Boete District 10
Jessica Westers (15) – District 10
De insecten krioelden onder mijn huid. Met hun scherpe pootjes klampten ze zich vast aan mijn tere vlees en spartelden in een poging zich een weg naar buiten te wriemelen. Doodsbang krabde ik aan mijn armen en benen en sloeg geen acht op de bloederige striemen die mijn nagels achterlieten. Ik wilde alleen maar dat ze ophielden.
Een van de beestjes perste zich door mijn huid heen en kroop mijn arm op. Hysterisch gillend sloeg ik het dood, maar het waren er te veel. Nadat het ene insect de vrijheid had gevonden, volgden de anderen. In grote getale kropen ze uit kleine wondjes en groepeerden zich op mijn armen en benen.
Ik gilde en begon te rennen, hard met mijn armen zwaaiend. Maar ze lieten me niet los. Hun kleine insectenmondjes sperden zich open en deden zich tegoed aan mijn malse vlees. Steeds meer beestjes trokken stukken uit mijn huid en aten die al smakkend op. Ik kokhalsde en krijste van de pijn.
'Haal ze weg!' brulde ik panisch van angst, maar niemand kwam me te hulp.
Beschermend sloeg ik mijn bloedende armen voor mijn gezicht en zakte neer op de ijskoude, marmeren vloer. Ik deed niet langer moeite de insecten weg te meppen. Ze hadden me overmeesterd.
Een scherpe steek van pijn deed me even opschrikken. Ik voelde hoe een naald mijn linkerarm doorboorde en merkte hoe het warme bloed uit mijn lichaam werd gezogen. Vaag besefte ik dat dit niet goed was en ik deed een zwakke poging de naald weg te slaan, maar dat leidde nergens toe.
Mijn gedachten werden steeds trager en hielden abrupt op toen ik het bewustzijn verloor.
De matras voelde vertrouwd aan. Ik probeerde mijn armen te bewegen, maar merkte dat deze waren vastgebonden aan de ijzeren stalen van het bed. Mijn benen bleken al even onbeweeglijk te zijn.
Ik opende mijn groene ogen en kneep deze meteen weer dicht. Het felle licht deed pijn na de jarenlange duisternis waarin ik vertoefd had. Voorzichtig deed ik een tweede poging en deze keer was ik voorbereid op wat komen zou. Ik opende mijn ogen op een kiertje en keek om me heen.
Vier muren en een hoog plafond. Links stond een kast, rechts een bureau en de bijpassende stoel. In de rechterhoek bevond zich een staande lamp. Dit was mijn kamer.
'Moeder!' riep ik met schorre stem, de opborrelende paniek onderdrukkend. Ik moest rustig zijn en bij bewustzijn blijven.
Het leek een eeuwigheid te duren, maar uiteindelijk werd de deur geopend en kwam mijn moeder naar binnen. Ze droeg een zilverkleurige jurk en had een dienblad in haar slanke handen.
'Jessi, lieverd,' begon ze op geruststellende toon en ze kwam naast mijn bed zitten. Het dienblad plaatste ze op het bureau. Ik rook de geur van appelthee en versgebakken brood en merkte dat ik ontzettend veel honger had.
'Mag ik wat eten?' vroeg ik aarzelend.
Mijn moeder boog zich over me heen en drukte een tedere kus op mijn klamme voorhoofd. Haar rode haren geurden naar rozenshampoo.
'Natuurlijk, Jessi. Maar eerst moeten we even praten.'
Ik keek haar met grote ogen aan en merkte plots dat de ketenen rond mijn polsen en enkels verdwenen waren. Ik ging rechtop zitten en drukte me tegen mijn moeder aan.
'Weet je nog wat ik verteld heb?' vroeg ze terwijl ze liefdevol mijn bezwete haren streelde.
Ik probeerde het me te herinneren, maar ik kreeg geen vat op mijn gedachten en voelde me steeds machtelozer. 'Ik weet het niet meer,' zei ik huilend.
Met een lieve glimlach op haar lippen kneep mijn moeder in mijn hand. 'Ik ben dood, lieverd.'
Haar bleke huid schilferde af en pelde van haar gezicht. Haar rode haren vielen op de grond en lieten een kale schedel achter. Uit haar rechteroogholte kroop een worm langzaam haar bottengezicht op. Ik gilde luid en duwde haar weg, maar ze kwam steeds dichterbij en sprak me toe in een vreemde taal. De geur van verrotting drong mijn neusgaten binnen.
De naald doorboorde mijn arm een tweede maal.
Zwetend werd ik wakker. Mijn mond was kurkdroog en mijn tong plakte tegen mijn verhemelte. Slikken kostte me erg veel moeite en pijn, maar ik dwong mezelf het te doen en beet op mijn tanden.
Ik was opnieuw vastgebonden aan het bed. Ik kneep mijn ogen dicht en dwong mezelf logisch na te denken en de dingen te herhalen die ik zeker wist.
Ik heette Jessica en was vijftien jaar oud. Mijn moeder was dood. Ik bevond me in mijn eigen kamer in District tien. Er hing een buisje aan mijn arm. Het pompte een doorzichtige vloeistof mijn lichaam binnen. Ik kon me niet bewegen. Ik had vreselijke dorst.
