Boete District 4
Emmie-Lyn Gotharte (17) – District 4
Opgeschrokken door het geluid keek ik om me heen. Geconcentreerd speurde ik de omgeving af, maar ik kon niets of niemand bekennen. Een zucht van opluchting verliet mijn mond en gerustgesteld plofte ik weer neer op het houten krukje.
Ik controleerde alle lijnen, en stelde tot mijn grote vreugde vast dat er twee vissen gebeten hadden. Ik haalde de vislijnen binnen, maakte de vissen los en gooide ze in de groene emmer. Ik hoorde ze nog enkele seconden wanhopig spartelen en naar lucht happen, maar uiteindelijk verstomde het geluid en bleven ze roerloos liggen.
Behendig maakte ik een nieuw stukje aas vast aan één van de lijnen. De witte larve kronkelde verwoed in mijn sterke vingers totdat ik hem abrupt doorboorde met de scherpe vishaak. Ik plaatste de nieuwe vislijn en speurde voor de zekerheid de omgeving nogmaals af. Zeker vandaag was de kans groot gepakt te worden, want op de dag van de Boete wemelde het hier van de Vredebewakers.
Toen ik er absoluut zeker van was alleen te zijn, richtte ik mijn groene ogen opnieuw op de kalm stromende rivier en stond mezelf toe even al mijn zorgen te vergeten. Vermoeid liet ik mijn hoofd in mijn bleke handen rusten.
'Lyn! Eindelijk! Kom snel, en neem je vislijnen mee!' klonk het paniekerig. Geschrokken sprong ik overeind en stootte in mijn haast het oude krukje om. Luna rende in volle vaart naar me toe en keek angstig over haar schouder. Een koude golf van angst overspoelde me toen ik besefte wat dat betekende.
Vredebewakers.
'Ik heb je al tien keer geroepen!' zei het meisje terwijl ze slippend tot stilstand kwam. Ik knikte verontschuldigend en vervloekte in stilte mijn verminderde gehoor. Haastig begon ik mijn vislijnen op te bergen. Luna hielp me en propte alle spullen in haar tas.
'We moeten nú gaan,' zei ze nerveus, en opnieuw wierp ze een blik over haar schouder. Ik raapte als laatste de gevangen vissen op, wikkelde hen in een doek en klemde ze onder mijn gespierde armen. Samen met Luna begon ik te rennen. Geen van ons zei een woord, want we wilden geen adem en energie verspillen door te praten. Geruime tijd bleven we doorlopen, eerst langs de oever van de rivier en later bogen we af naar het bewoonde deel van het District. Mijn enige gedachte gold de vissen: ik moest ze naar huis brengen. Niemand mocht me nu betrappen.
'Hé, jullie daar! Waar rennen jullie zo snel naartoe? Blijf staan!' Zijn stem klonk hard en intimiderend, maar ik draaide me niet om en bleef rennen. Zolang hij me niet te pakken kreeg, kon hij niet bewijzen dat ik illegaal aan het vissen was geweest.
Mijn voeten vlogen over de geplaveide wegen, en zonder ook maar één keer te aarzelen baande ik me een weg door de wirwar van straatjes. Luna's hijgende ademhaling werd afgewisseld door de mijne, maar geen van ons vertraagde zijn pas. We wisten immers wat de consequenties waren. De schandpaal in het midden van het plein herinnerde me elke dag aan het risico dat ik nam. Maar ik kon niet anders. Het Capitool had me al mijn andere opties ontnomen.
'Halt houden, zei ik!' Deze keer klonk de stem veel dichterbij. Ik kon mezelf er nog net van weerhouden om te kijken en bleef rennen. De vissen in mijn armen herinnerden me aan de ernst van de situatie. Ik keek opzij en zag dat Luna het moeilijk kreeg. Kort knikte ik haar toe, en ze begreep meteen wat ik bedoelde. We waren meer dan eens in deze hachelijke situatie beland.
Luna boog af naar rechts en spurtte een klein steegje in. Nu was ik wel gedwongen achterom te kijken. Ik zag de Vredebewaker een moment twijfelen, maar algauw rende hij resoluut achter mij aan. Gelukkig is Luna veilig, dacht ik opgelucht, maar mijn lange benen raakten stilaan vermoeid door het rennen. Ik wist echter dat ik er bijna was. Nu was het essentieel de Vredebewaker kwijt te raken, want als hij zag welk huis ik binnen rende, zou ik niet alleen mezelf, maar ook mijn moeder en Gwendoline in gevaar brengen.
