Boete District 7
Jorge de Burgos (18) – District 7
De lucht was bezwangerd met de heerlijke geur van vochtig mos. Door het vroege uur was het schaarse gras nog nat van de dauw, maar dat deerde me niet. De vochtigheid voelde verkoelend aan op mijn warme huid en doorweekte mijn eenvoudige wandelschoenen. Met de houten stok in mijn rechterhand geklemd baande ik me een weg door één van de vele bossen van het District. Ik lette goed op waar ik mijn voeten plaatste, want de boomwortels waren soms erg verraderlijk en konden me makkelijk ten val brengen.
De geur van een mij onbekende houtsoort trok mijn aandacht. Zonder te aarzelen liep ik in de juiste richting en trachtte de mysterieuze boom te lokaliseren. Ik betastte de bast van een witte zomereik en bemerkte tevens de geur van een jonge cipres.
Ik ademde enkele keren diep in en uit en dwong mijn zintuigen een antwoord te vinden. Uiteindelijk ving ik de mysterieuze geur opnieuw op. Ik kwam in beweging en snelde naar de onbekende boom. Mijn hand vond al gauw diens stam en streelde het ruwe reliëf van de bast.
Een vrolijke glimlach kroop over mijn hoekige gezicht. Mijn dunne lippen krulden omhoog toen ik besefte dat het me weer gelukt was. Ik had een nieuwe houtsoort ontdekt. Eentje waarvoor het Capitool veel geld zou willen neertellen, want aan de textuur van de stam was duidelijk te merken dat het hout van een zeer hoge kwaliteit zou zijn.
Met een snelle beweging haalde ik een klein hakmes uit één van de talloze zakken waar mijn broek rijk aan was. Ik plaatste mijn ene hand op de stam, visualiseerde mij de juiste locatie en maakte een scherpe inkeping in de prachtige boom. De boomhars drupte uit diens wond en maakte mijn vingers kleverig.
Ik bracht mijn hand naar mijn mond en proefde met mijn tongpunt het plakkerige goedje. De bittere smaak bevestigde mijn vermoedens en liet mijn laatste twijfels in het niets verdwijnen.
Deze boom was van haast onschatbare waarde. Meteen sperde ik mijn neusgaten open, op zoek naar een tweede exemplaar. Na echter lange tijd bewegingsloos te blijven staan, concludeerde ik dat de boom uniek was in diens omgeving.
De hitte van de opkomende zon vertelde me dat het tijd was om huiswaarts te keren. Zonder een moment te aarzelen stapte ik in de juiste richting en begon aan de eenzame wandeling richting de bewoonde wereld.
De paden werden makkelijker begaanbaar naarmate ik de rand van het woud naderde. Onderweg sloeg ik automatisch op welke afslagen ik nam, want ik moest de boom kunnen terugvinden. Mijn vader zou hem kappen en aan het Capitool verpatsen. Met het geld dat we zouden verdienen kwam mijn droom om met Ellen te gaan samenwonen alweer wat dichterbij. Ik glimlachte vrolijk bij de gedachte aan haar.
Toen ik het bos verliet en de aarden grond voor geasfalteerde wegen inruilde, werd ik me weer bewust van de wereld om me heen. Die leek ik steeds te vergeten tijdens mijn tochten in de vrije natuur.
Ik vatte de wandeling naar mijn ouderlijk huis aan en groette hier en daar wat mensen die me vriendelijk een goedemorgen wensten. Een enkele keer bleef ik staan om een onbenullig praatje te maken met één van de vele houthakkers of fabrieksmedewerkers. Het viel me echter al gauw op dat hun stemmen vervuld waren van bezorgdheid en angst, en natuurlijk kende ik de reden daarvoor.
Vandaag was het Boetedag. In tegenstelling tot de meeste Districtbewoners maakte ik me daar weinig zorgen om. Ellen hoefde namelijk niet naar de Boete te gaan. Net als ik was ze vrijgesteld van de loting en kon ze vrijwel onbezorgd genieten van de rustige dag.
'Jorge!' groette een harde doch vriendelijke stem me. Ik voelde hoe er een zware hand op mijn brede schouder werd gelegd. Daardoor wist ik meteen wie er voor me stond. Er was namelijk maar één man die groot genoeg was om mijn schouder te kunnen bereiken.
'Donal,' zei ik opgewekt. 'Zo vroeg op pad?'
De houthakker gaf me een stevige por en boog zich wat dichter naar me toe. 'Ik hoopte dat ik je tegen het lijf zou lopen, jongen. Ik heb problemen thuis.' Zijn stem werd zachter en kreeg een bezorgde klank. Ik greep zijn arm vast en kneep er troostend in.
'Nick en Ryan moeten volgend jaar meedoen aan die vreselijke Boete, en als het zo verder gaat zullen ze zich moeten inschrijven voor voedselbonnen.'
Ik knikte berustend. Donals zoontjes waren leuke kinderen, maar sinds het ontslag van hun vader waren hun ribben steeds duidelijker zichtbaar geworden. Ik kon ze tellen met mijn vingers.
'Ik heb een nieuwe boomsoort ontdekt,' zei ik als vanzelf. 'Uitstekend hout. Het Capitool telt er vast heel wat geld voor neer. Daar ben ik van overtuigd!'
