel ongeveer, ja."
"Maar wanneer wist je...?" Jafeth aarzelde. "Ik bedoel, hoe wist je dat zij... nou ja... zeg maar de 'ware' voor je was?"
Sem glimlachte voor zich heen. "Weet ik eigenlijk niet. Ik wist het gewoon. Dat is langzaamaan gegroeid, denk ik."
"Maar hoe dan?" drong Jafeth aan. "Waarom vind je dat zij de ware voor je is?"
Sem dacht even na. "Het begon ermee, denk ik, dat ik ineens heel sterk het gevoel had dat ik haar moest beschermen toen haar moeder overleden was. En langzaam maar zeker werd ik me ook bewust hoe lief ik haar vond. En hoe mooi. Ik begon te fantaseren hoe het zou zijn om haar een zoen te geven – lang voordat ik het aandurfde om het werkelijk te doen." Hij grinnikte bij de herinnering aan die eerste kus. "En op een gegeven moment merkte ik dat ik haar miste als ze er niet was. Ik voelde me maar half mens als zij ontbrak; ik wilde haar het liefst gewoon de hele tijd om me heen hebben. En daar kwam nog bij dat het belangrijker voor me werd om haar gelukkig te zien dan dat ik zelf gelukkig was. En aangezien zij het net zo voelde, was trouwen een logische gevolgtrekking – dan konden we de rest van ons leven elkaar gelukkig maken."
Jafeth zweeg.
"Ben je soms verliefd?" vroeg Sem – gewoon belangstellend, zonder zelfs maar een zweem van plagerij.
Maar: "Néé," zei Jafeth nadrukkelijk. "Het is alleen..." Hij zuchtte tragisch. "Nou ja, dat van dat beschermen misschien. Een beetje."
Sem knikte begrijpend.
"Maar je houdt je mond, hoor!" stoof Jafeth op. "Ik wil niet dat... dat...!"
"Dat Cham je ermee gaat plagen," begreep Sem.
"Ja, dat ook. Maar pappa..."
Sem trok verbaasd een wenkbrauw op toen Jafeth zijn zin niet afmaakte. "Ben je bang dat pappa je ermee zal plagen?"
Jafeth zuchtte eens diep. "Dat misschien niet, maar..." Stilte.
"Maar wat?"
Nog een zucht. "Die boot natuurlijk, Sem. Ik moet een meisje meenemen in die boot. Een meisje waar ik dan later mee moet trouwen, want dan zijn er geen andere meisjes meer."
Sem knikte. "En?"
"Nou, ik zou niet weten welk meisje ik zou moeten kiezen, maar... er is een meisje dat al twee keer gezegd heeft dat ze zo graag mee wil in de boot. Niet om mij, maar omdat ze zoveel van dieren houdt. En... nou ja..."
Sem wachtte even, maar Jafeth maakte weer zijn zin niet af. "En wat?"
Jafeth keek van hem weg. "Nu wil ze dat ik aan God vraag of ze alsjeblieft mee mag..."
Sems gezicht lichtte op van verrassing. "Maar dat is geweldig, Jafeth! Fantastisch gewoon! Je hebt misschien wel het enige meisje ter wereld gevonden dat nog in God gelooft!"
Jafeth trok zijn gezicht in een grimas. "Niks hoor. Eerst wilde ze dat ik het aan pappa zou vragen, en toen ik zei dat God degene was die daarover beslist, toen wilde ze dat ik het aan God zou vragen. Maar ze zei gelijk al dat ze zelf niet in God gelooft."
"Mm." Sem dacht even na. "Heb je het al aan God gevraagd?"
Jafeth schudde zijn hoofd. "Dat is het hem juist: ik weet niet of ik dat wel wil! Ik bedoel: er is alle kans dat Hij nee zegt, gewoon omdat ze niet in Hem gelooft. Maar ik vind het geen prettig idee dat ze dan straks voor mijn ogen zal verdrinken."
"Daar zou je haar het liefst voor willen behoeden," begreep Sem.
"Ja. Maar wat als God ja zegt? Dat ze wel mee moet in de boot? Dan zit ik de rest van mijn leven met haar opgescheept!"
Sem knikte bedachtzaam. "Ik zie het probleem, ja."
