Binnen wisten ze van niets. De kinderen sliepen. Tor staarde moedeloos in het brouwsel dat Assia klaarmaakte. Mutte roerde als in trance in de thee. En Lidwientje, indachtig aan de catastrofe van vorige keer, had zich tot taak gesteld om Aernout en Hildebrandt zo ver mogelijk van de brouwende nixen vandaan te houden – wat in het geval van Aernout niet moeilijk was, want die hing slap en steunend op een bankje bij het raam.

"Dit zijn zowat de laatste, Mutte," sprak Assia bemoedigend. "Weet Mutte de woorden?"

Mutte wiegde heen en weer. Af en toe roerde ze. "Ze zijn moeilijk," mompelde ze op het laatst. "Ze zijn moeilijk. Ze zingen maar zachtjes in haar hoofd... Roep Lier... Roep Lier..."

"Luchtgeest Lier. Ja." Lidwientje keek om zich heen. "Hoe kunnen we Luchtgeest Lier vinden, Nix Assia?"

"Roep hem," antwoordde Assia kort terwijl geconcentreerd iets in de ketel snipperde. "Open het raam. Lier hoort het."

"Ja! Een raam open!" Hildebrandt wist niet hoe vlug hij bij het venster moest komen, en zelfs Aernout leefde zwakjes op.

"Mag het open? Mag het werkelijk open?"

"Ja. Nou, ga eens opzij." Hij gooide het raam wijd open. Dampen golfden de nacht in, en ook Aernout – groener dan ooit – hing meteen naar buiten.

"En nu?" vroeg Hildebrandt.

"Roep Geest Lier," beval Lidwientje.

"Ja. Oh. Gewoon roepen? Geest Lier! Geest Lie-ier!" galmde hij langs de brakende Aernout.

"Driemaal," zei Nix Assia terwijl ze aandachtig iets helblauws in de thee druppelde. "Geest Lier, Geest Lier, kom hier, kom hier."

Dus Hildebrandt brulde: "Geest Lier, Geest Lier, kom hier, kom hier!"

"Da's één," zei Lidwientje.

En terwijl Assia Mutte het allerlaatste kruid aangaf, brulde Hildebrandt dezelfde zin nog twee maal: "Geest Lier, Geest Lier, kom hier, kom hier!"

Even was het unheimisch stil, afgezien van het pruttelen in de ketel.

"Nou, waar is 'ie nou?" vroeg Hildebrandt.

"Hier is Lier!" Hildebrandt deinsde met een gil achteruit toen Lier plotseling vlak voor het venster verscheen.

"Ha ha." Hildebrandt lachte geschrokken. "Jij komt zowaar uit de lucht vallen, hè?"

"Oh, Geest Lier!" Lidwientje kwam vlug op het venster toe. "De thee is haast klaar!"

"Oh." Hij keek teleurgesteld. "Geen pap?"

Lidwientje schudde spijtig haar hoofd. "Maar nu Madelein nog. We moeten de thee op haar gaan sprenkelen."

Lier knikte berustend. "Lier weet waar zij is."

"Waar dan?"

"Onder de bomen in de tuin. Bij de maretak."

"Onder de bomen in de tuin, bij de maretak," herhaalde Lidwientje voor alle zekerheid.


Nu de hele groep zich naar buiten verplaatste en zich niet ver van het dakvenster bij de vogellijm opstelde, kwam er ook weer leven in de zolderverdieping. Dieuwertje, die erg licht sliep, was de eerste die zich bewust werd wat er buiten gaande was. Ze maakte vlug haar vriendinnen wakker, en binnen de kortste keren verdrongen alle vijfentwintig kinderen zich voor het ene raam.

"Hier, Lier?" hoorden ze Assia vragen.

En Lier wees naar de grond. "Ja. Daar beeft het gras – kijk. Wij hebben haar met alle winden hierheen geblazen."

Enkele kinderen zogen hun adem in. Daar, dat gras... daar was prinses Madelein die ze zo lang gezocht hadden...

