"Psst!" klonk het zacht achter hem. "Mens. Papeter. Mens!"
Langzaam hief Bertram zijn hoofd op. Dat klonk niet als... "Luchtgeest Lier!" Hij sprong overeind, ineens weer vol hoop. "Waar komt U opeens vandaan?"
"Van Ieuwie. Waar Mutte woont," was het antwoord. "Maar stil. Dat Holle ons niet hoort. Of ziet."
Bertram knikte vlug. "Wat komt U doen? Mij halen? Kan dat?"
Lier schudde zijn hoofd.
"Wat dan?"
"Lier heeft een boodschap."
Bertram snoof bitter. "De groeten zeker. Van beneden." Hij had toch echt op iets meer gehoopt bij het zien van de vriendelijke luchtgeest.
Maar Lier negeerde zijn woorden en zijn toon. "Lier heeft een vraag. Assia zegt: mens Bier moet een gunst vragen."
"Een gunst? Van wie?" Bertram was geïnteresseerd ondanks zichzelf.
"Van Holle," ademde Lier.
Beneden in Ieuwie liep ook niet alles van een leien dakje.
"Wàt zeg je? Wàt moet ik doen?!" Lidwientje was gewoon perplex van woede.
"Goede mens Lidwientje. Lieve mens." Tor deed wat hij kon om haar te kalmeren. "Ik weet, het is moeilijk, maar het is een Plan. Misschien lukt iets. Wij vragen alleen maar..."
"Doe! Doe!" spoorde Assia haar aan.
Maar Lidwientje was nog niet zo ver. "Moet ik met dat... met die... moet IK met die vrouw, dat schepsel, dat MIJN Bertram heeft afgenomen... Moet IK met dat mormel braaf praten!? Komt zij hierheen? Naar mij?!"
"Nee, je hoeft haar alleen maar te woord te staan," vergoelijkte Hildebrandt – alsof dat enig verschil maakte.
Maar Aernout deed ook een duit in het zakje. "Moet ze naar háár luisteren?!"
"Ja, houd jij je erbuiten," katte Hildebrandt.
Maar prinses Madelein was dezelfde mening toegedaan. "Een vrouw die haar bedrogen heeft? Dat kan niet, dat doet zij niet."
"Dat doe ik zeker niet, nee!" echode Lidwientje furieus.
"Daar is zij te trots voor!" meende Madelein.
En: "Daar ben ik te trots voor, ja!" De dames waren het roerend eens.
Maar Hildebrandt legde een hand op haar schouder. "Lidwientje, nou moet jij eens goed luisteren. Als jij Bertram ooit nog terug wilt zien..."
"Als?" Lidwientje lachte schril. "Als?!"
"Precies. Dan is dit je enige kans."
Ze staarde hem onzeker aan. "Praten met... met dat schepsel, die dief? Die Nachtwind Holle... Mijn enige kans? Puh!"
"Probeer het, mensje Walg," pleitte Tor.
"Proberen?!" Lidwientje – ineens weer driftig – keerde zich nu weer naar hem. "Laat zij het eens proberen! Ik bedelen bij die vrouw? Om Bertram?!"
"Nee..." klonk het van alle kanten.
"Je begrijpt het verkeerd," zei Jochempje.
"Wij begrijpen het ook verkeerd," kwam Aernout er tussendoor. "Moet Lidwientje nou rustig gaan praten met die nachtvlinder?"
Tor wist niets anders meer te doen dan zijn arm om haar schouders te leggen. "Het is een List, mensje Walg. Ik weet het – listen liggen mij ook niet. Ik had trouwens een heel laag cijfer voor List. Maar lieve mens – toe nou, probeer het! Misschien lukt iets!"
Langzaam keek ze hem aan. En daar waren eindelijk ook de tranen. Ze vielen niet – nog niet – maar ze glansden vochtig in haar gekwelde ogen. Ach, het arme mensje...
"Ik ben niet gek, Tor," zei ze op het laatst met tranen in haar stem. "Ik ben niet van glas..." Ze keek om naar Hildebrandt, en terug naar hem. "Zeg me wat ik doen moet," vroeg ze met de moed der wanhoop. "Duidelijk."
Hildebrandt schraapte zijn keel. "Nou, kijk... als ze dat aan je vraagt, dan moet je..."
"Vraagt?" Lidwientje keek hulpzoekend naar Tor. "Wie vraagt? Wat vraagt?"
"Als Holle dat aan je vraagt," verklaarde Hildebrandt, "dan moet je haar vriendelijk een aandenkentje van je geven."
Ze staarde hem aan. "Een aandenken?! Een aandenken?! Van mij!?"
Hildebrandt knikte monter.
"Voor Bertram," verduidelijkte Dirkje.
Bertram moest het intrigeren op zijn eentje klaren.
"Moet Holle dat doen? Vragen?"
