Hoofdstuk 2: Mysterieuze Dromen

bHarry opende zijn ogen, en ging recht overeind zitten. Hij lag niet in zijn krakende bed, maar op een kille, witte vloer. Hij keek om zich heen, en spitste zijn oren. Hij hoorde duidelijk stemmen, maar hij zag niemand. Harry kwam overeind en keek verdwaasd om zich heen.

Hij bevond zich in een vierkante, spierwitte ruimte zonder ramen maar wel met schilderijen. Op vrijwel alle schilderijen stonden groene slangen, waarschijnlijk in teken van Zwadderich. Harry zag een grote, bruine deur aan het einde van de kamer en liep er voorzichtig naar toe.

Hij opende hem zo zacht mogelijk en keek om het hoekje. Hij zag een bruine kamer, die alleen verlicht werd door een kandelaar in een hoek waar de stemmen vandaan kwamen. Er zat een donkere, kromme gedaante in een luie stoel. Zijn gezicht staarde naar de vlammen die uit de open haard sloegen en hij praatte met een kille stem. Harry's nekharen gingen recht overeind staan bij het geluid van de stem van Voldemort die hij al zo lang niet meer gehoord had.

Naast Voldemort knielde een gedaante met een cape, overduidelijk een Dooddoener. Harry kreeg een angstig gevoel in z'n maag toen hij bedacht dat alle Dooddoeners in Azkaban hoorden te zitten. Harry probeerde Voldemort te verstaan, probeerde de deur verder open te duwen en viel met luid kabaal de kamer binnen. Hij schrok zich een ongeluk, krabbelde snel overeind, maar ontspande zich toen hij merkte dat Voldemort en de Dooddoener hem niet konden zien of horen.

Hij sloop dichter bij het haardvuur en hoorde Voldemort nu duidelijk praten. "Nu zoveel mensen die zichzelf Dooddoener durfden te noemen zijn gevlucht, zal ik mijn plan moeten veranderen." De Dooddoener, die zich nog iets verder naar de grond boog, zei met een trillende stem: "Natuurlijk, meester." Voldemort lachte vreugdeloos en ging verder. "Een ander plan, ja. En jij gaat me daarbij helpen. Hoewel ikzelf daar natuurlijk het allerbest in ben."

En hij lachte opnieuw. De Dooddoener deed galmend mee, maar Harry had het idee dat hij het liefst hard weg zou willen rennen. Harry's hart begon razendsnel te bonken, en hij werd duizelig. Hij leunde tegen de muur met een inmiddels bezweet voorhoofd, en het beeld begon een beetje voor zijn gezicht te draaien.

"We hadden kunnen weten dat de Dooddoeners uit Azkaban zouden breken, maar natuurlijk niet dat de helft van hun zou vluchten. Waar zijn de anderen eigenlijk, Lucius?" Lucius stond slijmerig glimlachend op en zei: "Ze zijn waarschijnlijk nog bij de Wemels, meester. En ze zouden heel misschien ook nog langs de Griffels gaan, maar dat weet ik niet zeker." Voldemort lachte opnieuw, en toen werd alles zwart./b

Harry werd schreeuwend wakker, ging recht overeind zitten en zijn litteken voelde alsof het in brand stond. Hij drukte zijn hand er hard tegenaan, stond op en stak zijn hoofd onder de roestige, koude kraan. Druipend kwam hij omhoog, liep naar het open raam en schudde zijn haar uit.

Hij zuchtte en ging door de kamer ijsberen. Hij voelde paniek in zich opkomen toen de stem van Voldemort maar in zijn hoofd bleef galmen; "Ze zijn waarschijnlijk nog bij de Wemels, meester." Harry maakte een sprongetje en ging zijn hoofd tegen de muur beuken.

Vorig jaar betekenden zijn dromen over Voldemort dat er iets gebeurde op dat moment, zoals met meneer Wemel. Dat zou betekenen. Hij rende naar Hedwig, schreeuwde: "STA OP DUF BEEST, STA OP!" en Hedwig kwam verontwaardigd krassent uit haar kooi, en pikte Harry hard in zijn vinger.

