Boete District 2

Medea O'Donovan (17) – District 2

Ik was nog nooit op deze afdeling geweest. Meestal bleef ik op de zevende verdieping, waar zich de persoonlijke vertrekken van de Commandant en enkele andere hooggeplaatste Vredebewakers bevonden. Berric had me streng verboden de lagere verdiepingen te bezoeken, en zijn woede indachtig had ik me steeds aan zijn regels gehouden.

Maar nu was Berric er niet.

Gisterenmiddag was hij vertrokken. Hij had me niet verteld waarheen, maar dat interesseerde me ook niet. Het enige wat er toe deed was zijn afwezigheid. Hij had me wel vaker alleen achtergelaten bij zijn collega's. Maar deze keer was anders geweest. Ze waren te ver gegaan.

Ik was vrijwel probleemloos tot hier geslopen, maar nu stuitte ik op moeilijkheden. Twee forse Vredebewakers bewaakten de ingang van de Commandopost. Een van hen leunde verveeld op een lange speer en de andere probeerde aandachtig naar buiten te kijken, wat een hele opgave was, want alle ramen in het gebouw waren klein en lieten slechts weinig licht binnen.

Maar ik keek niet naar de ramen of hun wapens. Hun gezichten waren hetgeen mijn aandacht trok. Ik kende hen. Ze hadden gisteren net zo hard gelachen als de andere mannen. Hun handen waren even wreed geweest als hun woorden.

Woede nam bezit van me. Zonder nog verder na te denken stapte ik op hen af. Het enige waar ik aan dacht was het geruststellende gevoel van het koude metaal tegen mijn onderarm.

'Wat doe jij hier?' vroeg de Vredebewaker met de speer bars. 'Moet jij de kamers van Commandant Berric niet schoonmaken nu hij weg is?'

Ik keek hem koel aan met mijn lichtblauwe ogen en vertelde hem de leugen die me al zo ver had weten te brengen. 'Hij had me opdracht gegeven een paar nieuwe cadetten welkom te heten. Ik wacht hen hier op.'

De norse uitdrukking op zijn gezicht verdween meteen. Zijn dunne lippen plooiden zich om tot een sardonische glimlach. 'Ik kan ook wel een warm welkom gebruiken, liefje,' zei hij, en hij nam mijn linkerarm in een ijzeren greep. Ik kon de wellust in zijn grijze ogen lezen terwijl hij me in de richting van een voorraadkamer trachtte te sleuren. Zijn collega sloeg geen acht op ons.

'Jij hebt gisteren je kans gehad,' zei ik kil.

'Gisteren kon ik amper bij je in de buurt komen. Het was nogal druk, vond je niet?' Zijn vingers drukten pijnlijk in mijn reeds gekneusde vlees. Ik kon haast voelen hoe de nieuwe blauwe plekken zich onderhuids begonnen te vormen.

Ik had nu geen kans meer het op een lopen te zetten. Snel nam ik een beslissing. 'Goed dan,' zei ik onbewogen. 'Maar haast je.' Mijn gezicht verried geen enkele emotie toen de Vredebewaker me ruw de kamer binnen duwde. Ik wist dat hij zich ergerde aan mijn desinteresse. Dat deden ze allemaal.

'Ik kan me jou niet goed herinneren,' zei ik treiterend. 'Een erg grote indruk zal je blijkbaar niet gemaakt hebben.' Ik keek op naar zijn niet onknappe gezicht en zag er precies wat ik verwachtte te zien. Woede en haat streden om voorrang.
Wat was een man toch makkelijk te beledigen.

'Na vandaag zal je me nooit meer vergeten. Dat beloof ik je,' spuwde hij uit en hij drukte me hardhandig tegen de koele, witte muur. Met zijn gespierde benen hield hij mijn onderlichaam in bedwang, terwijl zijn opvallend verzorgde handen aan mijn grijze hemdje trokken.

Ik wachtte totdat zijn aandacht voldoende was afgeleid en sloeg toen mijn beide armen om hem heen. Het kostte me enige moeite het kleine keukenmesje vanuit mijn rechtermouw in mijn hand te laten belanden, maar uiteindelijk lukte het. Ik verplaatste mijn grip op het wapen en ademde diep in. Met vaste hand dreef ik het mes in zijn onderrug en maakte een zijwaartse zaagbeweging, waardoor ik dwars door zijn linkernier sneed. Warm, donkerrood bloed gutste over mijn bleke handen.