Hoewel ik het niet kon zien, voelde ik hoe er een glimlach over het ruwe gezicht van Donal kroop. Hij greep met beide handen mijn schouders vast en omhelsde me vaderlijk.
'Ik toon je deze middag de weg, goed?' vroeg ik vrolijk lachend, blij om Donals opgetogenheid.
'Bedankt, Jorge! Dat zal ik niet vergeten!' zei hij nog, en na me een laatste schouderklop te hebben gegeven wandelde hij met vaste tred weg.
Neuriënd legde ik de laatste kilometers naar huis af. Donals blijdschap indachtig glimlachte ik stompzinnig voor me uit. Het deed me goed hem te helpen. Hij was een goede man en verdiende beter dan een zoon te verliezen in de Arena.
Thuisgekomen opende ik de deur en betrad de koele woning. Zoals steeds rook ik de vertrouwde houtgeur: de geur van het bos en van mijn huis. Ik rook echter ook iets anders. Iets was hier niet thuishoorde. Iets wat de lucht deed stinken naar narigheid en problemen.
'Jorge de Burgos?' klonk een kille stem, en toen wist ik het.
Vredebewakers.
Mijn moeder kwam naar me toe en leidde me naar de keukentafel. Ik nam plaats naast mijn vader en sloeg mijn ruwe handen ineen, wachtend op het onheil dat zeker zou komen.
'Goed, ik zal het kort houden, want ik heb nog wel wat beters te doen,' bromde de onbekende man nijdig. Ik hoorde hoe hij ging verzitten op de bank en een blad papier gladstreek.
Hij schraapte zijn keel en las voor: 'Aan alle inwoners van de Districten: Hierbij verklaart het Capitool, de hoofdzetel van Panem, dat de wet omtrent de vrijstelling voor de Boete hernieuwd is. Jongeren tussen de twaalf en achttien jaar oud met een fysieke beperking zullen niet langer het voorrecht verdienen zich afzijdig te houden tijdens de loting. Hun naam zal, overeenkomstig met hun leeftijd, worden opgeschreven en meetellen tijdens de Boete.
Het Capitool meent dat het de afgelopen jaren een verkeerde boodschap heeft uitgedragen door bepaalde individuen van hun plicht te laten ontzien. Met deze wet wordt een nieuw signaal gegeven: Iedereen is kwetsbaar, ook diegenen die zich eens veilig waanden.
Afwezigheid tijdens de Boete zal worden bestraft met de dood.
Ondertekend door President Snow en de Raad van Bestuur van de Hongerspelen.'
Ylva Velius (13) – District 7
'Hé, luizenkop! Schuif 'es op!' bromde ze chagrijnig. Ik gaf haar een venijnige tik tegen haar hoofd en draaide me morrend om op de krappe stromatras. Het stro kietelde aan mijn blote voeten en irriteerde me mateloos. Ik trok mijn benen op en schikte het haveloze deken wat beter over ons drieën heen. Basil opende zijn ogen voor enkele seconden, maar viel vrijwel meteen weer in slaap.
Ik drukte me wat steviger tegen hem aan in een poging warm te blijven. Hoewel de dagen aangenaam zonnig waren, waren de nachten in de oude schuur verdomd koud. Ik dwong mijn tanden te stoppen met klapperen en wikkelde mijn vieze sjaal wat strakker om me heen.
'Slapen jullie nu nog, verdomme? Jullie hadden al lang op pad moeten zijn! Of denk je dat het eten hier uit de lucht komt vallen?' schreeuwde één van de Ouderen boos en het behaaglijk warme deken werd met een ruk van me afgetrokken.
Met een boze blik in mijn opvallend blauwe ogen stond ik op en schudde mijn plakkerige, zwarte haren uit. Ze waren nog steeds even warrig, maar ze hingen tenminste niet meer voor mijn gezicht.
'Wat gebeurt er? Is er iets?' mompelde Basil slaperig, en ik draaide geïrriteerd met mijn ogen. Die jongen zou nog eens vergeten waar zijn eigen kop stond als je hem er niet aan herinnerde.
'Jullie twee daar! Genoeg geluierd! Er is verdomme werk aan de winkel,' ging Mayra verder. Ze overhandigde mij een beschreven blad en keek me fronsend aan.
Ik staarde enkele tellen naar de letters, maar gaf het al gauw op.
'Och, kind, kan je nog altijd niet lezen?' vroeg ze geïrriteerd en ze rukte het blad papier uit mijn modderige handen. Ik snoof kwaad om haar opmerking en schopte een klein kiezelsteentje tegen haar ontblote been. Ze werd rood en gaf me een oorvijg.
Basil was ondertussen wakker genoeg om te beseffen wat er aan de hand was. Hij stond op en kwam met dat slungelige lijf van hem tussen mij en Mayra staan.
'Laat Ylva met rust,' zei hij weinig overtuigend, maar desondanks glimlachte ik om zijn moed.
Mayra gaf ook hem een harde klap tegen zijn hoofd en riep daarna de andere kinderen van onze groep bijeen. We waren met negen, allen tussen de tien en veertien jaar oud.