En beneden in de tuin viel Tor op zijn knieën voor het gebogen gras. "En dan te denken dat...! Dit gras, dat daar beeft, zoals ik... Dat dit gras... O nee! Madelein! Minder dan damp!"

Aernout klopte hem op de schouder. "Rustig. Rustig, ouwe jongen."

"'t Is nou zo gebeurd," beloofde Hildebrandt.

"Twee tellen de adem inhouden, en hop! Ze staat er weer," voegde Aernout eraan toe.

"Ja, een wolk van een meid." Hildebrandt schraapte verlegen zijn keel.

Intussen was Nix Assia druk doende met allerlei ingewikkelde bezweringen. Zou het ditmaal lukken? Echt lukken?

"Mutte..." prevelde Assia. "Sprenkel."

De oude Mutte kwam zwijgend naar voren, en begon nauwgezet thee te sprenkelen op de plek waar het gras plat was.

Tor staarde. Iedereen staarde. Maar er gebeurde niets.

En Mutte sprenkelde. En Assia prevelde en bezweerde.

Tor keek onrustig opzij, naar Lidwientje. Ze knikte hem geruststellend toe, maar zijzelf beet zich ook op de lip van spanning. Zou het echt...?

En Mutte sprenkelde. En Assia prevelde en bezweerde.

"Ze komt niet, ze komt niet...!" klonk wanhopig de hartekreet van Tor, maar Lidwientje suste hem onmiddellijk: "Tor, rustig! Rustig!" Stilte hadden ze nodig. Concentratie. Laat de waai Madelein niet nog eens ontsnappen...

En Mutte sprenkelde. En Assia prevelde en... Daar was iets... Daar was iets! Een vrouwelijke vorm begon vaag gestalte aan te nemen op de plek in het gras. En voor zelfs Tor maar overeind gesprongen was, nam de figuur vaste vorm aan en draaide zich stralend naar hen om.

"Oh! Mijn lief, mijn heil! Madelein!" juichte Tor.

En onder donderend gejuich van de volwassenen in de tuin en de kinderen bij het zolderraam sprong ze dolgelukkig in Tors armen. "Oh Tor... oh Tor!"

Uitzinnig van geluk draaide Tor met haar in het rond. "Madelein! Mijn Madelein! Oh, dank! Dank, Trol Mutte! Dank, Nix Assia! Dank, dank, Lidwientje, , Koffij, Brom..." Hij stokte ineens. "Wat is er, lief? Wat kijk je bedrukt?"

"Oh Tor..."

"Is het...?" Paniek kroop in zijn blik. "Is het lachen je vergaan? Het lachen!" Radeloos zette hij haar op haar voeten en zocht steun bij Mutte en Assia. "Zij lacht niet meer!"

De prinses schudde droef haar hoofd, en zocht Lidwientjes blik. "Mens Bertram..."

"Mens B..." begon Tor niet-begrijpend. Hij keek zoekend rond. Waar was Bertram eigenlijk?

Maar Lidwientje kwam ongerust naar voren. "Prinses Madelein, wat is er met Bertram?"

Prinses Madelein gaf haar een blik vol deernis. "Hij is mee."

"Mee...? Met wie?!"

Een droeve zucht. "Hij stond onder de maretak." Ze wees naar de vogellijm vlak achter hen.

"Mens Bertram onder de...?!" Assia keek bepaald onthutst. "Mutte!"

"De misteltak," zei Mutte zacht.

"Nou en?" kwam het angstig van Lidwientje – ze begreep wel niet wat er mis was, maar aan de reacties van de anderen te zien was het beslist ernstig.

"Met wie?" eiste Assia van de arme Madelein. "Vertel het Assia!"

"Nee, vertel het mij!" kwam Lidwientje er driftig tussendoor. "Met wie stond Bertram onder de... maretak... de misteltak?" Er drong ineens iets tot haar door, en ze voelde het bloed uit haar gezicht wegtrekken.

"De misteltak..." zei Tor zacht, en hij sloeg een arm om Madelein heen. Nu had hij zijn liefste terug, en dan...?