Zijn gezicht verstijfde van de folterende pijn. Met schokkerige bewegingen viel hij op de grond en bleef daar stuiptrekkend liggen. De pijn was zo intens dat die zijn adem afsneed en het hem onmogelijk maakte te schreeuwen.
Een nuttige bijkomstigheid, merkte ik onverschillig op.

Ik bukte me en bracht mijn roodgestifte lippen tot vlak bij zijn oor. 'Je hebt gelogen,' fluisterde ik zacht en hatelijk. 'Ik ben je nu al vergeten.'

Ik stond op, veegde mijn handen en het mesje af aan zijn maagdelijk witte uniform, fatsoeneerde mijn eenvoudige werkkledij en verliet het krappe kamertje.

Doelbewust liep ik naar de ingang van de Commandopost, waar nu nog slechts één Vredebewaker patrouilleerde. Zijn blik was nog steeds strak op de, naar zijn idee, bedreigende buitenwereld gericht. Daardoor kon ik hem tot op minder dan één meter naderen vooraleer hij me opmerkte. Hij keek me achterdochtig aan. 'Waar is Jorun?' vroeg hij eisend.

Ik haalde nonchalant mijn hoekige schouders op. 'Ik geloof dat je vriend zich bezeerd heeft.'

Zijn donkere ogen versmalden zich en dreigend herhaalde hij zijn vraag. Ik beantwoordde zijn blik met een nietszeggende uitdrukking en wees achteloos naar het voorraadkamertje. 'Hij is daar.'

'Meekomen,' beval hij en hij dirigeerde me in de richting van de gesloten deur. Ik liep gewillig mee en opende de deur, zodat hij naar binnen kon gaan. Bij het zien van de scharlakenrode plas bloed en de roerloze gedaante van zijn vriend, snakte hij naar adem, en in die paar seconden die hij nodig had om de situatie tot zich door te laten dringen, sloeg ik de deur met een klap dicht en draaide die op slot.

Opnieuw liep ik naar de ingang. Ik keek over mijn schouder en zag dat de hal verlaten was. Een betere kans zou ik nooit meer krijgen. Over enkele uren kwam Berric terug en daarmee ook mijn angst. Van zodra de Commandant het Vredebewakerscomplex betrad, zou mijn moed me weer in de schoenen zakken. Die gave had mijn rechtmatige bezitter nu eenmaal.

Ik ademde enkele keren geconcentreerd in en uit en sloot de deur naar mijn angst zorgvuldig af. Angst maakte je zwak, en ik mocht niet zwak zijn. Ik legde mijn hand op de klink van de met ijzer beslagen deur en duwde die naar beneden. Ik liep het grauwe gebouw uit en ademde voor het eerst sinds zeven jaar de frisse buitenlucht in.


Midas Tollak (18) – District 2

Om zeven uur stipt galmde de luide alarmtoon door de gangen. Ik bleef geen seconde langer liggen en sloeg de behaaglijk warme dekens van me af. Met mijn blote voeten stapte ik de koude, betonnen vloer op en maakte mijn bed op. Zonder de tijd te nemen langzaamaan wakker te worden, haalde ik mijn beige trainingspak van de kleerhanger en trok het aan. Mijn voeten hulde ik in zwarte sokken en eveneens zwarte sportschoenen. Snel kamde ik mijn weerbarstige, blonde haren naar achteren en controleerde of ze het gerafelde litteken in mijn nek bedekten. Ik wierp een vluchtige blik in de gebroken spiegel aan de wand en staarde in mijn donkergrijze ogen. Toen verliet ik mijn kleine kamer.

Zoals altijd was ik één van de eersten op de gang. Maar dat deerde me niet, in tegendeel, ik had absoluut geen behoefte aan het nodeloze gepraat van mijn collega's. Hun gesprekken waren wel het laatste waar ik naar verlangde.

De geur van versgebakken brood en warme thee bereikte me nog voor ik de deur naar de eetzaal opende. Met snelle passen beende ik het ruime vertrek door en liep meteen naar een eenzaam tafeltje in de hoek van de zaal. Ik sloeg geen acht op de andere ontbijtgasten en nam plaats tegenover Conall.

'Midas,' zei hij, bij wijze van begroeting. Zijn groene ogen keken me even aan en ik beantwoordde zijn ochtendgroet met een zuinig knikje.

