Boete District 6
Sakura Nobunaga (15) – District 6
Mijn zus keek me angstig aan. Haar ogen waren vochtig van de ingehouden tranen, maar ze huilde niet. Nog niet althans. Ik zag hoe ze haar trillende handen in elkaar sloeg en er een nerveuze blik op wierp. Ze zweeg nog steeds.
Met trage bewegingen ging ik zitten en schoof wat dichter naar haar toe. Het bedauwde gras maakte mijn groene broek nat, maar dat deerde me niet. Ik trok een aantal grassprietjes uit en begon ze met behendige vingers in elkaar te vlechten. Onbewust vormde ik ze om tot een keurig armbandje.
'Cami, wat is er nu?' verbrak ik uiteindelijk de geladen stilte, want mijn zus maakte nog steeds geen aanstalten haar mond te openen en me de reden van haar angst te onthullen.
'We moeten wachten op Rea,' antwoordde ze met trillende stem. Ik wierp haar een bedenkelijke blik toe, maar besloot voorlopig niet verder aan te dringen. In plaats daarvan draaide ik mijn hoofd in de richting van ons bescheiden huis en zocht de omgeving af naar Rea. Mijn andere zus was echter nergens te bekennen, dus veronderstelde ik dat ze nog druk bezig was met het afronden van enkele huishoudelijke taken.
Even voelde ik een vlaag van schuldgevoel, maar die ging al gauw verloren in mijn gedachten. Het was Rea's eigen keuze geweest mijn moeders bevelen op te volgen en haar te helpen in het huishouden. Zelf was ik snel het huis ontvlucht. Mijn lange wandelingen door de schaarse bossen van District zes herinnerden me er steevast aan hoe bekneld ik me binnenshuis voelde. Alleen begreep mijn moeder dat niet.
'Kura?' vroeg Cami stilletjes.
'Hmmm,' zei ik afwezig. Mijn lichtgroene ogen waren nauwkeurig op een zwarte mier gericht. Het kleine diertje torste een zware last op zijn broze schoudertjes en kroop langzaamaan naar zijn mierenhuisje. Ik vroeg me af of hij tevreden was met zijn leven.
'Denk je dat moeder boos wordt als ze ontdekt dat we weer buiten zijn?'
'Vast wel, maar Rea is toch bij haar? Zij was altijd al de braafste van ons drieën.' Ik knipoogde naar Cami en glimlachte onbezorgd. Al vele jaren wist ik dat het leven van een onderdanige huisvrouw niet voor mij was weggelegd. Ik had nood aan de buitenlucht. Cami en Rea leken daar minder erg naar te verlangen, maar ik sleurde hen vaak genoeg mee naar mijn favoriete plekjes in het woud, tot groot ongenoegen van onze moeder.
'Ik ben er!' klonk het opeens. Mijn andere drielingzus kwam slippend tot stilstand en liet zich met een vermoeide zucht op het grastapijt vallen. Ze trok haar knieën op en sloeg haar slanke armen er omheen. Haar zedige jurk contrasteerde sterk met mijn bevlekte broek en shirt. Rea's zwarte haren zaten keurig in een knotje, in tegenstelling tot de mijne die los en enigszins verwaaid tot op mijn smalle schouders vielen.
Cami kuchte zachtjes en nam onze handen in de hare zodat we met elkaar verbonden waren en een hechte kring vormden.
'Ik moet jullie iets vertellen,' begon ze zenuwachtig en onbewust dwaalden haar ogen af naar het huis, op zoek naar een teken van onze ouders. Er was niemand.
'Jullie mogen het aan niemand vertellen. Zeker niet aan moeder,' ging ze verder. Haar stem klonk sterker en haar ogen namen ons onderzoekend op. Ik knikte haar geruststellend toe en gaf een troostend kneepje in haar klamme hand.
Cami ademde diep in en vroeg: 'Kennen jullie Jaime nog?'
De naam zei me aanvankelijk niets, maar Rea wist blijkbaar wel wie het was. 'Die zoon van vaders collega, bedoel je?' Vaag herinnerde ik me een blonde jongen met een hele hoop sproetjes.
Onze zus knikte bevestigend.
'Waarom?' sprak ik uiteindelijk, toen bleek dat er niemand iets ging zeggen.
Het meisje sloot een moment haar ogen. 'Ik... Hij... Ik bedoel wij... ' Haar stem stierf weg, maar ondanks haar gestotterde uitleg was de waarheid overduidelijk. Rea leek dat ook te beseffen.
'Wat leuk!' riepen we samen uit. Ik was oprecht blij dat Cami iemand gevonden had. Zelf was ik totaal niet geïnteresseerd in zulke zaken, maar mijn zus was altijd al stiller en meer introvert geweest dan ik. Ze had iemand nodig die haar steunde en wat meer zelfvertrouwen kon geven.
'Jullie begrijpen het niet,' fluisterde een zwak stemmetje. 'Moeder zal razend zijn, en vader ook.'
Ik begreep niet waarom ze zich zo'n zorgen maakte. Eerlijk gezegd kon ik me niet inbeelden dat vader bezwaar zou hebben, en zelfs moeder zou aan het idee van een relatie kunnen wennen. Allicht zou ze eerst wat schrikken, maar dat was enkel tijdelijk. Uiteindelijk was ze zelf ook getrouwd toen ze amper achttien jaar oud was, dus erg veel jonger was Cami niet.
