Boete District 11
Selysa Gilton (16) – District 11
Ik krulde mijn vingers om het benen heft van het mes. Een druppeltje bloed welde op toen ik met mijn duim langs het snijvlak van het wapen streek. Het metaal was vlijmscherp, precies zoals het hoorde.
Ik verborg het wapen tussen de plooien van mijn wijde, zomerse rok en liep met vastberaden tred naar de gigantische villa. Onderweg speurde ik de omgeving af naar mogelijke passanten of bemoeizuchtige buren, maar de straat was verlaten. Zonder mezelf nog de tijd te geven nerveus te worden klopte ik aan en wachtte met een innemende glimlach op reactie.
Na minder dan een minuut werd de deur geopend. Ik vloekte inwendig toen ik de vrouw in de deuropening opmerkte. Eyvind had me niets over haar verteld en onnodige complicaties vermeed ik het liefst zo veel mogelijk.
'Ja?' zei de vrouw met een vragende frons op haar voorhoofd. Ze droeg een zilverkleurig mantelpakje en zwartleren laarsjes met hoge hakken. Haar bruingrijze haren waren kunstig opgestoken en haar gezicht was zorgvuldig opgemaakt.
'Ik ben Selysa,' zei ik vriendelijk en ik bood haar mijn uitgestoken hand aan. Ze keek me even argwanend aan, maar schudde me toen de hand.
'Mag ik even binnenkomen?' vroeg ik, nog steeds vriendelijk glimlachend.
'Waarom?' vroeg de vrouw.
Ik schonk haar een veelzeggende blik en knipoogde. 'Het praat beter binnenshuis. In deze wijk hebben zelfs de straatstenen oren.' En ik gebaarde vaag naar de naburige villa's.
'Goed dan,' mopperde de vrouw weinig overtuigd. Ze opende de deur en deed een stapje naar achteren zodat ik haar huis kon betreden. De hal was groot en hoog en in het midden van het koepelvormige plafond hing een grote luchter met kristallen lampjes. Ik wees er bewonderend naar.
'Erg mooi,' zei ik vleiend.
De vrouw knikte stijfjes en bleef me achterdochtig aanstaren. Ik schraapte mijn keel en maakte van de gelegenheid gebruik het huis verder in me op te nemen. Drie deuren leidden naar andere kamers.
'Is uw man er ook?' vroeg ik uiteindelijk op beminnelijke toon.
'Wat heeft Gerold hiermee te maken?' De vrouw streek afwezig door haar haren.
Ik haalde mijn schouders op en streek nonchalant een paar lokken van mijn dunne, blonde haren achter mijn oor. Zij besefte niet dat ik haar gedrag imiteerde, maar ik wist dat het zou helpen haar op haar gemak te stellen.
'Heeft u kinderen?' vroeg ik terloops en ik hoopte dat ze me zou vragen haar te volgen naar de zitkamer. De wanden van de hal bestonden uit glas, en het was altijd mogelijk dat een voorbijganger een nieuwsgierige blik naar binnen wierp.
'Kom je voor mijn zoon? Luwin is niet thuis.'
In stilte slaakte ik een opgeluchte zucht. Dat was tenminste al een zorg minder. Nu moest ik enkel nog de echtgenoot kunnen lokaliseren. Hij was tenslotte degene voor wie ik kwam.
'Ik kom voor u en uw man. Het betreft een uitnodiging van de burgemeester,' loog ik gladjes, en mijn leugen bereikte het effect waarop ik gehoopt had. De hazelnootkleurige ogen van de vrouw werden groot en er verscheen een lichte blos op haar wangen.
'De burgemeester, zeg je? Gerold is nog even boven in zijn werkkamer. Ik haal hem meteen.'
Maar de vrouw bereikte de trap nooit. Ik plaatste mijn voet voor haar been en liet haar struikelen. Ze sloeg een kort, geschrokken gilletje, maar zonder aarzelen sloeg ik mijn hand voor haar gestifte lippen en legde haar noodgedwongen het zwijgen op.
Met mijn knieën aan weerszijden van haar lichaam drukte ik haar tegen de koude tegelvloer aan. Ik haalde het geslepen mes tevoorschijn en trok haar hoofd met een ruk achterover. Haar ogen keken doodsbang naar me op.
'Het spijt me,' zei ik gemeend, en toen drukte ik de punt van het mes in het malse vlees van haar hals en sneed die open. Haar warme, pulserende bloed stroomde over mijn vingers en doorweekte haar mantelpakje. De arme vrouw schokte nog enkele tellen na, maar verdronk toen gorgelend in haar eigen bloed en bleef roerloos liggen. Ze zou nooit weten wat er gebeurd was.
Ik dwong mezelf naar haar te kijken en haar gezicht in me op te slaan. Gevoelens stroomden mijn hoofd en hart binnen, maar ik bande ze uit en balde mijn vuisten. Ik boog me voorover en sloot eerbiedig de opengesperde ogen van de dode vrouw.
Met een werktuigelijk gebaar stond ik op en stapte over het lijk heen. De woorden van de vrouw indachtig liep ik de eikenhouten trap op. Boven aangekomen zag ik dat er maar een kamerdeur gesloten was. Vastberaden sloop ik ernaar toe en gooide ze open.