'De taken,' zei ze kort en bondig, en ze begon met het uitleggen van de verschillende missies. In andere delen van de schuur werden de eerste en derde groep ook ingelicht door enkele Ouderen. Iedereen had tenslotte zijn eigen taak. En als je die niet volbracht, nou, dat was je zo goed als dood.
'Ylva, Basil, Lona en Jorn,' sprak Mayra ons kort toe. 'Opdracht van een Vredebewaker. Een of andere sukkel blijkt in het geheim geld achter te houden en het te investeren in illegale zaken. Zijn naam is Theodor Melson. Ik wil bewijzen.'
Zonder er verder nog woorden aan vuil te maken draaide ze zich om en maakte een elfjarig meisje uit voor haarloze nietsnut. Ik grijnsde kortstondig en liep toen met de drie anderen de schuur uit.
Mijn te grote schoenen bemoeilijkten het lopen, maar toch was ik één van de snelsten. Lona haalde me in, maar Jorn en Basil lagen meters achter tegen de tijd dat we in de dure wijk van het District aankwamen. Met mijn modderige kleren en haren stak ik scherp af tegen de smetteloze voortuintjes en marmeren huizen. Ik spuugde op de betonnen tegels en veegde de klodder speeksel uit met mijn linkerschoen. Er bleef een bruinachtige vlek achter, als een platgetrapt insect.
'Ylva, weet jij waar die Melson woont?' vroeg Basil, nog nahijgend van het harde rennen.
Ik haalde mijn magere schouders op en bekeek de villa's van de rijkeluismensen.
'Weet ik veel,' zei ik binnensmonds. 'Misschien moeten we 't gewoon 'es vragen.'
Zonder acht te slaan op mijn reisgenoten liep ik de straat door en klampte een oude man aan. Hij keek me afkeurend aan en trok nadrukkelijk zijn lompe neus op. Hij was kaal en erg dik.
Zeker weer zo'n vraatzuchtige idioot, dacht ik verwijtend, maar ik liet niets blijken en zette mijn meest onschuldige kindergezichtje op.
'Meneer,' begon ik met ingehouden tranen, 'Ik ben de weg kwijt. Ik had een afspraak bij meneer Melson. Hij zei dat hij een dienstmeisje nodig had, en nu ben ik te laat en wilt hij me vast niet meer aannemen! Mijn kleine zusje heeft zo'n grote honger en ik...' Ik begon nadrukkelijk te snikken en beefde onbedaarlijk. De tranen biggelden over mijn wangen en lieten zichtbare sporen achter in de permanente laag vuil die mijn elfachtig gezicht sierde.
De mans uitdrukking was veranderd. Zijn grijze ogen keken me niet langer kil, maar eerder meelevend aan. Al hield hij nog steeds angstvallig zijn neus dichtgeknepen.
'Meneer Melson woont in het zesde huis aan de rechterkant, kind. In de voortuin bloeit zo'n belachelijke acacia. Speciaal ingevoerd vanuit het buitenland! Die man moet ook altijd opscheppen,' mopperde hij nijdig en hij liep, voor zover zijn moddervette benen hem dragen konden, haastig weg.
Met een dankbare glimlach om mijn dunne lippen keek ik hem na en draaide me uiteindelijk om naar de wachtende kinderen.
'Een dienstmeisje?' herhaalde Basil grinnikend.
Ik trok een lelijk gezicht naar hem en ging de anderen voor naar het juiste huis. In Melsons tuin bloeide inderdaad een boom, al was ik vergeten hoe de man hem genoemd had.
'Lona, Jorn, jullie nemen de achterdeur,' commandeerde ik. Ik negeerde hun nijdige blikken en wachtte totdat ze vertrokken waren. Samen met Basil sloop ik geruisloos naar één van de ramen aan de linkerzijde van het huis. Ik lette goed op waar ik mijn voeten neerzette, want het knappen van een takje kon me verraden en de hele missie doen mislukken. En daar had ik absoluut geen zin in.
Ik had honger.
'Help me hier 'es op, slaapkop,' fluisterde ik tegen Basil. Hij staarde niet langer naar de straat, maar gaf me een zetje en hielp me op de vensterbank te klimmen. Ik liet me plat op mijn buik vallen en tilde mijn hoofd een heel klein beetje op, net genoeg om te zien dat de kamer verlaten was.
Met vaste hand voelde ik aan het raam en vloekte binnensmonds toen bleek dat het op slot was. Ik wikkelde mijn geliefde rode bandana rond mijn rechterhand en bracht die met een snelle beweging richting het glas. Met een kletterend geluid brak het open en werd mij vrije toegang tot het huis verleend. Ik bleef echter minutenlang bewegingsloos liggen, bang mogelijke bewoners gewekt te hebben. Toen bleek dat niemand zich van iets bewust was, wurmde ik me door het kapotte raam en landde met een zachte plof op de tapijten vloer.
'Ylva, ik kan er niet bij,' fluisterde Basil doordringend.
'Hou je mond, stomkop,' mompelde ik zachtjes terug. 'Hou de wacht en wees verdomme stil!'
Er kwam geen reactie meer, dus liep ik weg van het raam en overzag de ruimte. Ik bevond me in een kamer vol boeken. De wanden werden volledig in beslag genomen door metershoge ladekasten.
Ik trok mijn wenkbrauwen op, graaide een willekeurig boek van zijn plek en sloeg het open.