"Holle. Holle heet zij," vertelde Madelein inmiddels.

En dat deed nog iemand verstarren. "Nachtwind Holle...?" echode Lier bleekjes.

"Maar wie is Nachtwind Holle?" wilde Lidwientje weten. "En wat betekent het dat Bertram met een... met een nachtwind onder... onder de misteltak... o nee... de mistletoe..."

Tor keek haar vol medeleven aan. "Wie getweeën onder de misteltak staan, zij smeden hechte banden aan," citeerde hij zacht.

Lidwientje moest zichtbaar worstelen om de betekenis van zijn woorden te bevatten. "Betekent dat... dat Holle van Bertram houdt?! En..." Haar uitdrukkig vergleed naar 'rampzalig'. "En Bertram van Holle!?"

Tor schudde zijn hoofd, en preciseerde tegen zijn zin: "Dat Bertram... van Holle is."


Barend had de grootste moeite de menigte boven een beetje te kalmeren. De euforie over de redding van prinses Madelein was acuut omgeslagen in schok en ontzetting. Bertram – hun Bertram – die meegenomen was door één of andere nachtwind?! Ontvoerd?

Sommige kinderen huilden en waren niet te troosten. Anderen waren bleek en opstandig, en waren al de meest wilde plannen aan het maken om hem terug te halen – waar vandaan was onduidelijk.

Bertram. Hun Bertram. Jong als hij nog was, voor de meeste kinderen was hij de vaderfiguur van de groep. De man naar wie ze opkeken – voor leiding, voor bescherming, voor een gevoel van geborgenheid in deze vreemde wereld.

Toegegeven – hijzelf ook. Maar als Bertram inderdaad voorgoed met die Holle mee was, dan was die verantwoording nu aan hem – Barend Stip. Het was immers nauwelijks te verwachten dat Hildebrandt of Aernout serieus de leiding zouden nemen. Maar hij was Bertrams schildknaap. Bertrams assistent, bij gebrek aan een beter woord. En dus was het nu zijn taak om iedereen veilig thuis te brengen. Terug naar Hamelen.

Prins Tor en Lidwientje en Ambtenaar Ogterop en zo zouden natuurlijk helpen waar ze konden, maar hij was nu de verantwoordelijke man. De leider naar wie de anderen zouden opzien.

Het was een beangstigend idee, maar angst kon hij zich nu niet permitteren. Zo was het leven nu eenmaal... hoezeer hij Bertram ook zou missen...


Nog vele mijlen hoger, in een huis in de wolken, gingen Bertrams gedachten in dezelfde richting. Hij was woedend dat die vrouw, die Nachtwind Holle hem zonder meer had meegetroond zonder dat hij ook maar iets tegen haar had kunnen beginnen.

Maar uitzichtloos als zijn situatie momenteel was, hij maakte zich vooral zorgen om Lidwientje. En de kinderen. Hoe moest dat nu? Hoe moesten ze ooit de weg naar Hamelen terugvinden, zonder hem? Barendje was nog wel erg jong, maar aan de andere kant: Hildebrandt en Aernout waren geen knip voor de neus waard.

Hij hoopte maar dat Tor zich over hen zou ontfermen. Ook niet ideaal – de man was dom als koek, maar in elk geval dapper en ridderlijk, en zijn hart zat op de juiste plaats. Hij zou hen beslist onderdak en bescherming verlenen, en voor de rest...

Zijn gedachtengang werd onderbroken door die Nachtwind. "Waarom lacht het gezicht niet?" fleemde ze. "Je bent mooi. En Holle is blij met je."

"U kunt me toch niet zomaar meenemen!" protesteerde hij voor de zoveelste maal. "Ik ben een vrij man!"

Ze glimlachte wetend. "Holle heeft je gevangen. Met vogellijm."

"En hoe lang denkt U me hier vast te houden?"

"Holle weet niet." Haar gezicht versomberde wat. "Tot je stuk bent?"

"Wat? Oh." Hij begreep.