Het was moeilijk de paniek de baas te blijven. Ik was bang dromen met de werkelijkheid te verwarren. Toen ik me mijn eerste droom herinnerde, keek ik naar mijn armen en benen. Ze zaten onder de rode krassen, maar er waren geen insecten te zien. Waren zij wel echt geweest?
De deur werd geopend en een kleine, gezette man kwam de kamer binnen. Ik kende hem. Het was mijn vader.
'Jessica,' begroette hij me beleefd. Hij liep naar mijn bed toe en bekeek het buisje dat in mijn arm geprikt was. Hij voelde aan mijn voorhoofd en controleerde mijn polsslag.
'Je moet gaan douchen en je klaarmaken voor de Boete,' zei hij kort en hij gespte mijn armen en benen los. Zonder me nog een blik waardig te gunnen liep hij de kamer uit en liet me alleen met mijn gedachten.
Ik ademde een aantal keren diep in en uit en probeerde de bonzende hoofdpijn te negeren. Voorzichtig en erg langzaam stond ik op van het bed en zwierde mijn benen over de rand. De vloer leek te bewegen, maar ik dwong mijn groene ogen te focussen en plaatste mijn voeten op de houten planken. Met hernieuwde vastberadenheid hees ik mezelf overeind en strompelde naar de kleine badkamer die aan mijn slaapkamer grensde.
Ik bereikte de deur nog net. Toen viel ik met een harde bons op de grond en leek alles te zwemmen voor mijn ogen. Ik kneep ze dicht en herhaalde in stilte de zekerheden die me hieruit zouden helpen. Na een tijdje stopte de wereld met draaien en slaagde ik erin rechtop te gaan staan.
Ik liep naar de wastafel en staarde naar mijn eigen spiegelbeeld. Mijn groene ogen lagen diep in hun kassen, omgeven door grote, paarse wallen. Mijn bleke armen en benen waren graatmager, net als de rest van mijn lichaam. Het rode haar dat mijn hologige gezicht omlijste was dof en zat vol klitten.
Douchen, herinnerde ik me. Mijn vader had gezegd dat ik moest douchen. Ik wankelde naar de douchecel en schoof de glazen deur open. Mijn nachthemd liet ik op de blauwe tegels vallen.
Ik ging onder de douche staan en liet het koude water over mijn bezwete lichaam stromen. Mijn hoofdpijn nam een beetje af en de misselijkheid werd getemperd.
Hoe lang had ik in bed gelegen? Ik probeerde het me te herinneren, maar de dagen leken allemaal even wazig en onbeduidend. De laatste duidelijke herinnering die ik had was die van mijn vader. Hij had naar me geschreeuwd en me mijn dierbare fles afgepakt. Toen was alles zwart geworden.
Andy Travis (18) – District 10
Het hoge gras kriebelde aan mijn uitgestrekte benen. Ik ging wat comfortabeler tegen de oude zomereik zitten en sloeg een pagina van het dikke boek om.
Digitalis purpurea of Vingerhoedskruid
Deze plant uit de helmkruidfamilie heeft ondanks zijn haast sprookjesachtige voorkomen een giftige werking voor mens en dier. Actieve stoffen van de plant kunnen het hart bëinvloeden en in extreme gevallen de dood veroorzaken.
De plant is tweejarig en floreert het best in bossen. De kleur kan variëren van wit tot purper of hemelsblauw.
Geïnteresseerd markeerde ik de laatste alinea van de pagina. Hoewel ik de tekst bijna letterlijk uit het hoofd kende, bleef het boeiend over de bekende plantensoort te lezen. Ik wilde niets vergeten of verkeerd begrepen hebben, want bij het gebruiken van vingerhoedskruid kon een simpele vergissing fatale gevolgen hebben.
Een zuchtje wind streek door mijn bruine haren en deed me even opkijken naar de lucht. Tot mijn grote spijt stelde ik vast dat de zon al hoog in de hemel stond, wat betekende dat het tijd was om huiswaarts te keren.
Ik stond op, klopte enkele grassprietjes en eikenbladeren van mijn groenkleurige short en pakte de mand met geplukte planten en kruiden op. Mijn plantenencyclopedie stopte ik stevig onder mijn linkerarm.
Ik wandelde doorheen de wildernis de het District omsingelde en speurde haast automatisch de omgeving af naar eetbare of geneeskrachtige planten. Uit ervaring wist ik echter dat dit deel van het weiland bijna nooit iets nuttig opleverde. Meestal moest ik dieper het bos ingaan om de benodigde zaken te vinden.
Na amper een halfuur bereikte ik de sobere wijk waarin ik samen met mijn ouders, broer en zus woonde. De meeste huizen waren klein en moesten nodig worden opgelapt. De straat lag er ook beroerd bij, maar daar was ik aan gewend geraakt. De enkele bomen die in de tuinen van de bewoners groeiden konden niet voldoende schaduw bieden op deze warme dag.
Alvorens naar huis te gaan, hield ik halt bij de roodgeverfde deur van onze buurvrouw. Ik klopte tweemaal aan en wachtte geduldig af.