Hij knikte kort.
"Is Holle dan lief?"
Dat rotwijf... Hij liep van haar weg, maar ze liep hem prompt na.
"Lacht het gezicht dan?"
Ach mens...! Of, nou ja... wind...! Hij deed nog een paar stappen van haar weg – hoe verder, hoe beter. Maar ze kleefde bijkant aan hem.
"Fluit dan de wind tussen zijn tanden? Lieflijk is dat, vindt Holle," mijmerde Holle.
"Ik vraag dus een... aandenken van haar," vatte hij korzelig samen.
"Waarom?" wilde ze weten. "Zij is niet mooi." (Hij zou haar kunnen wurgen...) "En zij is niet ijl. Zij kan niet sneeuwen ook." (Nou en?) "Holle sneeuwt zo zacht... En zij weet mooie populieren, waar het prettig ruisen is. En zij kent liedjes, waar je zoet van slaapt."
Bertram had moeite niet weer uit te vallen – dan kwam er van die gunst, die reddingspoging natuurlijk niets terecht. En zo waren het moeizame woorden waarmee hij de boodschap weer onder haar aandacht trachtte te brengen. "Ik... wil dus... een... een aandenken. Een zakdoekje of zo. Van Lidwientje. Ja, ze heeft zakdoekjes met haar naam erop, dat weet ik. Ja... Zoudt U dat bijvoorbeeld aan haar willen vragen."
Holle keek hem bevreemd aan. "Een doek. Een denkdoek, met een naam." Haar ogen speurden niet-begrijpend zijn gezicht af. "Holle zal het doen. Een doek, met een naam."
"Nu!" drong Bertram aan. "Nu meteen! Een laatste aandenken!"
Ze draaide zich verongelijkt om. "Holle zal gaan."
"Als de wind..." prevelde Bertram met een sprankje hoop.
"Maar waarom moet ik hier gaan staan? Onder die boom?" protesteerde Lidwientje. Misschien lag het deze keer aan haar, maar ze begreep er nog steeds zo goed als niets van. Was Bertram er maar – Bertram met zijn gave om de meest ingewikkelde zaken in een paar woorden efficiënt op een rij te zetten.
Hildebrandt, Barend en Nix Assia pootten haar nu definitief onder die boom neer. Die rotboom die van alles de schuld was.
"Wat willen jullie in vredesnaam van mij?" klaagde ze boos. "Ik wil helemaal geen aandenkens van mij meegeven aan die vrouw."
"Nee, wind. Het is een wind," verbeterde Barend haar.
"En doe het nou maar, want het is een knappe list." Hildebrandt wreef zich vergenoegd in de handen.
"Sta," beval ook Assia nu. Ze keek om zich heen, en mat zowaar een paar passen uit.
"Nix Assia," begon Lidwientje weer. Maar de nix luisterde niet. "Wat wil Nix Assia?" vroeg ze Hildebrandt dus maar.
"Ssjt. Laat ons nu maar begaan. Het zit heel knap in elkaar, dat zul je zien. Als jij nou maar doet wat wij gezegd hebben."
Ze slaakte een zucht, en keek weer naar Nix Assia, die nu zoekend om zich heen tuurde in het nachtelijk duister.
"Lier?"
"Hier is Lier." De luchtgeest zat eenzaam op een zerk.
En Assia glimlachte hem bemoedigend toe. "Is Lier is terug? Heeft Lier gesproken met mens Bier?"
Lier knikte vaag. Maar plotseling rees hij overeind. "Holle komt. Lier voelt het." Hij tuurde naar de donkere hemel. "Holle komt..."
Meteen was Assia één en al actie. "Vlug! Ieder naar binnen die hier geen plaats heeft. Geest Lier...!" Ze wees hem zijn plaats, tussen de struiken bij Aernout en Hildebrandt, en dreef de kinderen en ook Mutte, Tor en Madelein voor zich uit naar binnen.
"Toe, Tor, leg het uit!" smeekte Madelein toen ze zich met de kinderen voor de vensters verdrongen.
Tor kuchte. "Heb geduld, lief. Toe." Eerlijk gezegd wist hij niet zeker of hij het zelf helemaal begreep. Die mensen toch met hun ingewikkelde Listen...!
Temidden van de zerken en monumenten werd de in het paars geklede Nachtwind Holle langzaam zichtbaar. Ze keek om zich heen, zoekend, en zag Assia.
"Assia," sprak ze bij wijze van groet.
"Assia groet Holle," was Assia's kalme antwoord.
"Holle komt uit haar huis, waar de mooie mens is, die Bier en Brood heet." Ze kwam wat dichterbij. "Hij is van Holle," vertelde ze met glanzende ogen. "Holle heeft hem lief!"
Assia zweeg, en keek alleen maar.
