Boete District 12
Beau Lores (14) – District 12
Ongeduldig trommelde ik met mijn vingers op het houten blad van de tafel. Het ritmische getik leidde me af van de monotone stem van de huisleraar, die al ruim een uur lang zijn best deed me de beginselen van de Franse taal bij te brengen. Dat deed hij zowat elke ochtend.
'Mademoiselle, la conjugaison du verbe avoir?' vroeg hij hoopvol, en ik dreunde plichtsgetrouw de vervoeging van het werkwoord op. Ik haatte de Franse lessen, maar mijn ouders vonden het nu eenmaal belangrijk. Frans was de taal van de elite, zeiden ze dan steevast. En dat betekende blijkbaar dat ik het moest leren.
'Hé P'tit,' galmde een bekende stem door de studeerkamer. Ik draaide me om en keek recht in de ogen van Sophie, mijn oudste zus. Ze kwam de kamer binnenstormen, negeerde Professor Duchamp volkomen en trok me aan mijn bruinrode haren overeind. Ik slaakte een gesmoorde kreet en stond toen snel op.
'Juffrouw Sophie, ik denk niet – ' begon Professor Duchamp op zorgelijke toon. Ik keek hem even nijdig aan, want tegen mij sprak hij consequent Frans. Blijkbaar kende die man toch nog andere talen.
'Ik denk niet dat u zich hier mee moet bemoeien,' onderbrak Sophie hem bot en zonder hem nog een blik waardig te gunnen draaide ze zich om en liep de kamer uit. Ik volgde haar op de voet.
'Sophie?' vroeg ik aarzelend. Ik had geen zin haar woede op te wekken, maar de onzekerheid was vele malen erger. Ze stoorde me nooit tijdens mijn lessen, in tegendeel. Ze zat zich altijd te verkneukelen omdat ik het vreselijk vond te moeten studeren terwijl zij luierde in haar kamer of op het zonnige terras.
'Wat?' snauwde ze misnoegd en ze ging me voor op de marmeren trap. Het hemelsblauwe tapijt kriebelde onder mijn blote voeten en deed me even glimlachen. Gelukkig keek Sophie de andere kant uit.
'Naar binnen!' commandeerde ze korzelig en ze gebaarde naar de openstaande deur van haar eigen kamer. Zenuwachtig betrad ik het ruime vertrek en keek bedenkelijk om me heen. Op het grote tweepersoonsbed zaten Arnaud en Christophe met gekruiste benen naast elkaar. Hun mosgroene ogen ontmoetten de mijne en leken weinig goeds te voorspellen.
Behoedzaam nam ik plaats op de zwartleren bank aan de linkerzijde van de kamer. Nu pas merkte ik op dat ook Marianne in de kamer was. Haar magere gestalte stond tegen een van de bedstijlen aangeleund. Ze wrong haar handen ineen. Ik slikte moeilijk en keek angstig op naar mijn oudste zus.
'Goed, nu we hier allemaal zijn – ' begon ze op bazige toon.
'Allemaal?' onderbrak ik haar. 'We zijn maar met zijn vijven.'
'Degenen die nog moeten deelnemen aan de Boete, sufferd,' snauwde Sophie me af. Ik keek haar wezenloos aan en begon langzaamaan echt bang te worden. Waar ging dit in hemelsnaam over?
'Maar jij neemt toch niet deel aan de Boete?' kon ik niet nalaten te vragen. Mijn nieuwsgierigheid leverde me een kwade blik en wat gesnuif op, maar verder werd er niet op gereageerd.
Sophie haalde een envelop uit haar tas en opende hem. Ze plooide het papier open, streek het glad en begon op zachte toon voor te lezen.
Geachte Burgemeester Lores,
Naar aanleiding van uw verwerpelijke daden en onaanvaardbaar gedrag ziet het Capitool zich verplicht in te grijpen en u als dusdanig opnieuw de weg naar het licht te wijzen. Het is uiteraard uw taak, als politiek leider van uw District, om steeds het goede voorbeeld te geven aan de burgers van Panem.
Zoals u ongetwijfeld weet vindt volgende week de jaarlijkse Boete plaats. Dit jaar zal een van uw kinderen gekozen worden en tot Tribuut worden benoemd. Dit als blijk van berouw en uw loyaliteit aan het Capitool. De Raad van Bestuur van de Hongerspelen en de regeringsleiders menen dat u over voldoende kinderen beschikt en er allicht wel één kan missen.
Uw zoon of dochter zal alle luxe van het Capitool genieten en een eerlijke kans krijgen.
Indien u weigert mee te werken en een kind aan te wijzen als Tribuut, is het Capitool genoodzaakt maatregelen te treffen. U weet ongetwijfeld wat er gebeurt met oproerzaaiers. We herinneren u er met graagte aan dat het Capitool al vaker onrust de kop heeft ingedrukt.
Vrolijke Hongerspelen gewenst, en mogen de kansen immer in uw voordeel zijn!
Hoogachtend,
President Snow en
De Raad van Bestuur van de Hongerspelen
Er viel een oorverdovende stilte nadat de laatste woorden haar lippen verlaten hadden.
