Elizabeth's perspectief

De dag is eindelijk aangebroken: we mogen weer naar Zweinstein! Het perron 9 3/4 is overspoeld met emotionele ouders en kinderen, die proberen te ontsnappen aan de knuffels.
Ben ik blij dat ik al afscheid genomen heb van mijn ouders. Ik had mijn gedachten nog niet afgemaakt of mevrouw Wemel neemt Hermelien en mij in een stevige knuffel. Uit beleefdheid blijf ik staan, maar stiekem ben ik blij dat ze mijn gezicht niet kan zien. 'Geniet van jullie schooljaar meiden. Doe geen rare dingen!' hier kijkt ze naar mij en ik trek een onschuldig gezicht. Wanneer mevrouw Wemel ons eindelijk loslaat, wordt ik in een volgende knuffel getrokken. Ik ruik een bepaalde parfum en een geur waar alleen mannen naar kunnen ruiken. 'Dag, lieve Lizzie!' schreeuwt Charlie vanaf de ene kant van de knuffel.
'We zullen je missen, lieverd!' schreeuwt Bill vanaf de andere kant.
Ik voel mijn gezicht rood worden en probeer mezelf tevergeefs los te wurmen. 'Jongens,' schreeuw ik moedeloos. 'Laat me los! Ik schaam me dood!'
'Maar dat is ook de bedoeling, Lizzie!' schreeuwt Bill lachend terug.
'Oh, hallo Malfidus!' zegt Charlie opeens. 'Niks te zien hier, alleen twee grote broers die afscheid nemen van hun kleine zusje!'
Ik draai mijn hoofd om en verstijf als een knappe, blonde jongen me aankijkt met een half geamuseerde, half verwarde blik. Ik weet niet of het mogelijk is, maar het voelt alsof mijn hoofd nog roder wordt.
'Ik ben... Laat me...' er komt niks intelligent uit mijn mond, als ik in de lichtgrijze ogen van Draco Malfidus staar.
'Jongens,' Ron komt aanlopen. 'laat Liz met rust.' de oudste Wemels laten me eindelijk los en ik duik gauw langs hun en Malfidus. Ik grijp mijn koffer en uilenkooi en spring de eerste beste treindeur in.
Ik vervloek de Wemels onder mijn adem door, terwijl ik langs allemaal volle coupés loop. Ik zie Ron, Harry en Hermelien met iemand in een coupé zitten die lijkt te slapen, maar voor Ron zijn hand helemaal opgestoken heeft, ben ik doorgelopen.
Na een tijdje geef ik het op om een lege coupé te vinden en stap ik de eerste volgende in zonder te kijken wie erin zit. Wanneer ik de deur sluit, klinkt er een ijzige stem vanaf het raam. 'Eh, deze coupé is al bezet.' ik kijk op, klaar om me te verontschuldigen, maar zie dat d coupé leeg is op de eigenaar van de ijzige stem na. Ik neem het meisje met een boze blik in me op. Ze lijkt een jaar ouder, dan ik, ze heeft zwart haar geknipt in een boblijn. Ze heeft haar schooluniform al aan: Zwadderich.
'Eh,' zeg ik op dezelfde toon. 'volgens mij zie ik helemaal niemand?'
'Mijn vriendje' ik walg nu al van haar. 'en zijn vrienden komen eraan.' Als ze haar zin afmaakt, hoor ik achter me de schuifdeur van de coupé open glijden. Ik zie de de gemene blik van het meisje veranderen in een mierzoete glimlach. 'Hoi Dracy.' zegt ze met eenzelfde mierzoete stem, waardoor er een rilling over mijn rug gaat. Ik draai me langzaam om en kijk weer in de lichtgrijze ogen van Draco Malfidus. Hij kijkt me kil aan en kijkt vervolgens over mijn schouder. 'Patty,' gromt hij, zijn stem even kil. 'wat doet zij hier?' vraagt hij aan het meisje, genaamd Patty, zonder mij nog een blik waardig te gunnen.
'Dat is toch het zusje van Griffel?' klinkt een grom vanachter Malfidus. Ik kijk langs hem en zie Korzel en Kwast en ernaast Benno Zabini. Ik open mijn mond, maar kan alleen maar ongemakkelijk glimlachen. Benno bekijkt me van top tot teen. 'Dit is het zusje van Griffel?' zegt hij, terwijl zijn blik blijft hangen bij mijn rondingen. Hij klikt met zijn tong en kijkt me aan met een verlangende blik in zijn ogen. Ik voel een blos ontstaan op mijn wangen. Ik hoor Patty achter me een zeurend geluidje maken, terwijl ik mijn mond weer open.
'Is dat waar?' zegt Malfidus met een minachting in zijn stem. 'Ik dacht...' hij kapt zichzelf af en herstelt zichzelf. 'Wat doe je in onze coupé, Modderbloedje?'
Er gaat een schok door me heen en tranen komen op. Ik wist dat Malfidus tegen niet-Puurbloed mensen is. Ik wist dat hij Hermelien een Modderbloed heeft genoemd... Maar toch had ik de hoop gehad, dat hij mij anders zou zien, dat hij mij zou zien als een Zwadderaar en niet voor iemand met vies bloed.
'Ik, eh.' is het enige wat ik er uit krijg, zonder in tranen uit te barsten. Ik adem schokkerig in maar voel één traan uit mijn ooghoek ontsnappen en duw me gauw langs Malfidus en zijn vrienden. Benno laat zijn hand langs mijn arm glijden, terwijl ik langs hem probeer te lopen. In reactie sla ik zijn hand weg en kijk hem giftig aan. Hij kijkt me hongerig aan, maar kijkt verbaasd als hij de ontsnapte traan ziet. Ik maak gebruik van zijn verbazing en stamp het gangpad in.