'Ik ben zwanger.'
Er volgde een lange stilte. De vogels leken opeens bijzonder luid te zingen en in de aangrenzende tuin hoorde ik onze buurmeisjes een vrolijk spelletje spelen. De zon brandde nog steeds aan de helderblauwe hemel. Er was geen wolkje te bespeuren.
Cami was zwanger. Mijn gedachten tuimelden over elkaar heen in een poging deze absurde waarheid te bevatten. Ik begreep niet hoe ik dit had kunnen missen. Ze was toch mijn zusje? We hoorden elkaar te beschermen, en toch had ik haar aan haar lot overgelaten. Ze was in de klauwen van die jongen beland, en ik had niets gemerkt.
Ik stond op en omhelsde haar stevig. 'We verzinnen wel iets, Cami. Het komt wel goed. We klagen Jaime aan en in het ziekenhuis weten ze vast wel een manier om – '
'Nee!' schreeuwde mijn zus, en ze worstelde zich wanhopig los uit mijn greep. Gealarmeerd zette ze een stap bij me vandaan. Ik wisselde een verwarde blik met Rea en liep opnieuw naar haar toe.
'Ik wil het kindje houden. We voeden het samen op, Jaime en ik. Ik houd van hem!'
'Maar jullie zijn niet getrouwd,' bracht Rea er tegenin. Het was het laatste argument waar ik aan gedacht zou hebben, maar opeens besefte ik wel waarom Cami zo bang was moeder in te lichten. Een goede huisvrouw kreeg geen bastaardkind, en al zeker niet op haar vijftiende.
Ik slikte moeizaam. Het was moeilijk, bijna onmogelijk zelfs, me mijn zus in te beelden met een zuigeling op de arm. Ze leek nog zo jong. Wanneer was ze zo veranderd? Ik dacht altijd dat we even oud waren geweest, maar terwijl ik boomhutten bouwde in onze achtertuin en droomde van een carrière in het transport, was Cami een vrouw geworden.
Mentho Hill (16) – District 6
Zijn wangen waren bleek en ingevallen. In zijn grijze ogen was het licht nagenoeg gedoofd, er stond enkel nog pijn in te lezen. Ik nam zijn hand in de mijne en probeerde hem louter en alleen met mijn wilskracht te genezen. Zijn rasperige ademhaling was het enige antwoord op mijn stilzwijgende gebed.
De kaarsen naast zijn ziektebed branden al dagenlang. De was droop er in veelkleurige riviertjes af en maakte grote plassen op de eikenhouten kasten. Ik keek er gebiologeerd naar. Zolang de kaarsen bleven branden, zou hij beter worden. Dat wist ik gewoon. Het moest.
De deur van zijn kamer werd geopend, maar ik schonk er niet de minste aandacht aan. De kaarsen waren het enige wat ik zag. Hun aromatische geur verdreef de stank van de nakende dood.
'Mentho? Kom je mee? We gaan eten.' Mijn moeders stem klonk hol en veraf. Ik begreep niet waarom ze me kwam storen. Ze wist toch dat ik over de kaarsen moest waken?
Zonder haar vraag te beantwoorden, of zelfs maar haar aanwezigheid te erkennen, ging ik verzitten in de fauteuil en warmde mijn verkilde vingers aan de hitte van de geurige vlammen. Hun warmte zond een aangename rilling door mijn lichaam.
'Mentho?'
Met een grote krachtinspanning keek ik op naar mijn moeder. 'Ja?' vroeg ik met schorre stem. Ik had al een hele dag niet gesproken, gedronken of gegeten. Er waren belangrijkere zaken.
'We willen met je praten, jongen. Kom nu even.'
'Ik moet bij Will blijven.' Mijn antwoord was kort. Ik had niet de kracht, noch de inspiratie om een langere verklaring te geven. Mijn moeder zou het wel begrepen. Dat deed ze al wekenlang.
'Will slaapt nu, Mentho. Je kan hem beter even laten rusten,' zei ze zacht. Ze kwam naar me toe en legde een slanke hand op mijn breekbare schouder. Dankbaar aanvaardde ik haar troost.
Zonder nog iets te zeggen stond ik op en volgde dokter Nella Hill de kamer uit. We liepen samen de trap af en gingen op weg naar de gezellige zitkamer. Onderweg passeerden we mijn vader, die na een kort knikje van mijn moeder met ons meeliep.
De zitkamer was mooi ingericht. De lampen brachten een sfeervolle gloed met zich mee en gaven de hele ruimte iets huiselijk. De stoffen banken en fauteuils waren comfortabel en heerlijk zacht. Ik hield echter vooral van het tapijt. Het was geweven van de fijnste wol en elke keer als ik er naar keek, ontdekte ik een figuurtje dat me nog niet eerder was opgevallen. Het was prachtig.
'Mentho, jongen, hoe gaat het met je?'
Versuft keek ik om me heen. Mijn ogen waren zo gefixeerd op het vloertapijt dat ik nergens anders aandacht aan had geschonken. Na een snelle blik bleek echter dat de zitkamer niet verlaten was. Wills ouders en oudere zus zaten al neer. Hun ogen waren leeg en dof.