Martha opende de deur en wenkte me binnen te komen. Zoals steeds begroette ik haar met een vriendelijke glimlach, die ze meteen beantwoordde.
'Kom binnen, mijn jongen,' zei ze met haar rasperige stem.
Ik betrad haar kleine woning en liep door naar de knusse zitkamer. Martha volgde me op de voet en neuriede een vrolijk wijsje dat ik nooit eerder gehoord had.
'Neem plaats!' zei ze vriendelijk en ze gebaarde naar de stoffen fauteuil. Ik overhandigde haar eerst een deel van mijn planten alvorens plaats te nemen. De oude vrouw bekeek ze goedkeurend en rommelde in de mand om alles te bekijken.
'Dragon!' riep ze blij uit. 'Waar heb je dat gevonden?'
Ik glimlachte trots en vertelde haar waar ik het begeerde kruid had weten te vinden. Het was de eerste keer dit jaar dat het me gelukt was.
'Thee?' vroeg ze vrolijk en ze liep reeds in de richting van haar kleine keukentje. Ik hoorde haar rommelen met kopjes en bordjes en de geur van rozemarijn vulde de lucht. Ik ademde enkele keren diep en leunde gelukzalig achterover in de gemakkelijke, versleten fauteuil.
'Zo,' zei Martha, en ze reikte me een dampende mok hete kruidenthee aan. Ik nam hem dankbaar aan en nipte voorzichtig van de warme vloeistof. De heerlijke smaak vulde mijn mond en zond een aangename warmte door mijn lichaam.
'Klaar voor de Boete?' vroeg de oude vrouw bedenkelijk en haar inktzwarte ogen werden op mij gericht. Hier woonden geen mensen met zwarte ogen, maar in District elf wemelde het ervan. Martha had me meerdere malen verteld dat ook alle leden van haar familie zwarte ogen hadden.
Ik haalde mijn schouders op en nam nog een slokje thee. 'Zo klaar als ik ooit zal zijn,' antwoordde ik naar waarheid. Het nerveuze gevoel in mijn maag zou me pas loslaten als ik wist dat ik veilig was, maar ik wist dat het geen zin had mezelf urenlang te kwellen.
Mijn oude buurvrouw knikte. 'Je hebt weer zitten lezen, zie ik.' Ze wees naar het dikke boek en glimlachte.
'Mijn wapen,' zei ik knipogend. 'Het enige wapen dat ik zal hebben in de Arena.'
'Een kostbaar wapen, jongen.' Martha grinnikte. 'Ik vraag me af of de plantenexperts van ons geliefde Capitool dat hele boek ook uit hun hoofd hebben geleerd.' Ze grijnsde een mond vol scheve tanden bloot, en onbewust beantwoordde ik die.
'Ik denk dat alleen jij mij overtreft, Martha,' zei ik vleiend.
Martha lachte nu hardop. 'Mijn lieve jongen toch! Eens was je mijn leerling, maar die tijd ligt nu al ver achter ons.'
'Ik zal altijd je leerling blijven,' zei ik zachtjes, vreemd genoeg geëmotioneerd door haar oprechte woorden. 'In kennis kan ik je allicht evenaren, maar in wijsheid zal ik altijd in je schaduw staan.'
Martha ging verzitten op de bank en bood me een van haar zelfgebakken gemberkoekjes aan. 'Als je niet oplet laat je me nog blozen, jongen,' zei ze vrolijk.
We praatten nog geruime tijd verder en haalden herinneringen op uit het verleden. Ik herinnerde me de eerste keer dat ik haar huis betreden had nog erg goed. Ze had me als kind zien vertrekken naar de velden en weilanden, in een poging eetbare planten te vinden voor mijn familie. Sinds die dag had ze me onderwezen en geholpen mijn plantenkennis te perfectioneren.
'Hoor je tegenwoordig nog iets van Edwin trouwens? Lang geleden dat je iets over hem verteld hebt,' vroeg Martha bedenkelijk. Ze knabbelde op één van de koekjes en warmde haar knokige handen aan de hete mok thee.
'Hij nodigt me elk jaar uit voor zijn verjaardagsfeest, maar verder spreek ik hem amper. Hij komt uit een andere klasse...' zei ik schouderophalend.
Martha tuitte haar gerimpelde lippen en smakte. 'Je hebt zijn leven gered.'
'En daar ben ik rijkelijk voor beloond,' bracht ik haar in herinnering, glimlachend de rug van mijn geliefde encyclopedie strelend.
'Rijkelijk? Zijn vader heeft je een boek gegeven. De burgemeester is stinkend rijk! Is het leven van zijn zoon hem niet meer waard?' Martha trok haar grijze wenkbrauwen op en keek me vermanend aan. 'Je had meer moeten eisen, jongen.'
Ik zuchtte vermoeid. 'Het was toeval dat ik hem kon helpen. Jij had me over de geneeskrachtige werking van dat kruid verteld. Zonder jou zou ik het nooit geweten hebben.' Ik glimlachte triomfantelijk. Dit argument zou ze niet kunnen verslaan. Hier eindigde onze traditionele discussie steevast.