"Alles gaat stuk," treurde Holle. "Alleen de wind waait door..."

"Dat is ten minste één geluk. Voor mij," vond Bertram grimmig. "Alles liever dan tegen mijn wil met een vrouw te zijn die... die met me solt!"

"Holle solt niet," vergoelijkte ze mild. "Holle heeft lief!"

"Ik heb óók lief! Alleen niet U!" Hij begon zijn geduld grondig te verliezen, maar het leek haar totaal niet te raken.

"Dat komt," sprak ze kalm. Ze kwam gracieus overeind en liep naar de deur. "Alles gaat over. En de wind waait door."

"Maar wat wilt U nou dat ik hier doe?!" riep Bertram haar heftig na. "Moet ik wolken tellen soms? Wat gebeurt er hier met me?"

Bij de deur draaide Holle zich om. "Kijk uit het raam. De wolken zijn mooi. En 's winters sneeuwt het. Boven de zee zijn de vogels." Ze glimlachte gelukkig. "En soms is er pap. En pap is het mooist."

"Ik hoef geen pap," gromde Bertram. Hij walgde van pap.

Holle keek hem aan. Treurig. "Alles gaat over," mompelde ze. "Alles gaat zo vlug voorbij... Zonder pap ga je stuk... ga je stuk... ga je stuk!" Zacht trok ze de deur achter zich dicht, en toen was hij – eindelijk – alleen.

Hij zuchtte. En keerde terug naar het raam. Als die vermaledijde wolken nou eens optrokken, dan kon hij wellicht zien waar hij ergens was. Herkenningspunten of zo. Al bleef het natuurlijk de vraag hoe hij ooit van hoog boven de wolken weer op de begane grond moest komen...


In het huis van Mutte was het inmiddels een waar pandemonium. De beide nixen hadden de Hamelaars en hun vrienden maar even wat privacy gegund, en nu was Aernout in tranen, snikte prinses Madelein, Tor trachtte iedereen te troosten, en Hildebrandt werkte een paar snikkende en verbolgen kinderen het vertrek uit.

En Lidwientje staarde met droge ogen in het niets, en reageerde totaal niet op wat er om haar heen gebeurde. De snikkende kleine Klaasje Klomp die zich bij haar drong, Tors onhandig troostende woorden, Aernouts gejammer...

"Toe! Huil nog wat, mensje Walg," maande Tor bezorgd.

"Ik huil ook als ik verdriet heb," snikte Madelein naast haar. "Ik heb het pas aldoor gedaan, en het helpt soms echt."

"Boehoehoeoe..." kwam het van Aernout.

"Die slang!" kwam het plotseling van Lidwientje.

"Wat zegt U?" vroeg Madelein verbaasd. Ze vergat zowaar even te snikken.

"Dat serpent!" siste Lidwientje nu. "Ik zal haar!"

Tor keek van de één naar de ander. "Kan ik iets voor U zijn in dat geval?" Hij keerde zich weer naar Madelein. "Och, mijn eigen lief... En jij huilt ook! Die eigenlijk lachen moest, als ik!"

Lidwientje scheen hem niet te horen. "Zij heeft me mijn Bertram afgenomen, maar ik haal hem terug! Ze is nog niet van me af – ik krijg hem terug!"

"Bravo!" knikte Tor. "Maar hoe?"

Ze keek hem eindelijk aan. En zuchtte zwakjes. "Ja... hoe?"


In de tuin, niet ver van de plek met de beruchte maretak, vonden Assia en Mutte zich omringd door een groep kinderen.

"Hebt U geen drank tegen de maretak, Trol Mutte?" kwam het hoopvol van Hortensje.

Mutte schudde berustend haar hoofd.

"Of een spreuk? Of een lied?" hielden de kinderen vol.

Ook Nix Assia schudde nu van nee. "Geen spreuk. Geen kruid is gewassen. Niets."

Haar ontkenning werd gevolgd door een diepe zucht. Een onmetelijk diepe zucht. Van Lier. Luchtgeest Lier die even verderop op een marmeren bol zat.