Eindelijk bereikte ik het straatje waarin ik woonde. Alle huizen zagen er eender uit, wat het vergemakkelijkte mijn achtervolger op het verkeerde spoor te brengen. Ik liep tussen twee vervallen huisjes door en zigzagde de overwoekerde tuinen in. Opnieuw wierp ik een blik over mijn schouder. Tot mijn grote opluchting was de woedende man niet langer in zicht. Hoogstwaarschijnlijk was hij me kwijtgeraakt in het doolhof van straatjes.
Met een laatste krachtinspanning spurtte ik naar ons huisje en sloeg de deur met een klap achter me dicht. Hevig puffend liet ik me op de aarden grond zakken en drukte mijn handen tegen mijn zij.
'Alweer?' vroeg mijn moeder angstig en terneergeslagen, en ze stond meteen op van haar stoel. Ik knikte, want voor praten had ik nog niet voldoende energie verzameld. Lorelei Gotharte sloop naar het kleine raampje en speurde aandachtig de omgeving af.
'Niets,' verzuchtte ze na enkele tellen opgelucht, maar ze schermde het raam af met een groezelig gordijn en blokkeerde de deur met enkele stoelen.
'Ik had je nooit mogen laten gaan,' fluisterde ze schuldbewust. 'Zeker niet vandaag.'
Ik stond op en overhandigde mijn moeder de vangst van deze ochtend. Naast de twee grote vissen had ik ook nog heel wat kleinere vissen en zelfs wat zoetwaterkrabben weten te vangen. Zonder die vis, en het geld dat de illegale verkoop ervan opbracht, zouden we honger lijden. En dat zou ik niet toestaan.
Mijn moeder nam de vis dankbaar aan en legde ze op de kleine keukentafel. Later zou Gwendoline haar helpen ze schoon te maken, maar het verkopen zou ze alleen doen. Ik wist dat ze ons niet in gevaar wilde brengen door ons mee te nemen naar de verborgen viskraampjes. Bijna wekelijks werd er iemand betrapt op het verkopen van illegaal gevangen vis, en niet veel later werd de onfortuinlijke persoon publiekelijk gegeseld aan de schandpaal.
'Volgende keer laat je de vissen maar achter, Emmie. Jij bent veel belangrijker dan wat koperstukken.' Mijn moeder kwam naar me toe en omhelsde me kort en liefdevol. Ik wist dat ze bezorgd was, maar toch zou ik volgende keer weer net hetzelfde doen, en dat wist ze.
'Ooit gaat het Capitool inzien dat het zo niet verder kan. We moeten nog even volhouden,' zei ik zacht, maar zelf geloofde ik mijn woorden niet. Het Capitool had steeds strengere wetten opgesteld in verband met de visvangst. Door de grootschalige overbevissing was er een tekort ontstaan, en sinds enkele jaren werd alle gevangen vis rechtstreeks naar het Capitool getransporteerd. Blijkbaar kon het hen weinig schelen dat door hun vraatzucht een heel District honger leed.
Ik zette mijn verbitterde gedachten van me af en liep, na een laatste blik op mijn moeder geworpen te hebben, naar onze provisorische badkamer. Ik vulde de tinnen kuip met koud pompwater en trok mijn bezwete kleren uit. Zo goed als mogelijk waste ik het zweet en de visgeur van me af en droogde mijn slanke, door het vissen gesterkte lichaam met een ruwe doek. Gedachteloos trok ik mijn versleten, blauwgrijze jurkje aan en vlocht mijn lange, rode haren ineen tot een simpele vlecht. Uiterst voorzichtig hing ik mijn kostbare ketting met het stukje bergkristal om mijn hals. De enige tastbare herinnering aan mijn vader die ik nog had.
Een spiegel konden we ons niet veroorloven, dus ging ik er maar van uit dat het zo voldoende was. Als ik had kunnen kiezen, had ik me helemaal niet omgekleed voor de Boete, maar mijn moeder stond erop. 'Anders val je op,' had ze me uitgelegd, en daar schuilde uiteraard een kern van waarheid in.