De man die er zat te werken keek geschrokken op van zijn werk. Toen hij mij in de deuropening zag staan, trok hij wit weg. Zijn kleine, groene oogjes waren gericht op het bebloede mes in mijn eveneens bebloede handen.
'Wie ben je?' probeerde hij te zeggen, maar ik liep meteen op hem af en stak het mes recht in zijn hartstreek. Ik voelde de man verstijven en nodeloos naar adem happen. Zijn ogen puilden uit hun kassen terwijl hij ineen zakte op zijn bureaustoel en zijn potlood kletterend op de grond liet vallen.
'De burgemeester stuurt me,' mompelde ik zachtjes. Ik keek naar de stervende man en negeerde de storm aan emoties in mijn eigen lichaam. Toen Gerold met een laatste huivering het leven liet, sloot ik zijn grijskleurige ogen en verliet in stilte de werkkamer.
Ik dwong mezelf weer naar beneden te lopen en zocht me een weg naar de keuken. Ik waste het warme bloed van mijn handen en pletste wat water in mijn gezicht. Het koude water hielp me mijn kalmte te bewaren en spoelde alle bewijzen van mijn misdaad weg. Maar hun bloed zou altijd aan mijn handen kleven, of het nu zichtbaar was of niet.
Ik verdween door dezelfde deur als waardoor ik gekomen was. Alleen was er nu niemand meer om ze voor me te openen.
De straat was nog steeds verlaten. Ik liet het mes opnieuw tussen de plooien van mijn rok glijden en liep met vaste tred de dure wijk uit. Niemand keek me na of riep me iets toe. Niemand zou me zich herinneren.
Toen ik bij het einde van de straat aankwam, sloeg ik rechtsaf. Aan mijn linkerkant bevonden zich heel wat boomgaarden, maar daar sloeg ik geen acht op. Vandaag waren ze toch verlaten. Iedereen maakte zich immers klaar voor de alom gevreesde Boete.
Een verdwaalde straatkat miauwde luid en keek me met een smekende blik aan. Hij drentelde rond mijn benen en bedelde om voedsel en aandacht. Met een venijnige schop jaagde ik het beest weg en liep door, het centrum uit.
Uiteindelijk bereikte ik de afgesproken plaats. Het bankje werd afgeschermd door twee grote bomen en een hele rij vlierbessenstruiken. Ik nam plaats en wachtte af. Om de twee minuten wierp ik een ongeduldige blik op het kronkelende pad.
'Selysa,' bromde een lage mannenstem uiteindelijk. Eyvind nam plaats naast mij, niet te dichtbij, en keek me vragend aan.
'Hij had een vrouw en een zoon,' snauwde ik verwijtend.
'Allemaal dood?' vroeg hij schouderophalend.
'Alleen zijn vrouw. Hun zoon was niet thuis.'
Eyvind grinnikte. 'Er staat hem een leuke verrassing te wachten.'
Walgend stootte ik hem aan. 'Je bent een afschuwelijk mens,' zei ik hatelijk en gemeend.
De man grijnsde zijn tanden bloot en haalde een pakketje bankbiljetten uit de zak van zijn keurige vest. Hij overhandigde mij de biljetten en hield mijn hand even vast.
'Wel, ben je niet blij?'
Ik keek hem ongelovig aan en schudde mijn hoofd. 'Dat is te weinig. Ik wil een vergoeding voor die vrouw.'
Mijn bemiddelaar zuchtte diep en stopte me uiteindelijk nog vijf extra biljetten toe. 'Dat is van mijn eigen geld, moet je weten,' bromde hij slechtgehumeurd. 'De opdrachtgever wilde maar voor één dode betalen.'
Zonder acht te slaan op zijn geklets stond ik op en begon al in de richting van het centrum te lopen. Met het geld zou ik weer enkele weken kunnen overleven, maar daarna zou er opnieuw bloed moeten vloeien. De een zijn dood is de ander zijn brood, dacht ik cynisch.
'Ik laat je iets weten als ik een volgende opdracht voor je heb!' riep Eyvind me nog na, maar ik reageerde er niet meer op.
Ik had het geld nodig, hield ik mezelf voor. Ik had die walgelijke Eyvind en zijn connecties in de rijkere kringen nodig. Zijn connecties met mensen die hun vuile werk liever door iemand anders lieten opknappen.
Oliver Gardan (14) – District 11
Willow sloot haar ogen en legde haar handen onder haar hoofd. De wind deed haar kroezelige haren opwaaien en verstrooid veegde ze die uit haar ogen.
'Denk je dat het daarbuiten anders is?' vroeg ze zacht en ze rolde zich op haar zij om ons aan te kunnen kijken. 'Ik geloof van wel. Ik wil het geloven.' Ze trok haar fijne wenkbrauwen op en bekeek ons vragend.
Ik keek haar peinzend aan en haalde mijn schouders op. 'Weet ik niet,' zei ik twijfelend. 'Misschien wel.'
Lavender had echter genoeg van haar lastige vragen en stond abrupt op.
'Laten we iets doen!' riep hij vrolijk uit. 'Het is onze enige vrije dag!' En om zijn woorden kracht bij te zetten gebaarde hij naar de talloze appelbomen die om ons heen groeiden. Vandaag waren er geen plukkers aan het werk. De vruchten zouden nog even geduld moeten hebben.