"Wat zucht Lier?" informeerde Assia vriendelijk. "Weet Lier iets?"

Lier schudde gelaten het hoofd.

Mutte kwam nu ook dichterbij. "Is Lier zwart van binnen? Is Lier droef? Huilt het in Lier?"

Maar Luchtgeest Lier reageerde nauwelijks, en Assia bekeek hem met medeleven. "Het huilt in Lier. Een lied. Hoe gaat dat lied, dat huilt in Lier?"

Maar Lier bleef dof naar de grond staren. "Niets," mompelde hij, en wreef schielijk over zijn ogen. "Het is niets. Niets dan een verdriet voor Lier." Even aarzelde hij, maar dan bekende hij het toch: "Het woedt in Lier. Een storm van het hart."

"Zeg ons het lied," drong Assia voorzichtig aan.

Lier keek naar haar op met een zucht. "Het is het lied van alledag. Het lied dat harten breekt."

"Dat lied? In Lier?" Mutte keek vragend naar Assia.

"Zeg het Mutte, Lier," drong Assia teder.

"Lier... Lier heeft lief..."

"Lief?" Mutte kneep een oog dicht van verrassing. "Wie heeft Lier lief?"

"Zeg het, Lier," maande Assia vriendelijk, maar dwingend.

"Lier heeft Holle lief," kwam het terneergeslagen van de luchtgeest.

"Holle?!" reageerde Barend verrast. Was dit misschien...?

Mutte en Assia keken elkaar veelbetekenend aan.

"Maar waarom zegt U haar dat dan niet?" wilde de kleine Saartje weten.

"Ach joh, da's altijd zo," schokschouderde Barend. "Ingewikkeld gedoe van grote..."

"Weet Holle, Lier?" viel Assia haar in de rede.

Lier schudde zijn hoofd.

"Lier zegt het niet?"

Nogmaals een ontkennend nee-schudden, maar ineens stapte Barend opgewonden naar voren. "Hé, stil 'es... Wacht eens!"

Maar hij werd ruw onderbroken door Hildebrandt die aan kwam lopen. "Zeg jongens, iedereen zit daarbinnen zit iedereen te huilen, hè. Behalve Lidwientje doet iedereen mee. Nou, Barend, kindertjes, allemaal terug naar bed. Hop!"

Meteen praatten alle kinderen in protest door elkaar.

"Nee jongens, naar bed toe! Kom op nou!"

"Wacht nou even," zei Barend geïrriteerd.

"Nee, naar bed. Hop!"

"Nee, laat hem nou!" protesteerde Jochempje. "Hij heeft misschien een idee!"

Barend maakte vlug van de gelegenheid gebruik. "Nix Assia, als Luchtgeest Lier dus van Nachtwind Holle houdt..."

Assia knikte. "Maar Holle heeft Lier niet lief. Holle wil niet."

"Dat zijn grote-mensen-dingen," interrumpeerde Hildebrandt weer. "Kom mee, hup!"

"Laat hem nou!" stampvoette Hortensje.

En Barend ging verder: "Maar waarom gaat Lier dan niet onder de maretak? Met haar – met Holle! Dat is toch ten minste wat!"

"Ja, nou is het wel mooi geweest," begon Hildebrandt weer – maar hij zweeg toen Assia gebiedend haar hand ophief.

"Zuster!"

"Een wijs woord!" knikte ook Mutte.

Iedereen keek naar Lier, die mismoedig het hoofd boog.

"Nou ja..." Barend krabde verlegen in zijn kruin. "Ik dacht zomaar wat, hè?" Maar als er een kansje was dat Bertram die enorme verantwoording weer van zijn schouders kon nemen...?

Onmiddellijk werd prins Tor door Kaatje en Dieuwertje (een prins kan een vrouw immers niets weigeren) naar buiten gehaald en van het plan op de hoogte gebracht.

"We hebben een plan," verklaarden ze hem. "We sturen Luchtgeest Lier naar boven. De wolken in. Daar woont die eh... die Nachtwind Holle."