Fred's perspectief

Ik loop net weg van de snoepkar, met snoep ter waarde van een maand zakgeld, mijn ogen gericht op de berg snoep in mijn armen, hierdoor zie ik het niet aankomen als er iemand hard tegen me aanloopt. Mijn snoep vliegt over het hele gangpad en ik begin te vloeken. 'Sorry.' piept het meisje. Ik kijk op en zie dat de dader Liz is, maar Liz haar stem is niet pieperig. Ik steek mijn hand uit en duw haar kin omhoog, doordat ze gedwongen is me aan te kijken.
'Liz?' ik zie de herkenning in haar waterige ogen en dan zie ik de schaamte over haar gezicht trekken.
'Oh, hoi Fred.' zegt ze zachtjes, ze duikt naar de grond en begint sniffend mijn snoep bij elkaar te rapen. Ik ga door mijn knieën en probeer haar blik op te vangen. 'Liz?' fluister ik.
'Mh?' ze veegt met de palm van haar hand haar tranen van haar wangen.
Ik duw haar zwarte haren uit haar gezicht, zodat ik toegang heb toot haar gepijnigde gezicht. 'Wat is er, Lizzie?' vraag ik zachtjes.
'N-niks, ik b-ben gewoon een kluns, s-sorry.'
Ik zucht, die Griffels waren altijd zo moeilijk met binnenlaten. Ik pak Liz beet bij haar schouders, leidt haar weer omhoog en trek haar dan stevig tegen me aan, dit breekt haar en ze begint tegen mijn borst aan te huilen. Ik beweeg ons langzaam uit de looproute van andere studenten. 'Sssh, het is oké.' fluister ik tegen haar kruin. 'Het komt wel goed, ik ben hier.' Als ze stopt met huilen, kijkt ze op naar mij en ik zie verdriet weer overgenomen worden door schaamte.
'S-sorry.' mompelt ze weer.
'Wat is er gebeurd?' vraag ik, Liz nog steeds tegen me aanhoudend. Ze probeert haar adem te reguleren en ik voel haar warme adem tegen mijn keel komen. Opeens ben ik heel bewust van hoe dicht ze tegen me aanstaat, hoe ik haar borst tegen de mijne aanvoel elke keer als ze inademt, hoe ik haar armen opeens op mijn onderrug voel en hoe ik haar typische geur (vanille shampoo, de geur van een gloednieuwe bezem en een kruidige geur, die ik nog steeds niet kan plaatsen opeens heel goed kan ruiken. Langzaam laat ik haar los en ze doet een stapje achteruit, alsof ze mijn gedachten had gelezen.
'Malfidus,' fluistert ze, mijn ingewanden beginnen bij zijn naam al te draaien. 'hij noemde me een Modderbloedje.' de tranen springen weer in haar ogen. Ik voel een misselijkmakende haar omhoog borrelen en mijn eerste reactie is mijn toverstaf pakken. 'Fred, niet...' begint ze, me aan mijn mouw trekkend, maar ik ben al bezig met lopen.
'GEORGE!' bulder ik en zoals alleen mijn tweelingbroer dat kan, loopt George met zijn toverstaf in zijn hand achter me aan, zonder vragen.
'Fred!' hoor ik Liz nog wanhopig achter me aan roepen, maar de haat heeft me verblind en ik ben opzoek naar bloed.


Draco's perspectief

Wat is er mis met mij? Ik kan mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Ik kijk Benno aan, die me teleurgesteld aankijkt. Ik glij terug naar mijn verveelde blik en we blijven elkaars blik vasthouden, totdat Patty mijn hand vast pakt. Ik verstijf even, maar draai me dan naar haar om, ze glimlacht haar vreselijke glimlach en ik forceer ook een glimlach op mijn lippen. Ze trekt me verder de coupé in en wacht tot ik plaatsneem, als ik me naast het raam heb gestationeerd gaat ze als een een opgerolde kat naast me zitten, haar hoofd op mijn schoot. Weer verstijf ik even, maar ga dan mee in haar spelletje, Korzel en Kwast gaan tegenover ons zitten en Benno zucht als hij naast de voeten van Patty gaat zitten. Benno kijkt me nog steeds doordringend aan, maar ik negeer het door naar buiten te kijken. Patty begint te ratelen en soms reageer ik met een knikje of een ja of mh-mh, zonder echt te luisteren.

