.
Kunt U mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?
Aflevering 21
.
DE LIEFDE VAN LIER
.
in verhaalvorm
naverteld aan de hand van de oorspronkelijke aflevering
naar het originele script van Harrie Geelen
.
Het was er plotseling. Zomaar. Uit het niets. Ineens klapperde een raam dat nog nooit geklapperd had. Papieren wapperden wild door het vertrek – papieren die tot nog toe uit zichzelf hooguit een duimbreed verschoven waren door de tedere luchtverplaatsing wanneer ze er zelf voorbij liep.
Maar nu was er gehuil en geloei in de schoorsteen, geruis en gekraak in de bomen buiten, flakkerende vlammen, een rammelende deur...
"Neeee! Neeee! Hou op!" De oude vrouw in het midden van het vertrek staarde met grote ogen naar de toenemende chaos om haar heen. "Ga weg!" krijste ze. "Hoei! Hoei!"
Als antwoord klapperde een tweede raam open. Handenvol kruiden en nog meer papieren fladderden door de kamer.
"Klapper niet, raam! Klep niet! Het waait niet!" Ze keek paniekerig om zich heen; duwde dan met moeite de zware tafel tegen de klapperende deur. "Het waait niet, het waait niet!" Een stoel werd boven op de tafel gesmakt. "Het waait niet – dit is Ieuwie!"
Maar het wild klapperende venster zei iets anders, en verbijsterd staarde ze. "Klep niet, raam! Laat Mutte stil! Zwijg! Mutte werkt!"
Maar net toen ze richting het raam wilde... "Aaaaaahhh!" Verstard staarde ze naar het venster, naar de luchtige, kalme Luchtgeest Lier die daar vriendelijk op het kozijn leunde. "Geest Lier!" bracht de oude dame uit. Maar toen nam haar boosheid de overhand. "Geest Lier, Geest Lier, wat doe jij hier?!" krijste ze over het huilen van de winden.
Luchtgeest Lier knipperde vriendelijk. "Waaien. Wapperen door Ieuwie."
"Maar dit is Ieuwie! Het waait niet in Ieuwie." De oude dame was fel in haar repliek. "Zwijg stil! Zeg, dat ze stil zijn!"
Lier ademde diep in. "Het waait maar even," suste hij. "Het waait op een waai."
"Een waai?"
"Ja."
"Waai, waai, waai? Waai wie? Waai wat? Waai waar?"
"De waai die weg is." Een zucht. "Ik ben haar naam vergeten."
"Leeghoofd!" verweet ze hem kregel. "Allemaal wind, en alléén maar wind daarboven!" Maar ze fronste. "Uit welke hoek? En hoe lang is zij al ijl?"
"Zij is al dagen ijl." Lier blies peinzend. "Wij waaien haar met kracht acht uit negen hoeken. En hier naar toe."
De oude dame trok haar wenkbrauwen op. "Maar hier is Ieuwie! Waarom naar Ieuwie? Wat moet Mutte met een waai?"
Ze schrok op van een luid gebons op de gebarricadeerde deur. Eén moment was ze als verstijfd; dan riep ze: "Ga weg!" Schril. Maar haar ogen zochten Lier. "Wie is dat?" fluisterde ze.
Voordat Lier antwoord kon geven, sprak een stem van achter de deur. "Ik klop driemaal – tot drie. Tik, tik! Ik spreek je taal – en wie ben ik?"
Muttes mond zakte langzaam open. "Wie?!" Ze staarde naar de gebarricadeerde deur, niet bij machte te geloven wat haar oren haar vertelden. "Nog!"
En na nog een veelvoud aan kloppen zong de stem achter de deur: "Ik beuk het hout, tot zeven keer. Ik heb het koud en kàn niet meer."
Mutte keek verbijsterd om naar Lier, die haar vanuit het venster goedwillend toeknikte. "Het is buiten, en het wil naar binnen."