Toch stond het me niet aan, helemaal niet zelfs. Het Capitool bepaalde wat ik mocht eten, waar en wanneer ik mocht vissen en nu zelfs welke kleren ik moest dragen. Als het noodlot zou toeslaan, zouden ze ook nog eens het zeggenschap over mijn dood verwerven.
Alsof mijn leven nog niet voldoende was, dacht ik verbitterd.
Fenris Calder (18) – District 4
De zweep doorkliefde met een zwiepend geluid de lucht en kwam met een harde klap op de rug van de jongen terecht. De bloederige striemen staken scherp af tegen zijn naakte huid. Ik hoorde hoe hij zijn adem inhield en zag hoe zijn handen tot vuisten waren gebald. Hij klemde zijn kaken op elkaar om niet te gaan huilen of schreeuwen. Onbewust voelde ik een steek van respect om zijn zelfbeheersing, maar dat zette ik gauw van me af. Hij was een dief, en moest als dusdanig behandeld worden.
In stilte telde ik de slagen die ik hem toediende. Mijn koude ogen waren gefixeerd op de opengereten huid van de jongen. Met enorme kracht liet ik de zweep neerkomen en een nieuwe snijwond veroorzaken. Onverschillig merkte ik op dat de jongen nog steeds bij bewustzijn was. Gisteren was er eentje meteen bewusteloos geraakt, en niet veel later zelfs gestorven. Maar dat was niet mijn probleem. Dieven werden gestraft, en ik had oefening nodig. Oefening baarde nu eenmaal kunst.
'Ophouden bij twintig, Calder!' bromde Bruce kortaf, maar net als vele andere Vredebewakers stond hij grijnzend toe te kijken hoe ik de jongen geselde. Ik keek de man niet aan en richtte me op mijn taak. De spieren in mijn brede arm balden zich toen ik mijn arm omhoog bracht om opnieuw toe te slaan. In gedachten stelde ik me voor dat de jongen een Tribuut was die mijn pad had gekruist in de Arena. Hij had geprobeerd mijn eten te stelen, maar dat liet ik niet gebeuren. Niemand zou mijn eten kunnen weg graaien zonder me met zijn bloed te betalen.
Ik liet de zweep nog een laatste keer neerkomen op de rauwe rug van de jongen en gaf hem daarna een nijdige duw. Wankelend viel hij voorover en belandde met zijn gepijnigde gezicht in de modder. Ik schonk niet langer aandacht aan het kind en stopte mijn zweep weg. De anderen keken naar me op, teleurgesteld dat de afranseling voorbij was. Ik verwaardigde me niet iets tegen hen te zeggen en schonk hen een dodelijke blik.
Met grote passen liep ik richting de voedselloods en zocht met mijn blauwe ogen de omgeving af. Uiteindelijk merkte ik de Hoofdbewaker op en stapte resoluut op hem af.
'Goedemorgen Calder,' groette hij op zijn hoede.
Ik negeerde zijn uitgestoken hand en keek hem nors aan. 'Ik moet vertrekken naar het plein.'
'Voor de Boete?'
Zonder zijn vraag te beantwoorden draaide ik me om en liep weg. De wind voelde koel aan op mijn warme, bleke huid. De adrenaline die me gedreven had tijdens de bestraffing verliet langzaamaan mijn lichaam terwijl ik mijn wandeling naar het plein aanvatte.
Gelukkig waren er geen mensen op straat. Ik haatte mensen. Eenzaam vervolgde ik mijn tocht langs de kleine straten en steegjes. In dit deel van het District stonden weinig huizen en nagenoeg geen gebouwen. Het Capitool had er bewust voor gekozen de voedselloodsen hier te plaatsen, want de kans dat er zou worden ingebroken werd daardoor toch iets kleiner. Althans, dat dachten ze. Bijna dagelijks ontdekte ik een dief, die me vervolgens met zelfmedelijden probeerde in te palmen. Ze hadden honger, zeiden ze. Het slaan van mijn zweep was het enige antwoord dat ze kregen. Als je honger had, moest je werken. En anders ging je maar dood. Dat was niet mijn probleem.
'Fenris.'
Lichtjes geschrokken keek ik om me heen. Bijna meteen zag ik haar staan. Hera droeg een geel, zomers jurkje en witte laarsjes. Haar lange, donkerbruine haren wapperden in de wind.