Allemaal onzin, natuurlijk. Ik zette het terug en veegde mijn modderige handafdrukken van de kaft.
In het midden van de kamer bevond zich een withouten bureau. Ik benaderde het geruisloos en trok enkele lades open. Voor zover ik zag bevatten die enkel meer stomme boeken en lege notitieblokken.
Voorzichtig trok ik aan de onderste lade, maar die wilde niet meewerken. Ik nam een eenvoudige balpen uit een bekertje, trok het omhulsel eraf en prutste net zolang met het kleine buisje totdat het de vorm had die ik wilde.
Ik stopte mijn zelfgemaakte sleutel in het slot en trachtte deze in de juiste richting te draaien. Na iets meer dan vijf minuten klikte het slot open en gleed de lade geruisloos naar me toe.
Meer geld dan ik ooit gezien had lachte me toe. Zonder een moment te aarzelen graaide ik er enkele biljetten uit en verstopte deze tussen mijn versleten kleren. Ik probeerde te tellen hoeveel geld het was, maar het bedrag was zo astronomisch dat ik de getallen voor zo'n grote hoeveelheid niet eens kende.
Ik schoof de biljetten opzij en vond een tijdschrift. Ik kon niet lezen wat er stond, maar aangezien het zich in de lade met geld bevond, wist ik zeker dat het belangrijk was. Ik stak het ook onder mijn bevuilde hemd en sloot de lade weer af.
Op dat moment hoorde ik de deur opengaan.
Jorge de Burgos (18) – District 7
Ellen huilde nog steeds. Mijn sterke arm lag om haar bevende schouders geslagen, maar ik wist dat ik haar niet kon beschermen. Niet tijdens de Boete en niet tijdens de Hongerspelen.
'Hoe kunnen ze dat nu doen?' snikte ze keer op keer. 'Dat kan toch niet!'
Amper tien minuten nadat de Vredebewaker vertrokken was, had Ellen het huis betreden. Ze zei niets, maar omhelsde me stevig en begon te huilen. Ik wist dat zij ook bezoek had gekregen. Bezoek dat ons hele leven zou kunnen veranderen.
Mijn moeder had de man met een furieuze blik aan de deur gezet, hem trakterend op alle scheldwoorden uit haar persoonlijke arsenaal. Ik had haar nog nooit zo woedend en bang meegemaakt.
'Mijn zoon is blind!' had ze gegild. 'Wat denkt dat vervloekte Capitool van je te bereiken door een blinde jongen in de Arena te gooien?'
Er was geen antwoord gekomen, want dat was er ook niet. Als het er wel was, ontging het mij in ieder geval. Al die jaren had ik me veilig gewaand voor de Spelen. Ik had mijn tijd doorgebracht in de talrijke bossen van het District, zoekend naar zeldzame bomen.
'De kans dat we gekozen worden is heel klein, Ellen,' zei ik ferm, met een sprankje van mijn gebruikelijke optimisme. 'Er zijn duizenden kinderen.'
Het leek mijn vriendin niet op te beuren. In tegenstelling tot mij zou zij nog tweemaal moeten deelnemen aan de Boete. Voor mij zou het na dit jaar afgelopen zijn, hoe dan ook.
Met een voorzichtige beweging veegde ik haar satijnzachte haren uit haar betraande gezicht. Ik streelde haar wang en sprak haar troostend toe in een poging haar angst weg te nemen. Ze drukte zich dichter tegen me aan en legde haar hoofd op mijn schouder.
Haar ademhaling vertraagde en werd regelmatiger. Voor een moment stond ik mezelf toe te genieten van dit vredige moment, wegdromend over de toekomst die we samen zouden opbouwen.
'We moeten vertrekken, Jorge,' verbrak zij als eerste de betovering. 'Hoe sneller we gaan...' Ze maakte haar zin niet af, maar ik glimlachte haar geruststellend toe, opgelucht dat haar oude vechtersmentaliteit weer de kop opstak.
Geen van ons deed de moeite zich om te kleden. Ik hielp Ellen overeind en overhandigde haar de eenvoudige kruk. Ze nam hem aan met haar linkerhand en vlocht de vingers van haar rechterhand door de mijne.
'Klaar?' vroeg ik monter.
Mijn vriendin knikte en we begonnen aan de tocht. Ik had geopperd haar te dragen, want de tocht naar het plein was ver en veeleisend, maar haar trots en vastberadenheid weerhielden haar ervan dit toe te geven. Zo snel als haar ene been en de kruk het dragen konden, liepen we verder.
'Hoor je dat?' vroeg ik toen ik in de verte het geroezemoes van honderden stemmen gewaar werd. Ellen antwoordde echter dat ze niets gehoord had, en ik moest mezelf er weer aan herinneren dat de meeste mensen niet zo'n scherpe zintuigen hadden als ik. Op dat ene zintuig na dan, natuurlijk.
Sneller dan me lief was kwamen we aan op het plein. Ellen beschreef me de situatie, maar de omgevingsgeluiden gaven me een heel reëel beeld van wat er aan het gebeuren was. Duizenden bange meisjes en jongens wachtten in angst af of ze zouden worden gekozen. Enkelen huilden, maar de meesten leken zich tevreden te stellen met gefluisterde woorden en angstige vermoedens. Ik hoorde hoe een moeder afscheid nam van haar zoontje en betreurde haar lot. Moeders zouden niet op die manier mogen lijden. Dat zou niemand moeten doen.