'Vandaag is het Boete,' merkte hij op, en hij nam een grote hap van zijn met kaas belegde broodje.

Ik haalde verveeld mijn brede schouders op. De Boete zei me niet veel. Het was een noodzakelijke onderbreking van de dagelijkse routine. Sommige cadetten zagen het als een bevrijding om even uit hun rol van Vredebewaker te mogen treden, maar ik vond het alleen maar een verspilling van tijd.

'Je laatste,' ging Conall verder en hij keek me vragend aan.

'Ja,' zei ik vlak. 'Mijn laatste.'

'Wat als je gekozen wordt?' vroeg hij bedachtzaam. Vandaag wilde hij blijkbaar heel graag een gesprek aanknopen, want meestal gaf hij het sneller op.

'Het doet er niet toe wie er gekozen wordt, er zijn altijd vrijwilligers.' Ik begon me te ergeren aan zijn nutteloze vragen. Hij wist net zo goed als ik hoe de Boete zou verlopen.

'Misschien niet. Dus, wat dan?'

Ik zuchtte demonstratief. 'Dan ga ik naar de Hongerspelen.' Ik schonk mezelf wat hete thee in en nam een snede brood van de plank. Ik voelde Conalls ogen op me rusten terwijl ik het sneetje brood behendig van een laag boter voorzag. Uiteindelijk keek ik op.

'En wat zou je ervan vinden om twaalfjarige kinderen te moeten vermoorden?' Zijn vraag bereikte het gewenste effect. Ik stopte met smeren en keek de Vredebewaker verbaasd aan. Ik wist niet waarom hij het gevraagd had, we spraken haast nooit over die gebeurtenis. Ik had er de laatste jaren nog nauwelijks aan teruggedacht. Maar nu deed ik dat wel.

We keken elkaar aan. Lyna zei dat we terug moesten gaan en het aan onze ouders moesten tonen, maar niemand luisterde naar haar. Zij was maar het kleine zusje van Egon. En ze was een méisje, die waren altijd bang.
Met een van opwinding vertrokken gezicht raapte ik het zilveren mes op. Ik woog het in mijn hand, en stak het toen in een heldhaftig gebaar in de lucht. Ik was twaalf, en waande me een man.
'Leg het neer,' fluisterde Lyna zenuwachtig. 'Het is van een Vredebewaker!'
'Dat weten we, Lyna,' zei Egon geërgerd. 'Maar ik heb het gevonden, en dus is het nu van mij!' Hij keek me aan en stak bevelend zijn hand uit. 'Geef hier, Midas. Ik heb het als eerste gezien.'
Ik keek hem boos aan. Ik had het opgeraapt. Het was van mij. 'Nee,' zei ik en ik maakte me klaar om weg te rennen. Maar Egon greep mijn arm vast en trok me op de grond. Hij belandde boven op mij en probeerde het mes af te pakken. Mijn mes!
'Stop! Egon! Ik vertel het aan moeder!' schreeuwde Lyna angstig, maar niemand sloeg acht op haar. Egon en ik rolden over de vochtige bosgrond, naast het kleine beekje. De andere jongens leken het wel spannend te vinden en moedigden ons aan.
En toen kreeg Egon mijn mes te pakken. Hij wilde me van zich afduwen en stond recht, maar vergat dat hij het scherpe wapen in zijn hand hield. Ik voelde een brandende pijn in mijn nek en merkte hoe het warme bloed in mijn kleren vloeide. Mijn bloed. Mijn mes. En Egon had het afgepakt en me ermee verwond!
De razernij bekroop me. Met een geweldige krachtinspanning gaf ik Egon een enorme duw. Hij struikelde en verloor zijn evenwicht. Met een plons belandde hij in het beekje achter ons. Maar er was nog een ander geluid geweest. Een afschuwelijk geluid.
Het geluid van bot dat verbrijzeld wordt.
Ik hoorde Lyna gillen. 'Je hebt hem doodgemaakt! Je hebt mijn broer doodgemaakt!'
Ik schudde mijn hoofd. Ze kon geen gelijk hebben. Egon kon niet dóód zijn. Hij was gewoon in het water gevallen en zou zo dadelijk naar me toekomen. Maar waarom zei hij niets?
Ik dwong mezelf te kijken. Het eerste wat ik zag was het bloed. Het volgende Egons verbrijzelde schedel. En toen de uitstekende steen, met rode bloedspetters bedekt.
Lyna had gelijk.
Ik had haar broer vermoord.