"Holle komt een boodschap doen," babbelde de wind. "Waar is de mens met de jurk? Bij Mutte?"
Assia schudde haar hoofd. "Zij waart in de tuin. Haar hart huilt, en haar mond spuugt Holles naam uit."
Holle was niet onder de indruk. "Holle zoekt haar. Hij wil een doek." Ze wees triomfantelijk naar boven. "Een denkdoek."
"Vraag niet Assia. Vraag haar," zei Assia droog. "Zij is in de tuin."
Holle keek haar even na, zo waardig als ze wegschreed. Maar nu moest ze dus die jurk vinden. Waar zou ze zijn? Haar grote glanzende ogen gleden over de stille zerken, de bomen, de struiken...
"Moed houden, jongen," sprak Hildebrandt een eindje verder tussen de struiken. "Niet de moed verliezen. Doorzetten!"
Lier blies een lange ademteug uit. "Lier aarzelt..."
"Je houdt toch van haar? Nou dan!" hield Hildebrandt hem voor.
"Geef haar de wind van voren!" was Aernouts advies.
"En daar komt ze..." Hildebrandt liet zijn stem dalen. "Als Lidwientje zich nou maar beheerst onder die boom... En kalmpjes doet wat we gevraagd hebben, en niet dat mens woedend de ogen uitkrabt of zo..."
"Mens?" klonk Holles stem nu vlakbij.
Lier spitste zichtbaar de oren.
"Zoek je mij, Holle?" kwam Lidwientjes kille antwoord van onder de boom.
"Holle komt een boodschap doen. Voor hem."
"Voor Bertram."
Holle knikte. "Hij..."
"Wat wil Bertram?" viel Lidwientje haar nadrukkelijk in de rede. (Mij! Mij wil hij, jij serpent!)
Maar Holle antwoordde kalm: "Hij wil een doek. Een denkdoek, met een naam."
Lidwientje kneep haar ogen toe, en moest een paar keer diep ademhalen om haar woede en jaloezie de baas te blijven zoals Hildebrandt en Tor haar op het hart hadden gedrukt. Want hier was ze, dat kreng, die slang, die...
Ze opende haar ogen, en liet het zakdoekje op de grond dwarrelen. Recht onder de mistletoe. "Kom het halen, Holle." En daarmee stapte ze stilletjes om de stam heen, weg uit Holles zicht. En weg van die verfoeide vogellijm...
Op het pad stond Holle. Ze aarzelde even, en probeerde door de takken heen te turen. Was het een val?
Maar er klonk geen geluid. En stapje voor stapje waagde ze zich in het groen tot bij de boom.
Maar waar was de mens? Op de mosbedekte grond schemerde wel iets wits. Misschien was dat die denkdoek? Ze nam de laatste stappen er naar toe, en raapte het op.
En schrok.
Star van schrik opeens zag ze een bekend geel gewaad naast zich. "Lier...?"
Lier snoof een diepe ademteug op. "Lier groet Holle."
"Wat doet Lier?"
Lier zweeg.
"Holles hand... hij gaat niet omhoog."
"Dat doet de vogellijm." Liers stem was volkomen kalm nu. "Holle staat met Lier onder de vogellijm."
Verbijsterd staarde Holle hem aan. "Maar Holle heeft de mens! Die mooi is! De mens is van Holle!"
Een voorzichtige glimlach lichtte Liers gezicht op. "En Holle is van Lier."
Ongelovig schudde ze haar hoofd. Maar dan brak ook bij haar een beginnende glimlach door. En samen verwaasden ze.
Het was Norveg die Bertram gezwind weer in Ieuwie aan de grond zette, waar Lidwientje hem om de hals vloog, Tor hem beide handen drukte, de kinderen aan zijn armen hingen, en Hildebrandt en Aernout hem gezamenlijk op de rug stonden te kloppen. Maar nadat hij Lidwientje – zijn Lidwientje – kort maar zeer hevig gekust had, knielde hij toch eerst voor prinses Madelein neer om haar zoals het hoorde de hand te kussen.
"Prinses, wat ben ik blij U weer te zien!"
Ze lachte. "Ik U ook!"
"Anders ik wel!" voegde Tor er uit de grond van zijn hart aan toe. "Van Bier, wat hebben wij een zorg om U gehad deze nacht!"
Bertram grijnsde schaapachtig, en sloeg zijn armen weer om Lidwientje heen. "Nou ja. Gelukkig is het allemaal nog goed afgelopen, al begrijp ik nog niet helemaal hoe het in elkaar zit."
"Dat komt nog wel," beloofde zijn verloofde. "Maar je bent er weer, dat is het belangrijkste. Je bent terug!" Ze viel hem alweer om de hals.
"Ja, en witter dan wit!" grinnikte Hildebrandt met een schuin oog naar Bertrams overwitte kostuum.