Daar had Harry nu dus echt geen zin in en hij scheurde snel een stuk perkament af van zijn rol, en pakte een veer. Hij begon er de volgende woorden op te krassen:

iRon, alles oké daar?Dit is het volgende wat je moet doen (als het al niet te laat is) GA NU METEEN WEG. Weg, gewoon WEG! Ik heb net een droom gehad, en ze komen eraan! Ze komen naar het Nest! Ga weg, ALSJEBLIEFT! En snel! En waarschuw meteen Hermelien, die moet ook gaan. Doe het!

Harry/i

Hij rolde het razendsnel op en bond het aan Hedwig's poot. "Hedwig, het spijt me heel erg, maar je MOET nu meteen naar Ron, ze zijn in gevaar." En Hedwig kraste verongelijkt, maar vloog toch weg door het open raam.

Hij keek Hedwig na en ging daarna weer verder met ijsberen. Dus de Dooddoeners waren ontsnapt uit Azkaban. dat zat er aan te komen. Maar niet dat een grote helft van hun weg waren gevlucht. Waarschijnlijk konden die de druk van Voldemort niet meer aan. En nu rommelden ze dus rond in het huis van zijn vriend, en daarna gingen ze misschien nog langs Hermelien. Het leek allemaal hopeloos, en hij ging op z'n bed zitten en voelde zich rotter dan ooit.

Harry werd langzaam wakker toen zonnestralen zijn kamer binnenvielen. Hij kreunde, wreef in z'n ogen en besefte toen weer wat er allemaal aan de hand was. Hij sprong overeind en zocht naar Hedwig, maar zo te zien was ze nog niet teruggekomen.

Hij gromde en bonkte met zijn hoofd tegen de deur. Hij had de gewoonte om ergens tegen aan te beuken als het tegenzat. Waarschijnlijk komt dat door oom Herman, die had ooit deze zomer zijn hoofd tegen een plank had geduwd en daarna had hij een, wat hij toen vond, briljant idee gekregen. De deur werd keihard tegen zijn hoofd geslagen toen Dirk opeens de deur open gooide, en Harry viel achterover op de grond.

Dirk begon te bulderen van het lachen, en zei: "Sta op, worm, we gaan eten. Maar waarschijnlijk zal jij wel niet veel krijgen!" Hij lachte opnieuw als een soort varken, struikelde bijna over zijn broekspijp, en Harry wist dat Dirk zich rot schaamde terwijl hij weer de trap af klotste. Harry kroop overeind, trok een trui over z'n hoofd, besefte toen dat het zomer was en trok hem weer uit, slofte de trap af en ging met een zuur gezicht aan tafel zitten.

Oom Herman keek hem woedend aan. "Kijk eens wat vrolijker jongen, je verpest ons humeur!" Harry keek hem nog zuurder aan en stond weer op. Tante Petunia stond ook op, en keek hem uitdrukkingsloos aan. "Jongen, er staat nog een kapotte schuur voor je klaar. Ga eerst eens douchen, en begin dan met hameren." En ze ging weer zitten, en nam wat toast.

Het kon Harry niet zo veel schelen, wat had hij nog meer te doen. Hij sjokte naar de badkamer en een paar minuten later klonk het geluid van hete waterstralen. Toen Harry een half uur later op zijn kamer kwam -waar het behoorlijk stonk- hoorde hij tot zijn opluchting het gekras van Hedwig. Hij liet haar binnen, en graaide meteen naar het briefje om haar poot. Hij rolde het stukje perkament open en las:

iHarry, maak je maar geen zorgen, onze familie zit aan de andere kant van het dorpje bij m'n oma. Hermelien en haar ouders zijn er ook. Iedereen is heel erg boos op mij omdat ik zo zat te zeuren dat we meteen weg moesten, dus stuur alsjeblieft een briefje terug met een verklaring.?Ik heb zelf namelijk ook geen idee waarom we hier zitten, en ik wil graag terug naar het Nest.