'Welke verwerpelijke daden bedoelen ze?' piepte Marianne uiteindelijk. Ze stond nog steeds rechtop, maar leek gekrompen te zijn. Haar ogen waren groot van ontzetting en angst. Ze zag er precies uit zoals ik me voelde. Doodsbang en ongelovig.
'Dat doet er niet toe,' bromde Sophie kortaf. 'Het gaat erom dat – '
'Ik wil weten waarom één van ons gaat sterven!' riep Arnaud kwaad uit. Hij stond op van het bed en begon te ijsberen doorheen de kamer. Zijn gezicht was lijkbleek geworden.
Sophie werd kwaad, maar haar woorden drongen nog nauwelijks tot me door. Ik begreep er helemaal niets van. De Boete was een afschuwelijke gebeurtenis, maar ik wist dat ik weinig kans had gekozen te worden. Heel wat minder fortuinlijke kinderen leefden in armoede en moesten zich inschrijven voor de voedselbonnen. En nu? Nu was alles veranderd. Eén van ons zou naar het Capitool gaan om er te sterven. Ik sidderde en sloeg mijn armen om me heen. Het leek opeens erg koud in de kamer.
'Onze ouders weigeren een keuze te maken,' vervolgde Sophie uiteindelijk. 'Maar als ze geen van hun kinderen aanduiden zal het Capitool hen vernietigen. Ons allemaal.' De uitdrukking op haar knappe gezicht was ronduit angstaanjagend te noemen. Haar smalle lippen waren tot een enkele streep samengeknepen en haar ogen smeulden haast van woede.
'Waarom kiest het Capitool niet? Voor hen maakt het toch niets uit wie er gaat?' vroeg Christophe verslagen. 'Ze kunnen toch gewoon één van onze namen trekken.'
Marianne zuchtte verdrietig. 'Begrijp je het niet? Daar gaat het hen om. Hen maakt het niets uit, maar nu dwingen ze onze ouders te kiezen welk kind ze willen laten vermoorden. Dat is veel wreder dan het lot te laten beslissen.'
Geschokt besefte ik dat mijn zus gelijk had. Ik wist zeker dat mijn moeder en vader nooit zouden kunnen kiezen tussen hun eigen kinderen. Het zou hen breken, verscheuren en finaal verpletteren.
'Nou,' hervatte Sophie het gesprek. 'Aangezien zij niet kunnen kiezen, moeten wij het doen.' Haar ogen vonden haast meteen de mijne en ik kromp ineen. Ik kon voelen hoe de anderen haar blik volgden en die op mij vestigden. Ik wilde dat ik me onzichtbaar kon maken en stilletjes uit deze nachtmerrie kon verdwijnen. Dit liep helemaal fout. Ik hoorde de hele ochtend door te brengen met Professor Duchamp. Ik hoorde me te ergeren aan zijn priemende blik en verwachtingsvolle gezicht. Ik hoorde geïrriteerde blikken op de wandklok te werpen.
Maar ik hoorde niet te sterven.
Alex Johnson (14) – District 12
De lilakleurige gordijnen waren gesloten en hielden het warme zonlicht buiten. Ik moest altijd even wennen aan de duisternis in haar kamer. Met mijn felblauwe ogen knipperend zocht ik me een weg naar mijn vaste stoel. Mijn handen vonden de rugleuning en opgelucht nam ik plaats.
'Paul?' klonk het zwakjes. 'Paul, ben jij dat?'
Ik schraapte mijn keel en tastte met mijn hand naar de hare. Ik vond de rand van het bed en voelde hoe haar klamme vingers zich om de mijne sloten. Haar grip was koud en krachteloos.
'Ik ben het, Alex,' mompelde ik zachtjes en ik gaf haar een bemoedigend kneepje in haar hand.
'Wanneer komt de arts?' vroeg ze met trillende stem. 'Ik heb meer medicijnen nodig.'
Er kroop een onbehaaglijk gevoel mijn gedachten binnen. Ik wilde niet liegen tegen mijn moeder, maar wat kon ik anders doen? Ik kon haar niet vertellen dat de artsen geen medicijnen meer hadden. Ik kon haar niet vertellen dat de ziekte zich enkel in haar hoofd afspeelde. Leugens waren het enige wat haar op de been hield.
'Hij is hier geweest en heeft wat medicijnen achtergelaten,' antwoordde ik. Ik sloeg mijn ogen neer en hoopte dat ze niet door mijn masker heen zou kunnen kijken. 'Ik haal ze even.'
Zonder op een reactie te wachten stond ik op en liep de donkere kamer uit. In de keuken vulde ik een glas met koel, helder water en haalde een paar suikertabletten uit de pot in de lade.
'Alweer?' hoorde ik een verslagen stem fluisteren. Ik keek op en bemerkte mijn vader op een van de keukenstoelen. Hij keek naar de suikertabletten in mijn hand en schudde verdrietig zijn hoofd.
'Zo kan het niet meer, Alex,' fluisterde hij bedroefd. 'Het moet ophouden.'
Machteloos staarde ik hem aan. Zijn blauwe ogen die zo op de mijne leken werden omgeven door dieppaarse wallen. Zijn eens zo knappe gezicht was getekend door diepe groeven van verdriet en wanhoop. Ik slikte hoorbaar.