Ik schudde de herinnering van me af. Het was lang geleden. Ik was veranderd in de voorbij zes jaar. Ik had mijn lot aanvaard toen Vredebewaker Conall me van de ophangingsdood had gered, en me in plaats daarvan een opleiding tot Vredebewaker had aangeboden.

Ik had mijn leven aan hem te danken. Nu restte mij niets anders meer dan te dienen. Mijn plicht te doen. Te gehoorzamen. Al het andere was ik verloren op die bewuste dag. Maar plicht was een mooi levensdoel, meende ik.

'Ik moet naar het plein vertrekken,' zei ik bruusk en ik stond op.

Conall knikte. 'Ik zie je vanavond.'

Ik liep de eetzaal uit. Het was een lange tocht naar het plein, maar dat maakte niets uit. Het hoorde erbij. Ik bereikte de ingang van de Commandopost en knikte Jorun en Edric kort toe. Ze beantwoordden mijn groet met een afgemeten glimlachje en openden de deur. Ik liep naar buiten.


Medea O'Donovan (17) – District 2

Ik had nooit geweten dat er zoveel kleuren bestonden. De lucht was blauwer dan ik mij kon herinneren. Zelfs de bomen waren groener, en sinds wanneer scheen de zon zo fel? Ik hoorde hoog in de lucht de roep van een vogel, en besefte dat ik bijna vergeten was hoe dat klonk. Een oranjekleurig insect streek neer op mijn ziekelijk bleke huid en trippelde met zijn broze pootjes over mijn handpalm.

Ik lachte. En hield meteen op bij het horen van dat vreemde geluid. Ik had al eeuwen niet meer gelachen, en dit was een bijzonder slecht moment om ermee te beginnen.

Mijn moeilijkheden waren nog lang niet voorbij. In tegendeel, nu kwam het meest gewaagde deel van mijn ontsnappingsplan. Ik moest het plein bereiken. En snel. Ik wist dat de tijd drong.

Ik begon te rennen. De wind speelde door mijn lange, zwarte haren en deed mijn huid tintelen. Mijn voeten droegen me sneller door de open weiden dan ze ooit gedaan hadden. Hoewel het al jaren geleden was dat ik op het plein was geweest, wist ik precies waar ik heen moest. Ik had Berric en vele anderen er vaak over horen vertellen. Door hun verhalen was ik ook te weten gekomen dat de Commandopost een heel eind buiten het centrum lag, vlakbij de grens van District Twee.

Maar ik liep door. De gedachte aan wat Berric met me zou doen als hij me vond, was zo beangstigend dat ik de stekende pijn in mijn zij en mijn voeten makkelijk kon negeren. De enige keren dat ik mijn snelheid minderde, was wanneer ik een Vredebewaker in het oog kreeg. Het gebeurde echter maar twee keer, en ze waren beiden druk bezig met het blaffen van bevelen tegen angstige mensen.

Uiteindelijk bereikte ik het plein en mengde me snel tussen de massa mensen. Zoals ik had verwacht stond het volgepakt met kinderen en hun ouders. Allen droegen feestelijke kledij. Het haar van de meisjes was kunstig opgestoken en versierd met een weldaad aan kleurige linten of spelden. In vergelijking met hen zag ik er kleurloos uit in mijn grijze werkkledij en mijn zwarte haren benadrukten de bleekheid van mijn gezicht des te meer. Even voelde ik een vlaag van onzekerheid toen ik besefte hoezeer ik van hen verschilde. Ik was zolang weggeweest. Misschien wel te lang.

Streng sprak ik mezelf toe en dwong mezelf weer te focussen, te observeren en te beslissen wat ik moest doen. Ik keek de menigte rond en zag dat de meisjes aan de ene kant, en de jongens aan de andere kant stonden. Verder zag het er naar uit dat ze op basis van hun leeftijd een bepaald vak kregen toegewezen. Ik herinnerde me vaag een dergelijke opstelling.

Maar mijn aandacht werd al gauw getrokken door de opzichtige vrouw op het podium. Haar paarskleurige haren waren dusdanig hoog opgestoken dat haar lengte met minstens dertig centimeter was toegenomen. De jurk die ze droeg was bezet met een verscheidenheid aan edelstenen die ik niet voor mogelijk had gehouden. Maar het waren vooral haar ogen die me opvielen. Die hadden zo'n intense, rode kleur, dat haar pupillen wel gestold bloed leken.

