POV: Regulus
Na wat wel een uur leek waren ze weer terug, James en Perkamentus. Regulus zat nog steeds tegen de muur toen ze uit het bootje stapten. Perkamentus leek zwaar op James te leunen, en die tikte Regulus aan. 'Kom op, we gaan naar Zweinstein. Je had gelijk; het medaillon is nep. We hebben het maar laten liggen.'
Regulus stond wankelend op; het moment dat hij overeind kwam begon alles te draaien voor zijn ogen. Hij greep naar zijn hoofd.
'Ja, oké.' Ze liepen de grot uit, door de stenen boog, en naar het strandje. Regulus pakte James' schouder vast en ze Verdwijnselden met Perkamentus.
Ze stonden in de dorpsstraat van Zweinsveld, nat en rillend van de kou. Ze wankelden en zwalkten een beetje heen en weer alsof ze dronken waren, wat er gek uit moest zien. Perkamentus was duidelijk erg zwak, en Regulus bleef vlagen duizeligheid hebben.
'Ik... Ik moet madame Plijster halen, professor. We moeten naar school,' zei James klappertandend.
'Nee... ik heb professor Sneep nodig... maar ik geloof niet... dat ik erg ver kan lopen,' zei Perkamentus. Regulus fronste zijn wenkbrauwen en probeerde te denken. Sneep? Dat had hij vast verkeerd gehoord.
Achter hen klonk voetstappen en Regulus keek opgelucht om. Ze hadden hulp nodig, dit ging zo niet.
Het was Rosmerta, de barvrouw van de Drie Bezemstelen, in een zijden ochtendjas.
'Ik zag jullie net Verschijnselen vanuit mijn slaapkamerraam! Gaat het - wat is er met Albus?' Ze keek met grote ogen naar Perkamentus, die er nog bleker en brozer uitzag dan net, en zwaar op James steunde. Regulus had zo veel vragen, over hoe ze hem hadden gevonden en waar Sirius was, maar die zouden moeten wachten.
'Hij is gewond. Ik moet hulp halen op school, kan hij zolang bij de Drie Bezemstelen blijven?'
'Maar je kunt niet alleen naar school! Weet je - heb je dan niet-?'
'Als u me helpt om hem te dragen-' Hij stopte met praten toen Regulus, die naar de school keek, naar adem hapte en bijna tegen hem aan viel. Ze keken alle vier naar Zweinstein en daar, boven de hoogste toren van de school, zweefde een lichtgevende groene schedel met een slangentong. Het Duistere Teken.
'Nee...' fluisterde Regulus.
'Wanneer is dat verschenen?' vroeg Perkamentus, zijn stem zacht maar dwingend.
'Een paar minuten geleden, denk ik. Net was het er nog niet, maar-'
'We moeten onmiddellijk terug naar het kasteel,' zei Perkamentus. 'We hebben vervoermiddel nodig - bezems-'
'Er staan er een paar achter de bar,' zei ze. Ze leek doodsbang.
'Accio bezems,' zei Regulus snel, en drie bezems vlogen de straat op - ze knalden bijna tegen Regulus aan.
'Rosmerta, stuur een boodschap naar het Ministerie,' zei Perkamentus. 'Misschien heeft niemand op Zweinstein nog beseft wat er aan de hand is... Harry, doe je Onzichtbaarheidsmantel om.'
James – waarom noemde Perkamentus hem Harry? – gooide zijn Onzichtbaarheidsmantel over zich heen. Regulus had wel geruchten gehoord, maar had nooit zeker geweten dat James er inderdaad één had, tot nu. Ze stapten op de bezems en stegen op, waarbij Regulus angstig naar het schoolhoofd keek, bang dat de man zou vallen, maar dat gebeurde niet. Regulus keek naar de omgeving onder hen, op zoek naar sporen van een gevecht, maar hij zag niks. Zou er inderdaad iemand vermoord zijn? Wie? Iemand die hij kende? En welke Dooddoener zou de moordenaar zijn? Wat nou als het een van zijn vrienden was... En wat als de Dooddoeners hem zouden zien, en zich zouden realiseren dat hij een verrader was? Ze zouden hem martelen en vermoorden. Er leek een knoop in zijn maag te zitten toen hij dat besefte, maar hij schudde de angst snel van zich af. Hij had ook verwacht dat hij de grot niet zou overleven. Hij had eerder al besloten dat hij bereid was te sterven als hij daarbij Voldemort en zijn volgelingen kon tegenhouden, en dat was niet veranderd. En als hij het overleefde... Dan kon hij zijn excuses aanbieden aan zijn broer, en zich aansluiten bij de Orde.
Ze landden op de Astronomietoren, de hoogste toren van het kasteel, waar het Duistere Teken recht boven zweefde. Hadden de Dooddoeners daar iemand vermoord?
Ze stapten meteen af en keken om zich heen. De toren was verlaten.
'Wat betekent dit?' vroeg James. Regulus greep zijn staf steviger vast en luisterde of hij iemand hoorde, maar hij hoorde alleen zijn eigen ademhaling en die van James en Perkamentus.
'Maak professor Sneep wakker,' zei Perkamentus zwakjes. 'Vertel hem wat er is gebeurd en breng hem hierheen. Doe verder niets, spreek met niemand en hou je Onzichtbaarheidsmantel om. Ik wacht hier.'
'Maar-' James wilde protesteren.
'Ik blijf wel bij hem,' beloofde Regulus. Perkamentus leunde tegen de borstwering met zijn staf in zijn hand en Regulus ging naast hem staan, zijn ogen op de deur gericht. 'Ga maar.'
James liep haastig naar de deur. Regulus zag alleen af en toe een glimp van zijn voeten onder de mantel, en hij hoorde zijn voetstappen, maar als hij er niet speciaal op lette, zou hij niet weten dat James er was.
De deur vloog open en iemand sprong het dak van de toren op. Regulus zag uit zijn ooghoek hoe Perkamentus een snelle beweging met zijn staf maakte en de mantel stopte met wapperen rond James' voeten. 'Expelliarmus!' klonk het, en Perkamentus' staf vloog uit zijn hand.