'Het gaat wel,' antwoordde ik zacht, en ik nam snel plaats in een lege fauteuil. Mijn ouders posteerden zich aan mijn zijden en wierpen me een bezorgde blik toe. Ik probeerde hen een geruststellende glimlach te schenken, maar mijn mondhoeken weigerden omhoog te kruipen.
Mijn vader kuchte. Iedereen spitste zijn oren en wachtte angstig zijn verdict af.
'Will is niet meer te genezen. De ziekte heeft zich doorheen zijn hele lichaam verspreid en hij lijdt erge pijnen. Het zou beter zijn hem uit zijn lijden te verlossen en hem het geschenk van de eeuwige slaap te gunnen.'
Woorden. Ik zag mijn vaders lippen bewegen en hoorde de klanken die hij vormde. Ze betekenden niets, en toch zo vreselijk veel. Ik wilde niet nadenken en beseffen wat hij bedoelde. Ik wilde alleen maar wegrennen en controleren of de kaarsen nog brandden. Ze moesten nog branden.
De oorverdovende stilte werd uiteindelijk verbroken door Wills moeder. Ze uitte een wanhopige kreet en sloeg haar beverige armen om de hals van haar dochter. Diens ogen waren eveneens nat van de tranen.
Ik keek naar hen, maar zag hen niet. Mijn ogen waren elders, in een kamer waar de weeïge geur van aftakeling heerste. Ik realiseerde me niet dat ik was opgestaan, maar opeens had ik de klink van de deur in mijn bezwete hand. Ik duwde die naar beneden en vluchtte het huis uit.
Mijn benen brachten me automatisch naar het huis van mijn ouders. De voordeur stond open, alsof het huis me wilde verwelkomen en troosten in deze zwarte tijden.
De hal was donker. De wandlampen waren gedoofd en verspreidden een kille lucht. Ik nam niet de moeite ze aan te steken en liep meteen door naar mijn kleine kamertje. Het houten bed kraakte luidruchtig toen ik me op de harde matras liet vallen. Als in een reflex trok ik mijn benen op en spreidde het versleten deken over mijn rillende lichaam.
Liggend wachtte ik op de nacht. Of op iets anders. Ik wist het niet precies.
Toen enkele uren later de deur werd geopend en mijn beide ouders de trap opliepen, onderdrukte ik een opkomende snik. Ik wist, zonder ook maar één seconde te twijfelen, dat de kaarsen gedoofd waren. Voorgoed.
Met een schok ontwaakte ik uit mijn nachtmerrieachtige droom. Meer dan vier jaar geleden was het, en toch achtervolgde Wills gezicht me nog dagelijks.
Mijn spieren waren verkrampt en mijn ogen nat. Ik schudde mijn hoofd en stond op. Het bed kraakte nog steeds op dezelfde manier, maar de jaren hadden het doen slinken. Ik waste mijn gezicht met koud water, kamde mijn bruine haren netjes naar achteren en trok een eenvoudige broek en shirt aan. De kleuren waren onopvallend, net als ikzelf.
Met vaste tred liep ik de kamer uit en de trap af. Mijn moeders stem kwam me al gauw tegemoet. Zoals steeds zong ze bij het koken. Onvrijwillig glimlachte ik even. Zij was nog steeds niet veranderd.
'Mentho!' zei ze opgewekt. 'Kom je mee ontbijten? Je vader is er ook nog. Hij mag wat later beginnen met werken vandaag.'
Vastberaden schudde ik mijn hoofd. 'Ik ga eerst nog wat lezen.'
Geïnteresseerd keek ze op. 'Wat ben je aan het lezen? Nog steeds hetzelfde?'
'Verslagen,' antwoordde ik als vanouds. Al jarenlang was ik bezig met het doornemen van medische dossiers, encyclopedieën en studieboeken. Maar nog steeds had ik niet gevonden wat ik zocht: de genezing voor Wills ziekte. Ondertussen had ik echter een grote kennis verworven en praatte ik met gemak mee tijdens de gesprekken van mijn ouders. De laatste tijd leerden ze me ook omgaan met scalpel en andere medische apparatuur. Binnenkort zou ik mijn eerste echte patiënt te zien krijgen.
Will had ik niet kunnen redden, maar hij zou de laatste zijn die onder mijn bescherming gestorven was. Daar zou ik voor zorgen.
Sakura Nobunaga (15) – District 6
'Meisjes! Het is tijd om jullie klaar te maken!'
Met een angstige kreet sprong Cami overeind. Rea en ik volgden haar, hetzij wat trager. Ik kon nog steeds niet bevatten wat er de afgelopen minuten was gebeurd, maar helaas waren er vandaag nog andere problemen.
De Boete.
Met mijn drielingzussen aan weerszijden betrad ik onze brandschone zitkamer. Ik realiseerde me te laat dat mijn schoenen onder de modderspetters zaten en riep meteen de toorn van mijn moeder over me af.
'Sakura! Ik heb hier net urenlang zitten poetsen. Naar buiten, en die schoenen moeten uit!' gilde ze.
Geïrriteerd keek ik haar aan. Het was toch maar modder? Dat was wel het laatste van mijn zorgen, maar desondanks liep ik naar buiten, deed mijn schoenen uit en kwam blootsvoets de kamer binnen.
