Binnen in het huis van Mutte werd inmiddels druk beraadslaagd. Door de volwassenen dan; de kinderen waren direct na het eten – veel te laat, volgens Bertram – onder protest met dekens en kussens uit de pompoen naar het donkere zoldervertrek gestuurd om te gaan slapen.

En nu zaten dus Bertram en Lidwientje met prins Tor, Nix Assia, en Oppertrol Mutte rond het haardvuur, terwijl Hildebrandt en Aernout zich in een hoek aan de afwas wijdden.

"De padden zijn gemakkelijk," zei Mutte, al stond haar oude gezicht bezorgd. "Het sap is vlug gemaakt."

"Nou, dat is toch prachtig!" Lidwientje was ongeduldig, zoals altijd. "Dat is al meer dan het halve recept voor de thee voor Madelein!"

Maar Assia vermoedde waar het echte probleem school, en ze legde haar hand op haar zusters arm. "Wat Geerte de Trol kan, dat kan zuslief ook."

"Maar de woorden van Witte Willy..." Mutte schudde besluiteloos het hoofd. "Mutte weet ze niet meer."

Bertram slaakte een zucht. "Jammer, dat die thee die Geerte klaar had niet langer goed gebleven is."

Assia lette niet op hem. "Het spuug van een spin, helpt dat niet?"

"Voor haar haren, ja." Mutte staarde voor zich heen. "Maar de woorden van Witte Willy maken haar huid weer blank..."

Tor keek angstig van de één naar de ander. "Zij mag ook zwart zijn! Of rood! Maar geeft U mij haar terug!"

"... en haar ogen weer glanzend." Het leek wel of Mutte hem helemaal niet hoorde.

"Ik heb haar lief, al staan haar ogen dof!" Tor smeekte nu bijkant, maar Lidwientje trok hem terug op zijn stoel.

"Nee, nee, heel aardig en liefhebbend van je, Tor, maar het moet een beetje degelijk gebeuren, hoor."

"Geen half werk, kerel," voegde Bertram er opbeurend aan toe. "Op één been kan ze niet staan."

Dat deed weinig om Tor gerust te stellen. "Scheelt het ook in het aantal benen?" vroeg de arme prins bezorgd.

Maar aangezien Assia net weer het woord nam, beperkte Lidwientje zich tot een geruststellend klopje op zijn hand.

"Assia weet veel woorden." Het klonk peinzend.

"Van Witte Willy?" vroeg Mutte met grote ogen.

Assia knikte, en Mutte had duidelijk meteen veel meer hoop. "Wie weet, Assia's woorden en Muttes woorden, dat zijn samen..." Haar stem stierf verwachtingsvol weg, en Bertram had genoeg gehoord.

"Mooi. Steek de hoofden bijeen dan! Dan gaan Lidwientje en Aernout en Hildebrandt en ik op dat kerkhofje buiten naar die kruiden zoeken. Zeg Hildebrandt, jij kent die kruiden toch allemaal, hè?"

"Huh? Oh! Ehm..." Hildebrandt liet onhandig de droogdoek uit zijn vingers vallen en raapte hem steunend van de vloer. "Ehm... je bedoelt naar het k-k-kerkhof? Nu?!"

"K-k-kan het morgenvroeg niet gewoon?" bibberde Aernout. "D-d-dan is het wat lichter."

Bertram kruiste de armen over de borst. "Wou je Tor nòg een slapeloze nacht laten doormaken?" informeerde hij op ijzige toon.

"Natuurlijk niet, natuurlijk niet," babbelde Hildebrandt nerveus. "Maar ik moet ook nog water opzetten, en het vuur is niet goed opgestookt en..."

Eén blik op Bertram was voldoende voor Lidwientje om te zien dat er een woedeuitbarsting aan zat te komen, en ze pakte hem vlug bij de arm. "Ach, ze zijn gewoon bang, zie je dat niet?" plaagde ze, en trok Bertram zonder meer mee. "Kom, dan gaan wij samen. Het is heerlijk buiten – alleen maar een héél zacht briesje."