'Ja, ik zal de burgemeester even gaan vertellen dat een illegale burger van zijn District zijn zoon gered heeft.' Martha lachte sarcastisch en veranderde toen, zoals verwacht, van onderwerp.
Jessica Westers (15) – District 10
Opnieuw bracht ik de fles naar mijn mond en klokte de inhoud naar binnen. Het branderige spul verspreidde zich in mijn keel en verwarmde mijn beverige lichaam. Het was zo vreselijk lang geleden dat het verdovende gevoel mijn gedachten had afgezwakt.
Hoe durfde mijn vader me dat plezier te misgunnen? Hij had me wekenlang aan mijn bed vastgekluisterd en me de ene nachtmerrie na de andere laten beleven. Hij zei dat het nodig was zodat het vergif mijn lichaam kon verlaten, maar geen enkel vergif had ooit zo zoet gesmaakt.
Wankelend stond ik op van de vloer. Ik verstopte de fles opnieuw onder de losliggende plank en sloot deze zorgvuldig af. Het was de enige fles die ik nog had. Al mijn andere schatten had mijn verdorven vader weggegooid of verstopt.
Ik liep naar de hal en daalde de trap af. Ondertussen deed ik een poging mijn weerbarstige krullen uit mijn ogen te vegen. Het was sowieso al moeilijk mijn evenwicht niet te verliezen op de steile trap, laat staan met een belemmerd zicht.
'Jessi?' klonk een iel stemmetje vanuit de traphal. Ik verstijfde ter plekke. Mijn vader noemde me nooit Jessi, dat deed alleen mijn moeder en zij was dood.
Ik ademde diep in en uit en concentreerde me op de zekerheden uit mijn leven. Langzaamaan slaagde ik erin de stem aan een persoon te koppelen. Hoe had ik hem kunnen vergeten? Hij was tenslotte mijn kleine broertje.
'Hoi Daan,' zei ik gemaakt opgewekt en de magere jongen verscheen in de hal. Hij keek me fronsend aan en wrong zijn bleke handen ineen. Het viel me op dat hij gegroeid was.
'Vader zei dat je wakker was,' vervolgde hij mompelend. Hij sloeg zijn groene ogen neer en schuifelde nerveus heen en weer met zijn in gympen gehulde voeten.
'Ja, klopt. Vandaag is het Boete.'
Daan werd rood. Zijn met zomersproetjes bedekte gezicht kreeg een rozige kleur en ik voelde haast hoe de hitte van zijn gezicht afstraalde. Wat was er aan de hand? Ik nam de laatste trede naar beneden en plaatste ietwat onvast mijn blote voeten op de marmeren vloer. Mijn linkerhand liet ik op de trapleuning rusten.
'Ja, ik moet alvast vertrekken,' zei Daan nauwelijks verstaanbaar en hij begon in de richting van de voordeur te lopen. Zijn hoofd was nog steeds gebogen.
'Ik neem nog even mijn jas en dan – '
'Nee, Jessi,' onderbrak hij me, 'ik ga alleen.' En met die woorden nog op zijn lippen liep hij de deur uit, me verweesd achterlatend.
Ik bleef enkele tellen geschokt staan. Waarom wilde hij niet op me wachten? De vorige jaren waren we altijd samen gegaan. Vorig jaar hadden we zelfs gearmd gelopen. Mijn gedachten probeerden dit te bevatten, maar ze waren traag en loom, alsof ze in een papperige brei ondergedompeld waren. Het werd steeds lastiger me specifieke gebeurtenissen te herinneren. Alles leek een vage droom vol kleuren, geluiden en schreeuwerige indrukken.
'Jessica? Je moet vertrekken,' bromde een diepe stem. Ik keek om en keek recht in de ogen van mijn vader. Ze waren hard en koud, zoals steeds wanneer ze naar mij keken.
'Daan...' begon ik onsamenhangend, maar mijn vader lachte vreugdeloos en dirigeerde me naar de deur. Zijn sterke hand lag dwingend op mijn breekbare schouder.
'Je dacht toch niet dat je broer zich nogmaals zou laten vernederen door jou?' zei hij venijnig. 'Ben je vorig jaar al vergeten? Hij niet dus. Je bent het podium op gestommeld en hebt luidkeels zijn naam zitten brullen, waarna je in huilen uitbarstte en bewusteloos werd afgevoerd.' Toen duwde hij me naar buiten.
Het felle zonlicht deed pijn aan mijn ogen, en ik wilde niets liever dan naar binnen rennen en de losliggende plank van mijn vloer optillen. Tranen welden op in mijn troebele ogen, niet enkel vanwege het zonlicht, maar ook vanwege mijn broertje.
Ik kon me niet herinneren wat er die dag gebeurd was. Ik wilde het niet eens meer weten. Het enige wat ik wilde was wat drank en vergetelheid. Mijn twee beste vrienden, immer trouw en paraat.
De mensen om me heen schreeuwden en duwden me alle kanten op. Ik liet me meevoeren door de stroom en probeerde de tranen uit mijn ogen te vegen. De schreeuwerige stemmen van kinderen drongen oorverdovend mijn oren binnen en deden de oude hoofdpijn weer opvlammen.