"Ja..." Haar stem beefde. "Het oor van Mutte hoort, maar het hart gelooft het nog niet. Stil!" Ze legde haar hand op haar hart. "Wie? Wie klopt?"
Buiten het huis liet Nix Assia de klopper nogmaals neerkomen. "De klopper tikt. Word ik verwacht? Of moet ik buiten in de nacht?"
"Nou, dat zit er dik in, hoor," klappertandde Hildebrandt achter haar. "We komen geloof ik niet gelegen."
"Ssjt, stil nou, joh!" maande Bertram, meteen geëchood door Aernout.
Binnen in het huis sjorde Mutte de stoel van de tafel. "Muttes oren worden oud. Zij liegen misschien. Want Muttes oren zeggen: dit is Assia!" Ze schudde haar hoofd en trok aan de tafel. "Maar Mutte is in Ieuwie, en Assia wijd weg. Ik kom!" riep ze toch. "Mutte komt!"
En daar zwaaide de zware deur open en...
"Mutte!"
"Assia!"
De zusters vielen elkaar in de armen.
"Mutte!"
"Assia..."
"Mutte...!" Assia zuchtte van geluk. "Zeven nachten hebben wij gevlogen, en zeven dagen daartussen. En hier is Assia! Zuster... zuster!"
Mutte maakte zich wat los uit haar zusters omhelzing. "Je bent nog steeds mooi... Mutte is oud en moe."
Maar Assia schudde haar hoofd. "Mutte is mooi. De nacht valt... maar haar ogen zijn sterren."
Mutte veegde wat tranen weg. "Haar handen weven geen webben meer. Zij moet het de spinnen weer vragen. Zij ziet het slakkenslijm niet meer glinsteren in het licht van de kaars..." Haar ogen dwaalden af naar de anderen, die houterig op de drempel waren blijven staan. "Dat?"
Assia volgde haar blik. "Dat? Dat zijn mensen." En tegen de anderen: "Kom binnen, mens Brom, mens Koffij, mensje Lidwien, mens Bertram, prins Tor, kleine mensjes."
Verlegen schuifelden de Hamelaars naar binnen. "Eh... goedenacht," mompelde Lidwientje.
Mutte bekeek hen gebiologeerd.
"Goedenacht, Trol Mutte."
Mutte bleef maar zwijgend staren, en Bertram schraapte zijn keel, en wendde dan verlegen zijn ogen af.
"Is het zo goed?" kwam plotseling de stem van Luchtgeest Lier van bij het venster.
Assia schrok op. "Ja! Dank, Lier! Blijf met uw winden om Ieuwie heen, en waak over de waai!"
Lier neeg het hoofd en sloot het venster.
"En ik maak een keer pap! Beloofd is beloofd!" riep Hildebrandt hem nog na.
"Paaaaaap!" jubelde Lier terwijl hij uit zicht verdween. "Paaaaaaap!"
Mutte keerde zich nu ook naar het raam. "Waait Lier voor Assia?" vroeg ze. "Hij? Lier?"
Assia schudde haar hoofd. "Lier waait voor de mensen. Lier waait een waai. De mensen zoeken haar. En hij die een prins is – hij zoekt haar zeer."
Tor kwam naar voren en knielde voor haar neer om haar hand te kussen. Maar Mutte deinsde met een ijselijke kreet achteruit.
"Och, hij bijt niet," suste Assia haar.
"Maar zijn mond! Zijn mond kruipt over mijn vingers!"
Tor keek bepaald onthutst. "Maar ik kus Uw hand, goede Vrouw!"
"Trol! Mutte is een trol!" beet de oude vrouw hem toe.
Maar: "Nix," corrigeerde Nix Assia haar teder. "Mutte is een zuster."
Mutte keek haar langzaam aan. Het was alsof haar brein de feiten opnieuw moest rangschikken. "Dat is waar," zei ze uiteindelijk, om vervolgens te kraaien: "Dat is waar! Nix – Mutte is een nix! Kom aan haar hart, zuster!" Een onstuimige omhelzing volgde, en Tor stond maar op.