Zelf stond ik ook op. 'Wat wil je gaan doen?' vroeg ik aan de jongen. Hij dacht even na en leek toen een idee te krijgen. De kuiltjes in zijn wangen werden groter door zijn enthousiaste glimlach.
'Waaraan denk je?' vroeg ik opgewonden, aangestoken door zijn goede humeur. Ik had zin om iets geks te doen op deze dag en nog even te kunnen lachen en plezier te maken alvorens naar de Boete te moeten vertrekken.
'Dat zie je zo wel!' antwoordde hij lachend en hij rende weg. Willow keek hem verontwaardigd na en ging rechtop zitten, maar ik was te ongeduldig om op haar te wachten en liep achter mijn vriend aan. Met zijn langere benen was hij echter veel sneller en algauw verloor ik hem uit het zicht.
Mopperend liep ik door de vele boomgaarden en doorkruiste de arme wijken waarin de plukkers en veldarbeiders woonden. Teleurgesteld speurde ik de omgeving af, maar toen Lavender niet terugkeerde, besloot ik naar huis te gaan en hem straks bij de Boete opnieuw te treffen.
Thuisgekomen liet ik me neerploffen op de krakkemikkige bank en schopte mijn afgetrapte gympen uit. Niet veel later hoorde ik een vrolijke kreet en kwamen Mala en Agara naar binnen gerend. Ze stormden op me af en omhelsden me giechelend.
'Kijk!' riep Agara dolenthousiast. 'Ik heb een nieuwe jurk! Een nieuwe uit de wínkel!' Ze toonde me trots haar nieuwe jurkje en paradeerde door de kamer. De jurk was op verschillende plaatsen versteld en opgelapt met nieuwe stukjes stof. Ik wist dat hij uit de tweedehandswinkel kwam, maar dat maakte niets uit. Agara was er zielsgelukkig mee.
'Wat mooi!' riep ik met een brede glimlach en ik woelde even door de warrige haren van mijn kleine zusje. Ze giechelde van de pret en kwam naast me zitten. Mala trok aan mijn hand en ik keek nu ook naar haar. Ook zij droeg een jurkje en het hare zag er minder versleten uit. Ik wist waarom. Mala zou vandaag voor de eerste keer moeten deelnemen aan de Boete en Agara was nog te jong.
'Mag ik straks wel naast jou lopen?' vroeg ik gemaakt hoffelijk aan Mala. 'Of wilt de prinses liever een knappe prins om haar te vergezellen?' Ik knipoogde en Mala grijnsde een pesterig lachje. Ik wist dat ze haar best deed niet aan de Boete te denken en net als ik de spanning weg te lachen.
'Meisjes!' klonk een schelle stem vanuit de keuken. 'Komen jullie even? Mala, ik moet je haren nog opsteken en ik wil dat jij je schoenen nog poetst, Agara!' Mijn moeder kwam de kamer binnen en wierp een geïrriteerde blik op haar twee jongste dochters. Toen ze mij zag verdween de irritatie uit haar ogen en maakte plaats voor kille beleefdheid.
'Oliver,' zei ze afgemeten. 'Ik wist niet dat je al thuis was.'
Ik knikte somber en sloeg mijn ogen neer. De vrolijke stemming van zonet was meteen verdwenen. Mala en Agara stonden plichtsgetrouw op en liepen naar onze moeder toe.
'Maak je klaar voor de Boete, Oliver,' zei mijn moeder kort en zonder me aan te kijken. Ze liep met de meisjes naar de hal en ik hoorde hen de houten trap beklimmen. Zuchtend stond ik op.
Ze kan er niets aan doen, hield ik mezelf voor. Ze kwetst je niet met opzet. Maar zoals steeds maakte dat weinig uit. Het begrijpen was nog iets heel anders dan het aanvaarden. Elke keer weer deed het pijn haar met die doodse blik in haar ogen naar me te zien kijken. Meer dan een beleefde glimlach zou ze me nooit schenken.
Ik liep naar mijn kamer en trok gedachteloos mijn kleren uit. Er kleefden grassprietjes en modderspetters aan. Opeens vroeg ik me af waar Willow naartoe was gegaan. Ik had geen aandacht meer aan haar besteed en was haar, net als Lavender, uit het oog verloren.
Het gordijn dat mijn minieme kamertje van de rest van het huis afsloot werd opzijgeschoven. Barlee kwam naar binnen sjokken en liet zich op het onderste bed van het stapelbed neerploffen.
'Drie uur lang,' gromde hij. 'Drie uur lang ben ik bezig geweest met die rotklus.'
Ik gaf hem een bemoedigend schouderklopje en plofte naast hem neer op het bed. 'Ik wist niet dat je vandaag ging werken,' zei ik vragend. 'Niemand werkt vandaag.'
Mijn oudere broer haalde zijn brede schouders op en lachte vermoeid. 'Die boom moest vandaag gekapt worden. Anders zou de ziekte zich in de hele boomgaard verspreiden en de hele oogst verpesten.'
Ik knikte begrijpend.
'Heb je Denya al gezien?' vroeg Barlee behoedzaam. 'Moeder zei dat ze naar huis zou komen voor de Boete, maar ik vind haar nergens.'
Onwillekeurig slaakte ik een opgeluchte zucht. Als Denya er nog niet was, betekende dat dat ik misschien voor een dag verlost zou zijn van haar venijnige woorden en moordende blikken.