'Je jurk ligt op je kamer.'
Met opgetrokken wenkbrauwen staarde ik voor me uit. 'Een jurk?' herhaalde ik vol afkeer. Ieder jaar probeerde ik mijn moeder ervan te overtuigen dat het niet verplicht was een jurk te dragen. En ieder jaar opnieuw faalde ik. Omdat Rea me een waarschuwende blik toewierp, zei ik verder niets meer en liep met stampende voeten naar mijn kamer. De deur sloeg hard achter me dicht. Mooi, dacht ik tevreden.
Vol bange voorgevoelens liep ik naar mijn bed. Het gele onding dat daar op me lag te wachten voldeed aan mijn ergste verwachtingen. Er hingen strikjes aan de mouwen én er waren paarse bloemetjes om de hals geborduurd. Ik moest moeite doen mijn ogen open te houden.
Ik dwong mijn gedachten aan de jurk opzij en richtte me weer op datgene wat werkelijk belangrijk was. Cami. Cami en haar ongeboren kind. Ik moest nu geen herrie gaan schoppen voor een jurkje, dat stelde niets voor. Toch?
Maar hij was wel heel lelijk, dacht ik meteen.
Uiteindelijk slaagde ik erin me in het ongewenste kledingstuk te wurmen. Het geel flatteerde mijn huid allerminst, want die was zelf al gelig en bleek. Toen ik me omdraaide naar het bed viel mijn blik op de rode schoenen.
Mooi niet, dacht ik bij het zien van de torenhoge hakken. In die dingen zou ik niet rondlopen. Nooit.
Zonder ze verder nog een blik waardig te gunnen liep ik de kamer uit en wachtte totdat mijn zussen klaar waren om te vertrekken. Mijn moeder bekeek me nauwkeurig en perste haar dunne lippen afkeurend op elkaar.
'Je haren zitten in de war, Sakura. Doe ze in een vlecht.' Ze overhandigde mij een elastiekje. Ik besloot haar deze kleine overwinning te gunnen en vlocht mijn zwarte, dunne haren ineen tot een ietwat slordige vlecht.
'Waar zijn je schoenen?' vroeg ze bruusk.
'Ik draag geen hakken, moeder. Echt niet!'
Tomoya Nobunaga keek me fronsend aan. 'Je bent te klein zonder hakken. Ze staan je vast goed!'
Pruilend liep ik haar voorbij en plofte neer op de bank.
'Oh, Sakura! Je ziet er haast uit als een meisje,' klonk mijn vaders gniffelende stem vanuit de keuken. Hij kwam de zitkamer binnengelopen en schonk me een vrolijk lachje. Ik beantwoordde het en rolde met mijn lichtgroene ogen.
'Blijf je vandaag thuis?' vroeg ik hem.
Mijn vader knikte. 'Het personeel dat nog minderjarige kinderen heeft, krijgt vandaag vrij. Het ziekenhuis draait op een minimumbezetting.'
Ik knikte begrijpend en liet mijn gedachten opnieuw afdwalen naar Cami. Onrustige vroeg ik me af hoe mijn vader zou reageren op de zwangerschap van zijn dochter. Misschien kende hij wel een manier om die ongedaan te maken? Maar dat wilde Cami niet. Nu nog niet althans.
'Ga je morgen mee? onderbrak hij mijn gepieker. 'Ik zou je kunnen laten zien hoe we bloedvergiftiging genezen. De medicijnen zijn essentieel, maar daarnaast moet je ook weten hoe je...'
Mijn vaders stem drong niet echt tot me door. Zijn gebazel over medicijnen en ziektebehandelingen had me nooit oprecht geïnteresseerd. Als kind had ik mijn best gedaan er wat van op te steken, maar ik had quasi meteen beseft dat een carrière in de geneeskunde niet aan mij besteed was. Ik wilde in het transport gaan werken.
Rea en Cami kwamen tegelijk de kamer binnen. Net als ik droegen ze een zomers jurkje, maar die van hen waren rood en blauw gekleurd. Aan hun voeten pronkten de elegante schoenen.
'Laten we vertrekken,' zei Rea, en ze keek me vragend aan. Ik knikte en stond op, maar besefte toen dat ik blootsvoets was. Cami wierp me een wanhopige blik toe, en ik begreep meteen wat ze bedoelde. Vandaag wilde ze geen ruzie of problemen.
Zonder nog te morren liep ik naar mijn kamer, schoof de levensgevaarlijke schoenen om mijn kleine voeten en wankelde de kamer uit.
Samen met mijn familie vatte ik de tocht naar het plein aan. Ik liep tussen Cami en Rea in en greep hun beide handen. De Boete deden we altijd samen. Zeker vandaag was dat belangrijk.
Onze ouders namen afscheid aan de inschrijvingstafel en omhelsden ons kort en stevig. Ik streek even door mijn moeders haren en knuffelde mijn vader. 'Tot zo,' zeiden we, en we hoopten dat het waar was.
We schreven ons in en negeerden de verwarde blik van de Vredebewaker. Ik veronderstelde dat hij niet kon uitmaken wie wie was. Cami, Rea en ik leken op elkaar, niet ontzettend veel, maar nu we dezelfde jurkjes droegen en onze haren op gelijkaardige manieren gevlecht waren, was de verwarring begrijpelijk.