"Wat moet ik doen, Sem? Hoe weet ik nu of zij een meisje is waar ik later verliefd op kan worden en zo? Wie weet wat een rotgriet het wordt als ze wat ouder is!"
Sem streek nadenkend zijn krullen naar achteren. "Is het nu een rotgriet?" wilde hij weten. "Of valt ze eigenlijk wel mee – voor een meisje?"
Jafeth haalde zijn schouders op. "Nou ja, gewoon. Niet bijzonder onaardig, van wat ik gezien heb. Of gemeen of zo. Maar zo goed ken ik haar ook weer niet."
"Maar het is waarschijnlijk een pluspunt dat ze zoveel van dieren houdt," dacht Sem. "Dat zijn over het algemeen de slechtste mensen niet."
Jafeth zuchtte overdreven. "Daar heb ik wat aan. Maar zou ze ook van mij kunnen houden, denk je? Later als we groot zijn, bedoel ik? En ik van haar?"
Sem schudde zijn hoofd. "Dat weet ik niet, Jafeth. Er is er maar Eén die dat weet. En je weet drommels goed wie."
Ze zwegen even, ieder met zijn eigen gedachten bezig.
"Maar wat moet ik nou doen?" vroeg Jafeth uiteindelijk klaaglijk.
Sem keek peinzend voor zich uit. "Als je zekerheid wilt hebben, zit er maar één ding op, lijkt me."
Weer een zucht. "Je bedoelt aan God vragen?"
"Precies. Ik denk dat God allang weet wie er meegaan als toekomstige vrouw voor Cham en jou. En als dit het meisje is dat God perfect bij jou vindt passen... Wie is het eigenlijk?" vroeg hij ineens.
"Dat zeg ik niet," zei Jafeth nors.
Sem drong niet aan. "Wat ik zeggen wou: als God dit meisje voor jou gekozen heeft, dan zorgt Hij ook wel dat ze met ons aan boord komt. Zelfs al zou jij er alles aan doen om haar tegen te houden – als God iets wil, dan zorgt Hij ook wel dat het gebeurt. En als er iets is waar we op kunnen vertrouwen, dan is het wel dat God weet wat goed voor ons is. Waar of niet?"
Jafeth keek sceptisch. "Denken de mensen die hij straks laat verdrinken er ook zo over?"
Sem keek hem aan. "Die mensen zijn ervan overtuigd dat God niet bestaat," zei hij zacht. "Waarom zouden ze zich afvragen of iemand die niet bestaat het goed met hen voorheeft? Vraag jij je weleens af of de heks van Sneeuwwitje het goed met je voorheeft?"
Jafeth grijnsde breed, maar werd meteen weer ernstig. "En Ju... ik bedoel, dat meisje dan? Die gelooft ook niet dat God bestaat."
Sem schudde zijn hoofd. "Ik weet het niet, Jafeth. De enige die je daar een antwoord op kan geven is God. Misschien moet je het Hem gewoon maar vragen."
"En als Hij dan zegt dat zij mee moet? En dat ik later met haar moet trouwen?"
"Dan weet je dat in elk geval. En dan hoef je je niet meer het hoofd te breken over wie je mee moet vragen. Misschien kun je haar zelfs alvast van God vertellen. Wie weet..." Hij schoot ineens rechtop. "Misschien heeft God haar wel gekozen omdat ze er wel degelijk naar verlangt om Hem te leren kennen, maar niet weet waar ze Hem moet zoeken omdat haar ouders haar dat nooit geleerd hebben. Dat kan toch?"
Jafeth knikte langzaam.
"Heb je haar beloofd dat je het God zou vragen?"
Nog een knikje. "Maar ik heb niet gezegd wanneer ik dat zou doen."
Sem gaf hem een bemoedigende mep op zijn schouder. "Dan zou ik het maar doen als ik jou was. Beloofd is tenslotte beloofd."
Jafeth trok een gezicht, maar lachte toen toch. "Vooruit dan maar. Ik zal het Hem vragen." Hij greep dwingend Sems arm. "Maar je zegt niks tegen de anderen, hoor! Zelfs niet tegen Steffie!"
"Ik zwijg als het graf," beloofde Sem.
"Belóófd?"
Sem stak plechtig twee vingers omhoog. "Beloofd. Op mijn eer en geweten."