'De vrouwelijke Tribuut voor de 65e Hongerspelen is Isabelle Mallon!' hoorde ik haar opeens roepen.

Mijn hart leek even stil te staan. Was ik te laat? Ik rende naar het podium en merkte in mijn haast niet eens op dat ik een ander meisje, dat er aanzienlijk sterker uitzag dan ikzelf, omver duwde. Maar ik keek niet achterom en bleef rennen. Bij het podium aangekomen, plaatste ik mijn beide handen op het platform en wist met een laatste krachtinspanning op de verhoging te klimmen. 'Ik bied me aan als vrijwilliger,' perste ik eruit, nog gedeeltelijk zittend.

Buiten adem en volledig uitgeput stond ik op en keek om me heen.

En toen zag ik hem. Berric.

Op dat moment wist ik dat mijn leven ten einde was.


Midas Tollak (18) – District 2

Ik liep naar het vak voor de achttienjarige jongens en keek vervolgens toe hoe het plein vol stroomde met zorgeloze kinderen en ouders, grootouders en andere familieleden. Natuurlijk verliep de Boete in ons District heel wat opgewekter dan in de meeste andere Districten.

De burgemeester nam het woord en heette ons allen welkom. Naast hem stond Atheia Oxten, de begeleidster uit het Capitool. Zoals elk jaar leek ze nog het meest op een glinsterend en uitermate bloeddorstig insect.

De burgemeester las op slaapverwekkende toon het Verdrag van het Verraad voor en de film over de Opstand werd getoond. Omdat ik zowel de woorden als de beelden al ontelbare keren had gehoord en gezien, besteedde ik er weinig aandacht aan. Uiteindelijk was het afgelopen en kwam Atheia naar voren. Ze liep naar de bokalen waar de briefjes inzaten en met haar lange, vlijmscherpe nagels plukte ze een enkel briefje uit de glazen bol. Natuurlijk maakte het weinig uit wiens naam ze zou voorlezen.

Er werd twee maanden op voorhand een verkiezing georganiseerd waarbij iedereen mocht stemmen op zijn of haar favoriete Tributen. Het meisje en de jongen met de meeste stemmen vrijwilligden tijdens de Boete en iedereen was tevreden. Het trekken van een naambriefje werd enkel in ere gelaten vanwege de traditie.

Ik hoorde haar de naam uitspreken, maar herkende hem niet. Niet dat ik dat verwacht had.

Opeens stormde er een meisje naar het podium. Ze duwde in haar haast de uitgekozen vrouwelijke Tribuut omver en sprintte alsof haar leven ervan afhing. Toen ze zich op het podium had gehesen, keek ze de menigte rond, en haar blik verstarde. Haar toch al bleke huid verloor al zijn resterende kleur en ze leek te wankelen op haar lange benen.

Ik herkende haar. Het was Medea O'Donovan, het meisje van Berric. Ik verbaasde me er enigszins over dat zij gevrijwilligd had voor de Spelen, want ik had gehoord dat ze de Commandopost nog nooit had verlaten sinds haar aankomst, zo'n zeven jaar geleden.

'Haal die hoer van het podium!' brulde een woeste stem over het plein, nog voor ik er verder over kon nadenken. Alle hoofden draaiden zich om naar de man die net geschreeuwd had. Atheia Oxten kneep haar bloedrode ogen dicht en maakte een vaag gebaar met haar hand naar enkele Vredebewakers op het plein. De burgemeester keek haar vragend aan, maar ze schonk hem een kille blik en negeerde hem vervolgens. De oude man wachtte zichtbaar nerveus het verdere verloop van de gebeurtenissen af.

Het was Commandant Berric die zo had geroepen. Hij trilde van razernij en baande zich met veel kabaal en gevloek een weg naar het podium. Ik keek naar Medea en zag een mengeling van woede en doodsangst op haar gezicht.

De woede leek aan de winnende hand te zijn. 'Hoer?' schreeuwde ze naar Commandant Berric, en ze richtte zich in haar volle, niet onaanzienlijke lengte op. 'Ik werd er niet voor betaald. Of wel?'