Ik liep als eerste naar het afgebakende vak. Vreemd genoeg voelde ik niet de vertrouwde angst om de komende loting. Mijn gedachten waren bij Cami en haar kind, bij de mysterieuze Jaime en vooral bij mijn eigen kindertijd. Nog steeds probeerde ik te begrijpen wanneer we zo verschillend waren geworden.
'Welkom iedereen,' galmde het over het plein. Even keek ik op naar het podium, maar de burgemeester was een saaie verschijning. Zijn smetteloze smoking stak scherp af tegen het witte Gerechtsgebouw. Plichtsgetrouw dreunde hij het Verdrag van het Verraad op, maar slechts enkelen luisterden naar de harde woorden.
Ik keek niet eens op toen de propagandafilm werd getoond, maar ging wat dichter bij mijn zussen staan. Nu de Boete bijna zijn hoogtepunt had bereikt, voelde ik mijn hart toch sneller gaan kloppen. Rea kneep in mijn hand en zond me een angstige blik. Ik probeerde rustig en kalm te blijven, maar opeens zag alles er erg vijandig uit.
'Goedemorgen lieve meisjes en jongens! Ik ben Mimi Doros, jullie nieuwe begeleidster. Ik ben er zeker van dat deze Hongerspelen fantastisch zullen worden!'
Haar woorden werden gevolgd door een lange stilte. Niemand leek het eens te zijn met deze Capitoolvrouw. Zelf was ik me aan het verbazen over de hoogte van haar felroze hakken. Ik kon me niet inbeelden dat je daarmee daadwerkelijk kon lopen. De mijne waren al een hele beproeving.
'We beginnen met de lieftallige jongedames!' riep ze enthousiast, en in haar haast om bij de Boetebol te komen, struikelde ze bijna over haar meterslange jurk van zilverkleurige zijde.
Ik grijnsde kort, maar hield daar meteen mee op toen ik Cami's gejaagde ademhaling hoorde. Mijn eigen hartritme leek zich aan te passen aan het hare. Mijn handen werden klam van het zweet, mijn benen trilden en dreigden me ten val te brengen. Wanhopig klampte ik me vast aan mijn zussen.
Ik kon toch niet gekozen worden? Ik toch niet?
'De vrouwelijke Tribuut voor District zes is Camilla Nobunaga!'
Nee, ik was het inderdaad niet. Het was Cami, Cami die een ongeboren kind droeg. Cami, die zo plotseling volwassen was geworden en de liefde had gevonden. Cami, mijn lieve Cami, die nu de bloederige Spelen werd ingegooid.
Haar groene ogen staarden in de mijne. Tranen liepen geruisloos over haar wangen, maar ze zei niets. Er waren geen woorden.
Ik boog me voorover, kuste haar zacht op de wang en fluisterde haar iets toe. Rea hoorde het ook en keek me wezenloos aan.
Zonder nog om te kijken stapte ik het vak uit en begon naar het podium te lopen. Alle ogen waren op mij gericht. Niemand zou beseffen dat het de verkeerde zus was. Niemand, behalve mijn ouders.
De zenuwen gierden door mijn lijf. Ik wist waarom ik dit deed. Ik moest mijn zus redden, haar en het kindje.
Een enkele traan glipte uit mijn ooghoek en trok een nat spoor over mijn linkerwang. Ik veegde ze weg, en concentreerde me slechts op mijn doel.
Mimi Doros stak haar beringde hand behulpzaam naar me uit en trok me het podium op. Ze omhelsde me hartelijk, gaf me een moederlijk schouderklopje en glimlachte naar het publiek. Maar ik zag niets van dit alles. Mijn gedachten waren verdwenen. Ik dacht niets meer, voelde niets meer en wist niets meer.
Alleen dat ik naar de Spelen moest.
Mentho Hill (16) – District 6
'Alweer aan het lezen, Mentho?'
Ik glimlachte bij het horen van Meela's stem. Het meisje plofte naast me neer op de bank en bekeek de kaft van het dikke boek.
'Ziet er ingewikkeld uit,' peinsde ze nadenkend en ze raakte de vergulde letters aan.
Ik knikte, maar legde het boek toen weg en omhelsde haar ter begroeting.
'Ik zag je ouders net,' zei ze ietwat bezorgd. 'Ze moesten dringend vertrekken.'
Bevestigend knikte ik. 'Ze kregen een wanhopige oproep van een houthakkersgezin. Hun jongste zoontje was vannacht beginnen ijlen.'
Meela keek me fronsend aan. 'Maar de Boete begint zo. Ze komen toch wel?'
Ik haalde nonchalant mijn schouders op. 'Dat weet ik niet. Dat zieke jongetje is belangrijker.'
De ogen van mijn vriendin vernauwden zich. Ik wist precies wat ze aan het denken was, maar zuchtte vermoeid. 'Nee, Meela, ze krijgen er niet voor betaald. Maar dat maakt toch niets uit? Ze kunnen dat zieke kind redden, dat is hun plicht.'
Geërgerd kneep ze in mijn arm. 'Jullie moeten ook voor jezelf zorgen! Niet alleen voor anderen.'