'Ze draait wel bij,' mompelde Barlee bij het zien van mijn gezichtsuitdrukking.
Terneergeslagen schudde ik mijn hoofd. Denya haatte me al zolang ik me kon herinneren en daar zou niet zo gauw verandering in komen. Zelfs nu ik wist waarom ze een hekel aan me had, kon ik het niet opbrengen haar te vergeven. Haar hatelijke woorden hadden diepe krassen gemaakt in mijn ziel, en die waren niet zo makkelijk uit te wissen.
'Kom op,' zei Barlee en hij deed een poging me op te beuren. 'Laten we ons klaarmaken.' Hij stond op van het bed, graaide naar het bundeltje kleren dat onze moeder had klaargelegd en trok zijn bezwete werkkledij uit. Hij sponsde het zweet en vuil van zich af en wurmde zich in zijn Boetekledij.
Op mijn bed lag geen bundeltje kledij, maar dat had ik ook niet verwacht. Zo was het vorig jaar ook gegaan, en ook het jaar daarvoor was mijn bed leeg geweest.
'Hier,' zei Barlee met een norse blik, maar ik wist dat zijn boze toon niet tegen mij was gericht. Hij bood me een eenvoudige broek en een wit hemd aan en liep toen knarsentandend de kamer uit.
Ik keek hem na en trok de Boetekledij waar Barlee was uitgegroeid aan. Als ik de mouwen omplooide en de broekspijpen wat opstroopte, viel het niet eens op.
Zonder er nog bij na te denken liep ik naar de woonkamer. Uit de keuken kwamen boze stemmen.
Barlee en mijn moeder. Ze maakten ruzie om mij, zoals zo vaak. Ik zuchtte en dwong mezelf te blijven luisteren naar hun woorden. Ik wilde niets liever dan mijn handen over mijn oren leggen en naar buiten rennen, maar dat zou niets aan de situatie veranderen.
'… echt te veel gevraagd?' riep Barlee luid. 'Mala en Agara krijgen allebei een nieuwe jurk en Denya waarschijnlijk ook!' Er werd een stoel verschoven. Mijn handen trilden en ik drukte ze tegen mijn magere lichaam aan. Zoals zo vaak voelde ik een steek van dankbaarheid voor Barlee, die me steeds steunde en zich niet liet kennen in de onvermijdelijke discussies.
'Rustig, jongen. Je moeder doet haar best,' sprak een sussende stem. Mijn vader had zich blijkbaar in de ruzie gemengd en probeerde naar goede gewoonte de gemoederen te bedaren.
'Haar best?' vloog Barlee opnieuw uit. 'Ze doet haar best hem te negeren, ja!'
De voordeur vloog open en Denya betrad de woning. Ze keek me woedend aan en spitste toen haar oren.
'Laat me raden,' zei ze quasi aarzelend. 'Ze maken ruzie om... jou?'
Ik sloeg mijn donkerbruine ogen neer en probeerde haar opmerking te negeren. Het is niet haar schuld, zei ik steeds opnieuw. Maar mijn schuld was het toch ook niet? Je ouders kon je niet kiezen.
'Ratten zorgen voor overlast,' siste ze venijnig. 'Je kan ze het best vertrappelen. Krijs jij net zo erg als je soortgenoten als je wordt doodgetrapt?' Haar ogen spuwden vuur. 'Broertje?' voegde ze er hatelijk aan toe.
Langzaam ademhalend slaagde ik erin me niet te verliezen in mijn verdriet. Ik keek haar aan en wenste dat ze dood was. De gedachte schokte me, maar ik wist dat het waar was. Ik hoopte dat ze zou sterven. Mijn zusje, mijn persoonlijke kwelgeest, mijn nachtmerrie.
Selysa Gilton (16) – District 11
Het bloed zat onder mijn afgebeten vingernagels en was moeilijk te verwijderen. Ik hield ze minutenlang in een emmer lauw water gedompeld, maar er bleef een rood randje achter. Misschien was het wel beter zo, dan zou ik niet vergeten wie mijn brood en houtskool betaald had.
Ik stond op en liep naar de zitkamer. Mijn benen waren vermoeid van de lange wandeling, dus ik nam plaats op de bank en strekte me uit. Ik had nooit van lopen gehouden en zou dat ook nooit doen.
De ogen van de vermoorde vrouw spookten door mijn vermoeide gedachten. Ik wist dat ik haar niet had mogen aankijken, maar toch had ik het gedaan. Elke keer weer maakte ik dezelfde fout.
Ik vermande mezelf en stond op. Ik wist dat het nodig was geweest haar te vermoorden. Ik had het geld nodig en dit was nu eenmaal de beste manier om eraan te raken. In gedachten zag ik de afkeurende blik van mijn moeder en het woeste gezicht van mijn vader. Zij stierven misschien liever van de honger, maar ik niet.
'Je hoeft niet te stelen om aan eten te komen,' had mijn moeder geschokt gezegd nadat ik met een gestolen brood was thuisgekomen. Het was toen al twee dagen geleden geweest dat we iets gegeten hadden. Mijn maag had aan mijn ribben geplakt en mijn hoofd had van lood geleken. En toch keurden mijn ouders het af. 'Liever arm dan een dief,' hadden ze gezegd.