Commandant Berric keek haar aan, en als blikken konden doden, was Medea ter plekke gestorven. Ondertussen bleef hij het podium naderen. Ik zag drie Vredebewakers op hem aflopen, maar de Commandant leek daar geen oog voor te hebben. De jongere kinderen gingen angstig opzij en lieten hem door. Toen hij bij het vak van de achttienjarigen was, kruiste zijn blik de mijne. Een verdorven lach verscheen op zijn gebruinde gezicht. Hij kwam naar me toe.

'Cadet!' sprak hij luid.

'Commandant,' zei ik respectvol. Bijna automatisch ging ik in de houding staan. Kin omhoog en borst vooruit. Armen strak langs het lichaam. Buikspieren opgespannen. Voeten lichtjes gespreid.

'Je moet iets voor me doen, jongen. Hoor je me?'

'Ja, Commandant,' antwoordde ik gehoorzaam.

'Je gaat vrijwilligen voor de Spelen.' Zijn blauwe ogen boorden zich in de mijne. Op zoek naar een teken van opstandigheid. Maar dat zou hij niet vinden. Niet bij mij. Mijn leven was plicht. En het was mijn plicht hem te gehoorzamen.

'Ja, Commandant,' herhaalde ik.

'En zodra je de kans hebt, vermoord je dat arrogante sletje.'

'Ja, Commandant. Dat zal ik doen, Commandant.'

'Langzaam,' voegde hij er aan toe. 'Zodat ze tijd heeft je om genade te smeken.'

'Goed, Commandant,' antwoordde ik.

'En als je na de Spelen naar het District terugkeert, zal ik je belonen met een mooie titel. Hoe klinkt dat, Commandant Tollak?' Ik keek hem even verbaasd aan. Een nieuwe titel was niet nodig om mijn medewerking te bekomen. Maar als Commandant kreeg ik meer verantwoordelijkheid. Ik zou iets kunnen ondernemen om het plichtsverzuim van anderen in te tomen. Ik knikte.

'Dank u, Commandant. Ik zal doen wat u zegt.'


Medea O'Donovan (17) – District 2

Ik zag hem naderen. Zijn blik was strak op mij gericht. Zijn ogen boorden zich in de mijne. 'Je bent van mij,' zeiden ze. 'Alleen van mij.'

Kille vingers van angst boorden zich in mijn hart. Berric zou me meenemen naar de Commandopost en me straffen voor mijn verraad. Ik wist dat zelfs mijn dood niet voldoende zou zijn om zijn woede te stillen. Hij zou me willen breken. Zoals hij me al zo vaak gebroken had.

Eerst had ik nog woede gevoeld. Woede om wat hij de menigte toeriep. Maar nu restte mij slechts angst.

Toen hij bijna bij het podium was, hield hij even halt en leek iemand in de menigte aan te spreken. Door de grote massa mensen kon ik echter niet zien met wie hij aan het praten was. Maar ik besteedde er niet veel aandacht aan. Hij zou snel genoeg zijn tocht naar het podium hervatten. Zijn tocht naar mij. Naar mijn dood. Ik beefde onbedaarlijk.

Maar opeens klonk er luid tumult op het plein en ik schrok op uit mijn angstdromen. Drie Vredebewakers stapten op Berric af en hielden hem met vereende krachten in bedwang. De Capitoolvrouw naast me zuchtte van opluchting nu de orde weer enigszins hersteld was. Berric werd onder luid protest het plein afgevoerd. Hij schold zijn collega's de huid vol en beval hen hem te laten gaan, maar voor deze ene keer gehoorzaamden ze hem niet. Met een laatste furieuze blik op mij verdween hij uit het zicht. De stilte keerde weer op het plein, maar niet in mijn gedachten. Berric was weg. Voorgoed. Ik zou hem nooit meer zien. Ik was vrij.

De Capitoolvrouw leek de enige te zijn die me niet aangaapte. Ik zag honderden ogen op me gericht. Sommigen leken kwaad, omdat ik niet de verkozen Tribuut was, maar ik wist dat ze niets konden doen. Anderen waren bang en geschrokken. Een Vredebewaker gearresteerd zien worden was niet bepaald wat ze verwacht hadden van de Boete.

Naast me draaide de opzichtige vrouw zich naar me om en glimlachte de meest vreugdeloze glimlach die ik ooit gezien had.

'Zo, nu de orde hersteld is, kunnen we eindelijk verdergaan. Hoe heet jij, meisje?' vroeg ze, met een neerbuigende ondertoon in haar kille stem.