De verandering in Bertram was haast komisch, en ze hield met moeite haar lachen in toen Aernout en Hildebrandt ginnegappend hun volle steun aan het plan betuigden.

"Die tortelduifjes...! Goed idee, ja!"

Tor rees ook overeind. "Van Bier, ik ga mee."

"Nee, nee," zei Bertram snel. "Blijf zitten, kerel! Misschien kun je nog wat praten met Nix Assia en Nix Mutte. Je bent toch zelf tovenaarsleerling geweest. Wellicht kun je ze assistentie verlenen of zo."

Tor opende zijn mond al om te protesteren, maar Lidwientje verduidelijkte vlug: "En ik wil weleens alleen zijn met Bertram."

"Oh." Tor keek verslagen van de één naar de ander. "Ja. Natuurlijk. Gaat Uw gang, mensje Walg." En hij zonk weer neer in zijn zetel bij de twee nixen.

"Ha ha. Jullie liever dan ik!" riep Hildebrandt. "Nou, kom op, Aernout. Het vuur hoog. En water."

Maar Aernout was nog niet klaar. "Handje-plak op het kerkhof," giechelde hij dom. "Hè ja, gezellig."

Bertram kon het niet laten: hij gaf Aernout nog snel even een zachte schop onder zijn achterste, en zijn slachtoffer gilde: "Hela! Niet handtastelijk worden, hè? Niet voettastelijk, bedoel ik!"

Maar een grinnikende Bertram was al – hand in hand – met Lidwientje bij de deur.

"Sst! De kinderen slapen!" waarschuwde Lidwientje toen ze de deur open trok.

Maar dat had ze gedroomd...


"Bah," gromde Barend verongelijkt.

"Naar bed gestuurd," mopperde Dirkje die naast hem uit het venster leunde. "En zij beneden mooi Madelein terug toveren!"

"Dat jullie naar bed zijn gestuurd, dat begrijp ik nog. Maar dat ik...?!"

"O ja? Begrijp je dat?" snibde Maartje achter hen.

"Ja," vond Barend. "Ik ben de oudste! En de schildknaap. De officiële schildknaap."

Maartje maakte een minachtend geluid, en Dirkje peinsde somber: "Ik had haar zo graag weer zichtbaar zien worden. Gewoon, kijken hoe dat ging."

Ze zwegen even, en Maartje zocht uiteindelijk haar deken weer op. Maar Barend en Dirkje bleven naar buiten turen, naar het spookachtige kerkhof in de maanlichte nacht, waar de takken nu zachtjes ruisten.

"Moet je kijken," zei Barend op het laatst. "Al die rechte bomen. Je kan wel zien dat het hier nooit en nooit waait."

Dirkje keek naar hem op. "Hoe zie je dat dan?"

"Nou, omdat alle bomen recht groeien. Ze buigen niet mee met de wind, want er is nooit wind. Regen zal hier ook wel recht omlaag vallen. En wolken blijven altijd op dezelfde plaats, en het weer verandert nooit..."

"Ja..." Dirkje staarde verwonderd de nacht in en probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn als het weer elke dag hetzelfde was. Altijd zon – of altijd regen en wind? Haar ogen gleden langs de steile bomen, de rechte zerken... "Hé, kijk! Daar zijn Bertram en Lidwientje!" Ze giechelde.

Barend keek koel op haar neer. "Wat lach je?"

"Ze zoenen," fluisterde het meisje veelbetekenend.

Barend haalde zijn schouders op. "Da's toch heel gewoon."

Ze keek eens naar hem op. "O ja?"

En Barend leunde zijn ellebogen op de vensterbank en snoof minachtend. "Sex..."


Beneden rond de tafel bij de haard waren Mutte en Assia druk bezig alles te verzamelen voor de thee. Mutte bladerde in oude, dikke boeken en mummelde zo nu en dan wat.

"Duivelskruid."

"Duivelskruid," bevestigde Assia, en zette het betreffende potje op tafel.

"Krekelzalf."