Ik wierp haar een onverschillige blik toe en begon alweer te lopen. Geërgerd vroeg ik me af waarom ze naar me toe was gekomen en mijn eenzaamheid had verpest. Vandaag kreeg ik geen uitbetaling van mijn loon, dus zou ik haar niet kunnen betalen.
'Ik hoorde dat je ging vrijwilligen.'
Ik haalde mijn brede schouders op en liep nog steeds door. Natuurlijk zou ik vrijwilligen. Een ander doel had ik niet in mijn leven, en daar had ik ook geen behoefte aan. De Hongerspelen wáren gewoon mijn leven. Hera moest dat toch begrijpen.
'Je zou het ook niet kunnen doen,' zei ze abrupt, en nu keek ik haar toch even aan. Haar bruine ogen keken vertwijfeld naar me op, maar haar lippen waren tot een vastberaden streep samengeknepen.
'Belachelijk,' zei ik bruut en ik wendde mijn blauwe ogen af van haar gezicht. Natuurlijk zou ik vrijwilligen. Ik trainde er al een heel leven voor.
Er verschenen reeds enkele huizen in de verte. De meesten zagen er armoedig uit en waren eigenlijk niet meer dan houten hutjes. Hoe dichter ik hen naderde, hoe kleiner ze eruit zagen. Hier woonden de arme mensen, en dat waren er de laatste jaren enorm veel geworden. De dief van daarnet kwam vast ook uit deze wijk. Dat had hij althans beweerd, net voordat hij als een klein kind begon te huilen en snikkend om vergiffenis smeekte. Dat had hij niet moeten doen. Ik haatte kinderen, en huilende kinderen nog het allermeest.
'Fenris, je zou een normale baan kunnen zoeken en – '
'Je bent zwak sinds je niet meer traint, Hera,' onderbrak ik haar bot en ik versnelde mijn pas in een poging haar kwijt te raken.
'Is het zwak om te beseffen dat er nog andere dingen in het leven zijn dan de Spelen?' Hera bleef staan, maar ik niet. De ergernis om haar aanstellerige gedrag werd steeds groter en ik slaagde er nog nauwelijks in mijn zelfbeheersing te behouden.
'De Spelen zijn mijn leven,' zei ik koel en ik schonk haar zo'n norse blik dat ze er eindelijk over ophield.
'Zal je je familie niet missen?' vroeg ze opeens. Haar stem had een heel andere kleur gekregen.
Verbaasd keek ik haar aan en schudde mijn hoofd. Natuurlijk zou ik mijn familie niet missen. Het idee alleen al was ridicuul.
'En je vrienden?' vervolgde ze.
'Ik heb geen vrienden,' zei ik koeltjes. Eindelijk zag ik in de verte het plein liggen. Het Gerechtsgebouw zag er bombastisch uit naast de kleinere gebouwen. In het midden van de open ruimte stond reeds een podium opgesteld.
'En ik dan?' vroeg ze ietwat nerveus.
'Jij bent geen vriendin. Ik ga met je naar bed en betaal je met het voedsel dat ik als loon ontvang.'
Soms stelden vrouwen toch erg belachelijke vragen. Vrienden, spookte het door mijn hoofd, en ik snoof in stilte om de absurditeit van dat woord.
Emmie-Lyn Gotharte (17) – District 4
Gwendoline klampte zich wanhopig aan me vast en bemoeilijkte zo de tocht naar het plein. De straten stroomden vol kinderen en jongeren die net als wij op weg waren naar hun noodlot.
Het noodlot dat dat vervloekte Capitool over ons had afgeroepen.
'Ik ben bang, Emmie,' fluisterde mijn zusje zacht. Ik drukte haar stevig tegen me aan en streelde even door haar lange haren, die net als de mijne de kleur van smeulende vlammen hadden.
'Je hoeft niet bang te zijn, Gwen,' zei ik geruststellend. 'Ik ben er toch?'
Het meisje probeerde een opgewekte glimlach op haar lippen te toveren, maar de angst stond nog duidelijk in haar groene ogen te lezen. Zelf voelde ik geen angst om de Boete. In mijn gedachten was daar geen plaats voor, want mijn haat en woede jegens het Capitool bezaten elke vezel van mijn lichaam. Maar ik wist dat ik die gevoelens verborgen moest houden. Die les had ik wel geleerd, en het was een hele harde les geweest.