'Liever een levende dief dan een dode goedzak,' had ik geantwoord.
Soms vroeg ik me af waar mijn ouders nu waren en wat ze van mij zouden denken. Ik kon me niet goed meer herinneren hoe ze eruit zagen, en meestal vond ik dat niet eens erg. Ze waren te zwak geweest voor dit leven, maar ik niet. Ik zou er alles aan doen om overeind te blijven.
Ik liep naar de bescheiden slaapkamer en haalde mijn netste jurkje tevoorschijn. Ik wist dat de blauwe kleur mijn bleke huid nog witter deed lijken, maar het was de eerste jurk die ik zelf had kunnen kopen en die me er steevast aan herinnerde dat het de moeite waard was om door te gaan.
Ik trok hem over mijn hoofd en gooide mijn asblonde haren achteruit. Ik deed niet de moeite ze te vlechten of op te steken, maar kamde ze vluchtig door met mijn vingers. Ik had maar één paar hakken en besloot deze aan te trekken, want zelfs als ik ze droeg was ik vrij klein en zag ik er eerder kinderlijk uit.
Met een laatste blik op de kleine wandspiegel trok ik de deur achter me dicht, doorkruiste mijn gecombineerde leef – en eetruimte en verliet het kleine huis waar ik meer dan een jaar voor had moeten sparen. Het was eenvoudig en ietwat bouwvallig, maar heel wat beter dan de straat. Mijn ouders wilden dan misschien graag doodvriezen tijdens de wintervorst, ik bleef liever leven. Zij waren hun weg gegaan, ik de mijne.
Er waren veel mensen op straat. Iedereen begaf zich in de richting van het centrum en deed zijn best het onvermijdelijke uit te stellen door extra traag te wandelen. Ik kon een zucht van ergernis niet geheel onderdrukken. Wat komen ging, kwam toch, of je het nu wilde of niet.
Samen met de anderen bereikte ik het plein. Het hoge podium was nog leeg, maar weldra zouden de eregasten arriveren. Onbewust wierp ik een blik op het grote televisiescherm, maar dat was nog gewoon zwart.
Een jongen botste tegen mijn schouder op en ik verloor bijna mijn evenwicht. Soms kon ik wel vloeken om mijn tengere lichaamsbouw.
'Doorschuiven!' hoorde ik een barse stem bevelen. 'Kom op, doorlopen!'
De kinderen voor me kwamen in beweging en langzaamaan kwam de inschrijvingstafel in zicht. Uiteindelijk mocht ik mijn naam noemen en kon ik doorlopen naar de meisjesvakken.
Ongeduldig keek ik om me heen. De meeste gezichten kwamen me onbekend voor, want vrienden had ik hier niet. Alleen vijanden en mogelijke slachtoffers.
Eyvind had me een maand de tijd gegeven mezelf te bewijzen. Een maand om een moord te plegen en bij hem in dienst te treden. Het had me veel moeite gekost, maar na drie weken was het me toch gelukt. Het gegil van de vrouw had me nog maandenlang achtervolgd in mijn dromen, maar ook daar was ik gewend aan geraakt. Het maakte niets meer uit. Ik moest overleven.
'Welkom iedereen!' sprak de donkergetinte burgemeester ons toe. Ik keek hem aan en vroeg me af of hij al op de hoogte was gebracht door Eyvind. Wist hij dat zijn politieke vijand vermoord was? Wist hij dat ik zijn bloedgeld al in ontvangst had genomen? Hij kende waarschijnlijk niet eens mijn naam.
Hij las zonder veel adempauzes het Verdrag van het Verraad voor en gebaarde toen hoffelijk naar Lenaye Clorus, de Capitoolvrouw. Ze was vandaag volledig in het oranje gekleed. Haar gele haren waren bezaaid met diamanten en ze drukte, naar oude gewoonte, haar kleine, rooskleurige katje tegen zich aan.
'Hallo iedereen,' zei ze met haar ietwat dromerige stem. Het Capitoolaccent viel bij haar bijna niet op. Ze gebaarde vaag naar het grote televisiescherm en nodigde ons uit aandachtig naar de beelden te kijken. De film werd gestart en alle gesprekken vielen stiel.
Ik keek ook naar het scherm. Een man richtte zijn revolver op een weerloze vrouw en schoot haar tweemaal door het hoofd. Een huilende peuter klampte zich vast aan haar bebloede lijk. Een kind werd aan flarden geblazen toen een handgraat tot ontploffing werd gebracht.
Emoties bleven echter uit. Ik voelde geen angst of weerzin om de beelden, want ik kende de mensen niet. Het waren geesten uit het verleden. De ogen van de vermoorde vrouw waren daarentegen maar al te echt.
'Goed,' sprak Lenaye toen het scherm weer zwart kleurde. 'We beginnen met de jongens.' Ze liep naar de Boetebol en greep een papiertje tussen haar lange vingers. Het hele plein hield zijn adem in, zo leek het althans. Er waren geen jongens waar ik om gaf, dus de naam van de Tribuut deed me weinig.
'Oliver Gardan voor de veertienjarigen!' riep ze uit. Ieder hoofd draaide zich om naar het bewuste vak, maar geen enkele jongen bood zich aan. De stilte duurde voort en werd haast ondraaglijk. Uiteindelijk stapten twee Vredebewakers het vak van de zeventienjarigen in en trokken een grote jongeman naar voren.