"Krekelzalf."

"Koehoorn."

"Koehoorn."

"Gemalen."

"Oh." Assia pakt een ander potje. "Gemalen."

"Het oog van een zwijn..."

Assia knikte kordaat. "Dat is er allemaal al. Wat nu? Geerte had niet het oog van een zwijn."

Mutte keek onzeker op uit haar boek. "Maar het... het moet. Toch?"

"Geerte is een gans," verklaarde Assia vastberaden. "Mutte zegt, dat het moet. Het moet." Ze bonsde het potje met zwijnenogen neer op de grote tafel. "Wat nog? Nu?"

"De woorden..."

"Het lied al?"

Tor veerde overeind, blij misschien eindelijk iets te kunnen betekenen. "Kan ik iets zingen?" Maar de koele, afwezige blikken die de beide nixen hem toewierpen deden hem meteen weer in zijn schulp kruipen.

"Mutte weet de woorden," zei Mutte zacht.

"Ja?"

"Jawel." Ze dacht een ogenblik. "Jawel."

Assia knikte haar bemoedigend toe. "Assia zal de oliën roeren en het been van een mol malen."

"En Mutte maakt de thee. Zij heeft een kist vol met het blad. Alleen de kruiden heeft zij niet." Ze keek vragend naar de deur.

"De kruiden komen," stelde Assia haar gerust.

Tor keek op. "Kan ik iets halen? Kan ik iets roeren?"

Maar onder hun koele zwijgen voelde hij zich nog eens zo nutteloos. Niets kon hij doen – niets!

"Waar sprenkelen wij de thee, als wij hem hebben?" hoorde hij Assia vragen.

"Daar waar zij waait. Op haar!" was Muttes antwoord.

"Hoe vinden wij haar? Zij valt niet in het oog. Zij is een waai."

Tor keek haar diep bezorgd aan, maar waagde het niet meer zijn mond open te doen.

"Wij vragen het Lier," stelde Mutte voor.

"Waar is Lier?"

"Is hij niet buiten?"

"Ja. Wij zullen hem roepen."

"Straks."

"Ja, straks."

"Eerst de thee."

Tor stond zwijgend op en drentelde naar het raam. Daar – daarbuiten in de nacht moest ze ergens zijn. Zijn Madelein. Minder dan niets. Een waai in het maanlicht – onzichtbaar, onhoorbaar, onvoelbaar. Zou het de oude nix werkelijk gelukken haar weer te ontwaaien?

Als hij maar iets kon doen, iets kon betekenen in haar redding, zodat hij zich niet zo reddeloos onnuttig hoefde te voelen...

"Dom, en goed voor niets
Het vijfde wiel dat zelden telt
Een harlekijn vermomd als held
Die daast, en domme vragen stelt
Hij telt de dagen met een zucht
Omdat hij niet weet wat hij moet
Hij doet wat slagen in de lucht
Verwaaid, verwoed

Ik... ik ontmoet de wind op elke hoek
En voel hem vagen langs mijn wang
Alleen bij vlagen ben ik bang
Dat jij het bent, en ik niet weet
Je vraagt de wind niet hoe hij heet
Je laat hem strijken door je haar
Je weet niet zeker wie het deed
'Het zal de wind zijn,' zeg je maar...

Waar waai je heen, waar waai je heen?
Waar waai je heen?

In het seizoen waarin men hooit
Zag ik het gras nooit mooier staan
Van alle dromen die ik ooit
Voor mij in rook heb op zien gaan
Was jij de mooiste, Madelein
En in de hoop dat ik je vind
Zo lang je lucht voor mij zult zijn
Gooi ik mijn kussen in de wind

Waar waai je heen, waar waai je heen?
Waar waai je heen...?"

Zijn stem brak toen hij het stelletje daarbuiten in het maanlicht ontwaarde. Mens Bertram en mensje Walg. In een innige omhelzing... met oog voor niets en niemand dan enkel elkaar.


"Mmm..." Het was met tastbare tegenzin dat Lidwientje zich uiteindelijk half losmaakte uit hun kus. "We zouden ook nog iets zoeken..." mompelde ze halfslachtig.