'Medea O'Donovan,' antwoordde ik, en mijn lichtblauwe ogen keken strak in haar rode. Ik liet me niet zo gauw intimideren. En zeker niet door een vrouw met zo'n lachwekkend accent.

Ze herhaalde mijn naam zodat iedereen het kon horen en liep toen snel naar de bokaal met de namen van de mannelijke Tributen. Met haar klauwachtige vingers greep ze een briefje beet en ontvouwde het tergend langzaam. Ze opende haar mond om de naam voor te lezen, maar nog voor ze de eerste letter had kunnen vormen, stormde een jongen in trainingspak het podium op.

'Ik wil vrijwilligen voor de Spelen,' zei hij luid en duidelijk.

Ik keek hem aan, en voelde de withete woede opnieuw ontvlammen. Het was Midas Tollak, een Vredebewaker.


Midas Tollak (18) – District 2

Er stond slechts één stoel in het vertrek, maar ik ging niet zitten. Ik stond bij de deur en wachtte. Ik wilde tegen mijn bewakers zeggen dat ze me meteen mochten meenemen, er was niemand die afscheid van me zou komen nemen. Ik hoefde geen huilende zusjes en bange broertjes te omhelzen. Ik had mijn familie achtergelaten op die bewuste dag, in ruil voor mijn leven. Nu was ik daar erg blij om. Ik moest gefocust blijven om mijn doel te kunnen bereiken. De Commandant had mij uitgekozen voor deze taak en ik zou die naar best vermogen uitvoeren.

De deur werd geopend en haalde me uit mijn overpeinzingen. Het waren niet mijn bewakers die het vertrek betraden, maar Conall. Hij zag er vreemd bedroefd uit. Berustend, maar bedroefd.

'Waarom heb je dat gedaan, Midas? Toch niet om wat ik zei, mag ik hopen?' vroeg hij meteen.

Ik keek hem strak aan. 'De Commandant heeft het me opgedragen.'

'Commandant Berric?' vroeg hij, een lichte toon van ergernis onderdrukkend.

'Ja.'

Conall zuchtte. 'Ik hoorde al dat hij voor problemen had gezorgd, vanwege zijn meisje.'

Ik knikte slechts, zijn woorden bevestigend.

'En wat heeft hij je nog meer gevraagd?'

'Ik moet Medea voor hem vermoorden.' Ik zag niet in waarom ik erover zou liegen. Het nieuws zou zich weldra verspreiden onder de mannen in de Commandopost en voor heel wat speculaties zorgen. Ik vroeg me af of de mannen die Medea een nachtje hadden mogen lenen haar lot zouden betreuren. Waarschijnlijk niet. Ze zouden vast wel een nieuwe manier vinden om hun plicht te ontlopen.

'En dat ga je doen.' Het was geen vraag, dus gaf ik geen antwoord. Conall wist beter dan wie ook hoe ik dacht over gehoorzaamheid aan je meerderen.

'Je hebt een Districtaandenken nodig,' zei hij nogal abrupt, en hij haalde een klein, lederen riempje uit zijn zak. Ik herkende het niet en staarde er lange tijd naar. Uiteindelijk wist ik het weer.

'Dat was van Egon.'

Conall knikte en overhandigde mij de armband. 'Ik weet dat je leeft voor je opleiding. Dat je niets anders de moeite waard vindt om voor te leven. Ik weet dat je niet zal nalaten je plicht te doen. Maar neem dit mee, Midas, en vergeet niet wie je bent.'

Ik knikte.

Conall liep naar de deur, maar op het laatste moment draaide hij zich nog om. 'Ik hoop dat je wint, Midas. Dat hoop ik echt.'

Ik keek hem aan en realiseerde me, misschien wel voor de eerste keer, dat Conall een vriend was. Of dat hij er alleszins dicht bij in de buurt kwam. Zonder het zelf te beseffen glimlachte ik.

'Ik beloof het, Conall. Dat ben ik je verschuldigd. Ik ben je mijn leven verschuldigd.'

En toen liet hij me alleen achter in de Afscheidsruimte.

Ik keek uit het raam en voelde enkel vastberadenheid. Voor angst was er geen plaats. Ik zou winnen.

Maar eerst moest ik mijn taak volbrengen en Medea vermoorden.


Medea O'Donovan (17) – District 2

Razend rukte ik me los uit de greep van de twee Vredebewakers en liep de Afscheidsruimte binnen. Ik smeet de deur met een harde klap dicht en liep ijsberend door de kamer.