Zonder haar laatste argument te beantwoorden stond ik op van de bank. Zorgvuldig borg ik het boek over medische diagnostiek op en liep naar de voordeur. Ik griste mijn schoenen van de grond en trok ze aan. Met mijn opvallend kleine handen knoopte ik de leren veters dicht.
'We moeten vertrekken,' riep ik Meela toe. Nog steeds wat geërgerd kwam ze naar me toegelopen en keek me fronsend aan.
'Jij blijft maar groeien.'
Ik glimlachte haar toe. Meela was absoluut niet klein, maar toch was ik ruim twintig centimeter groter dan mijn vriendin. Wat ze in grootte van me verloor, compenseerde ze echter ruimschoots met haar sterke persoonlijkheid.
Gearmd liepen we de straten van het District door. Omdat ik in één van de armere wijken woonde, zagen de huizen er allemaal eender uit. De daken waren scheef en lekten, de ramen vuil en veelal gebroken. In de meeste voortuintjes deden enkele fleurige bloemen moedige pogingen het onkruid te overtreffen.
Na amper een kwartier gewandeld te hebben, passeerden we het ziekenhuis en de daar aan verbonden school van geneeskunde. Ik had er de laatste jaren erg veel tijd doorgebracht, maar het liefst studeerde ik thuis. Mijn boeken waren goede vrienden gebleken, al hadden ze me nog steeds niet het gegeerde antwoord verschaft.
De huizen zagen er groter en duurder uit, en ik wist dat we het plein naderden. Niet alleen de gebouwen maar ook de wegen en planten oogden mooier en beter onderhouden.
Ik voelde met iedere stap mijn zenuwen toenemen. Ieder jaar was ik doodsbang gekozen te worden, al wist ik dat er velen waren die minder fortuinlijk waren dan ikzelf. Mijn ouders verdienden nog net genoeg om mij ervan te weerhouden me in te schrijven voor de voedselbonnen. Meela had dat geluk niet.
Een oude man kwam strompelend om de hoek van de straat gelopen en zwalkte tegen een muur aan. Zijn gescheurde jas fladderde om zijn uitgemergelde lichaam. De stank van verschaalde alcohol drong in mijn neusgaten en deed me bijna kokhalzen.
Meela greep mijn arm vast en probeerde me mee te sleuren in de richting van het plein, maar ik was sterker dan haar. Ik rukte mijn arm los uit haar greep en naderde de oude bedelaar. De geur van goedkope drank werd sterker naarmate hij dichterbij kwam.
'Mooi meisje,' zei hij met zware stem, en hij grijnsde een onaangename en tandeloze glimlach. 'Je liefje?'
Ik voelde mijn wangen rood kleuren, maar negeerde zijn vraag en Meela's verontwaardigde gesnuif.
'Voelt u zich wel goed, meneer?' Ik bekeek hem aandachtig. Zijn bloeddoorlopen ogen, zijn uitgemergelde wangen en zijn slaphangende lippen waren duidelijk genoeg. De man was ziek.
'Ik zou me beter voelen met dat meisje dicht bij mij,' mompelde hij met dubbele tong. Meela kwam woedend op hem afgelopen en wilde met brute kracht naar hem uithalen, maar ik ving haar pols in mijn hand en duwde haar weg.
'Hij bedoelt het niet slecht. Hij is ziek,' zei ik verdedigend.
'Hij is een oude dronkaard!' sputterde ze boos tegen.
Na een woordeloze discussie lieten we elkaar los en stopte ik de zieke man gauw een paar kostbare munten toe. Het waren de laatste die ik bezat, maar hij had ze harder nodig dan ik.
'U zou naar de dokter moeten gaan,' adviseerde ik hem nog, maar hij luisterde al niet meer. Zijn toegeknepen ogen waren gefixeerd op het geld in zijn handen. Ik hoopte dat hij ze zou besteden aan voedsel of medicatie.
Met samengeknepen lippen vervolgde Meela haar weg. Ik wist dat ze zich ergerde, maar zo was ze nu eenmaal. Zij had haar overtuigingen, en ik de mijne.
We arriveerden op het plein en schreven ons beiden in. Het afscheid was beladen, maar ik omhelsde haar stevig en wenste haar veel succes. Ik kon het niet nalaten haar een angstige blik na te werpen. Tenslotte deed haar naam ruim vijftien keer mee dit jaar.
Met langzame passen liep ik naar de andere zestienjarige jongens. Hoewel ik weinigen persoonlijk kende, waren we allemaal verbonden vandaag. Verbonden door angst en mededogen.
De burgemeester heette ons allen welkom, maar leek er absoluut geen plezier in te scheppen. Mijn gedachten waren vervuld van afschuwelijke beelden van de afgelopen Spelen. Jaar na jaar werden er dode kinderen aan hun ouders afgeleverd. Ik slikte moeizaam en dwong mijn handen te stoppen met trillen.
Het begon zachtjes te regenen. Mijn bruine haren werden vochtig en plakten tegen de zijkanten van mijn hoekige gezicht. Ik veegde een streng haar uit mijn groene ogen en probeerde ondertussen mijn ademhaling onder controle te houden.
Nog even, sprak ik mezelf toe. Nog even en je bent weer een heel jaar veilig. Jij, en Meela.