Ron/i

Harry zuchtte diep en viel achterover op zijn bed. Zijn vrienden waren veilig, dat was tenminste wat. Eigenlijk zou hij nu meteen Perkamentus over zijn dromen moeten vertellen, maar eerst dan maar Ron. Harry draaide Ron's briefje om en haalde zijn veer te voorschijn. Hij krabbelde er iets korts op.

iRon, heel goed gedaan, ik ben HEEL erg opgelucht! Ik had weer een droom, zo eentje die ik ook over je vader had. Het ging over Voldemort,/i

Harry veegde 'Voldemort' uit en maakte er Jeweetwel van, want hij dacht opeens aan de Wemels' angst voor Voldemorts naam.

iHet ging over Jeweetwel, en de Dooddoeners zijn ontsnapt uit Azkaban. Dat had je waarschijnlijk wel in de Ochtendprofeet gelezen. Maar de helft van de Dooddoeners is gevlucht, en Vo- Jeweetwel zat in die droom ergens samen met Lucius, natuurlijk een supertrouwe dienaar. Ik hoorde Lucius zeggen dat de Dooddoeners op dit moment in JOU huis rondneusden, maar blijkbaar is het dit keer niet uitgekomen. God, wat ben ik blij. Laat nog van je horen.

Harry/i

Hedwig vloog weer weg, terwijl Harry wat zat te peinzen. Als zijn droom niks betekende, dan betekende dat dat hij Perkamentus dus niet hoefde te schrijven.. En Lupos ook niet. Tante Petunia blèrde van onderaan de trap. "JONGEN, TIMMEREN, NU! OF MOET IK JE HALEN?" Dat leek Harry niet zo prettig, en hij verliet zijn kamer.

Harry zat bovenop het dak van het tuinschuurtje en hamerde er op los. Iedere keer als hij even pauze nam keek hij om zich heen, naar het prachtige weer. Hij telde na op z'n vingers wanneer hij weer naar Zweinstein zou kunnen, maar daar werd hij best ongelukkig van, dat duurde nog heel lang. Het dakje had al veel eerder onder handen moeten worden genomen, het viel bijna uit elkaar. En Harry mocht alles weer opknappen. Onder hem kwam Dirk aanhobbelen met zijn vrienden.

Harry herkende Bertus en Tommy, en wist dat die gozers vreselijk dom maar wel agressief waren. Hij probeerde zoveel mogelijk naar achteren te schuiven, maar Bertus had hem al door. "KIJK, daar hebben we Harry!" brulde hij, en ze lachten dom. Tommy, die het minst dik was probeerde het schuurtje op te klimmen. Harry zou ze makkelijk aan kunnen met toverstok, jammer genoeg mocht hij niet toveren buiten Zweinstein om.

Harry kon geen kant op en schuifelde nog wat meer naar achteren. TE veel dus, want hij tuimelde onder een luide kreet van het schuurtje af, zo in de tuin van de achterburen. Hij krabbelde snel overeind en zag dat de mauw van zijn T-shirt gescheurd was. Zijn rug deed pijn, en hij wreef erover terwijl hij keek of er toevallig iemand thuis was.

Hij liep de tuin door, die er nogal verwildert uitzag. Er stonden bovendien vreemde voorwerpen in: oude paraplu's, beelden van kobolden, rare kasten. Hij leunde tegen het grote raam en klopte er op. Geen antwoord. Hij klopte nog eens en keek rond. Zo te zien was er niemand thuis, wat dus betekende dat hij opgesloten zat. Hij kon niet terugklimmen naar zijn tuin, Dirk stond hem daar waarschijnlijk met zijn vriendjes op te wachten om hem eens flink door elkaar te rammelen. Harry gaapte en liet zich met gesloten ogen via de schutting op de grond zakken. Het was warm buiten.

bHarry zat in een gezellige kamer met kleine spulletjes. Naast hem werd hard gelachen, en hij stond op en zag de Wemels aan een houten tafel zitten. Ook Hermelien en haar ouders zaten aan tafel, en tussen Fred en George in zat een oud vrouwtje met grijze haren. Zo te zien waren ze allemaal heel vrolijk, en Harry stond op en legde zijn hand op Ron's schouder.