'Barlee Gardan, he? Zeg op, waar is je broer!' zei één van de twee dreigend en hij klemde de arm van de jongen stevig vast.
'Ik weet het niet,' mompelde die trillerig. Zijn donkere ogen vlogen over het plein en leken verward, maar hij was wel erg naïef als hij dacht dat hij op die manier zijn broer kon beschermen.
'Meekomen,' snauwde de andere man, en ze trokken de jongen met zich mee.
'Goed,' ging Lenaye verder, alsof er niets gebeurd was. 'Dan kiezen we nu een Tribuut voor de meisjes.' Haar hand verdween in de Bol en ze ontvouwde het briefje.
De meisjes rondom mij grepen elkaars handen vast en slikten hoorbaar. Ik had niemand om me te troosten of beschermen. Zelfs mijn ouders hadden dat niet gekund en gewild. Ze lieten me liever aan mijn lot over dan hun leven in eigen handen te nemen.
Een nerveuze tinteling kroop over mijn armen en benen. Ik wilde niet gekozen worden. Niet nu ik eindelijk een dak boven mijn hoofd had en een toekomst had die er leefbaar uitzag. Niet nu.
'Selysa Gilton voor de zestienjarigen.'
Ik kwam niet meteen in beweging. De woorden drongen slechts langzaam tot me door. Ik wist dat ik naar voren moest lopen en het podium beklimmen. Ik wist het, maar het ook effectief doen leek moeilijker dan gedacht.
Waarom nu, dacht ik verbitterd. Net nu alles goed was. Nu ik eindelijk een toekomst had werd die ruw van me afgepakt. Ik was weer een bibberend kind, kauwend op een beschimmelde korst brood, bang voor wat me morgen te wachten stond.
Oliver Gardan (14) – District 11
Haar gezicht straalde kwaadaardig leedvermaak uit. Ik werd bang van de blik in haar ogen en probeerde haar niet aan te kijken.
'Ik moet je iets tonen,' zei ze zacht maar dreigend. Ik wist dat ik moest weigeren en haar negeren, maar ze trok me al met zich mee de voordeur door. We liepen in stilte naar de achtertuin en ik waagde het nu haar een snelle blik toe te werpen.
'Je bent toch niet bang?' vroeg ze liefjes. 'Ratten beginnen vreselijk hard te piepen als ze bang zijn.'
Ik schudde mijn hoofd en liep met haar mee naar het oude schuurtje. Ze opende de deur en ging me voor naar binnen.
'Wel?' vroeg ik. 'Wat wilde je tonen?' Ik keek zoekend om me heen.
'Dit,' siste Denya venijnig en ze gooide de deur met een klap achter zich dicht. Ik rende ernaar toe en beukte ertegenaan, maar Denya hield hem tegen en draaide de sleutel om in het slot.
Ik zat opgesloten. 'Denya!' riep ik angstig. 'De Boete begint zo!'
Mijn zus lachte vrolijk. 'Wat erg toch. Wat doen ze ook alweer met de kinderen die niet komen?' Ze laste een suggestieve pauze in en vervolgde toen: 'Ohja, ik weet het weer. Die executeren ze.'
Tranen welden op in mijn schijnbaar zwarte ogen. Ik had nooit echt beseft hoezeer ze me haatte, besefte ik nu. Ik had nooit geweten dat ze me koelbloedig zou laten vermoorden en zich er nog om zou verkneukelen ook.
'Alsjeblieft, Denya,' smeekte ik wanhopig. Ik wist niet eens zeker dat ze er nog was. Misschien was ze al met de anderen naar het plein vertrokken, hen ervan overtuigend dat ik al onderweg was.
'Smeek je nu, rat?' fluisterde ze. 'Mijn moeder heeft ook gesmeekt, maar dat heeft ook niet geholpen, he? Anders was jij er niet geweest!'
De onrechtvaardigheid van haar woorden trof me als een mokerslag. 'Ze is ook mijn moeder,' antwoordde ik bevend. Ik wist niet goed waarom ik dat zei, misschien gewoon om mezelf ervan te overtuigen dat het waar was.
'Moeder haat je,' siste ze hatelijk. 'Ze heeft er nog steeds spijt van dat ze je niet te vondeling heeft gelegd. Dat heeft ze me zelf verteld.'
Ik slikte, maar kon geen woorden uitbrengen. Zonder het te beseffen liet ik me op de grond zakken en sloeg mijn armen om mijn knieën heen.
'Ik moet maar eens gaan,' zei Denya luchtig. 'Geniet van je laatste uren.' En toen hoorde ik haar verwijderende voetstappen. Ze was weg en ze zou me niet komen bevrijden. Opeens dacht ik aan Willow en Lavender. Ze zouden nooit weten wat er met mij gebeurd was. Willows grote ogen zouden vol tranen stromen en ze zou naar de blauwe hemel staren.
'Ik weet dat je daar ergens bent,' zou ze zeggen. Lavender zou zijn hoofd schudden en heen en weer ijsberen. 'Er is iets gebeurd!' zou hij roepen. Ze zouden allebei om me treuren, op hun eigen manier.