Bertram lachte zachtjes. "Ik heb het anders al lang gevonden." Hij trok haar weer tegen zich aan, en even gaf Lidwientje mee.

Maar dan maakte ze zich – kordaat nu – uit zijn armen los. "Nee, iets anders."

"Ik wil helemaal niets anders." Hij sloeg zijn armen om haar middel en probeerde haar weer in zo'n heerlijke kus te betrekken. Nou eens even geen problemen. Even tijd voor elkaar.

Maar Lidwientje duwde hem teder terug. "Nee, kom mee, Bertram. Hoe eerder die kruiden er zijn, hoe eerder Madelein weer Madelein is. Elke seconde duurt uren voor Tor."

Bertram zuchtte en liet haar los. Maar nam dan toch bliksemsnel nog even haar gezicht in zijn handen en kuste haar nog even heel teder op de mond – als afscheid van een onderonsje van het soort dat hij eigenlijk veel en veel vaker met haar zou willen hebben. Dat is, als de omstandigheden het ten minste zouden toelaten...


Verderop in de tuin sloeg Nachtwind Holle hun doen en laten gebiologeerd gade. "Wat doet hij met haar, daar?" vroeg ze nieuwsgierig aan Lier.

Lier keek donker en blies een zacht briesje. "Hij ontneemt haar de adem. Hij kust haar de wind van de lippen."

Een flauwe glimlach speelde op het gezicht van Holle. "Hij ontneemt mij de adem ook. Ik word wazig van hem... bijna..."

Lier keek ongerust opzij. "Kom, Holle. Kom waaien."

Ze wuifde hem weg. "Straks."

"Nu!" hield hij vol. "Wij moeten de waai vinden voor de midnacht!"

"Waar kan zij zijn..." prevelde Holle zonder haar ogen van Bertram af te wenden.

"Lier weet." Een diepe ademteug. "Onder de vogellijm. Ik zag het gras beven, en het was geen van ons."

Holle knikte traag. "De waai..." Ze wierp een vage blik op het gras onder de maretak. "Wat doet zij daar onder de vogellijm?"

"Zij is daar beschut," legde Lier uit, blij eindelijk haar aandacht te hebben. "Zij is moe van ons, opgejaagd van alle kanten. Het is daar rustig, en windstil."

"Ja." Holle wierp hem een vlugge, scherpe blik toe; toen dwaalden haar ogen weer af naar hem van Bier die daar nu tussen de zerken rondstapte en af en toe bukte. "Windstil..."

"Kom nu, Holle," drong Lier aan.

"Ja... onder de maretak..." prevelde Holle, en ze stond eindelijk – langzaam – op.


"Wat een vreemde graven, hè?" Met de aangeboren nieuwsgierigheid van een vrouw kon Lidwientje het gewoon niet laten om te proberen de opschriften op de grafzerken en beelden te ontcijferen. "Wie zouden hier begraven zijn, Bertram? Ik kan niets lezen. Het zijn allemaal vreemde tekens, of er staat helemaal niets."

"Faunen misschien. Of gnomen." Bertram bukte zich en bestudeerde een plantje. "Is dat niet mierikswortel?"

Lidwientje hurkte naast hem neer. "Ja. Dan hebben we al drie kruiden van de lijst." Ze plukte voorzichtig een paar takjes af en legde ze in het mandje. "We moeten ook nog maretak hebben. Kun jij daar nog naar kijken?"

"Dat is toch vogellijm, hè?" Bertram knikte naar het midden van de tuin. "Dan moeten we bij die bomen kijken, neem ik aan. Als jij dan die andere twee kruiden nog zoekt...?"

Lidwientje knikte. "Jij die bomen; ik ga daarachter nog even kijken."

En zo liepen ze ieder een andere kant op.


Boven voor het raam slaakte de kleine Dirkje een zucht. "Ze zijn uitgezoend."