'Naam?' gromde een barse stem, en Ellen meldde zich aan. Trots merkte ik op dat haar stem niet voor het minst beefde, zelfs niet toen de man er nog aan toevoegde: 'Jammer van dat been, liefje, anders had ik wel iets voor je willen regelen.'
Een onbekende woede trof me. Ik had me zelden boos, laat staan woedend, gevoeld, maar deze man bracht mijn bloed aan het koken. Ik spuwde hem mijn naam in het gezicht en wandelde met Ellens hand in de mijne haastig weg.
'Ik loop met je mee naar het juiste vak,' fluisterde Ellen zacht met trillende stem. Ze dirigeerde me naar de andere achttienjarige jongens en leidde me naar een goede plaats. Ik boog me voorover, drukte een tedere kus op haar zachte haren en streelde haar wang.
'Het komt goed,' herhaalde ik weer. 'Ik beloof je dat het goedkomt, en je weet dat ik altijd mijn beloftes houd.'
Een zacht lachje ontsnapte haar mond en bereikte mijn oren. Ze ging op haar tenen staan en drukte een laatste kus op mijn lippen. Toen draaide ze zich om en liep weg.
'Jorge?' klonk een vragende stem, en de kreet werd enkele keren herhaald. Ik herkende de stemmen van vrienden, zonen van houthakkers die ik naar de uitzonderlijke bomen had geleid. Hun vaders waren me even dankbaar als hun families.
Ik begroette hier en daar wat bekenden en legde uit dat de situatie veranderd was. Allen reageerden verontwaardigd en spraken hun haat jegens het Capitool uit. Ik lachte dankbaar om hun goedbedoelde woorden en gaf hen een stevige schouderklop.
'Wat gaat de tijd toch snel, he? Het is alweer een jaar geleden dat we zijn samengekomen voor de Boete!' galmde een vriendelijke mannenstem over het plein. Ik hoorde hier en daar verbaasde uitroepen, want blijkbaar was de burgemeester nergens te bekennen.
'Ah, jullie geliefde burgemeester voelde zich onwel en heeft zich verontschuldigd. U moet het de arme man vergeven. Op zijn leeftijd is de gezondheid zo broos als de vleugels van een nachtvlinder.'
Er ontstond wat tumult onder het volk. Klaarblijkelijk geloofden enkele burgers niet in de verklaring die de man gaf, maar ik kon me niet indenken waarom de burgemeester anders afwezig zou zijn.
'Genoeg gekletst!' lachte de man vrolijk. 'Laten we meteen beginnen! Vandaag zullen we de mannen eens laten voorgaan! Want zeg nu zelf, vrouwen horen niet altijd voorrang te krijgen, toch?' Hij lachte luid om zijn eigen grap en leek zich niet te storen aan de ongemakkelijke stilte die over het plein heerste.
'Jaja, zo is het,' mompelde hij nog, en ik hoorde hoe hij zich verplaatste en in een kom met papiertjes rommelde. Hij leek het moment eindeloos lang te rekken totdat hij uiteindelijk triomfantelijk naar de microfoon huppelde en het briefje openvouwde.
'Laten we eens kijken! Wie zal er dit jaar moedig strijden voor District zeven? De mannelijke Tribuut is Jorge de Burgos!'
Hij begon enthousiast in zijn handen te klappen, maar ik hechtte daar geen belang aan. Mijn oren vingen andere dingen op. Tientallen kreten klonken door de ijle lucht, schreeuwend dat dit absurd was. Ik herkende vele stemmen, maar geen enkele trof me zo diep als die van Ellen. Ze gilde mijn naam, steeds opnieuw, steeds luider.
Tranen vormden zich in mijn nietsziende ogen. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik wilde wegrennen en ergens met Ellen naartoe vluchten. Wij zouden het wel redden. We hadden elkaar.
Maar nu stond ik er helemaal alleen voor. Ik zou moeten vechten voor mijn leven, en ik zou niet eens in de kille ogen kunnen kijken van degene die me de keel doorsneed.
Ylva Velius (13) – District 7
Nog steeds scheldend op Jorn en Lona liep ik de dure wijk uit. Die twee domkoppen hadden me zo erg doen schrikken dat ik bijna een cruciale fout had begaan.
'Waar heb je 't geld gelaten?' snauwde Lona toen er even een stilte viel in mijn scheldwoordserenade.
Ik keek haar afkeurend aan en draaide mijn hoofd weg van het schriele kind.
'Welk geld?' vroeg ik onschuldig.
' 'T geld dat je gejat hebt!' bromde Jorn slechtgehumeurd. Hij was nog niet vergeten dat ik hem een harde klap had uitgedeeld nadat hij zo opeens in de boekenkamer verschenen was.
'Ik heb verdomme geen geld gejat!' snauwde ik terug. Ik versnelde mijn pas en ging naast Basil lopen. Hij was nog steeds aan het mokken omdat ik hem had achtergelaten bij het raam, maar toen ik hem heimelijk de bankbiljetten toonde grijnsde hij zijn onregelmatige tanden bloot.