De stem van de begeleidster wekte me uit mijn angstige gedachten. Ik kende de vrouw niet en kon me niet herinneren haar ooit eerder gezien te hebben. Haar glinsterende jurkje was zo lang dat haar benen onzichtbaar bleven, maar aan haar bleke handen en bloedeloze lippen was duidelijk te zien dat ze aan een mysterieuze ziekte leed. Ik vroeg me af of ze zich daarvan bewust was.
Mimi Doros huppelde naar de meisjesbol en trok er enthousiast een briefje uit. Ze vouwde het open en las de naam op. Een golf van opluchting overspoelde me. Het was niet Meela. Zij zou nog een jaar langer veilig zijn. Nog minstens een jaar. Heel eventjes glimlachte ik, maar toen zag ik een vrij klein meisje onhandig naar het podium strompelen. Haar zwarte haren waren gevlochten en benadrukten de geelachtige bleekheid van haar huid. Ze was zeker niet ouder dan ik.
'De moedige jongemannen dan maar!' zong Mimi door de microfoon, nadat ze het onfortuinlijke meisje het podium had opgeholpen.
Mijn hart bonsde. Ik telde de slagen in een poging rustig te worden, maar het hielp niet. Het zweet stond letterlijk in mijn handen. Ademhalen, Mentho, zei ik streng. Blijven ademhalen.
Het knisperen van papier leek eindeloos lang te duren. Mijn ogen waren strak op het noodlottige briefje gericht. Ik bad en smeekte, maar wist dat daar zelden naar werd geluisterd.
'De mannelijke Tribuut voor District zes is Mentho Hill!'
Voorbij. Het was allemaal voorbij. Ik begon aan de tocht, maar wist dat dit de laatste wandeling was die ik ooit zou maken. Vanaf nu was ik dood, alleen wist mijn lichaam dat nog niet. Maar ik wel.
Ik schudde de hand van Mimi en keek in haar purperen ogen. Het vrolijke glimlachje om haar kleurloze lippen deed me rillen. Ik wist dat ik dood was, wist zij het ook?
Sakura Nobunaga (15) – District 6
Cami wilde me niet meer loslaten. Haar dunne armen waren om mijn hals geslagen en trilden onbedaarlijk. Ik klopte haar op de rug, maar vertrouwde mijn stem niet voldoende om te spreken.
Haar woorden bleven komen, steeds opnieuw, steeds dezelfde.
'Waarom heb je dat gedaan, Kura? Waarom? Ik had moeten gaan. Ik wil je niet kwijt!'
Ze snikte wanhopig, en haar tranen doorweekten mijn gehate jurkje. Ik deed moeite mijn eigen tranen in bedwang te houden, maar gaf het al gauw op. Dit was de laatste keer dat ik mijn familie zou zien, de laatste keer dat ik mezelf kon zijn.
Mijn moeder staarde voor zich uit. Ze zei niets, begreep het niet, wilde het niet geloven. Mijn vaders arm lag om haar benige schouders geslagen, maar ook hij staarde apathisch voor zich uit. Ik wist niet eens of ze wel beseften dat ze de verkeerde dochter aan het verliezen waren.
Ik ademde diep in, vermande mezelf en keek Cami recht in de ogen. 'Ik wil dat je me iets belooft, zus,' fluisterde ik haar toe.
Ze knikte beverig.
'Beloof me dat je een prachtig kindje krijgt. Beloof me dat je altijd voor hem zal zorgen en zielsveel van hem zal houden.'
Even verscheen er een moedige glimlach op haar gezicht. Ze knikte en raakte teder mijn wang aan.
Rea omhelsde me zo stevig dat ik moeite kreeg met ademen. Ik huilde nog steeds en probeerde desondanks elk detail van mijn zus' gezicht voor eeuwig in mijn geheugen te printen.
'Help haar,' zei ik zachtjes. 'Ze zal je nodig hebben.' Rea knikte huilend en beloofde het.
Uiteindelijk kwam mijn moeder in beweging. Met holle ogen stapte ze op me af en drukte me stevig tegen zich aan. Ik herinnerde me al onze discussies, maar die leken opeens onbelangrijk en nietszeggend.
'Je bent sterk, Cami,' mompelde ze schor, al probeerde ze zichzelf net zo erg te overtuigen als mij. 'Je moet je best doen.'
'Natuurlijk, moeder,' antwoordde ik, maar ik besefte dat de kansen niet in mijn voordeel waren.
Mijn vader was de enige die niet huilde. Hij keek me aan, en leek nu pas te beseffen wie ik was.
'Vergeet niet wat ik je geleerd heb. Het kan van pas komen,' zei hij doods. 'Vergeet het niet, meisje.'
Ik had eerlijk gezegd nog geen moment gedacht aan de beperkte kennis en vaardigheden die ik had opgedaan. Mijn gedachten waren op duistere plekken vol bloed en verderf. Ik sidderde onwillekeurig.
Cami stopte iets in mijn hand, en ik keek er nieuwsgierig naar. Het was het grasarmbandje dat ik geweven had. Ik drukte het even tegen mijn betraande gezicht en putte er troost uit.
Het rook naar mijn kindertijd. Naar onschuld en zusterliefde.