Ik had drank nodig. Een slokje maar, gewoon om deze dag te overleven.
Mijn voeten leidden me automatisch naar een zijstraatje van de grote hoofdweg. Zonder om te kijken liep ik naar een klein, armetierig huisje aan de rechterkant en bonsde op de deur. Na mijn derde poging werd de deur eindelijk geopend.
'Wat moet je?' snauwde een onvriendelijke stem.
Ik keek op naar zijn gezicht en dwong mijn lippen een glimlach te vormen.
'Jij,' zei de man ietwat verbaasd. 'Je vader had gezegd dat ik nooit meer aan je mocht verkopen. Die vent heeft me zitten bedreigen!'
Paniek overmeesterde me. Wat als hij weigerde me iets te verkopen? Ik had het nodig. Nu meteen. De buitenwereld was een angstaanjagende plek om in de vertoeven zonder vrienden. Dat zou de man toch wel begrijpen?
'Alstublieft...' smeekte ik met trillende stem.
Hij keek me geringschattend aan. 'Wat kan je betalen?'
Zonder te aarzelen schoof ik de zilveren armband van mijn arm en reikte hem die aan. Het was een geschenk van mijn broer geweest, maar dat maakte niets uit. Niet nu. Ik zou me er later wel zorgen om maken.
'Niet genoeg,' bromde hij chagrijnig.
Ik dacht even na en overhandigde hem toen de gouden ring. Het was het laatste wat ik van mijn moeder had, maar zij zou het wel begrijpen. Ik kon niet anders. Toch? Zij zou toch niet willen dat ik bang en eenzaam was? Ze zou het wel begrijpen.
Even verdween hij uit de deur en toen kwam hij terug. Hij overhandigde mij een glazen fles met een nagenoeg kleurloze drank erin. Ik draaide de dop eraf, nam een grote slok en knikte tevreden.
Al drinkend van de fles vervolgde ik mijn weg naar het centrum. Bij elke stap die ik zette werden mijn gedachten minder angstig en vervaagde mijn verdriet om mijn broertje.
Het zou allemaal wel goed komen. Ik was niet langer alleen in deze wereld. Ik hoefde niet meer bang te zijn en me zorgen te maken om mijn familie. Ik kon het allemaal vergeten.
Andy Travis (18) – District 10
Mijn zus en broer waren al bezig zich om te kleden. Ik haastte me naar mijn kleine kamer, diepte mijn mooiste kleren op uit de kist en trok ze aan. Ze waren moskleurig en zaten erg comfortabel.
'Andy? Ben je klaar? Moeder en vader willen vertrekken!' riep Lisa luid, en ze bonsde op mijn deur. Ik gooide die open en volgde haar naar buiten. Onze ouders en Peter stonden al nerveus te wachten.
'Sorry,' mompelde ik verontschuldigend. 'Ik was nog even bij Martha.'
Mijn moeder streek even door mijn haren. 'Geeft niet, lieverd. Nu zijn we er allemaal.'
We vertrokken samen naar het plein en deden ons best opgewekte gesprekken te voeren. Ondanks mijn vaders poging tot luchthartigheid, heerste er een bedrukte stemming. We wisten allemaal wat er op het spel stond vandaag.
'Vanavond kan ik kruidensoep maken,' zei mijn moeder monter, maar niemand reageerde hierop. Zelf was ik verzonken in gedachten. Hoewel het mijn laatste jaar was, was het tevens het jaar waarin ik het meeste kans maakte om gekozen te worden. Die gedachte beangstigde me, want ondanks het luchtige schertsen met Martha wist ik dat mijn overlevingskansen uiterst beperkt waren. Mijn plantenkennis zou mijn beste, maar ook enige troef zijn.
We kwamen aan op het plein. Kinderen en ouders liepen door elkaar heen en probeerden zich sterk te houden. Op het podium hadden de Mentor, burgemeester en Districtbegeleider al plaats genomen. Lisa en ik namen afscheid van de anderen en liepen door naar de inschrijvingstafel. De wachtenden voor ons waren vervallen in stilzwijgen, wat het ongemakkelijke gevoel in mijn maagstreek alleen maar verergerde.
'Andy Travis,' zei ik zenuwachtig. 'Achttien jaar oud.'
De man bekeek me kritisch. 'Achttien, zeg je? Zou je niet zeggen.' Hij grijnsde. 'Doorlopen!'
Gekwetst door zijn opmerking wachtte ik op Lisa. Toen ook zij was ingeschreven worstelden we ons door de mensenmassa heen, op zoek naar onze aangewezen vakken.
'Houd je sterk, Andy,' zei ze met een glimlach en ze ging ervandoor. Ik keek haar even na en begaf me toen naar de andere achttienjarigen. Ik hoopte dat Thom en Vince er nog niet zouden zijn. Vandaag gewoon even niet. Ik had al genoeg zorgen aan mijn hoofd.
'Andy! Hier zijn we!' klonk een bekende stem. Ik keek om en zag Kevin en Jordan staan. Ze wenkten me en duwden enkele jongens uit de weg. Ik liep naar hen toe en glimlachte.
'Klaar?' vroeg Jordan met ingehouden adem. 'Het gaat beginnen.'