'Ik lust wel zo'n perentaartje,' dagdroomde hij watertandend, waarna hij er stiller aan toevoegde: 'Pas op met dat geld, Ylva. Als Mayra of een van de andere Ouderen merkt dat je geld voor jezelf houdt, schoppen ze je uit het Dievengilde.'
Ik haalde mijn schouders op en begon te rennen, moe van het praten en het zeurderige gedrag van Jorn en Lona. Ik bereikte al snel de verscholen schuur en glipte geruisloos als een kat naar binnen. Er waren niet veel kinderen aanwezig. De kleinsten van groep één zaten in een kluitje bij elkaar en speelden een dwaas spelletje. De anderen waren waarschijnlijk al vertrokken naar de Boete.
'En?' klonk een ongeduldige stem vanuit een donkere hoek. Mayra en Lucian kwamen naar me toegelopen en keken me vragend aan.
Ik overhandigde hen het tijdschrift en beschreef de gigantische hoeveelheid geld die ik aanschouwd had. Toen ik was uitgesproken keken de twee Ouderen me argwanend aan, mijn lichaam afspeurend naar verborgen schatten, maar ik had het goed verstopt en veinsde een zeer overtuigende uitdrukking van verveling.
'Kernwapens,' mompelde Lucian terwijl hij het tijdschrift doorbladerde. 'Die vent wilde investeren in kernwapens.'
'Daar zal die Capitoolnietsnut niet blij mee zijn,' snoof Mayra. 'Maar hij heeft ons betaling beloofd voor onze diensten. Die ga ik nu innen, voor 'ie er weer vandoor gaat.'
'En ik?' vroeg ik meteen, mijn deel van de buit opeisend.
'Na de Boete krijg je te eten, wicht. Vertrek nu maar naar het plein, anders raken we in de problemen!'
Ik wierp Lucian en Mayra een vernietigende blik toe en liep de stinkende schuur uit. Een van de kleintjes kwam naar me toe en trok aan mijn been.
'Ik wil ook zo'n bandana,' pruilde ze. 'Waar heb je die gestolen?' Ze reikte naar mijn rode bandana en probeerde hem van me af te pakken. Ik duwde haar hardhandig opzij en wierp het magere scharminkel een kille blik toe.
'Als je er een wilt, haal er dan zelf een! Deze is van mij, afblijven dus!'
Met een laatste boze blik op het meisje beende ik de schuur uit en streek onbewust over mijn kostbare bezit. Hij was oorspronkelijk rood geweest, maar de kleur was vaal geworden door het stof en ontelbare modderspetters. Toch zag hij er aanzienlijk beter uit dan de rest van mijn bijeengeraapte kledingstukken.
Het leek nog niet lang geleden dat ik mijn eerste buit gestolen had en toch waren er sindsdien al ruim vier jaren verstreken. Als beginneling was ik vreselijk slecht geweest in het stelen en sluipen, de littekens die ik nog steeds droeg waren daar het bewijs van. Maar ik leerde snel en het duurde niet lang vooraleer ik me net zo geruisloos kon voortbewegen als om het even welke meesterdief.
Jorn en Lona waren al vertrokken, maar Basil stond trouw op me te wachten. Zoals zo vaak leek hij in gedachten verzonken te zijn. Hij schrok op toen ik hem benaderde en keek me verwijtend aan. 'Niet grappig,' zeiden zijn groene ogen.
Ik sloeg echter geen acht op hem en begon in de richting van het plein te lopen. Als ik zou kunnen kiezen zou ik niet eens naar die stupide Boete gaan. Het plein wemelde altijd van de huilebalken en belachelijk geklede sufferds op deze dag.
Met Basil in mijn voetsporen sjokte ik verder. Een hele stroom mensen was op weg naar dezelfde bestemming en vertraagde onze vooruitgang aanzienlijk. Ik vloekte geërgerd toen een peuter van enkele jaren oud me abusievelijk aanzag voor zijn moeder en zich huilend op de grond wierp.
Ik haatte huilende kinderen. Ze deden me denken aan Noah en zijn onophoudelijke gekrijs. Ik wilde niet meer aan mijn broertje denken. Hij was dood en zijn gekrijs was voorgoed gesmoord.
'Hoelang is het geleden dat jij jezelf gewassen hebt?' knorde de Vredebewaker aan de inschrijvingstafel afkeurend. Zijn roomwitte pak vertoonde geen enkel spatje modder en ik moest moeite doen daar geen verandering in te brengen. In plaats daarvan stelde ik me tevreden met een antwoord.
'Hoelang is 't geleden dat jij iets intelligent te zeggen had?' Ik wachtte even op zijn antwoord en vervolgde toen. 'Minstens even lang dus.'
Ik liep weg, wachtte even totdat ook Basil zich had ingeschreven en wurmde me toen door de mensenmassa heen richting de dertienjarige meisjes.
'Ga 'es opzij, wicht. 'T is niet omdat je dik bent dat je meer plek krijgt,' snauwde ik hatelijk tegen een mollig kind. De tranen welden meteen op in haar blauwe ogen en rolden over haar hamsterkaken. Ik schonk er geen aandacht aan en duwde haar hardhandig opzij.