"Ja, dat is waar!" viel ook Lidwientje de beide vrouwen bij. "U bent wel een trol, U bent zelfs Oppertrol, maarre... eigenlijk bent u een gewone nix, niet?"
Assia en Mutte steigerden onthutst. "Een gewone nix?!"
"Ik bedoel," probeerde Lidwientje haar fout vlug te herstellen, "U bent geen echte trol. Nix Assia heeft ons zoveel over U verteld, Nix... Trol Mutte. Dat U bijvoorbeeld al heel lang geleden van Paay bent weggelopen, naar de trollen toe." Mutte zond Assia een snelle blik. "En dat U van Witte Willy hebt leren brouwen, zoals Assia het brouwen van de heksen heeft geleerd. En toen bent U op het laatst zelfs Oppertrol geworden, en geen enkele trol, waar dan ook, weet eigenlijk dat U zelf helemaal geen echte trol bent. Zo knap!"
Mutte staarde Assia aan. "Zij wéét!"
Assia knikte. "Zij mag. Haar oren horen, maar haar mond sluit goed. Zij zijn vrienden van Assia."
"Vrienden? Van Assia?" Mutte boog zich voorover en bestudeerde zwijgend een paar van de kinderen van heel dichtbij. De kleine Saartje Zegen deed geïntimideerd een stapje achteruit, maar Mutte had geen kwaad in de zin. "Zij zijn niet nix," concludeerde ze alleen maar. "En ook niet trol."
Hildebrandt lachte schaapachtig toen de oude vrouw haar aandacht op hem richtte. "Haha. O ja, wij weten heel veel over U, hoor."
"Haast alles," overdreef Aernout ijverig.
"En nog wel een beetje meer ook!" Hildebrandt trok zijn hoofd wat weg, want Muttes wimpers kietelden aan zijn oor.
"Zij hebben Paay gered. En Assia bevrijd eenmaal," bracht Assia in het midden. "Heel Karnagel is hen dankbaar!"
De oude Mutte richtte zich abrupt op. "Aha!" kraaide ze. "Dan zijn zij Muttes vrienden ook!" Plotseling begon ze vrolijk te dansen op haar oude benen. "Ha! Haha! Mutte maakt paddestoelen en slakken klaar! Mutte krabt haar grootste ketel schoon – van wier – met schelpen en zand en mos! En kookt een soep van padden en puimsteen – dat zal smaken! Het is feest!"
Met moeite slikte Hildebrandt wat weg. "Eh... d-d-doet U geen moeite, hoor..."
"W-w-wij hebben b-b-brood b-bij ons, hoor," stotterde Aernout griezelend.
"En ik heb niet zo'n honger ook," besloot Hildebrandt.
"Nou, honger heb ik eigenlijk wel," sprak Jochempje Quota hem tegen.
"Ja, ik ook," vielen verscheidene kinderen haar bij.
"Maar padden en puimsteen...?" aarzelde Maartje.
Gelukkig sprak Assia het bevrijdende woord. "Zuster, laat de mensen koken. Zij houden niet van de Hap van Paay. Zij eten als het varken en de aap."
Mutte staarde haar ongelovig aan. "Noten?"
Assia knikte.
"Kippen? En koe?!" Haar ogen gleden verbijsterd over de bezoekers.
Lidwientje deed een stap naar voren. "Nix... Trol Mutte, wij zijn opeens met zoveel man hier over de vloer. Maar dat is helemaal niet erg, want Hildebrandt is kok, en Aernout en ik kunnen helpen. En dan praat U intussen met Bertram en Uw zuster Assia en prins Tor de problemen door. Ik bedoel... " Ze keek om zich heen voor bijval; er werd geknikt. "Dan vertellen we waarvoor we gekomen zijn. En waarom het plotseling zo waait in Uw land en..."