Zijn woorden waren nog niet koud toen de burgemeester naar voren kwam en ons allen welkom heette. Ik vroeg me afwezig af of hij zijn eigen woorden geloofde, want zelf hechtte ik er weinig geloof aan. De kilte in zijn ogen leek zijn opgewekte manier van doen dan ook tegen te spreken.
'Wij hebben de eer Xandro Torment te ontvangen,' zei hij hoffelijk, nadat de laatste bloederige beelden van het grote scherm verdwenen waren. 'Hij zal alles in goede banen leiden.'
De Capitoolse man stapte naar voren, en zoals steeds in zijn aanwezigheid voelde ik me klein en nietig. Zijn zwarte kledij stak scherp af tegen zijn onnatuurlijk bleke huid. Het ergste aan zijn gezicht waren echter de getatoeëerde, bloedkleurige tranen op zijn ingevallen wangen. Hij leek wel bloed te huilen.
'Burgers van District tien,' begroette hij ons met gedempte stem, maar toch kon ik iedere lettergreep horen. Ze zonden een koude rilling langs mijn ruggengraat. Ik rilde onbewust.
'Ik zal een jongen en meisje uitkiezen die dit jaar jullie... fabelachtige District zullen vertegenwoordigen in de glorieuze Hongerspelen.' De suggestieve pauze tussen zijn woorden was me niet ontgaan. Kevin bromde iets onverstaanbaars.
'Laten we hopen op sterke kandidaten,' sloot hij af en hij keek kil de menigte rond.
'Sterk?' hoorde ik een gesmoorde stem fluisteren. 'Nou, Andy, laten we dan hopen dat jij het niet bent, he.'
'Ach, Thom, je moet niet overdrijven. Andy is best sterk. Volgens mij heeft hij tijdens de laatste gymles bijna een partijtje worstelen gewonnen. Het was echt op een haar na.'
'Ja, klopt,' vervolgde Thom quasi vriendelijk. 'Hij hield het twee seconden uit, toch?'
Vince beaamde dat. 'En veertienjarige meisjes moet je niet onderschatten, hoor!'
Hun conversatie ging door, en ik probeerde er niet naar te luisteren. Toch drongen hun hatelijke woorden ongevraagd mijn oren binnen. Kevin en Jordan probeerden de pestkoppen weg te duwen, maar het plein was zo volgepakt met mensen dat dat onmogelijk bleek te zijn.
Met rode wangen en neergeslagen ogen concentreerde ik me weer op Xandro Torment. Hij was het ware gevaar, wat Vince en Thom zeiden hoorde me niet te raken.
Maar dat deed het wel.
'Negeren, Andy, ze weten niet beter,' fluisterde Kevin me bemoedigend toe. 'Kom op, het meisje wordt zo gekozen.'
Dat deed me opkijken. Ik dacht aan Lisa en bad dat haar naam niet gekozen zou worden. Hoewel ze me op fysiek vlak makkelijk kon overtreffen, maakte ze weinig kans te winnen.
'Jessica Westers!' zei Xandro zacht en dreigend. Het plein viel stil en de verwachte, smartelijke kreten bleven uit. Ik speurde de meisjesvakken af, maar zag nergens beweging.
Haar naam werd herhaald, maar nog verscheen de kersverse Tribuut niet. Dit was ongezien in het District en de menigte begon onrustig te worden.
'Haal die meid hierheen, en snel een beetje,' fluisterde Xandro Torment een van de Vredebewakers toe. Die drong zich door de menigte heen, op weg naar de inschrijvingstafel.
Op dat moment klom een graatmager, roodharig meisje het podium op. Ze wankelde op haar benen en hield een fles sterkedrank stevig tegen zich aangedrukt. Haar ogen waren troebel en haar mond omgeplooid tot een dronken glimlach.
'Ik ben Jessica,' zei ze vrolijk en ze omhelsde de Districtbegeleider. Die duwde haar walgend van zich af, waardoor het meisje haar evenwicht verloor en op de houten vloer viel. Ze leek zich daar geen zorgen om te maken, nam een slok van de fles en staarde versuft de menigte rond.
'Die beseft niet wat haar te wachten staat,' verwoordde Kevin ieders gedachten.
Xandro Torment keurde haar geen blik waardig en trok kordaat een briefje uit de jongensbol. Zijn fletse ogen vlogen over het papiertje alvorens ze uit te spreken. Ik had niet eens tijd me zorgen te maken. Het dronken meisje had alle aandacht getrokken en mijn eigen angst even doen verdwijnen. Nu keerde die echter in alle hevigheid weer.
'Andy Travis.'
'Een dronken meid en een slappe mus,' waren de eerste woorden die ik hoorde. 'Wat is het toch fijn om in District tien te wonen,' maakte Thom zijn zin af.
Mijn voeten begonnen aan de tocht naar het podium. Ik keek niet om of op, alleen mijn voeten leken van belang te zijn. Zij brachten me immers naar mijn bestemming.
Al die jaren was ik hier bang voor geweest. Al die jaren had ik me noodgedwongen toegelegd op de plantenkunde, wetende dat dat mijn enige overlevingskans zou betekenen. Al die jaren van voorbereiding. Maar niets had me op de angst voorbereid. De complete chaos die in mijn gedachten heerste. De pijn die mijn botten verlamde.