Verveeld wiebelde ik op mijn tenen en wachtte totdat deze hele gebeurtenis voorbij zou zijn. Elk jaar was het hetzelfde liedje. Twee jankende kinderen die dood werden teruggestuurd en een ereplaats kregen op het kerkhof.
Alsof laf zijn eervol was, dacht ik geërgerd.
Uiteindelijk stapte de Capitooldwaas het podium op en heette iedereen met zijn vreselijke accent welkom op de Boete.
Ik streek even door mijn samengeklitte, zwarte haren en deed geen moeite te horen wat hij te zeggen had. Al mijn aandacht was gericht op een gouden schittering aan zijn linkerhand.
Dat moest goud zijn, wist ik meteen. En naar de grootte te oordelen was die ring heel wat waard. Daarmee zouden Basil en ik wel wat meer kunnen eten dan alleen perentaartjes.
Ik hoorde zijn stompzinnige lach en zag hem naar de Boetebol huppelen. Zijn smaragdgroene kostuum was afgezet met zilverbrokaat en flatteerde zijn opgedirkte gezicht allerminst.
Er ontstond heel wat tumult nadat de jongenstribuut werd omgeroepen. Ik trok mijn fijne wenkbrauwen op en bekeek de reusachtige jongen die, vergezeld door twee forse Capitoolsufferds, het podium betrad. Zijn ogen waren gevuld met tranen en zijn grote handen trilden.
Ik zuchtte ongeduldig en hoopte dat ze wat voort zouden maken. Ik had verdomme wel iets beter te doen dan toe te kijken hoe er twee bangeriken op avontuur werden gestuurd.
'En dan nu de allerliefste meisjes!' jubelde de man door de microfoon. Ik kon hem wel wurgen om dat bespottelijke accent van hem, maar was blij dat hij eindelijk in actie kwam.
'Wie zal het zijn? Oh, ik ben zo nieuwsgierig!' zei hij terwijl hij het briefje openvouwde en het tergend langzaam gladstreek.
'Ylva Velius!'
Ik luisterde verbaasd naar zijn woorden. Bedoelde hij mij? Mijn naam deed maar twee keer mee! Er waren schriele wichten wiens naam wel vijftig keer in die bol stak. Ik had nooit stilgestaan bij deze optie, er nooit ook maar één angstige gedachte aan verspild. Ik had het te druk gehad met overleven.
'Ylva, lieverd. Kom je naar voren?' vroeg de man zoet.
Mijn wurgneigingen onderdrukkend stapte ik het vak uit en liep naar het podium. Onze begeleider leek even te schrikken toen hij me opmerkte, maar hij plooide dat vervormde gezicht van hem als snel weer om tot een glimlach.
Naast de jongen zag ik er nog kleiner uit dan ik al was, maar ik hield mijn hoofd opgeheven en plengde geen enkele traan. Huilen was voor kinderen, en dat was ik al vele jaren niet meer.
Jorge de Burgos (18) – District 7
Ik werd hardhandig naar binnen geduwd en alleen gelaten. De kamer waarin ik me bevond rook naar angst en tranen. Geuren van een afscheid.
Om de chaos in mijn gedachten het hoofd te bieden begon ik de omgeving te onderzoeken. Ik telde het aantal passen dat nodig was om de kamer volledig te doorkruisen. Het waren er niet veel.
Aan de rechterzijde van de kamer bevond zich een gemakkelijke bank. Ik nam er even plaats op, maar stond meteen weer op en hervatte het ijsberen.
Het subtiele krassen van scharnieren vertelde me dat er iemand was binnengekomen. Ik rook de bekende geur van hout, bloemen en lavendelzeep en wist dat het mijn ouders waren.
Twee armen om me heen en toen vier. De troostende van mijn moeder en de beschermende van mijn vader. Ze huilden beiden en hun tranen vermengden zich met de mijne.
'We hadden moeten vluchten... ' begon mijn moeder wanhopig, maar ik kapte haar zin af en trok haar nog dichter tegen me aan.
'Je bent sterk, Jorge. Zoek een bijl en – '
En wat? wilde ik vragen, maar ik deed het niet. We kenden het antwoord op die vraag maar al te goed. Lang geleden had mijn vader gedacht dat ik wel houthakker kon worden. Mijn oom was bijna een arm kwijtgeraakt toen ik de bijl op de verkeerde plaats liet neerkomen.
'Beloof me dat je je best zal doen,' smeekte mijn vader nog, en ik beloofde het.
De deur werd geopend en mijn ouders werden naar buiten geleid. Hun gesnik verwijderde zich langzaamaan, maar ik zou het altijd blijven horen.
Niet veel later kwam Ellen naar binnen. Ze maakte geen enkel geluid, maar haar gezicht was nat van de tranen.
'Weet je nog?' vroeg ik. 'Die keer dat je vader me wilde leren boogschieten? Ik schoot pal in de roos, al besefte ik dat zelf niet.'
'Jorge...' huilde ze smekend. 'Je moet terugkomen.'
'En de volgende dag schepte hij tegen iedereen op. Ja, dat weet ik nog goed. Maar toen ik het nogmaals moest proberen, raakte mijn pijl verstrikt in het haar van zijn moeder.'