Mijn gedachten dwalen af naar het meisje met het gitzwarte haar... Ik weet nog toen ik haar voor het eerst zag. Dit was de eerste keer dat Zweinstein haar ogen op haar wierp. Het leek net alsof de zaal verstomde en iedereen zijn adem inhield. Ik had de hele welkomstceremonie niet opgelet, ik kende toch niemand onder de eerstejaars. Maar toen meerdere jongens aan de Zwadderich tafel elkaar begonnen aan te tikken en opgewonden begonnen te praten, keek ik nieuwsgierig op naar het krukje. Het meisje met het gitzwarte haar en felblauwe ogen zat er op, ze bewoog zenuwachtighaar benen heen en weer en je kon zien dat zin gesprek was met de sorteerhoed. Het duurde even, maar uiteindelijk schreeuwde de sorteerhoed. 'ZWADDERICH!' en (vooral de jongens aan) de Zwadderich tafel sprong op en begon te joelen. Het meisje bleef met grote ogen zitten, professor Anderling tikte haar zachtjes op haar schouder, waardoor ze langzaam naar onze tafel bewoog. Terwijl ze liep, keek ze om naar de Griffoendor tafel.

Pas nu ik weet wie ze is, vallen de puzzelstukjes op hun plaats. Ze had gehoopt bij haar grote zus gesorteerd te worden. Mijn hart slaat een slag over, als ik realiseer dat het meisje met de gitzwarte haren alles over mij van Griffel, Potter en Wemel gehoord zou hebben. Ik vervloek mezelf, op hetzelfde moment dat de schuifdeur van de coupé op wordt gegooid. 'MALFIDUS!'
Ik spring op bij het horen van mijn naam, met gevolg dat Patty begint te jammeren en Korzel en Kwast opspringen, mij afschermend van de aanvaller. Ik zie twee roodharige jongens in de deuropening staan en ik weet meteen waarvoor ze komen. 'Wemel.' weet ik eruit te krijgen, mijn blik zelfverzekerd.
'Haal je slaafjes weg en kom hier! Jij en ik, nu!' schreeuwt een van de twee.
IK begin spottend te lachen. 'En waarom zou ik dat doen, Wemel?' Patty grinnikt, met haar armen over elkaar geslagen.
'Wat is er, ben je bang?' roept de andere tweelingbroer.
Benno zit vast tussen Kwast en de muur. 'Eh, mag ik vragen wat er aan de hand is?' zegt hij heel rustig, met alleen maar een ongemakkelijke lichaamshouding.
'Hoe durf je Liz een modderbloedje te noemen?' schreeuwt de eerste broer.
'Hoe durf je überhaupt tegen haar te praten?' schreeuwt de tweede broer.
Benno zucht, met weer een blik naar mij en staat dan op, Kwast wegduwend. 'Sorry, maar wat heeft dat met jullie te maken?'
Ik wist het antwoord al op deze vraag: De Wemels zijn net broers voor haar en zij als klein zusje voor hun. Ik denk aan Liz gesandwicht tussen twee ouder Wemels op het perron. De Wemels vallen stil en geven geen antwoord. In plaats daarvan heft de eerste zijn toverstaf op en richt hem op mijn gezicht.
'Ah,' zegt Benno, nog steeds kalm. 'Ik zie al wat er aan de hand is.' hij pauzeert voor een onnodig, dramatisch effect. Het werkt, want de tweeling kijkt beide zijn kant op. 'Je bent verliefd op haar.' zegt hij tegen de eerste Wemel. 'Ik moet eerlijk toegeven dat ik het begrijp, ze is een heel mooi meisje.'
Beide broers trekken hetzelfde gezicht, als wat ik voel verontwaardiging. Hoe kan hij zo over haar praten?
Beide Wemels wijzen hun toverstaf nu op Benno. 'Pas op met wat je over Liz zegt.' zegt de tweede broer, de eerste opmerking negerend.
'Of anders?' zegt Patty lachend.
Beide broers openen hun mond, maar oor ze antwoord kunnen geven, komt de trein met een ruk tot stilstand en vallen de lichten abrupt uit. Er valt een stilte door de hele trein. Ik draai me om naar het raam en kijk naar buiten, ik zie schimmen gekleed in mantels de trein in komen. Mijn hart wordt ijskoud, als ik de schimmen herken. 'Dementors.' fluister ik.