Niemand had me ooit verteld hoe beangstigend het was te sterven.
Jessica Westers (15) – District 10
Ze hadden me mijn fles afgepakt. Een van de witte mannen had ze uit mijn handen gerukt en me met een harde duw deze krappe kamer ingeduwd. Ik had me willen verdedigen, maar mijn handelingen waren loom en traag geweest.
Ik wist niet meer precies hoe ik op het podium was geklommen. Iemand had mijn naam geroepen en dus was ik gekomen. Ik wist wel dat het niet goed was. Ik moest naar de Hongerspelen.
Mijn broertje was er altijd bang voor geweest, maar Daan wilde me niet meer kennen, dus waarom zou ik dan nog bang zijn? Straks mocht ik naar het Capitool en daar hadden ze vast heerlijke wijnen. Mijn vader kon me daar niet meer aan mijn bed vastbinden.
Ik streek met mijn tong over mijn gebarsten lippen en slikte. Ik had dorst.
Met een luide klap vloog de deur open en werd ik bij mijn schouders gepakt. Geschrokken wankelde ik achteruit.
'Luister, Jessi! Hoor je me?' Ruwe handen op mijn schouders.
Ik keek recht in de ogen van mijn broer. 'Jaja, ik hoor je. Niet schreeuwen.'
Daan schudde me opnieuw door elkaar. 'Je gaat naar de Hongerspelen.'
'Weet ik,' zei ik en ik kon een giechel niet geheel onderdrukken.
Opnieuw dat geschud. Ik vloekte en probeerde me los te trekken uit zijn greep. Hij deed erg vervelend tegen me. Broers hoorden lief te zijn, toch? Dat zei mijn moeder altijd.
'Besef je dat wel, Jessi? De Hongerspelen!' Hij sprak erg traag en duidelijk, alsof ik een kleuter was die niet begreep dat één plus één twee was. Ik trok een pruillip en gaf hem een speels kneepje in zijn arm.
'Je gaat dood!' brulde hij woedend. 'Dood, begrijp je? Dood!'
Ik haalde mijn schouders op. 'Heb je geen aandenken voor me? Lekker drankje misschien?'
Mijn broer liet me ziedend van woede los en stampte de deur uit. Ik keek hem nijdig na en ging toen mokkend op de grond zitten. Het was niet eerlijk. Alle Tributen kregen een aandenken, waarom ik dan niet? Mijn moeder zou me er vast een gegeven hebben. Zij was altijd lief geweest.
Maar ze was dood. Ik begon onbedaarlijk te huilen en trilde van het hevige snikken. Het was niet eerlijk! Zij was dood en nu hadden ze mij mijn enige vriend afgenomen. Hoe kon ik overleven zonder zijn geruststellende vergetelheid? Mijn broer was gemeen en mijn vader nog gemener.
Dit was een gemene wereld vol gemene mensen.
'Misschien moet ik ook gemeen worden, mama,' zei ik zachtjes en ik sloeg mijn magere armen om mijn trillende lichaam. Ik wilde dat mijn moeder hier was om me te omhelzen.
De deur vloog opnieuw open en vol blije verwachting keek ik om. 'Mama?' vroeg ik schor.
'Je moeder is dood, meid, en jij binnenkort ook. Opstaan nu. Tijd om te vertrekken.'
'Naar het Capitool?' vroeg ik verward.
'Nee, naar het bos,' antwoordde de man sarcastisch en hij greep me bij mijn arm.
'Oh,' zei ik verbaasd. Ik liet me door hem meesleuren en vroeg me af waar hij mijn fles verstopt had.
'Moet je niet proberen,' zei hij bruusk, alsof hij mijn gedachten kon raden. Misschien kon hij dat ook wel. Sommige gemene mensen konden vast erg gemene dingen doen.
'Ik wil wat drinken,' pruilde ik.
'Binnenkort kan je drinken wat je wilt, maar eerst moet je de trein in.'
Ik volgde hem gedwee en dacht niet langer na. Mijn mama was dood en binnenkort ging ik ook dood, zei Daan. Dan zou ik haar eindelijk nog eens zien. Ik glimlachte opgewekt en veegde de laatste tranen uit mijn ogen.
Alles kwam goed.
Andy Travis (18) – Distrcit 10
Mijn zus' armen lagen nog steeds om me heen geslagen. Ik drukte haar stevig tegen me aan, al kon ik me niet herinneren dat ik haar ooit eerder omhelsd had. De nakende dood leek echter alle conventies van de baan geveegd te hebben.
Mijn moeder probeerde me zoals steeds op te beuren, maar niemand geloofde een woord van wat ze zei. Ik was niet sterk of snel, niet vaardig met wapens. Hoe kon ik dan overleven in een Arena vol moordzuchtige Tributen?
Uiteindelijk liet Lisa me los en werd ik in de armen van mijn moeder gesloten. Onze bruine ogen keken elkaar aan en ik besefte toen, op dat precieze ogenblik, dat ook zij niet geloofde in mijn kansen. Ze was hier om afscheid van me te nemen. Voorgoed.