Tenminste, dat was de bedoeling want z'n hand schoot er dwars door heen. Hij krabbelde snel weer overeind en hield zich vast aan de tafel. Hij liep naar het raam en keek naar buiten, terwijl iedereen bulderend lachte om een grapje van Fred. Het was zonnig buiten, en zo te zien zaten ze aan het rand van een dorpje. Het tuintje zag er netjes uit, met mooie bloemen, en er renden overal kaboutertjes rond. Harry vroeg zich af wat hij hier deed, alles zag er volkomen normaal uit.

Opeens schrok iedereen zich dood toen er hard op de voordeur werd gebonsd. Ron's oma fronste haar wenkbrauwen. "Dat is gek, ik verwacht helemaal niemand." Ze stond op en schuifelde naar de voordeur terwijl de tweeling hun gesprek met meneer Wemel voortzette, en Hermelien met Ginny.

Harry hoorde de deur krakend opengaan, en Ron's oma vroeg: "Wie bent u?" Opeens schrok iedereen zich opnieuw rot toen een grote groene lichtflits de hele onderverdieping vulde. Er klonk een luide 'bonk' en iedereen begon door elkaar te gillen.

Ginny rende krijsend naar haar moeder, Hermelien's ouders keken elkaar geschokt aan en wisten niet wat er aan de hand was, Fred en George renden samen met meneer Wemel naar het halletje en Ron zat als versteend in z'n stoel. En Harry wist dat ze dood was. Alles begon voor z'n ogen te draaien, en het laatste wat hij zag was Bill Wemel die het versteende lichaam van Ron's oma in z'n grote armen droeg./b

Harry werd met een schok wakker en keek verwoed om zich heen. Hij zag dat hij nog steeds in de verwilderde tuin van z'n achterburen lag, maar nu was het buiten al donker aan het worden. Harry stond kreunend op en rekte zijn rug. Hij strompelde naar de overkant van het tuintje en begon tegen de schutting op te klimmen.

Hij bleef stokstijf hangen toen hij een luide grom achter zich hoorde. Hij spitste zijn oren, en hoopte vurig dat het een hond was. Maar als het een hond was, was het wel een HELE grote. Het beest trippelde naar hem toe, en Harry keek voorzichtig achterom. Hij zag twee paar bloeddoorlopen ogen en een stompe snuit.

Dit was ZEKER weten iets groters dan een hond, en Harry voelde er niets voor om er achter te komen wat het was. Het beest begon keihard te grommen, en Harry klom zo snel als hij kon naar boven. De hond sloot z'n kaken om Harry's been en scheurde een stuk van z'n broekspijp af.

Harry hees zichzelf moeizaam naar boven en met een laatste ruk belande hij op het dakje van de schuur. Hij tuurde snel over de schutting, maar de 'hond' was weer verdwenen. Moe en verward kwam Harry van het schuurtje af, wat nog steeds niet gemaakt was. Hij strompelde naar de tuindeur, deed hem open, negeerde het gebrul van oom Herman en klotste de trap op.

Hij liet zichzelf op bed vallen en bedacht zich toen dat hij een bloedende enkel had. Hij stond op en duwde zijn been onder de koude kraan. Hij staarde uit zijn open raam en dacht aan die vreemde hond. Het was eerder een soort wolf geweest, iets wat je eerder in ZIJN wereld tegen zou komen, of op z'n minst in het bos.

Maar wat deed zo'n beest dan hier? Toen opeens besefte hij dat hij gigantisch dom bezig was. Hij zat hier te piekeren over één of ander beest, terwijl Ron's familie wel eens goed in de puree zou kunnen zitten. En opnieuw schreef hij een briefje.

iRon, gaat alles nog daar? Ik heb weer een angstaanjagende droom gehad, schrijf me terug!

Harry/i

Maar net toen hij hem wou sturen bedacht hij dat Hedwig nog aan het jagen was. SHIT, dacht Harry, en zoals verwacht begon hij weer met z'n hoofd tegen de muur te beuken. Hij draaide zich abrupt om toen hij opeens een blauwe flits zag.

Hij zag een hoop rook en wist even niet wat te doen; het eerst wat in hem opkwam was met een enorme brul op z'n bed duiken en een slap kussen te gooien naar. professor Lupos?!