"Witter kan het niet, ja." Lidwientje omhelsde hem nog maar eens stevig.
En ook Tor nam zijn Madelein nog maar weer eens in zijn armen. "En nu, mijn hart, neem ik je mee naar mijn vaders slot!"
"En Luchtgeest Lier heeft Nachtwind Holle," zei Kaatje triomfantelijk.
"Ja! Iedereen heeft elkaar!" vond ook Aernout. "Weet je, ik ben ook weleens bemind. Vroeger, in Hamelen."
"O ja?" vroeg Hildebrandt geïnteresseerd, maar op dat moment kreeg hij een pakkerd van Lidwientje.
"Omdat je die list bedacht hebt," verklaarde ze.
Maar dat konden de kinderen natuurlijk niet op zich laten zitten. "Nee, niks hoor! Dat heeft Barend gedaan! Barend heeft het bedacht!" riepen ze door elkaar.
"Barend?" reageerde Lidwientje verrast.
"Ja! Mens Barend!" wees ook Nix Assia.
En Mutte riep: "Hij ja!"
"Oh Barend!" Lidwientje snelde op hem toe. "Dank je wel! Dank je wel, jullie allemaal!" Ze gaf ook hem een zoen op zijn beide wangen, die met een kleur als een boei weer droogpoetste.
"Ja, Barend bedacht het van Geest Lier en Nachtwind Holle onder de vogellijm," begon Hilletje uit te leggen.
Maar Barend, die niet graag zo in de schijnwerpers stond, veranderde liever maar gauw van onderwerp, en riep er dwars doorheen: "Ja, wat is het nou – vogellijm? Maretak? Mistletoe?"
"Het is een lied," beweerde Aernout met ongewone stelligheid. "Een heel oud lied. In Hamelen kennen ze het al." Hij trok Hildebrandt met zich mee. "Kom op, allemaal in de kring. Jij ook, Hildebrandt!" Hij trok zijn vriend naast zich op de grond, en met een ongewoon lieflijke klank zette hij in:
"Er is een lied dat komt en dat gaat
Als de diridiridom, als de wind en de regen
Dat al wie onder de mistletak staat
Daar onder die tak zijn vrijheid laat
Diridirigeer, lief wat wil je meer
Diridiridijn, laat ons vrolijk zijn
En niemand die het lied gelooft
Maar ik leerde de woorden uit mijn hoofd
Neem me bij de hand
Voer me door het land
Diriridijn, tot ik er zal zijn
Er is een lied dat komt en dat gaat
Als de diridiridom, als de wind en de regen
Dat al wie onder de mistletak staat
Zijn hart verliest en onzin praat
Diridiridou, ik ga erheen met jou
Diridiriwiet, schade kan het niet
Wat zal het lied een sprookje zijn
U kussen daar, dat doet geen pijn
Neem me bij de hand
'k Voer u door het land
Diridiridijn, tot ik er zal zijn
Vogellijm, maretak, mistletak
Ik ben de speelman dankbaar
Dat ik het lied ken
Ik ben uw lieveling
En 'k zing het even goed als ik het niet ben
Er is een lied dat komt en dat gaat
Als de diridiridom, als de wind en de regen
Dat al wie onder de mistletak staat
Zijn allerbeste veren laat
Diridiridou, ik ga erheen met jou
Diridiriwiet, schade kan het niet
O, op mijn woord van edelman
Ik ben een man die het weten kan
Neem me bij de hand
'k Voer u door het land
Diridiridijn, tot ik er zal zijn
Ach, noem het lied niet goed of kwaad
Het is een lied dat komt en gaat
Neem me bij de hand
Voer me door het land
Diridiridijn, tot ik er zal zijn
Vogellijm, maretak, mistletak
Ik ben de speelman dankbaar
Dat ik het lied ken
Ik ben uw lieveling
En 'k zing het even goed als ik het niet ben
Er is een lied dat komt en dat gaat
Als de diridiridom, als de wind en de regen
Dat al wie onder de mistletak staat
In slavendienst bij anderen gaat
Diridirigeer, lief, wat wil je meer
Diridiridou, 'k ga in dienst bij jou
Ga niet daar met een andere man
Omdat ik het niet veranderen kan
Neem me bij de hand
'k Voer u door het land
Diridiridijn, tot ik er zal zijn
En niemand die het lied gelooft
Maar ik leerde de woorden uit mijn hoofd
Neem me bij de hand
'k Voer u door het land
Diridiridijn, tot ik er zal zijn
Vogellijm, maretak, mistletak
Ik ben de speelman dankbaar
Dat ik het lied ken
Ik ben uw lieveling
En 'k zing het even goed als ik het niet ben"
.
FINIS
.
Met dank aan Arjan voor het beschikbaar maken van de originele scripts,
en aan Onno voor het beschikbaar maken van zijn vaders oude audio-opnamen.