"Waait!" onderbrak Mutte haar. "Ja, het waait!" Ze keek vragend rond, vooral naar Assia.
Opnieuw trad Tor naar voren. "Goede Nix. Vrouw Trol. Wij zoeken namelijk naar het mooiste meisje van de wereld. Zij is lief, en zij is blond, wat een prins maar kan begeren. Zij is de mijne, maar helaas, zij is ijl."
"Het is Madelein. Van Bambergen," verklaarde de kleine Klaasje Klomp.
"Ja, ze is ontvoerd!" vertelde Hilletje.
"Door Guurt! Van Grasp!" riep Hortensje.
Tor zuchtte. "Hij was een prins..."
"En nou is ze onzichtbaar, Madelein," besloot Saartje Zegen.
"Een waai, heet dat," verbeterde Jochempje Quota. "En ze waait hier ergens rond nu, want ze is hierheen geblazen."
Mutte liet zich verward op een stoel zakken, maar keek opgewonden van de één naar de ander. "Veel verhalen... Er gebeurt veel in de nacht! Maar de maan was ook rond als een uilenoog, en de muizen waren stil..."
Hilletje deed aarzelend een stap dichterbij. "Kunt U ons helpen, Nix Mutte?"
"Tuurlijk!" zei de kleine Klaasje. "Ze is Opperopperoppertrol!"
"Ja," zei Saartje naast haar. "Mutte is de baas!"
Mutte kromp ineen bij het zien van die zee van verwachtingsvolle gezichten om haar heen, en Assia pakte haar bezorgd bij de schouder. "Mutte kan het," zei ze bemoedigend.
Maar Mutte draaide zich gealarmeerd om bij het geluid van Hildebrandts voorbereidingen voor de maaltijd.
De klepperman had stof, boeken, kruiden en een vreemdsoortig skelet een beetje opzij geschoven om ruimte te maken op de grote tafel.
Hij opende wat potten en vijzels en rook aan de inhoud – en walgde zichtbaar.
Hij hield een roerlepel op en trok een vies gezicht.
Een dode muis verdween met afgrijzen in een ver hoekje, terwijl Lidwientje en een paar kinderen ijverig manden aandroegen en daaruit koude kippen, brood en fruit tilden en op tafel uitstalden.
Hildebrandt schudde zijn hoofd. "Wat eten wij vandaag?"
"Waar je ook komt
Hoe je ook reilt
Op welke zeeën je mogelijk zeilt
En welke reus er de vloer met je dweilt
Steeds rijst de grote vraag
Ik ben een wijs man
Ik ben een bereisd man
Geen zee gaat mij zelfs te laag
Vandaar dat u rustig
Met mij mee op reis kan
Maar vroeg of laat rijst de vraag
Ik stel die vraag ook graag!
Hoe luidt die vraag?
Hoe luidt die vraag?
Wat eten wij vandaag!
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?
Dat is vandaag de vraag!
Heb je het zeer druk met een draak
Vecht je wat af voor een heilige zaak
Stel je een kwalijke aap aan de kaak
Steeds rijst de grote vraag
Ik ben een wijs man
Ik ben een bereisd man
Die gaarne mijn leven waagt
Vandaar dat u rustig
Met mij mee op reis kan
Maar vroeg of laat rijst de vraag
Ik stel die vraag ook graag!
Hoe luidt die vraag?
Hoe luidt die vraag?
Wat eten wij vandaag!
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?
Dat is vandaag de vraag!
Zit je een week op zee op een vlot
Word je door elfen en feeën bedot
Al zit je ook in de puree tot je strot
Steeds rijst de grote vraag
Ik ken een wijs man
Ik ken een bereisd man
Voor wie ik mijn leven waag
Een man waar je rustig
Een jaar mee op reis kan
En vroeg of laat rijst de vraag
Ook ik stel graag die vraag!
Hoe luidt die vraag?
Hoe luidt die vraag?
Wat eten wij vandaag!
Juist!
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?
Dat is vandaag de vraag!