"Ja." Met een geeuw liet Barend zich op zijn deken zakken. "Nou doen ze ten minste weer gewoon wat ze moeten doen."

Dirkje grinnikte. "Nou heb je wel slaap, geloof ik, hè?"

Barend bromde wat. "Dat krijg je wel van pure verveling." Hij ging liggen en trok de deken om zich heen. "Nou, maf ze."

Dirkje bleef nog even bij het raam staan. De meeste kinderen sliepen inmiddels, en buiten was ook niet veel meer te beleven nu Bertram en Lidwientje uitgezoend waren. Ach ja... Ze liet zich ook op haar deken zakken. "Welterusten."


Beneden was er echter van alles aan de hand. "Het water kookt, en alles zit erin," zei Hildebrandt met dichtgeknepen neus. Hij gaf Aernout een por. "Roeren!"

"Heet dit thee?!" Aernout kokhalsde, maar hij deed zijn best. "Het is vast niet goed, hoor!" protesteerde hij zwakjes.

Assia keek op van het boek waarin ze met Mutte zat te bladeren. "Nee, dit is niet de thee. De thee komt nog. Dit is het sap. De thee, dat zijn de kruiden die mens van Bier haalt, en mens Lidwientje. Dit is voor de geur."

"Oh. En er moet zeker nog een schepje suiker in ook, hè? En een wolkje melk." Hildebrandts poging tot sarcasme viel zoals gewoonlijk weer dood, zodat hij ter compensatie Aernout nog maar weer een peut gaf. "Roeren, Aernout!"

"Ik... ik... ik word hier niet goed van, hoor! Ik geloof dat ik..." Wanhopig slikte de poortwachter wat weg.

"Mens Brom, mens Koffij, waar blijven mensje Lidwien en mens Bertram?" kwam Assia bezorgd tussenbeiden. "Het sop vergaat! De kracht vliegt weg!"

"Ja, ik vervlieg ook bijna." Hildebrandt wapperde de dampen weg.

"Ik ga wel eventjes kijken," kwam het gesmoord van Aernout terwijl hij al richting de deur stommelde met zijn hand stijf over zijn mond.

"Hé, ik wou zelf net buiten gaan kijken!" riep Hildebrandt hem na terwijl hij de pollepel uit de drab viste.

"Niet nodig. Ik moet er toch net wezen." Aernout viel haast naar buiten, de nacht in, terwijl Mutte en Assia hem verwonderd nakeken.

"Mens Brom – roeren!" riep Assia plotseling.

En walgend, met dichtgeknepen neus, kweet Hildebrandt zich van zijn taak...


Toen Aernout zich weer oprichtte, ontwaarde hij in de verte Lidwientje die uit de struiken het spookachtige kerkhof weer opstapte. Hij slikte nog eens. "Lidwientje... Lidwientje! Oehoe!" Hij zwaaide, en Lidwientje zwaaide terug en kwam op hem toe.

"Aernout, is Bertram al terug?"

"Nee." Aernout schudde zijn hoofd. "Nee. Ik kom net naar buiten om..." Hij blikte even schielijk naar de bosjes terzijde. "Om eh..."

"Om door te geven dat we binnen moeten komen," maakte Lidwientje zijn zin af.

"Nee, niet om door te geven. Om over te geven," verbeterde Aernout miserabel.

"Oh!" Ze zag nu ook de lichte plek op het bosje daar opzij. "Stinkt het zo erg?" vroeg ze zachtjes.

Aernout knikte, en Lidwientje slaakte een zucht. "Nou ja, als Bertram er nog niet is... We gingen even ieder een andere kant op. Maar ik heb alles wat we nodig hebben, want er zaten ook wat plukken vogellijm in die struiken. Kom maar binnen dus; we hebben alles voor de thee bij elkaar. Bertram zal zo wel komen."

Aernout verslikte zich van ontzetting. "... Thee...? Zei je thee?!"


Bertram had inmiddels ook vogellijm gevonden. Voorzichtig was hij tussen de takken doorgestapt, en inderdaad, daar, vlak boven zijn hoofd, groeide een grote bol vogellijm.