'Wat moet ik dan doen?' wist ik uit te brengen.
Paul Johnson schudde opnieuw zijn hoofd en wendde zijn blik af. Hij wist het niet. We wisten het allebei niet meer, dus deden we maar gewoon verder, hopend op een mirakel.
Met neergeslagen blik nam ik opnieuw plaats aan mijn moeders bed. Ik gaf haar het glas water en de vermeende medicijnen aan en wachtte totdat ze ze gulzig had ingenomen. Ze liet zich zuchtend achterover vallen en reikte me het lege glas aan.
'Dat is beter,' mompelde ze zacht. Ik schikte de dekens wat beter om haar heen en drukte het schuldgevoel zo goed als mogelijk weg. Het doel heiligde de middelen, ook als dat betekende dat ik moest liegen tegen mijn lieve, zwakke en doodsbange moeder. Ik haatte het.
'Zal ik de gordijnen even openen?' probeerde ik op luchtige toon. 'Een beetje zonlicht zal je goed doen.'
Mijn moeders hand verstijfde in de mijne. 'Niet doen, Alex! Ze zullen me vinden.' Ze rilde onder de berg dekens en sloot krampachtig haar ogen, als om de buitenwereld niet te hoeven zien.
Ik wist wie 'Ze' waren. Ik wist ook dat mijn moeders angst niet geheel ongegrond was. Zeker vandaag zou een verdwaalde camera wel eens een kijkje kunnen komen nemen in de Winnaarswijk. Hoewel het Capitool de hoop had opgegeven haar als Mentor in te zetten, bleef ze een Winnaar. Geheel in de anonimiteit verdwijnen was bijgevolg quasi onmogelijk.
De minuten kropen langzaam voorbij. Ik keek geregeld op mijn horloge om het uur te controleren en hoopte maar dat mijn moeder op tijd in slaap zou vallen. Als ik haar moest vertellen waar ik heen ging zou een paniekaanval niet te vermijden zijn.
Uiteindelijk besloot ik op te staan en te vertrekken. Ik had Harold beloofd nog even bij hem langs te komen en samen naar het plein te vertrekken. Hoewel ik vaak eenzaamheid boven het gezelschap van mensen verkoos, was de Boete een dag waarop ik niet alleen wilde zijn met mijn angsten.
Zo stil mogelijk sloop ik weg van het bed en opende de deur. De houten vloer kraakte oorverdovend luid toen ik de eerste stap in de hal zette.
'Alex?' Een angstige schreeuw. 'Alex, waar ben je?'
Ik kon een verslagen zucht niet onderdrukken en holde terug naar mijn moeders bed. Ze kalmeerde zienderogen toen ze me zag, maar de argwaan was van haar afgepeigerde gezicht af te lezen.
'Waar ga je heen?'
'Naar Harold,' antwoordde ik zo onschuldig mogelijk. 'We hebben afgesproken.' Het was geen leugen, niet echt. Mijn vader had me ooit verteld dat de beste leugens diegenen waren die gebaseerd waren op de waarheid. Ik wist dat hij gelijk had, maar waarom voelde het dan zo verkeerd om mijn moeder voor te liegen?
'Welke dag is het vandaag?' vroeg ze gealarmeerd. Mijn moeder was vroeger een erg scherpzinnige vrouw geweest en dat was ook haar voornaamste troef gebleken in de Arena. Hoewel er nog weinig restte van haar sterke persoonlijkheid, leek de intelligentie niet geheel uit haar verdwenen te zijn.
'Het is een mooie lentedag,' probeerde ik.
'Het is vandaag, he?' Haar stem was zacht, maar trilde niet. Vreemd genoeg leek ze behoorlijk beheerst en ik besloot haar de waarheid toe te vertrouwen.
'Ja,' sprak ik vlak. 'Vandaag is de Boete.'
Ik verwachtte dat ze zou gaan huilen of gillen. Dat deed ze meestal op de dag van de Boete. Dit jaar verraste ze me echter. Ze zakte terug in de lakens en sloeg haar vermagerde armen om zich heen.
'Ze gaan nooit weg, Alex. Onthoud dat goed. Het houdt nooit op. Nooit.'
Haar onheilspellende woorden zonden een koude rilling langs mijn ruggengraat. Het was lang geleden dat ze nog zo kalm en beheerst gesproken had, maar nu verlangde ik bijna weer naar haar huilerige smeekbedes. Alles was beter dan deze doodse kilte.
'Ik zie je straks,' wist ik nog uit te brengen, en toen liep ik haar kamer uit, de buitenwereld tegemoet.
Beau Lores (14) – District 12
Mijn wereld was de afgelopen minuten in een brandende puinhoop veranderd. Ik wilde niet doodgaan, niet nu, niet in de Hongerspelen, niet op die manier. Het was niet eerlijk, helemaal niet eerlijk zelfs. Sophie weigerde nog steeds te vertellen wat de reden van die afgrijselijke brief was. Ze vond het niet relevant.