Midas Tollak. Een Vredebewaker.

Een betere Districtpartner hadden ze me niet kunnen geven, dacht ik verbitterd.

Maar waarom eigenlijk? Ik begreep het niet. Hij had geen enkele reden om te vrijwilligen. Naar wat ik over hem vernomen had, leek hij me er ook niet de persoon naar zijn leven op het spel te zetten in ruil voor eeuwige roem. Er was geen verklaring voor zijn wens deel te willen nemen aan de Spelen.

Geen enkele.

Tenzij... Het besef bekroop me als een dief in de nacht. Berric had hem gestuurd. Zelf stond hij machteloos, dus stuurde hij een schoothondje. Midas deed mee om mij te kunnen vermoorden. Het klonk als iets wat Berric zou doen. Al koesterde ik niet de illusie dat mij een snelle dood vergund zou zijn.
Ik vloekte zacht, maar bedaarde ook enigszins. Nu ik wist waarom hij deelnam, vormde hij geen bedreiging meer. Hij was één van de zovelen die moesten sterven, door mijn hand of die van iemand anders. Dat maakte niets uit. Ik had geen behoefte aan zijn bloed, alleen aan zijn dood. Ik moest dit winnen.

Bedaard ging ik zitten en keek om me heen. Afscheidsruimte noemden ze dit. Maar niemand zou van mij afscheid komen nemen. Ik had geen dierbaren. Niemand die me zou missen, of om mijn dood zou huilen.

Niemand, behalve misschien... Nee, ik zette de gedachte aan Elan snel van me af. Mijn broer zou geen afscheid van me willen nemen. Hij had niet eens naar me omgekeken toen Berric me meesleurde, terwijl ik smekend zijn naam huilde en hem probeerde te bereiken. Het had niet geholpen. Niets had geholpen.

'Ik heb je eerlijk gewonnen,' had de Commandant gezegd. 'Je bent van mij nu, alleen van mij. En je gaat alles doen wat ik van je vraag. Alles. Je broer is een dronken idioot, om zijn zusje als inzet te gebruiken bij een gokspel. Maar ik doe graag zaken met dronken idioten. Ze leveren me heel wat moois op. En jij bent wel het mooiste spulletje dat ik ooit gewonnen heb. '

Zijn woorden stonden voor eeuwig in mijn geheugen gegrift. Zelfs al zou ik het proberen, ik kon ze niet vergeten. Maar dat wilde ik ook niet. Ik wilde iedere lettergreep onthouden. Het voedde mijn haat. Mijn haat voor Berric, die me mijn jeugd ontnomen had. Mijn haat voor mijn broer, die alcohol boven zijn kleine zusje verkoos en de haat voor mijn ouders, die me in de steek hadden gelaten toen ze bezweken aan de koorts.

Nee, niemand zou afscheid van me komen nemen.

Ik keek naar de deur en wachtte totdat het tijd was. Tijd om te vertrekken.

Tijd voor mijn nieuwe leven.


Zo, Boete 2! Ik ben heel benieuwd wat jullie van Midas en Medea vonden, en van de Boete in het algemeen, natuurlijk! Dus laat zeker een review achter! Daar maak je me ontzettend blij mee én je verdient er sponsorpunten mee :) Ik wil ook meteen iedereen bedanken die bij het vorige hoofdstuk een review heeft achtergelaten.

Mijn zeer grote dank gaat uit naar Jade Lammourgy en LeviAntonius voor het bedenken van deze heel bijzondere Tributen! Hun achtergrondverhalen maken meteen heel wat interessante plotlijnen mogelijk, dus dat kan nog leuk worden! Ik ben heel nieuwsgierig naar jullie mening over hen. :)

! Ik ben nog op zoek naar 3 (liefst wat jongere) mannelijke Tributen uit D9, D11 en D12. Dus als je inspiratie, zin en tijd hebt, laat het dan zeker weten! Hoe origineler, hoe liever :)

Op naar de puntentelling dan maar!

De puntentelling

Azmidske87: 16
Jade Lammourgy: 16
LeviAntonius: 16
Serenetie – Ishida: 15
MyWeirdWorld: 13
Indontknow: 12
Livingtreetrunk: 12
Tiger Outsider: 12
evalovespeeta: 10
Lyannen: 10
MadeBy Mel: 10
Zacksteel: 10
SirWalshingham: 8
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6

Tot bij Boete 3!

Marie :)