'Vergeet nooit dat we van je houden, Andy,' zei ze zacht. Mijn vader knikte droevig en kneep pijnlijk hard in mijn schouder.
Toen mijn familie weg was, bleef ik verweesd achter. Een heel leven had ik met hen gedeeld, en toch leken ze al zo ver weg te zijn. Zij hadden een leven te leven, mij waren slechts luttele dagen gegund.
Kevin en Jordan wisten niet wat te zeggen. Ze omhelsden me, spraken bemoedigende, lege woorden en verdwenen met droefenis in hun ogen. Het was raar hen zo te zien, haast als vreemden.
Martha kwam glimlachend binnen. Ik keek haar verdrietig aan, maar ze keek me vermanend aan en gaf me een speelse klap tegen mijn schouder.
'Waarom zo droevig?' vroeg ze onschuldig.
Ik glimlachte zwakjes en gebaarde naar niets in het bijzonder.
'Ach, mijn jongen, je bent beter getraind dan om het even welke Tribuut.'
Ongelovig staarde ik haar aan. 'Dan moet het wel een heel zwakke selectie worden dit jaar.'
Mijn buurvrouw glimlachte nog breder en stak al tellend haar vingers in de lucht. 'Je kan voedsel vinden, je kan vergiffen mengen en je kan zelfs manden weven!'
Ik schudde mijn hoofd en trok haar even tegen me aan. 'Bedankt, Martha. Voor alles.'
'Je bent meer dan een banneling ooit verdient,' had ze als weerwoord, opeens serieus en emotioneel. 'In District elf had ik geen zoon, maar als ik er een had gehad, zou ik wensen dat jij het was.'
We omhelsden elkaar opnieuw en Martha streek door mijn bruine haren. Ze gaf me een klein, geweven armbandje. Ik bekeek het nauwkeurig en herkende minstens vijftien verschillende kruiden. Allen stonden ze erom bekend versterkend te werken.
'Dit is één van mijn heksenbandjes,' zei Martha knipogend. 'Het geeft de drager kracht.'
Ik keek er verbaasd naar en draaide het om en om in mijn handen. 'Ik dacht dat ze je alles hadden afgenomen toen ze je verboden je beroep te beoefenen.'
'Eentje heb ik er kunnen meesmokkelen op mijn vlucht. Ik wilde een aandenken aan thuis hebben.'
Ik probeerde haar het armbandje terug te geven, maar Martha weigerde halsstarrig.
'Neem jij het, jongen. Jij moet aan thuis blijven denken.'
'En jij dan?'
Martha glimlachte me liefdevol toe. 'Ik ben thuis en binnenkort jij ook.'
Met die woorden verliet ze me. Ik keek haar na en probeerde te geloven wat ze gezegd had. Was er werkelijk een kans voor mij?
Ik schoof het armbandje rond mijn pezige pols en sloot mijn ogen. 'Dit is ook mijn thuis,' zei ik zacht. 'Ik zal jullie missen.'
Dit was Boete 10 alweer. Zoals steeds zou ik het erg fijn vinden jullie mening over deze Boete te horen. :) Dus laat alsjeblieft een review achter! Ik blijf het maar herhalen, mijn excuses!
Dan bedank ik uiteraard Azmidiske87 en Lyannen voor hun Tributen! Bij Jessica was ik erg vrij en heb ik een eigen invulling gekozen. Misschien niet de meest populaire keuze, maar ik vind het interessant om een meisje als Jessica in de Spelen te hebben. Ik hoop jullie ook, natuurlijk. :)
De antwoorden op de vragen van vorige keer staan hieronder. Ik denk dat het wel handig is om af en toe wat dingen op te frissen, misschien. :)
Welke Tribuut/Tributen heeft/hebben reeds een moord op zijn/hun geweten?
Dit zijn er best veel:
- D1 Vixx (drie jongens die hem belet hadden te vrijwilligen)
- D2 Medea (een Vredebewaker)
- D2 Midas (een jeugdvriend)
- D3 Louis (een Vredebewaker en per ongeluk zijn eigen moeder)
- D4 Fenris (enkele dieven die hij mocht bestraffen)
- D7 Ylva (haar babybroertje)
- D9 Dice (de vader van Kika)
Zijn er Tributen bij wie er niemand aanwezig was tijdens het afscheid? Zo ja, wie? Ja, bij Medea.
Dan volgen nu de vragen voor deze week!
1) Waarom/wanneer is Jessica verslaafd geraakt aan alcohol?
2) Welke Tributen zullen hun ouders opnieuw zien in het Capitool?
De Puntentelling
Azmidiske87: 40
Jade Lammourgy: 40
LeviAntonius: 40
SirWalshingham: 34
MadeBy Mel: 32
Strawberrychickk: 31
Serenetie – Ishida: 30
Indontknow: 29
Livingtreetrunk: 20
MyWeirdWorld: 16
Tiger Outsider: 16
Lyannen: 14
Zacksteel: 14
silk tiger: 12
evalovespeeta: 10
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
mjg43: 4
boekenworm: 4
Tot bij Boete 11!
Marie :)