Mijn vader had me aangespoord het Capitool te haten in plaats van te vrezen. Hij had me de plekken getoond waar ik illegaal kon vissen zonder ontdekt te worden. Hij had me meegenomen naar de omheiningen rond het District en beloofd dat we die ooit zouden weghalen en onze vrijheid terug zouden opeisen.
Maar dat waren beloftes uit het verleden, en ze zouden nooit worden waargemaakt. Niet lang nadat mijn vader me had ingelicht over de geheime verzetsbeweging, was hij verdwenen. Het laatste wat we van hem gehoord hadden, was dat hij dringend werd verzocht naar de Vredebewakers te gaan. Toen zijn opgezwollen lijk aanspoelde in de haven, beweerden ze hem nooit gezien te hebben. Maar dat was een leugen.
Mijn vader kon zwemmen.
'Emmie, we moeten ons inschrijven,' hoorde ik opeens, en ik richtte mijn gedachten weer op het hier en nu. Samen met Gwendoline liep ik naar de inschrijvingstafel en wachtte totdat het mijn beurt was. Ondertussen zocht ik in de menigte naar de blonde haren van Luna.
'Gwendoline Gotharte,' zei mijn zusje met trillende stem. Ik schreef me meteen na haar in en omhelsde haar stevig. Nu stond ze er alleen voor. Ik zag hoe ze de tranen uit haar ogen veegde en met onvaste tred naar het vak van de dertienjarigen liep. Zelf ademde ik enkele keren diep in en bewoog me in de richting van de zeventienjarigen.
Er stonden al heel wat meisjes te wachten. De meesten stonden in groepjes en deden hun best elkaar gerust te stellen of te troosten. Ik wist dat de kansen voor veel van hen niet in hun voordeel waren. Jaren geleden waren de openbare trainingszalen gesloten wegens geldgebrek en sindsdien waren de vrijwilligers schaars geworden. Enkel diegenen die rijk genoeg waren om privélessen te betalen konden het zich veroorloven voor die afschuwelijke Spelen te blijven trainen.
'Lyn!' klonk het opgelucht, en bijna meteen voelde ik Luna's armen om me heen. Ze bekeek me eens goed en leek toen te besluiten dat ik ongedeerd was.
'Ik was bang dat ze je te pakken hadden gekregen,' fluisterde ze zacht.
Ik schonk haar een opbeurende glimlach. 'Ik ben heel wat sneller dan onze geliefde Vredebewakers, dat weet je toch.'
Gerustgesteld knikte ze. 'En je vangst?'
'Veilig. Mijn moeder zal alles vanavond of morgen proberen verkopen.'
Na die woorden richtten we onze blik allebei op het podium. Onze afzichtelijke begeleidster was reeds aanwezig en keek met een hautaine blik het plein rond. Haar groene haren hingen in lange vlechten langs haar slanke lichaam. Haar jurk bleek gemaakt te zijn van honderden diamanten, en vol rancune besefte ik dat het hele District door de verkoop van dat onding een maand zou kunnen eten.
'Welkom jongens en meisjes,' zei ze met vaste stem. 'Welkom op de Boete van de 65e Hongerspelen!'
De burgemeester zag er kleurloos en oud uit naast haar. Hij las met monotone stem het Verdrag voor en leek na elke zin enkele keren te moeten slikken. Uiteindelijk weerklonk zijn laatste lettergreep en werd de propagandafilm gestart.
Vol haat keek ik toe hoe we aan onze nederlaag werden herinnerd.
'Goed, dan gaan we nu over tot de loting,' sprak Daedala haast opgewekt. 'Dames eerst.' Op haar hoge, zeegroene hakken liep ze naar de meisjesbol en liet haar klauwachtige hand erin verdwijnen. Ik hoorde de papiertjes knisperen tussen haar gevijlde nagels en wenste vurig dat ze terstond een hartaanval zou krijgen. Haar dood zou heel wat rechtvaardiger zijn dan die van een onschuldig meisje.