Toen mijn familie werd weggeleid, besefte ik ten volle wat ik had gedaan. Maar ik wist dat het juist was. Al was de kans groot dat ik zou sterven, ik had twee levens gered.
En wat was er waardevoller dan het leven?
Mentho Hill (16) – District 6
De muren leken torenhoog. Onafgebroken staarde ik naar de mahoniehouten deur, wachtend totdat de deurklink naar beneden zou worden geduwd. Het duurde echter lang.
Misschien wilde niemand me nog zien. Misschien roken ze de geur van de nakende dood al, net zoals ik die steeds had geroken toen ik nog over Will waakte.
Maar nu waren er geen kaarsen. Er was niemand die de wacht zou houden en over mijn leven zou waken. Ik was helemaal alleen, aan mijn lot overgelaten in een Arena vol moordzuchtige Tributen. De kans dat ik de Spelen zou winnen was erg klein. Mijn enige mogelijkheid lag in mijn kennis over het menselijk lichaam en de geneeskunde, maar zou dat genoeg zijn? District zes leverde slechts zelden een Winnaar.
Met een harde klap vloog de deur open. Meela kwam naar binnen gerend. Haar haren wapperden achter haar aan, maar ik kreeg niet de kans haar te bekijken. Ze vloog in mijn sterke armen en huilde zachtjes.
'Mentho,' bracht ze uiteindelijk uit. 'Je moet naar me luisteren. Het is heel belangrijk. Zorg goed voor jezelf, en niet voor anderen. Er is maar één Winnaar, en dat moet jij zijn. Kies voor jezelf, ongeacht de prijs. Het moet, Mentho!' Dat laatste schreeuwde ze haast uit.
Ik keek haar alleen maar aan, niet in staat iets te antwoorden. Ik wist dat ik geen mensen kon vermoorden, ik was al jarenlang bezig met het bestuderen van manieren en medicijnen om mensen te genezen. Niemand zou me ertoe kunnen brengen een ander moedwillig te pijnigen.
Maar de Spelen hadden maar één Winnaar.
'Vergeet het niet, Mentho,' fluisterde ze nogmaals en ze overhandigde mij haar eigen medaillon. Ik klikte het open en vond er een gedroogde bloem in. Mentha, wist ik meteen, de bloem waarnaar ik vernoemd was. Even zag ik Meela's kindergezichtje weer voor me. Ze had mijn naam meteen mooi gevonden.
Meela werd naar buiten gesleurd, nog steeds schreeuwend dat ik moest vechten. Ik keek haar droevig na, verscheurd door twijfels en pijn. Ik kon geen mensen vermoorden, maar ik wilde zelf niet sterven. Was er een gulden middenweg te vinden?
Niet in de Hongerspelen. Daar was je een moordenaar of een dode Tribuut.
Ik veegde mijn wangen droog en keek op mijn polshorloge. Mijn laatste gedachten waren bij mijn ouders die waren vertrokken zonder afscheid te nemen, op weg naar een hulpbehoevende.
Maar ik had hen ook nodig. Ik ging sterven, of een moordenaar worden.
Welke optie zouden zij verkiezen?
We zitten in de helft! Daar ben ik best wel blij om, eigenlijk. :) Zoals steeds zou ik het zeer leuk vinden moesten jullie na het lezen een review achterlaten. Zelfs als je gewoon heel kort zegt wat je ervan vond, maak je me erg blij!
Ik wil even iets verduidelijken in verband met Sakura. Ik veronderstel dat enkele lezers zich misschien zullen afvragen waarom ze niet gewoon gevrijwilligd heeft, in plaats van dit stiekeme gedoe. Wel, de reden is als volgt: aan vrijwilligers van lagere Districten wordt altijd erg veel aandacht besteed, en dat wilt ze natuurlijk niet. Maar verder was het ook gewoon een heel impulsieve actie. Ze dacht er amper bij na, het enige wat ze wist was dat ze Cami en het kindje moest redden. En aangezien ze erg op elkaar gelijken en even oud zijn, valt het niet op.
Mijn grote dank gaat uit naar Indontknow en Livingtreetrunk voor het inzenden van de Tributen!
Dan wil ik ook nog iets vragen: Nu de helft van de Boetes gepasseerd zijn en er toch al 12 Tributen zijn geïntroduceerd, vraag ik me af naar wie, tot nu toe, jullie voorkeur uitgaat. Hebben jullie favorieten? En zo ja, welke? Ik vraag dit niet enkel uit pure nieuwsgierigheid, maar ook omdat het een rol zal spelen tijdens het verdere verloop van het verhaal. Tributen die vaak genoemd worden als favoriet zullen vaker terugkomen, bijvoorbeeld. :) Dus geef even je mening.
Ik zal deze vraag zeker nog eens herhalen nadat alle Boetes geschreven zijn. :)
De Puntentelling
Azmidiske87: 28
Jade Lammourgy: 28
LeviAntonius: 28
Indontknow: 24
Serenetie – Ishida: 24
Strawberrychickk: 19
Livingtreetrunk: 18
MadeBy Mel: 17
MyWeirdWorld: 16
Tiger Outsider: 16
Lyannen: 14
silk tiger: 12
Zacksteel: 12
evalovespeeta: 10
SirWalshingham: 8
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
mjg43: 4
Op naar Boete 7 alweer!
Marie :)