Nieuwe tranen welden op in mijn ogen. Ik wilde hen nog niet verliezen. Niet omwille van Denya. Het was niet mijn schuld dat mijn vader een monster was. Het was niet mijn schuld dat mijn moeder me niet kon aankijken zonder de ogen te zien van de man die haar zo bruut verkracht had. Het was niet mijn schuld.
Energiek stond ik op. Ik beukte opnieuw tegen de deur, maar besefte dat dat niet zou werken. Het tuinhuisje bevatte geen ramen, dus zat er niets anders op dat het slot proberen forceren. Ik zocht de bedompte ruimte af en liet mijn ogen op een metalen staaf vallen.
Na tien minuten gaf ik het op. Mijn zwarte, krullerige haren kleefden bezweet tegen mijn voorhoofd aan en mijn handen brandden van de pijn en inspanning. Ik kon het niet. Als Barlee hier was geweest, zou het gelukt zijn. Maar ik was Barlee niet, sterk en dapper.
Gefrustreerd schopte ik tegen de muur aan. Het enige wat ik er aan overhield was een zere teen en een stofwolk die me de adem benam. Ik hoestte en ging vervolgens weer zitten. Het tuinhuisje deed me onbewust terugdenken aan de vele grappen die Lavender en ik samen hadden uitgehaald. We hadden dit steeds als ons basiskamp gebruikt, als ons veilig toevluchtsoord. Maar mijn veilige haven was veranderd in een gevangenis waaruit ik niet levend kon ontsnappen.
De minuten kropen maar langzaam voorbij. Ik tikte onrustig met mijn voet op de grond en probeerde niet te denken aan wat me te wachten stond. Zouden ze me meteen executeren? Of zou ik nog de kans krijgen Mala en Agara een laatste keer te omhelzen? Zou Barlee me proberen redden? En wat zou mijn moeder doen? Haar ogen neerslaan en in stilte juichen?
De deur werd geopend en haastig stond ik op. Zat ik hier al zolang?
'Oliver Gardan?' Een barse stem.
'Ja,' zei ik met een trillende ondertoon in mijn stem. Hadden ze me zo snel ontdekt? Het koude zweet liep over mijn rug en ik rilde onbedaarlijk. Zou mijn dood genadig zijn, of lang en wreed?
'Meekomen, jongen.'
Ik kwam de schuur uit en keek recht in de ogen van twee Vredebewakers. Tussen hen in stond Barlee, zijn ogen groot en geschrokken. Ik voelde hoe een ijskoude hand zich om mijn hart sloot. Barlee had me verraden. Hij wist dat Denya me had opgesloten en leidde mijn moordenaars nu naar mij cel. Ademhalen deed opeens erg veel pijn.
'Oliver, wat – ' begon Barlee. Hij wist het niet. Ik kon het zien in zijn ogen. Hij was nog steeds mijn broer.
'Je bent een Tribuut voor de Hongerspelen,' onderbrak de eerste Vredebewaker hem bot. 'Aangezien je verkoos je laf te verbergen in plaats van op te dagen – '
'Ik werd opgesloten!' viel ik hem in de rede. Zijn woorden drongen nog niet echt tot me door. Was ik de gekozen Tribuut? Zouden ze me in plaats van te executeren de Arena in gooien en laten afslachten door moorddadige monsters?
'Als je denkt dat we dat geloven, ben je nog dommer dan die broer van je,' gromde één van hen bars.
'Je mag kiezen, jongen. Ofwel ga je naar de Hongerspelen, ofwel schiet ik je hier ter plekke door je laffe kop.' Bij wijze van bewijs haalde hij zijn revolver tevoorschijn en liet die losjes in zijn hand liggen.
Ik had geen keuze. Als ik niet meeging, zou er nog iemand anders moeten sterven. Ik knikte hen toe.
'Ik ga naar de Spelen.'
De Vredebewakers wisselden een korte blik met elkaar en glimlachten toen fijntjes.
'Goed,' zei de grootste van het duo. 'Dat is dan geregeld.' Hij richtte zijn revolver op Barlee, haalde de trekker over en schoot. Ik had niet eens tijd om te schreeuwen.
Selysa Gilton (16) – District 11
Ik was eraan gewend alleen te zijn. Toch voelde ik me niet op mijn gemak in de luxueus ingerichte kamer waar ze me naartoe gebracht hadden. Hoewel de ruimte groot en hoog was, kreeg ik een benauwd gevoel, alsof ik tussen twee rotswanden geklemd zat en geen kant meer op kon.
Afwezig vroeg ik me af of Eyvind al wist dat ik naar de Spelen moest. Ik koesterde niet de illusie dat hij me zou missen, maar hij zou wel een van zijn werknemers verliezen. En dat zou hij wel erg vinden.
Ik ging zitten en sloot mijn muisgrijze ogen. De komende dagen speelden zich af voor mijn geestesoog en opeens stonden de ogen van de dode vrouw me weer bij. De Hongerspelen verwachtten dat je genadeloos anderen zou afslachten om te overleven.
Ik kon bijna lachen om de ironie van de situatie, want was dat niet precies wat ik de laatste jaren gedaan had? Doden om te overleven? Ik maakte mezelf graag wijs dat ik enkel mensen vermoordde die het verdiend hadden, maar natuurlijk wist ik dat dat niet waar was.