'De vrouwelijke Tribuut voor de 65e Hongerspelen is Emmie-Lyn Gotharte!' riep ze uit. Ik hoorde Luna schreeuwen en voelde hoe ze in mijn armen vloog. Iedereen keek me aan. Hun ogen waren vervuld met mededogen en respect. Maar ik voelde niets van dat alles. Geen angst, geen pijn en geen verdriet. Enkel woede en haat.
Automatisch begon ik aan mijn tocht naar het podium. Mijn groene ogen waren strak op Daedala's gemene grijns gericht. En de haat trof me als een mokerslag.
Ik stapte het podium op en schudde de burgemeester de hand. Daedala's uitgestoken hand negerend speurde ik de menigte af. Mijn groene ogen vonden die van Gwendoline. Geluidloze tranen van verdriet stroomden over haar bleke wangen. Ik voelde hoe er zich een brok in mijn keel vormde.
'Zijn er soms vrijwilligers?' hoorde ik vaag, maar natuurlijk waren die er niet. De laatste jaren gebeurde het nog zelden dat District vier een vrijwilliger leverde.
'Goed, de jongens dan maar!' Ik keek naar Daedala's voldane glimlach en zwoer toen, op dat moment, dat ik die persoonlijk van haar kunstmatige gezicht zou vegen.
Fenris Calder (18) – District 4
Het plein stond al volgepakt met hysterische kinderen en ouders. Geërgerd baande ik me een weg door de massa en duwde hier en daar iemand omver die niet snel genoeg opzij sprong. Mensen waren vervelend en vermoeiend. En kinderen al helemaal.
Ik zag hoe een moeder twee huilende meisjes omhelsde en hen met een opbeurende glimlach naar hun toegewezen vakken stuurde. Vol minachting keek ik naar het tafereeltje en prijsde mezelf gelukkig dat ik geen snotterende zusjes of broertjes had.
Met vaste tred liep ik naar de inschrijvingstafel en noemde mijn naam. De Vredebewaker knikte kort en richtte zijn aandacht reeds op de jongen achter me. Ik liep gauw door naar mijn vak en hoopte dat Hera ver genoeg achter was gebleven. Op dit moment had ik absoluut geen behoefte aan haar.
Ik herkende een paar andere jongens die net als ik als bewaker van de voedselloodsen werkten, maar ik groette hen niet. De blikken die ze op mij wierpen variëerden van geïntimideerd tot hatelijk. Velen van hen hadden als kind getraind voor de Spelen. Ik schonk hen niet de minste aandacht en wendde me naar het podium. De burgemeester was reeds begonnen met het voorlezen van het Verdrag, maar zoals steeds deed hij dat op monotone en haast slaapverwekkende toon. Toen niet veel later de film werd gestart stapte de oude man naar achteren en nam plaats op één van de stoelen die op de verhoging waren opgesteld. De begeleidster kwam naar voren en nam het woord.
'Goed, dan gaan we nu over tot de loting,' klonk Daedala Ailors koele stem. Ze liep naar de meisjesbol en trok er tergend langzaam een briefje uit. Zoals steeds ergerde ik me aan de manier waarop ze haar hand dramatisch uit de bol haalde en het kleine briefje openvouwde. Drama was nutteloos en tijd verspillend, wanneer zou ze dan eindelijk gaan inzien?
De naam die ze oplas klonk me niet bekend in de oren. Uit het vak van de zeventienjarigen kwam een meisje tevoorschijn. Geïrriteerd stelde ik vast dat ze moeite moest doen haar tranen in bedwang te houden. Ik haatte tranen.
Wat waren mensen toch verschrikkelijk.
Ik hoorde Daedala vragen of er vrijwilligers waren, maar die leken niet aanwezig te zijn. Mijn vader had me meerdere malen verteld dat hij steeds minder leerlingen had. Een privétrainer was duur, en aan geld ontbrak het heel wat mensen de laatste tijd.
'Goed, de jongens dan maar!' schalde het over het plein. De begeleidster trok een briefje uit de Boetebol en las na meerdere minuten de naam voor. Het was alweer geen bekende, maar dat verbaasde me niet.
Een angstig, bibberend kind liep wankelend naar het podium en keek doodsbenauwd de menigte rond. Alweer eentje die gaat huilen, wist ik bijna zeker. Maar ik schonk verder geen aandacht aan hem en richtte mijn blauwe ogen op de Capitoolvrouw.