Mijn angst en wanhoop maakten langzaamaan plaats voor woede. Ik stond op van de bank en liep vastberaden naar mijn zus toe. Ze torende hoog boven me uit, maar daar trok ik me niets van aan. Ik keek op naar haar strenge gezicht en weigerde met mijn groene ogen te knipperen.
'Ik denk,' begon ik met schorre stem,'dat je niet wilt vertellen waar die brief over ging, omdat je het zelf niet weet.'
Mijn woorden hadden meteen effect. Marianne snakte naar adem, verbijsterd over het feit dat ik Sophie had durven tegenspreken, en Christophe bromde een goedkeurend woordje. Ik kon er bijna om lachen. Alleen was de situatie daar veel te eng voor.
Sophie haalde uit met haar hand en raakte me vol op mijn linkerwang. Ik voelde de brandende pijn en wist zeker dat er een rode afdruk te zien was. Ik verbeet mijn tranen en onmacht en bleef roerloos staan, wachtend op een antwoord of een volgende klap.
'Kijk eens aan, P'tit, ik geloof dat je iets rood op je wang hebt zitten,' sneerde ze hatelijk. 'En om op je stupide vraag te antwoorden: ik zit al meer dan drie jaar in de Districtraad en weet alles wat er besproken wordt. Jij daarentegen bent een klein, verwend nietsnutje dat beter kan luisteren naar wat de volwassenen te zeggen hebben.' Ze bracht haar mond erg dicht bij mijn oor en fluisterde: 'Denk maar niet dat ik om je ga huilen als je straks dood bent.'
Ze duwde me ruw weg en ik viel met een harde bons op de vloer. De tranen verdringend sloeg ik mijn armen om mijn knieën heen en probeerde me af te sluiten voor de buitenwereld. Mijn moment van bravoure was kortstondig geweest en ik wist niet meer waar ik de moed vandaan had gehaald.
Wanhopige mensen doen vaak moedige dingen, had mijn vader me ooit verteld. Moedig, maar dom en ondoordacht. De waarheid van zijn woorden drong nu pas tot me door.
'Ik stel voor dat we stemmen,' nam Sophie als vanouds de leiding. 'Ik vind dat Beau moet gaan.'
Christophe snoof schamper. 'Ze is de jongste van ons allemaal!' Arnaud knikte bevestigend, maar Marianne zweeg veelzeggend.
'Beau is de sterkste,' zei Marianne zacht. 'Ze volgt al jarenlang zwemlessen.'
Geschrokken keek ik naar mijn stille zus. Ik was inderdaad sterker geworden door de zwemlessen, maar zij wist net als ik dat ik geen enkele kans op overleving had in de Arena. De meeste Tributen zouden ouder, groter en dapperder zijn. En toch zei ze het. Misschien deed ze het om Sophie tevreden te stellen, maar misschien wilde ook zij mij naar het Capitool sturen. Misschien had ze me al die jaren net zo erg veracht als onze oudste zus, maar had ik het nooit opgemerkt.
'Ik vind dat een van ons moet gaan,' verbrak Arnaud de drukkende stilte en hij wees op Christophe en zichzelf. Hoewel ze beiden ouder en groter waren dan ik was geen van hen een overlever. Deze stemming ging niet over het kiezen van een Tribuut. Het ging over het kiezen van een lijk.
'Laten we stemmen,' zei Sophie opnieuw. Ze gaf ieder van ons een klein stukje papier en reikte ons wat potloden aan. Ik keek haar verweesd aan. Bedoelde ze nu onmiddellijk? Moest ik binnen enkele seconden beslissen welke broer ik zou kunnen missen en welke niet?
'Ik stem ook mee,' zei ze terloops en ze vouwde haar papiertje samen. Ze had al een naam opgeschreven, en ik wist dat het de mijne was. 'We moeten met een oneven aantal zijn.'
Mijn hersenen begonnen overuren te draaien. Sophie had op mij gestemd en Marianne zou waarschijnlijk haar voorbeeld volgen. Ik wist niet wat de jongens zouden doen, maar dacht dat zij op elkaar zouden stemmen. Mijn enige kans bestond erin op één van hen te stemmen en op die manier een ex aequo uit te lokken.
Maar dan stuurde ik mijn eigen broer de dood in om mezelf te kunnen redden.
'Kom op! We hebben niet de hele dag,' spoorde Sophie ons aan. Marianne overhandigde haar het briefje en ook mijn broers waren klaar. Alleen ik had nog niet gekozen. Ik kon het niet en wilde het niet. Maar het moest. Ik wilde niet sterven.
Met toegeknepen ogen noteerde ik zijn naam op het papier, vouwde het dicht en gaf het aan Sophie. Nu was het te laat om terug te krabbelen. Iedereen leek dat te beseffen, want er viel een doodse stilte in het vertrek. Het enige geluid was het kloppen van mijn eigen hart en mijn gejaagde ademhaling. Ik wilde niet steven, niet door toedoen van mijn eigen familie.
'Een stem voor Christophe, één voor Arnaud en drie voor Beau,' telde Sophie luidop. 'Dat is dan duidelijk.' Ze kon een kleine grijns niet onderdrukken. 'Jullie moeten naar het plein vertrekken.'