"Vogellijm. Maretak," prevelde hij, en reikte omhoog om voorzichtig een paar takjes af te breken. En verstarde plotseling.

Daar, half achter hem, half naast hem, waar net nog niets was, stond plotseling iemand.

Een vrouw. Een vrouw in een paars gewaad, en met een paarse muts op haar lange donkere krullen. Een vrouw met grote, glanzende ogen.

Hij liet zijn armen zakken en draaide zich – toch wat op zijn hoede – naar haar om. "Wie bent U?"

"Holle." Haar stem was een fluistering, alsof ze hem wilde betoveren.

"Holle," herhaalde hij dus, en schraapte zijn keel. Hard. "Mijn naam is Bertram Bierenbroodspot."

Ze gaf hem niet direct antwoord; in plaats daarvan bleef ze hem met die diepdonkere ogen aanstaren. "Mooi," zei ze uiteindelijk, op een zo tedere toon dat hij automatisch zijn wenkbrauwen fronste.

"Pardon?"

"Holle is blij met je."

Een piepklein zaadje van onrust begon te ontkiemen. "Ik geloof niet, dat ik U helemaal begrijp wat U bedoelt. Wie... wat doet U hier?"

"Wachten. Op jou." Weer die verleidelijke blik.

Hij schudde kort zijn hoofd. "Wacht U op mij? Waarom? Ik ken U toch niet."

"Ik zal je mij leren..." was het gefluisterde antwoord, en Bertram voelde een vage paniek opkomen.

"Waarom?" vroeg hij bruusk. "Waarom moet ik U leren?"

"Omdat je van mij bent. Van Holle." Ze strekte haar armen naar hem uit en pakte hem liefdevol bij de schouders.

Ze was onverwacht sterk in haar handen – zelfs één stap achteruit zetten kostte hem een onmogelijke moeite. "En wat maakt dat U denkt, dat ik van U ben?" beet hij haar toe, terwijl hij vergeefs trachtte buiten het bereik van haar dwingende handen te stappen.

Holles ogen straalden. "Je staat onder de vogellijm."

"Onder de..." Hij keek geschokt omhoog. "Onder de vogellijm? Mistletoe!" wist hij ineens.

"En Holle ook!" Ze stapte stralend naar voren en perste zich dwingend tegen hem aan. "Samen..."

"Onder de mistletoe..." Vervuld van weerzin probeerde hij nogmaals achteruit te stappen en haar handen van zijn schouders te trekken – maar het was tevergeefs. "Ik... Laat me los!"

"Kom dan..." teemde zijn verleidster vleiend.

"Ik kom niet van mijn plaats, ik..." Hij worstelde tegen krachten die niet alleen van haar handen leken uit te gaan. "Laat me los!"

"Kom bij Holle..."

"Ik krijg mijn armen niet omhoog!"

"Sla ze om Holle..." Haar hoofd lag nu genietend tegen zijn borst.

"Ik zou wel willen slaan, ja!" Verbeten kronkelde hij, worstelde hij met de onzichtbare machten die hem gevangen hielden in de armen van deze vrouw.

Doof en blind voor zijn worsteling keek ze naar hem op. Haar ogen straalden, en haar mond zong – de soort woorden die hij nooit van iemand anders dan Lidwientje had willen horen... "Ach, wat ben je mooi...! Mooier nog dan van ver. Haren zacht als van een uil, lippen als mos, en de wind fluit tussen je tanden als je boos bent. Holle is zo blij met je – zo blij!" Ze ging op haar tenen staan – maar dat nooit!

Met de grootste moeite draaide hij zijn hoofd weg, en ze kuste hem met gespitste lippen op zijn kaak. "Holle wordt wazig van je... Word wazig met Holle..."

Met schrik voelde hij, hoe hij langzaam oploste. Langzaam, maar zeker. Oploste. In het niets.

Hij schreeuwde – maar hij hoorde zichzelf niet meer.

En toen was hij weg. Waren ze samen weg.

Het gras onder de vogellijm beefde.