'Zijn er vrijwilligers?' vroeg Daedala. Automatisch stak ik mijn hand op. Dit was het moment waarvoor ik jarenlang getraind had, eerst in de openbare trainingszalen en later privé met mijn vader. Zonder aandacht te besteden aan de mensen om me heen liep ik naar het podium en klom op de verhoging. Nors keek ik voor me uit. De begeleidster klopte me goedmoedig op de schouder, maar daar reageerde ik niet op. Ik voelde geen blijdschap, opluchting of angst. Dit was waarvoor ik getraind had, meer niet. De Spelen waren mijn doel, ongeacht de uitkomst ervan.
'De beide Tributen voor de 65e Hongerspelen zijn gekend!' schreeuwde Daedala in de microfoon. 'Emmie-Lyn Gotharte en Fenris Calder!'
Emmie-Lyn Gotharte (17) – District 4
Ik had geen tijd om mijn gedachten te ordenen. De deur vloog open en mijn moeder en Gwendoline kwamen naar binnen gestormd. Ik opende mijn armen en ving mijn huilende zusje op. Mijn moeder sloot ons beiden in haar beschermende armen en snikte zachtjes.
'Het komt wel goed,' herhaalde ik steeds. 'Het komt wel goed.' Natuurlijk was dat een leugen, maar ik moest zelfvertrouwen uitstralen. Sterk zijn voor mijn familie, zoals ik dat altijd al gedaan had.
'Emmie, je moet me beloven dat je zal winnen. Beloof het!' Gwendolines stem klonk wanhopig. Ik keek in haar groene ogen en kon me er niet toe aanzetten haar dit laatste restje hoop af te nemen. Ze was nog zo jong, en had al zoveel verloren.
Vastberaden knikte ik. 'Ik beloof het, Gwen. Echt waar.'
Mijn moeder streelde zachtjes over mijn rug en drong haar tranen terug naar haar ogen. Ik wist dat zij, in tegenstelling tot Gwen, me niet geloofde.
'Zal het lukken met het eten?' vroeg ik zacht. Lorelei Gotharte deed haar best de ongerustheid in haar ogen te verbergen, maar ik kende mijn moeder goed genoeg. Ze zouden het moeilijk krijgen zonder mij. Heel erg moeilijk.
De deur vloog open en een Vredebewaker beval mijn familie te vertrekken. Een laatste omhelzing en een laatste aai over mijn zusjes haren. Een laatste woord van afscheid.
En toen waren ze weg.
Nog voor ik de tijd had mijn ogen droog te wrijven vloog de deur opnieuw open. Deze keer was het Luna die in snel tempo naar me toeliep. Ze zei niets en omhelsde me alleen maar.
'Luna, ik – '
'Natuurlijk, Lyn. Natuurlijk zal ik je familie niet laten verhongeren,' onderbrak ze me nog voor ik mijn vraag had kunnen stellen. Ze kende me veel te goed.
'Jou krijgen ze niet zomaar klein, he,' zei Luna overtuigd. 'Geef de moed nog niet op!'
Ondanks alles moest ik even glimlachen om haar woorden. Luna wist beter dan wie ook hoe hartgrondig ik het Capitool haatte. Maar zou dat genoeg zijn? Zou mijn haat voldoende zijn wanneer ik ertoe werd gedwongen een onschuldige het leven te ontnemen? Ik betwijfelde het.
'Ik geloof in je, Lyn. Echt waar.' En met die woorden nog op haar lippen werd ze de kamer uit gesleurd. Ik liep naar de deur van het kamertje en liet me op de grond zakken.
Ze hadden gelijk. Ik zou het niet zomaar opgeven. Ik wist niet of ik mensen zou kunnen vermoorden, maar ik zou dit overleven. Voor mijn moeder en Gwen, voor Luna. Voor mijn vader.
Ik omvatte het stukje bergkristal van mijn ketting met beide handen en probeerde er kracht uit te putten.
Het Capitool had me mijn leven afgenomen, en ik was vastbesloten het terug te krijgen.