Iedereen stond op, maar ik niet. Niemand keek me aan en ze schuifelden in stilte naar buiten. Ik kon Sophie vrolijk horen lachen in de hal.
Waarom hadden ze mij gekozen? Waarom werd ik zo gehaat door mijn eigen familieleden? Ik wist dat Sophie een hekel aan me had, al had ze zich nooit verwaardigd uit te leggen waarom. Maar de anderen hadden me steeds vriendelijk behandeld. Ze hadden plagerig gelachen toen ik mijn eerste woorden Frans met hen probeerde wisselden, Christophe had me vaak voorgelezen en Marianne hield ervan mijn bruinrode haren te vlechten of op te steken. En nu waren mijn broers en zussen veranderd in mijn moordenaars.
Voor het eerst sinds ik Sophies kamer was binnengekomen vroeg ik me af waar mijn ouders waren. Wat was hun rol in dit alles? Wisten ze dat ik gekozen zou worden?
De tranen begonnen over mijn wangen te lopen en ik hield ze niet tegen. Ik wist dat ik naar het plein zou moeten vertrekken, maar wat maakte het nog uit? Zelfs als ik hier bleef, in het huis dat ik ooit als mijn veilige haven had beschouwd, stond de dood op me te wachten. Ik kon geen kant meer op.
Alex Johnson (14) – District 12
Harold wachtte me op aan de ingang van de Winnaarswijk. Zoals steeds werd zijn gezicht gesierd door een ietwat sarcastische grijns.
'Alex! Ik dacht dat je de weg verloren was,' begroette hij me monter en hij klopte me op de schouder. Ik beantwoordde zijn glimlach en probeerde de gedachten aan mijn moeder van me af te zetten. Dat was echter lastiger dan ik zou willen. Tijdens mijn wandeling door de wijk waren de enkele mensen die ik passeerde in een grote boog om me heen gelopen. Ze zeiden het niet luidop, maar ik wist wat ze dachten.
'Dat is de jongen van die ziekelijke Donna, blijf maar bij hem uit de buurt,' zouden ze tegen hun kinderen fluisteren. Ik was eraan gewend geraakt door de meesten van hen genegeerd te worden.
Harold zette er stevig de pas in. Ik volgde hem de duurdere wijken door en voelde met elke stap die ik zette de nervositeit toenemen. In de verte kon ik het kabaal van de duizenden mensen al horen. 'Iedereen is weer in feeststemming,' merkte Harold sarcastisch op, maar vandaag kon ik zijn humor niet waarderen. Het enige wat ik wilde was naar huis rennen en mijn moeder vertellen dat alles in orde was en we weer een heel jaar veilig zouden zijn.
We bereikten het plein sneller dan ik zou willen. Harold loodste me mee naar de inschrijvingstafel en knikte af en toe naar een bekend gezicht. Ik sloeg mijn ogen echter neer en negeerde de enkele begroetingen die me werden toegeroepen. Vandaag kon ik de energie niet opbrengen daar op te reageren. De meesten waren er overigens wel aan gewend.
'Kom, ga jij maar eerst,' spoorde Harold me aan. 'Je hebt toch geen zin om een praatje te maken met onze klasgenoten.' Hij duwde me richting de Vredebewakers en gedwee wachtte ik mijn beurt af. Onbewust streek ik door mijn blonde haren om mijn trillende handen wat te doen te geven. Het hielp niet de zenuwen in bedwang te houden.
'De volgende?' Een kordate stem. 'Ja, jongen?'
'Alex Johnson,' dreunde ik op. 'Veertien jaar oud.'
De man bekeek zijn nota's, wierp me even een nieuwsgierige blik toe en vroeg wat aan zijn vrouwelijke collega rechts van hen. Ze fluisterde geïrriteerd iets in zijn oor.
'Hoe gaat het met je moeder?' vroeg de Vredebewaker toen gemaakt beleefd. 'Bewaakt ze nog steeds het huis?' Hij gniffelde.
Ik dwong mezelf hem te negeren en liep zonder om te kijken door. Toen Harold me luttele minuten later inhaalde en vroeg waarom ik niet gewacht had, haalde ik slechts mijn schouders op. Ik had geen zin het erover te hebben.
We namen plaats bij de andere jongens en wisselden een paar blikken uit. Hoewel Harold nog steeds zelfzeker oogde, wist ik dat ook hij bloednerveus was. Hij vreesde niet enkel voor zijn eigen leven, maar ook voor dat van zijn zusje en oudere broer.
'Moet je kijken,' mompelde hij zacht en hij wees naar het podium. Ik volgde zijn vinger en mijn ogen vonden al gauw wat hij bedoelde. De burgemeester, die er meestal erg rustig en minzaam uitzag, oogde nu bleek en doodmoe, alsof hij al nachtenlang niet fatsoenlijk had kunnen slapen. De Mentor moest hem ondersteunen toen hij de verhoging beklom.
'Goed...' probeerde hij de aandacht te trekken, maar zijn stem brak en stierf weg tussen het rumoer. Meerdere mensen leken nu te beseffen dat er iets niet klopte en stootten elkaar aan, wijzend naar de wankelende leider van hun District. Deze schraapte zijn keel, leek zichzelf enigszins te vermannen en nam opnieuw het woord: 'Geachte burgers van District twaalf, vandaag zijn we weer samengekomen voor de Boete. Deze moet ons eraan herinneren...'