"Jawel, jawel. Maar wat kan hij doen?" Tor keek naar Hildebrandt alsof hij van de klepperman alle wijsheid verwachtte.

"Naar Holle toe. Ik bedoel naar Bertram," verbeterde Hildebrandt zichzelf. "Bij Holle. Met een boodschap." Prinsen... ze begrepen ook niets...

Tor keek bezorgd van de één naar de ander. "Maar Bertram is nu eenmaal van Holle! Zij hebben onder de misteltak gestaan – samen! Eén knip met de vingers en hij is van haar. Altijd!"

"Ja, maar laat dat nou maar rustig aan ons over," vond Kaatje. "We hebben een plan. Maar Lidwientje moet ook nog meewerken."

"Meewerken? Hoezo?"

"Het is een list," verduidelijkte Dieuwertje.

"Een list?" Tor schudde bezorgd het hoofd. "Ge weet, listen zijn niet mijn sterkste kant. Ik had trouwens een heel laag cijfer voor List."

"Dat weten we. Daarom. Als U nou Lidwientje over kunt halen? Naar U luistert ze wel," bedong Kaatje.

"Dat spreekt vanzelf. Als ik ook maar iets kan doen om Van Bier bij haar terug te brengen..." Tor keek zoekend om zich heen. "En waar is Luchtgeest Lier nu?"

Hildebrandt rolde zuchtend met zijn ogen. "Dat zei ik toch al? Naar Bertram!"


En hoog boven de wolken, in zijn witte, steriele kamer, beende Bertram peinzend heen en weer in zijn schitterende prinsenkleding. Buiten dreven traag de wolken voorbij. En hier was hij – gevangen. In een soort ivoren toren, hoog boven de grond, ver van alles en iedereen die hem lief was.

Ach, Lidwientje...

"Ik hoef niet uit het raam te zien
Want hier komt niets voorbij
Een afgedwaalde zwaan misschien
'n Koppel ganzen zij aan zij

En de wereld daar beneden
Is grauw en vaag en diep
En ik weet dat jij ´t niet horen zou
Als ik riep

En ik ijsbeer door mijn kamer
In mijn ivoren toren
En wacht er op de ochtend
En de zon

En ik geef je lieve namen
Die jij niet meer kunt horen
En die ik niet gaf toen je 't horen kon

Er gaat helemaal niets boven jou, Lidwientje Walg
Ik roep het boven alle wolken uit
Ook als je 't niet geloven zou, Lidwientje Walg
Van oost naar west
Van noord naar zuid
Al torent dit er bovenuit

Er gaat helemaal niets boven jou, Lidwientje Walg
Hoewel je mij beneden niet meer vindt
Denk ik dingen, zeer verheven dingen over jou
En strooi de woorden buiten op de wind
Lidwientje Walg, Lidwientje Walg
Lidwientje Walg, Lidwientje...

Een onweersbui, een regenboog
De zon komt morgenvroeg
Misschien zie ik ooit Hamelen
Want ik zit hoog, hoog genoeg

En in mijn witte kamer
Heb ik het rijk alleen
En denk hoe zacht je armen zijn
Om me heen

En ik ijsbeer door mijn kamer
In mijn ivoren toren
En wacht er op de ochtend
En de zon

En ik geef je lieve namen
Die jij niet meer kunt horen
En die ik niet gaf toen je 't horen kon

Er gaat helemaal niets boven jou, Lidwientje Walg
Al torent het ook boven alles uit
De wolken drijven over, nou, Lidwientje Walg
Ik roep het luid
Naar noord en zuid
Een hele hemel vol geluid

Er gaat helemaal niets boven jou, Lidwientje Walg
Hoewel je mij beneden niet meer vindt
Denk ik dingen, zeer verheven dingen over jou
En strooi de woorden buiten op de wind
Lidwientje Walg, Lidwientje Walg
Lidwientje Walg, Lidwientje Walg"

Hij zakte moedeloos neer op de stoel bij het raam, en verborg zijn gezicht in zijn handen. Lidwientje...