Duisternis. Geen geluid, geen gevoel, alleen zij. Geen einde, geen begin. Alleen nu.

Een enorme knal weerklonk in de stormachtige namiddag aan de kust van de Stom coast. Een verblindende lichtflits deed de donkere hemel oplichten gevolgd door een buitengewone knal die de atmosfeer deed trillen. Nadat het licht was gezakt vulde een groen licht de hemel van achter de bergen; een gat die brokken magie leekt te spuwen. Brokstukken bereikte zelfs de Stom Coast; het bereik van het gat was enorm.
Een van de krijgers had net de laatste bandiet doorboord na een smeekbede om zijn leven.

Met zijn mond open keek de krijger naar de hemel en liet door ongeloof zowel zijn slachtoffer als zijn zwaard uit zijn grip glijden. "Andraste.. De hemel is open gereet! Wat is dit!?" hij keerde zicht tot zijn kameraden die net als hij vol ongeloof naar de hemel staarde. De lucht drukte op hem en zijn metgezellen, paniek welde op in de mannen. "Malik, wat moeten we doen?"
Na de woorden van de krijger sloeg een brokstuk in op het strand naast ze; door de impact vlogen ze door de lucht. Malik had niet veel tijd om te denken nadat hij zichzelf weer op zijn benen hees: "Op de voet, NU!" riep hij terwijl hij zelf zijn zwaard uit het lijkt een paar stappen verderop trok, "We trekken ons terug naar de bossen in het zuiden, als we gewonde zien brengen we ze naar veiligheid!"
Hij keek zijn groep van 6 man een voor een doordringend aan. "We laten deze shit niet onze normen en waarden aantasten..."
Naast hun klonk een onmenselijke geschreeuw dat hun oren deden bloeden; een demon. "NU!" riep Malik terwijl hij zijn oren bedekte, "We kunnen geen levens redden als we zelf dood zijn!"
Hij wist hoe hij tegen demon moest vechten. Alles riep in hem om zich om te keren en te strijden. Zijn team daarintegen, zo jong en onervaren; hij wilde niet levens weggooien.

Haar mond voelde droog, haar tong plakte aan haar gehemelte. Ze sloeg een kreun nadat ze stekende pijn door haar lichaam voelde schieten, haar lippen barste als gevolg. Door uitdroging bloeden haar lippen zelfs niet.

Haar botten voelde koud, haar lichaam voelde aan alle kanten beurs en haar spieren waren als steen. Haar ogen kon ze niet openen, de inspanning om het te proberen was zelfs te veel. Haar bewustzijnde voelde ze langzaam weglippen door de enorme pijn en staat waarin ze verkeerde. Alsof ze door de bliksem geraakt was kon ze niets anders doen dan oppervlakkig ademen en proberen de duisternis niet te laten winnen; het trok langzaam aan haar, steeds harder. Het gevoel en daarbij ook de pijn begon langzaam uit haar ledematen te trekken; van ondraaglijke pijn naar een dof gevoel, naar niets. Haar lichaam duwde hard tegen de aardboden, haar adem stokte. Duisternis werd donkerder, geluiden verloren langzaam hun betekenis.
"We kunnen haar niet achterlaten..."