De woorden klonken zo bekend, maar toch ook erg afstandelijk. Hij sprak ze uit, maar meende geen lettergreep van wat hij zei. De haat voor zijn meerderen was duidelijk te lezen in zijn omrande ogen. Ik kreeg het er koud van.
'Dank u, meneer de burgemeester!' galmde de luide stem van Linnie Arian over het plein. Ze trippelde naar voren en schudde hem goedmoedig de hand. Haar gepoederde gezicht werd haast doormidden gespleten door haar brede glimlach en haar tanden blikkerden in het felle ochtendlicht.
'Wat fijn om jullie weer te zien!' zong ze door de microfoon. Ze gebaarde heftig met haar fijne handen tijdens het spreken. Haar grote, groene ogen straalden van onschuld en enthousiasme en leken haar missie tegen te spreken. Hoe kon een Capitoolse vrouw onschuldig zijn? Aan haar gemanicuurde handen kleefde net zo veel bloed als aan die van President Snow. Ik besefte het, maar deed ze dat zelf ook? Waarschijnlijk niet.
'Ik heb deze nacht gedroomd over jullie,' vertrouwde ze ons fluisterend toe. 'Ik droomde dat we wonnen! Het kroontje van de Winnaar zal dit jaar op één van jullie hoofden worden geplaatst. Dat weet ik zeker!'
Haar enthousiasme was niet aanstekelijk. Haar gezicht straalde van blijdschap, het mijne was doodsbleek van angst. Ik wilde haast schreeuwen dat ze zich moest haasten in plaats van ons geheimen te vertellen. Ik wilde naar huis, naar mijn moeder en vader.
'Ik praat alweer te veel, he?' vroeg ze retorisch. Ze lachte om zichzelf, schonk het publiek een laatste glimlach en wandelde naar de meisjesbol. Haar fijne vingers graaiden in de hoop met briefjes en vonden er uiteindelijk eentje. Glimlachend haalde ze het tevoorschijn, vouwde het open en kneep haar zorgvuldig opgemaakte ogen samen.
'Beau Lores!' sprak ze met haar lieflijke stem. 'Ik geloof dat dat de dochter...'
Haar woorden verdwenen in het tumult dat ontstond. Er verscheen een veertienjarig meisje met roodbruine haren. Haar groene ogen glansden van de ingehouden tranen. De andere kinderen gingen voor haar aan de kant, maar ze betuigden haar niet het gebruikelijke respect. Sommigen lachten, klopten haar sarcastisch op de schouder of riepen haar zelfs venijnige woorden toe.
'Dat is de jongste van de burgemeester,' zei Harold stomverbaasd. Ik knikte afwezig en keek toe hoe Beau het podium naderde en stevig omhelsd werd door Linnie. Haar vader was nog bleker geworden en wankelde op zijn benen. Vader en dochter keken elkaar lange tijd aan, zwijgend.
'Oh, Beau, ik heb altijd al een vriendin willen hebben die de burgemeester kent!' riep Linnie opgewonden uit. 'Wij gaan elkaar goed helpen!' Ze kuste het doodsbange meisje op de wang en wandelde toen naar de andere kant van het podium.
Haar hand verdween in de glazen bol en mijn hartritme leek te verdubbelen. Ik wilde mijn oren afdekken en naar huis rennen. Bij mijn moeder gaan zitten en de gordijnen sluiten. Ik wilde niet horen welke naam er op dat noodlottige briefje stond. Ik wilde het niet. Echt niet.
'Alex Johnson!' Een naam. Twee woorden die mijn einde betekenden.
Ik had me vaak afgevraagd hoe mijn moeder zich gevoeld had toen haar naam gekozen werd. Ik had me vaak afgevraagd of ze gehuild had tijdens haar tocht naar het podium. Ik had me vaak afgevraagd of ze zichzelf een kleine kans op overleving gaf.
Maar dat alles deed er niet meer toe. Mijn moeders Spelen deden er niet meer toe. Het ging nu om mij. Mijn Spelen, mijn nachtmerrie, mijn nakende dood.
Beau Lores (14) – District 12
Ik wilde hen niet zien. Geen van hen. Niet mijn ouders met hun krokodillentranen, niet Marianne die me om vergeving zou smeken en zeker niet Sophie. Sophie die me de dood had ingejaagd en erom had moeten lachen.
En toch kwamen ze.
Mijn moeders rijzige gestalte verscheen als eerste in de deuropening. Haar bleke gezicht werd ontsierd door zoute tranen, maar ik kon haar niet troosten. Niet nadat iets wat zij gedaan had mij in deze situatie had gebracht. Niet nadat ze mij als Tribuut had laten kiezen.
'Beau, lieverd,' begon ze met trillende stem. 'Je moet weten dat ik – '
'Dat je wat?' onderbrak ik haar bot. 'Dat het je spijt? Laat ook maar.' Ik draaide me ruw weg van haar en liep zo ver mogelijk bij mijn familie vandaan. Allemaal waren het verraders. Hoe konden ze me nu aankijken met ogen vol tranen? Ze hadden er zelf voor gekozen me te verliezen.