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?
Wat eten wij vandaag?"
Terwijl de Hamelaars binnen een laat avondmaal nuttigden en hun verhaal aan Oppertrol Mutte vertelden, ruisten buiten de winden door de bomen. De takken, zelfs de kaarsrechte stammen kraakten vervaarlijk onder dit ongewoon geweld. Het lange gras tussen de vreemde zerken boog verbaasd; de massieve beelden sidderden op hun pilaren.
En daar, op één van de marmeren bollen, zat een vrouw in een vluchtig paars gewaad. Het fladderde om haar heen in de nachtelijke bries, maar ze verroerde zich niet – zelfs niet toen Luchtgeest Lier voor haar verscheen.
"Nachtwind Holle," zuchtte hij zacht. "Wat voert U hier? Waarom niet geblazen? De waai is hier rondom – wij moeten blijven blazen. Anders waait de waai weer weg."
Maar Nachtwind Holle staarde langs hem heen. "Waar is hij?" vroeg ze op dromerige toon.
"Hij? Nee, niet hij." Lier schudde verbaasd zijn hoofd. "De waai is een jurk. Met een kroon."
Holle bewoog zich nog steeds niet, maar haar grote ogen glansden in het maanlicht. "Waar is de broek?" ademde ze.
"Hij van Sombrië? Die kermt om de waai? Die is binnen..."
"Nee... niet!" Holle slaakte een zucht vol verlangen. "Hij-die-niet-klaagt. Met de stem van een faun aan een bergbeek."
Lier fronste lichtjes. "De bolle broek? Die pap maakt? Hij is binnen. En hij van Koffij, die is erbij. Maar de pap moet..." Hij zweeg verward bij het zien van Holles dromerig nee-schudden.
"Nee, nee, nee," fluisterde de nachtwind. "De broek die stuurt. Met de manen van een paard." Ze zuchtte. "Het is zacht als de veren van een uil, zijn haar. En tussen zijn tanden fluit de wind. Lippen als mos..."
"Hij van Bier!" begreep Lier ineens. "Hij praat. Hij is binnen met de anderen en mompelt met Mutte. Kom."
Maar Holle verroerde zich niet. "Waar gaat hij heen?" lispelde ze. "Wie wil hem hebben?"
"Hij van Bier? Van Brood?" Lier schudde zijn hoofd. "Niemand wil hem hebben. Kom."
"Is hij niet van Assia?"
"Nee. Nee, nee, nee." Hij ademde diep in. "Niet. Niet van Assia. Hij kan haar niet paayen. Hij is niet nix. En hij is niet mooi."
Holle blies een zacht briesje. "Oh, ik word windstil van hem. Hij maakt mij wazig als ik aan hem denk..."
"Windstil?!" Lier haalde diep adem, en blies een straffe wind in Holles gezicht. (Windstil?! Van hem van Bier!?) "Steek op, Nachtwind Holle!" beval hij dreigend – hij wist de ergernis en de jaloezie maar nauwelijks uit zijn luchtige stem te houden. "Het Uur van de Pap nadert. De waai is hier rondom. Houd haar met ons laag in het gras in bedwang." Een nieuwe ademteug in een poging zijn vlammende jaloezie te beteugelen. "Norveg staat in het Oosten, Bas ligt op zijn buik en ademt de stenen warm. Je zuster rimpelt het water. Jaag de waai..." Hij stopte. Ze luisterde niet. Ze staarde alleen maar. Langs hem heen, naar het huis. Het huis waar hij van Bier... "Kom... Holle..." fluisterde hij vleiend. "Kom."
"Hij is mooi..."
"Hij is een broek. Hij is niet ijl genoeg." Lier strekte een hand naar haar uit in een poging haar te overreden. "Laat hem waaien."
Voor het eerst die nacht keek Holle hem aan. Maar de kille vastberadenheid in haar ogen deed de ademtocht stokken in zijn keel. "Holle wil hem hebben..."