Zou het dan zoveel anders zijn om onschuldige kinderen te doden? Ik zuchtte diep en liet mijn hoofd in mijn handen rusten. Er zouden heel wat sterke Tributen in de Arena zijn. Zij zouden zich niet zo snel laten verrassen door een kinderlijk uitziend meisje met een mes in haar hand. Ze zouden snel en behendig zijn, gewapend met zwaarden en bloeddorst.
Ik huiverde onwillekeurig. Tegen hen was ik niet opgewassen. Ze zouden me net zo makkelijk doodslaan als een lastige vlieg die om hun hoofd zoemde. Binnenkort zou ik net zo dood zijn als al mijn voorgangsters.
Ik stond op toen ik voetstappen hoorde naderen. Ze kwamen me waarschijnlijk halen om te vertrekken. Ik raapte mijn laatste restje zelfvertrouwen en waardigheid bijeen en dwong mezelf met rechte rug en opgeheven hoofd mijn begeleiders op te wachten.
Ik wilde niet sterven. Ik maakte een kans, misschien wel een betere dan de meeste Tributen. En als ik diegenen die sterker dan me waren niet kon vermoorden, zou ik ze aan mijn kant moeten krijgen. Houd je vrienden dichtbij, hoorde ik Eyvind in gedachten mompelen, en je vijanden nog dichter.
Oliver Gardan (14) – District 11
Ze brachten me binnen via een achteringang. In de kamer stonden drie mensen te wachten. De meisjes huilden en klampten zich aan elkaar vast. Mijn vermeende vader keek me droevig aan. Mijn moeder was nergens te bekennen, maar voor deze ene keer was ik daar niet rouwig om.
De tranen stroomden nog steeds over mijn wangen. Barlee was dood. Mijn dappere, sterke, lieve broer was dood. En dat was mijn schuld. Als Denya me niet had opgesloten, zou hij nog geleefd hebben. In plaats daarvan lag zijn lichaam in het dorre gras achter ons huisje.
Mala klampte zich aan me vast en snikte het uit. 'Ik wil niet dat je doodgaat,' huilde ze. Ze zag er vreselijk klein en breekbaar uit. Agara staarde me met grote ogen aan, geluidloze rivieren van verdriet huilend.
Ik kon mezelf er niet toe aanzetten hen te troosten of loze beloftes te maken. Barlees lijk stond voor eeuwig op mijn netvlies gebrand en in gedachten lag het mijne ernaast. Zijn ogen waren van verbazing opengesperd, de mijne gevuld met smart.
Mijn vader trok zijn dochters van me los en sloot me in zijn armen. Het voelde niet zo vertrouwd aan als het zou moeten voelen. Sinds ik wist dat hij niet mijn echte vader was voelden zijn armen killer aan. Onzin natuurlijk.
'Doe je best, Oliver,' zei hij eenvoudigweg en hij woelde door mijn haren. precies op dezelfde manier als waarop ik door Mala's of Agara's haren zou woelen. Ik wilde zeggen dat Barlee dood was. Ik wilde me huilend aan hem vastklampen en hem smeken me te beschermen. Maar ik deed niets van dat alles.
Het enige wat ik nog kon uitbrengen was: 'Willow en Lavender?' Maar mijn vader schudde zijn hoofd. Zij mochten niet komen.
Ze vertrokken, op weg naar huis en hun dode broer en zoon.
'Graaf maar twee graven,' wilde ik zeggen, maar het was te laat. En dat was misschien maar beter ook.
Zo, dit was alweer de voorlaatste Boete! Het einde is nu echt in zicht, he? Reviews zijn, zoals steeds, zeer welkom! Ook als je vragen hebt of gewoon heel kort iets over het hoofdstuk wilt zeggen, kan dat allemaal in een review! :)
Hierbij bedank ik Strawberrychickk voor haar Tribuut! (De andere was van mezelf) Hopelijk voldoet hij ongeveer aan de verwachtingen!
Hieronder volgen de antwoorden op de vragen van vorige keer:
Waarom/wanneer is Jessica verslaafd geraakt aan alcohol? Jessica raakte verslaafd aan alcohol naar aanleiding van de dood van haar moeder. Meer hierover volgt later!
Welke Tributen zullen hun ouders opnieuw zien in het Capitool?
Dit zijn er drie:
- D3 Philtre (Haar biologische vader)
- D5 Victa (Beide ouders zijn Winnaar)
- D9 Antla (Haar moeder is Mentor)
En dan hier de nieuwe vragen!
1) Hoeveel vrijwilligers zijn er bij deze Spelen? En wie zijn dit? (Uitgezonderd met D12)
2) Oliver heeft iets heel specifiek gemeen met een andere Tribuut. Wat? (Geen detail)
De Puntentelling
Azmidiske87: 43
LeviAntonius: 43
Jade Lammourgy: 40
SirWalshingham: 37
Strawberrychickk: 34
MadeBy Mel: 32
Serenetie – Ishida: 30
Indontknow: 29
Livingtreetrunk: 20
MyWeirdWorld: 16
Tiger Outsider: 16
Lyannen: 14
Zacksteel: 14
silk tiger: 12
evalovespeeta: 10
boekenworm: 9
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
mjg43: 4
En dan kan ik nu voor de laatste keer zeggen: tot bij de volgende Boete!
Marie :)