Er werd lange tijd niets gezegd. De snikken van mijn moeder waren het enige geluid dat de stilte doorbrak. Ik wilde schreeuwen dat ze weg moesten gaan en me met rust moesten laten. Een ander deel van me wilde echter niets liever dan in huilen uitbarsten en de troostende armen van mijn moeder opzoeken.
'Het spijt me vreselijk, lieverd,' verbrak mijn vader de stilte. 'Mijn daden horen jou geen kwaad te doen. Maar ik wil dat je een ding goed onthoudt. Wil je dat voor me doen?'
Ik dwong mezelf me naar hem om te draaien en in zijn ogen te kijken. Kort knikte ik.
'Ik kan je niet uitleggen wat er precies aan de hand is, het zal je in gevaar brengen. Maar Beau,' zei hij zacht, en hij boog zich dicht naar me toe, zodat alleen ik het kon horen. 'Je bent de sterkste dochter die een vader zich kan wensen. Je bent diegene die zal buigen door de wind zonder te breken. Je kan dit. Je bent de enige die dit kan.'
Ik kon het niet opbrengen hem te antwoorden en wachtte zwijgend af. Uiteindelijk vertrok mijn familie in stilte. Mijn moeder huilde, mijn broers en zussen keken doods voor zich uit, mijn vader prevelde woorden die niemand kon horen. De deur sloeg achter hen dicht en ik sloot mijn ogen.
'Ik wilde nog even vaarwel zeggen.'
Verschrikt draaide ik me om. Sophie stond nog steeds in de kamer en keek me glimlachend aan.
'Je hebt het nooit begrepen, he?' zei ze kil.
'Wat?' vroeg ik automatisch.
'Je hebt nooit begrepen waarom ik je zo haat.'
Ik keek haar verbaasd aan. 'Nee.'
'Ik was altijd het lievelingetje van onze ouders. Hun oudste dochter. Ik was knap, slim, ambitieus en gedreven. Alles wat ze wilden. En toen werd jij geboren, een kleine, nutteloze huilebalk, en alles veranderde. Opeens was ik het kindermeisje in plaats van vaders rechterhand. Opeens was moeder alleen nog geïnteresseerd in jouw eerste stapjes en woordjes.'
Haar woorden klonken veraf en hol, als in een droom.
'Maar nu wordt alles weer beter,' voegde ze eraan toe. 'Alles wordt weer zoals vanouds.' Ze wandelde naar de deur en draaide zich nog een laatste keer om.
'Fijne Hongerspelen gewenst, zusje,' zei ze. 'En mogen de kansen immer in je voordeel zijn.'
Alex Johnson (14) – District 12
Het was vreemd om mijn moeder buitenshuis te zien. Ze droeg een warme mantel boven haar nachtkleed, al was het een zonnige dag.
Mijn vader ondersteunde haar, maar wankelde zelf op zijn benen. Hij had zijn vrouw verloren aan de Hongerspelen en zag nu mij vertrekken. Voor hem was het een dubbele klap.
Er waren geen woorden, en als die er wel waren, dan kende ik ze niet. Ik wilde mijn ouders omhelzen en hen nooit meer hoeven loslaten. Ik wilde mijn vader horen lachen en mijn moeders klamme hand weer vasthouden.
'Het houdt nooit op,' fluisterde mijn moeder. 'Onthoud dat, Alex. Het houdt nooit op.'
Haar woorden vergrootten het doffe gevoel in mijn maag nog meer.
'Vlucht als je denkt dat je moet vechten, en vecht als je denkt dat je moet vluchten. Loop naar het noorden als het zuiden je roept, en naar het oosten als je voeten je naar het westen brengen.'
Ik keek haar stomverbaasd aan. Mijn moeder leek zelf te schrikken van haar woorden en keek verward naar haar eigen handen. Ik vroeg me af of ze die vreemde raad ook had meegegeven aan haar Tributen toen ze nog een Mentor was. Geen van hen was ooit levend weergekeerd.
'Hoe bedoel je?' dwong ik mezelf te vragen.
'De Hongerspelen zijn het spel van het Capitool, Alex. Zij zijn de spelers, wij de pionnen. Doe niet wat ze verwachten, dan kun je hun spelregels misschien omzeilen.'
Mijn vader keek al even verbaasd naar zijn vrouw als ik. Het was tijden geleden dat ze nog zo helder had gesproken. Tijden geleden dat er iets zinnigs uit haar mond was gekomen. En net nu ik mijn moeder leek terug te krijgen, zou ik zelf verloren zijn.
Toen mijn moeder me omhelsde en de tranen uit mijn ogen veegde, voelde ik de broosheid van haar lichaam, maar in haar ogen was de levenskrachtige vlam opgeflakkerd. Mijn vader zei niets en keek me alleen maar aan.
Ze vertrokken in stilte en ik merkte haast niet hoe de deur opnieuw werd geopend en Harolc naar binnen kwam. Hij keek me aan en wist voor deze ene keer niet hoe hij de stilte kon doorbreken met een goedgeplaatste woordgrap.