Ik glimlachte bij de herinnering aan die dag en bleef praten, dwars door Ellens gesmeekte woorden heen. Ik wilde haar niet beloven dat ik terug zou komen, want ik hield me altijd aan mijn beloftes en liegen was me vreemd. Ik wilde haar alleen maar horen lachen. Een keertje maar. Voor het laatst.
Maar toen ze enkele minuten later werd weggeleid besefte ik dat het te laat was. Haar lach was bevroren toen mijn naam genoemd werd, en enkel mijn terugkomst zou die opnieuw doen weerklinken.
Maar hoe kon ik ooit terugkeren?
Ik kneep mijn handen samen en balde ze tot vuisten. Ik wilde niet sterven. Niet nu. Niet voordat ik ten volle van het leven had kunnen genieten. Niet voordat ik Ellens lach nog een laatste keer gehoord zou hebben.
'Ik beloof het,' fluisterde ik zacht en dat deed ik. Ik hield me altijd aan mijn beloftes.
Ylva Velius (13) – District 7
Het tapijt in de kamer was zacht en warm. Ik trok mijn lompe schoenen uit en streelde met mijn tenen over de donzige wol. Het kietelde aan mijn voeten, maar niet zoals het stro. Het voelde fijn.
Basil kwam als eerste naar binnen. Ik glimlachte opgelucht toen ik zag dat hij niet huilde. Met voorzichtige passen kwam hij naar me toe en bleef een paar seconden bewegingsloos staan.
'Heb je die ring gezien?' verbrak ik de stilte. 'Moet een fortuin waard zijn. Misschien kan ik 'em wel te pakken krijgen.'
Basil glimlachte heel flauwtjes en deed toen iets wat me zowel verbaasde als verafschuwde. Hij omhelsde me. Zijn armen lagen om me heen geslagen en drukten me stevig tegen hem aan. Ik rook de vertrouwde geur van ongewassen kleren en duwde hem van me af.
'Je gaat toch niet janken, he?' vroeg ik angstig, en hij schudde van nee. Ik knikte opgelucht en vroeg me af welke woorden de meeste Tributen nog tegen hun familie zeiden. Niet dat dat belangrijk was, want mijn familie was er reeds lang niet meer. Niet meer sinds ik Noah voorgoed had laten ophouden met krijsen. Nadien had ik mijn moeder nooit meer gezien, en daar voelde ik ook absoluut de behoefte niet toe. Kinderen vroegen om hun moeder, maar ik was geen kind meer.
'Pas goed op jezelf, oké?' vroeg Basil uiteindelijk zacht, en ik ontwaakte met een ruk uit mijn gedachten.
'Dat doe ik al mijn hele leven,' antwoordde ik naar waarheid.
'Denk je dat er nog iemand komt?' vroeg Basil. Hij scheen niet te weten wat hij met de stilte aan moest en bleef drentelend staan draaien op zijn tenen.
'Nee, denk ik niet. M'n moeder is waarschijnlijk dood en m'n vader heb ik nooit gekend.'
Basil knikte opgelaten. Het was de eerste keer dat we over zulke zaken spraken.
'Nou, succes dan,' zei hij nog en toen liep hij met gebogen hoofd de kamer uit.
Ik keek voor me uit en dacht na over wat er mij te wachten stond. Ik wist dat de kans groot was dat ik zou sterven, maar dan wel met een mes in mijn hand, mijn moordenaar met me meeslepend.
Ze vroegen om een overlever? Nou, toevallig kon ik dat erg goed. Overleven.
En officieel voorbij de helft van de Boetes! Ik heb al zo ongelooflijk veel zin om aan de Capitoolhoofdstukken te beginnen.. Maar goed, laat ik maar niet te voorbarig lopen wezen xD Uiteraard ben ik enorm benieuwd wat jullie van het hoofdstuk vonden! Wat vonden jullie van de Tributen en hun Boetes? Laat alsjeblieft een review achter!
Over het hoofdstuk zelf: twee korte opmerkingen:
- Als eerste valt het misschien op dat ik Jorges uiterlijk niet uitvoerig besproken heb (haarkleur en dergelijke) Dit heb ik bewust gedaan. Aangezien Jorge blind is 'weet' hij niet wat kleuren zijn en zou hij dus ook nooit in zulke termen denken.
- Als tweede wil ik nog even zeggen dat Ylva's verhaal nog verder zal worden uitgelegd. Ik heb hiervoor plannen en heb het dus bewust nog niet 100% uitgelegd.
Dan mijn zeer grote dank aan Jade Lammourgy en SirWalshingham voor deze super leuke Tributen! Ik hoop echt dat ze een beetje aan jullie verwachtingen voldoen.. Zelf vind ik hen echt leuke personages. :)
Ik wil ook nog iedereen bedanken die het verhaal leest en reviews plaatst! Ik waardeer dat echt heel erg! :)
De Puntentelling
Azmidiske87: 31
Jade Lammourgy: 31
LeviAntonius: 31
MadeBy Mel: 27
Serenetie – Ishida: 27
Indontknow: 24
Strawberrychickk: 22
Livingtreetrunk: 20
MyWeirdWorld: 16
Tiger Outsider: 16
Lyannen: 14
silk tiger: 12
Zacksteel: 12
evalovespeeta: 10
SirWalshingham: 8
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
mjg43: 4
Zo, tot bij de volgende Boete!
Marie :)