Fenris Calder (18) – District 4
In stilte telde ik de seconden die weg tikten. Ik streek door mijn korte, opgeschoren rode haren en liep heen en weer in de kleine ruimte. Onverschillig vroeg ik me af of mijn ouders zouden langskomen. Mijn moeder was aan het werk in het Gerechtsgebouw en mijn vader was waarschijnlijk aan het trainen. Het maakte me ook niet veel uit. Ze wisten dat ik zou vrijwilligen vandaag. Het zou absurd zijn om het niet te doen.
De deur werd geopend en mijn vader en moeder kwamen naar binnen. Ludo Calder stapte om me af en schudde me krachtig de hand. In zijn ogen dacht ik een sprankje trots te kunnen lezen.
Mijn moeder knikte me even toe. 'Je hebt goed getraind,' waren de enige woorden die ze sprak, en toen vertrok ze alweer, op de voet gevolgd door haar echtgenoot. Ik schonk verder geen aandacht aan hen en vroeg me terloops af of Hera zou langskomen.
Opnieuw ging de deur open en een onbekende vrouw kwam naar binnen. Ik keek haar nors aan en staarde toen weer voor me uit, hopend dat ze zou vertrekken.
'Ik uh... ben de moeder van Leon,' sprak ze aarzelend. 'De jongen die uitgeloot werd.'
Met opgetrokken wenkbrauwen keek ik haar aan.
'Ik wilde je bedanken. Je hebt het leven van mijn zoon gered.' Alweer die vreselijke tranen.
'Hij gaat waarschijnlijk toch dood van de honger,' zei ik bot. 'En ik deed het niet voor hem. Ik ken dat huilend joch niet.' De weinige aandacht die ik aan haar besteed had was alweer verdwenen.
'Toch uh.. bedankt,' mompelde ze nog snel, en toen liep ze achterwaarts de deur uit.
Nadat die aanstellerige vrouw me eindelijk alleen had gelaten, nam ik plaats op een stoel en dacht na over de volgende dagen.
De reis naar het Capitool. Trainen. Interviews. Arena. Winnen. Terug naar het District.
Andere opties waren er niet. Ik trainde al mijn hele leven, en binnenkort zou ik daar de vruchten van kunnen plukken. Al konden die vruchten me eigenlijk gestolen worden. Als ze maar niet vergaten wie ik was.
Dat zouden ze niet kunnen, zelfs als ze het zouden willen.
En dit was Boete 4! Ik weet dat ik beloofd had sneller te posten, maar zoals jullie hebben gemerkt, ben ik in die opdracht gefaald... Ik ga echt, echt proberen om nu wekelijks, en maximum tweewekelijks, een nieuwe Boete te schrijven.
Want hoe langer ik met het verhaal bezig ben, hoe leuker ik het begin te vinden xD
Hierbij wil ik dan ook MyWeirdWorld en greendiamond123 bedanken voor het insturen van deze Tributen! Het heeft dus wat langer geduurd, maar ik hoop echt dat jullie hen geslaagd vinden! Ook iedereen die gerievew'ed heeft: duizendmaal dank! Het gaat cliché klinken, maar reviews werken echt heel motiverend en ik vind het sowieso fijn om te weten wat jullie van het hoofdstuk vonden, van de Tributen, de schrijfstijl, de scènes,... Dus laat alsjeblief een review achter! :)
Dan heb ik ook nog heuglijk nieuws! (Vooral voor mezelf misschien xD) De Tributenlijst is helemaal compleet! Nu ik alle personages heb gekregen, ben ik ook begonnen met het bedenken van verdere ontwikkelingen in het Capitool en de Arena. (Ja, een beetje voorbarig, maar het werkt motiverend)
Zo, dan gaan we nu over naar de puntentelling! Het is altijd mogelijk dat ik iets over het hoofd heb gezien, ik moet eerlijk bekennen dat ik soms nogal chaotische buien heb, dus als je een foutje opmerkt, zet het even in een review of stuur me een PM, en dan pas ik het uiteraard aan!
De Puntentelling
Azmidiske87: 22
Jade Lammourgy: 22
LeviAntonius: 22
Indontknow: 18
Serenetie – Ishida: 18
MadeBy Mel: 17
Livingtreetrunk: 16
Tiger Outsider: 16
Lyannen: 14
MyWeirdWorld: 13
Strawberrychickk: 13
silk tiger: 12
evalovespeeta: 10
Zacksteel: 10
SirWalshingham: 8
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
Op naar Boete 5!
Marie :)