We hadden nog steeds niets gezegd toen ze hem kwamen halen en ik alleen achterbleef. Ik besefte nauwelijks wat er aan het gebeuren was. Het enige wat me nog duidelijk voor de geest stond was mijn moeders krachtige blik.
Misschien was het verliezen van haar zoon datgene wat ze nodig had om het leven opnieuw tegemoet te treden. Misschien zou de woede en haat haar kracht geven. Misschien was het dit allemaal waard.
En hier is hij dan: de allerlaatste Boete! Ik kan echt amper geloven dat ik naar het Capitool kan! Na ongeveer een halfjaar besteed te hebben aan het schrijven van Boetes voelt het heel goed om dit te kunnen afronden! :) Ik heb de 12 hoofdstukken met plezier geschreven en ben best tevreden met het resultaat. Sommige Tributen zijn al wat beter gelukt dan anderen, maar ik meen oprecht dat ik elk van hen een grote bijdrage vind voor mijn verhaal!
Ik bedank nog Tiger Outsider en silk tiger voor hun Tributen en hoop dat jullie allebei tevreden zijn met de verhaallijnen die ik gekozen heb. :)
Omdat dit de laatste (!) Boete is wil ik ook nog wat dingen kwijt. :) Als eerste wil ik alle trouwe lezers en reviewers bedanken. Het klinkt cliché, maar zonder jullie reacties en aanmoedigingen zou het me heel wat meer moeite kosten dit verhaal te schrijven. Ik hoop dan ook dat jullie het blijven volgen en me laten weten wat jullie ervan vinden! (Ik merk ook dat het de laatste tijd weer wat rustiger wordt op FF... )
Als tweede bedank ik nogmaals alle inzenders van Tributen! Zonder jullie zou dit verhaal natuurlijk niet mogelijk zijn. Dus een extra bedankje voor: Serenetie-Ishida, evalovespeeta, Jade Lammourgy, LeviAntonius, Tiger outsider, MyWeirdWorld, greendiamond123, leakingpenholder, Zacksteel, Indontknow, Livingtreetrunk, SirWalsingham, MadeBy Mel, Azmidiske87, Lyannen, Strawberrychickk en silk tiger. Dank jullie wel!
Als derde zou ik jullie willen vragen even naar mijn profielpagina te gaan en daar in de poll aan te duiden wie jullie favorieten zijn. :) Je kan maximaal 5 Tributen selecteren, geslacht speelt geen rol. Ik zou willen vragen om niet meteen op je eigen Tribuut te stemmen. Dat mag natuurlijk, maar bekijk echt eens wiens verhaal/karakter je het meest geboeid heeft en van wie je meer zou willen lezen.
Als vierde zeg ik nog kort iets over de komende Capitoolhoofdstukken: De structuur ervan staat ongeveer al vast en ook de POV's zijn min of meer gekozen. Elk hoofdstuk zal 4 POV's bevatten en er zullen in totaal 8 hoofdstukken zijn. Een korte berekening zegt dan dat er 32 POV's zijn, wat betekent dat er 8 'te veel' zijn als elke Tribuut eenmaal aan bod komt. Die overige POV's zijn dan ook gegeven aan andere personages. Wie dit precies zijn en welke rol ze zullen spelen, wordt vanzelf duidelijk. :)
Dan volgen nu nog de antwoorden op de vragen van Boete 11!
Hoeveel vrijwilligers zijn er bij deze Spelen? En wie zijn dit?
Er zijn 7 vrijwilligers:
- D1 Vixx en Yiste
- D2 Midas en Medea
- D4 Fenris
- D5 Erom
- D6 Sakura (niet officieel)
Oliver heeft iets heel specifiek gemeen met een andere Tribuut. Wat? Oliver kent, net als Ylva uit District 7, zijn biologische vader niet.
En dan de vragen voor deze laatste (!) Boete:
1) De vader van Beau heeft dus iets fout gedaan en werd daarom gestraft (meer hierover later!) In een ander District is iets gelijkaardigs gebeurd en greep het Capitool ook in. In welk District gebeurde dit? (Deze vraag is nogal vaag waarschijnlijk, maar in het eerste Capitoolhoofdstuk komt meer duidelijkheid!)
2) Is/zijn er (een) District(en) waarin beide Tributen iets te maken hadden (dus zelf tewerkgesteld waren) met de specifieke bedrijfstak?
En dan nu:
De Puntentelling
Azmidiske87: 47
LeviAntonius: 43
Jade Lammourgy: 40
SirWalshingham: 39
Strawberrychickk: 37
MadeBy Mel: 32
Serenetie – Ishida: 30
Indontknow: 29
Livingtreetrunk: 20
MyWeirdWorld: 16
Tiger Outsider: 16
Lyannen: 16
Zacksteel: 14
boekenworm: 12
silk tiger: 12
evalovespeeta: 10
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
mjg43: 4
Zo, nu de Boetes allemaal geschreven zijn (!) kunnen we naar het Capitool! Ik kijk er alvast naar uit en hoop dat jullie het verhaal blijven volgen. :)
Tot over twee weken!
Marie :)
