Capitool 1: De Treinreis
Mentho Hill (16) – District 6
De tocht naar het station leek wel eindeloos te duren. Mimi Doros trippelde voor me uit op haar torenhoge hakken en wierp om de twee tellen een blik over haar schouder. Blijkbaar vreesde ze dat Camilla en ik zouden proberen vluchten.
Ik kende mijn medeTribuut niet. Ze keek verslagen naar de grond en had haar lippen stijf op elkaar geklemd, als om te voorkomen dat ze zou spreken. Onbewust vroeg ik me af wat ze dan probeerde te verzwijgen. Misschien deed ze wel gewoon haar best niet te gaan schreeuwen van wanhoop.
De cameraploeg slenterde achter ons aan en keek nogal verveeld naar de vervallen huizen van mijn thuisland. Blijkbaar voldeden die niet aan hun verwachtingen, of misschien juist wel.
'Even poseren, graag!' riep een man met indigokleurige haren en een gigantische bolhoed opeens. 'Samen, ja! Wat dichter bij elkaar gaan staan.'
Ik keek nogal verweesd achterom en besloot toen dat hij het wel degelijk tegen ons had. Camilla wierp me een ongemakkelijke blik toe en ik sloeg mijn ogen neer.
'Kom op, we hebben niet eeuwig de tijd!' spoorde de man ons ongeduldig aan.
Het meisje kwam naar me toe en draaide zich om naar de flitsende camera's. Ik volgde haar blik en probeerde de aandrang te onderdrukken mijn ogen dicht te knijpen tegen de felle lichtflitsen. Ik wist dat deze foto's gepubliceerd zouden worden. De Capitoolburgers zouden er verlekkerd naar staren en proberen inschatten of de Tributen uit District zes veel kans maakten dit jaar.
Toen we uiteindelijk het station bereikten deden mijn voeten pijn. Camilla strompelde voort op haar hakken en keek vol afkeer naar de schoenen van onze Begeleidster. Die leek echter niets in de gaten te hebben en kwebbelde vrolijk verder.
'Dit is de trein,' zei ze nogal overbodig, en ze wees naar de maagdelijk witte trein die voor ons stond. Ik had nog nooit iets soortgelijk gezien en probeerde de grootte van het gevaarte in te schatten.
Camilla keek er nogal chagrijnig naar en duwde toen de deur open. Ik volgde haar de trein in en vroeg me af wat er nu van ons verwacht werd. Onbewust trok er een rilling door me heen toen ik besefte dat deze trein vaker lijken dan Winnaars naar huis had gebracht de afgelopen jaren.
'Goed, ik stel voor dat jullie je even gaan opfrissen en dan kunnen we daarna samen lunchen?' stelde Mimi voor. Ze keek ons met een domme glimlach aan en wierp toen voor het eerst een blik op Ezra Amorian, de Mentor. Die staarde met een nietszeggende blik terug en haalde verveeld zijn schouders op. Blijkbaar kon het hem weinig schelen wat er met ons gebeurde.
Camilla wachtte niet langer op instructies en verdween door de meest linkse deur. Ik keek haar even na en vroeg me terneergeslagen af of ze de moed reeds had opgegeven.
'Mentho?' klonk het aarzelend.
'Ja?' antwoordde ik automatisch, al klonk mijn naam vreemd door haar Capitoolse accent.
'Jij hebt de kamer aan het einde van de gang. Je kan het niet missen.' Alweer die glimlach. Haar bloedeloze lippen deden me opnieuw vermoeden dat ze aan een vreemde ziekte leed.
Ik bedankte haar met een hoofdknikje en verdween toen door dezelfde deur als waardoor Camilla vertrokken was. De wanden van de trein waren bekleed met zachte stoffen en op de vloer lag een wollen tapijt. Het zag er allemaal erg comfortabel en luxueus uit, maar het werkte niet kalmerend voor mijn geest, in tegendeel.
Ik duwde de deur van de aangewezen kamer open en liep onmiddellijk door naar het ruime bed. Ik sloeg het dekbed open en nestelde me onder de warme lakens. Ik wilde mijn gezicht in het kussen drukken en schreeuwen, maar ik wist dat dat niets zou veranderen aan de situatie.
Meela had gezegd dat ik voor mezelf moest kiezen in de Arena. Meela had gezegd dat mijn leven belangrijker was dan dat van de anderen. Maar hoe kon ze dat zeggen? Wat gaf mij het recht mijn eigen belang boven dat van anderen te stellen? Een dergelijke daad van egoïsme verafschuwde me. Ik zou veel Tributen kunnen helpen. Ik zou levens kunnen redden in de Arena. Heel wat Tributen stierven aan de gevolgen van verwondingen. Ik wist zeker dat mijn medische kennis en kunde het verschil tussen leven en dood zouden kunnen bepalen.
Maar wie moest ik redden, en wie moest ik laten sterven? Mijn ouders zouden willen dat ik de hulpbehoevenden hielp, maar in de Arena was iedereen kwetsbaar. En wat moest ik met Meela's woorden? Ik kon haar niet zomaar in de steek laten. Ze verdiende een vriend die voor haar wilde vechten. Maar hoe kon ik vechten zonder mijn eigen principes te verloochenen?
Mijn gedachten raasden door mijn hoofd. Ik trok het lavendelkleurige laken over me heen en probeerde ergens anders aan te denken. Ik moest iets hebben om me af te leiden.
Uiteindelijk stond ik op en besloot naar de anderen te gaan. Ik deed geen moeite me op te frissen, zoals Mimi gesuggereerd had, en liep meteen door naar de gemeenschappelijke wagon. De deur ging automatisch voor me open en onthulde een luxueus ingerichte eet – en zitkamer. De stoelen en banken waren bedekt met het fijnste kalfsleer en de zilverkleurige kroonluchter blonk oogverblindend. Ik wendde mijn blik af en merkte toen pas op dat Mimi en Ezra al aanwezig waren. Ze keken elkaar venijnig aan en zaten elk aan een andere hoek van de mahoniehouten tafel.
'Kom, kom,' jubelde Mimi vrolijk. 'Neem plaats! Je hebt vast honger?' Ze gebaarde naar de stoel rechts van haar en schoof die uitnodigend achteruit. Aarzelend kwam ik in beweging en nam plaats.
Op de tafel stond een hoeveelheid schalen en borden die ik nooit eerder gezien had. Etenswaren in alle geuren en kleuren waren uitgestald en smeekten om mijn aandacht.
Ik stak mijn hand uit naar een grote schaal die beladen was met heerlijk geurende gebakjes en stopte er eentje in mijn mond. De smaak verspreidde zich door mijn keel. Het was heerlijker dan ik ooit geproefd had en gauw nam ik een tweede gebakje van de schaal.
'Houd je van sprookjes, Mentho?' vroeg de Mentor abrupt. Hij keek me met een priemende blik aan en liet de bloedrode wijn in zijn glas ronddraaien.
Verbaasd keek ik hem aan. 'Niet echt, eigenlijk,' mompelde ik verlegen, me haast verslikkend in het cakeje.
Ezra lachte een vreugdeloze glimlach. 'Ken je het verhaal van Hans en Grietje? De heks mest Hans vet en geeft hem elke dag een overvloed aan heerlijk eten. Als hij dik genoeg is, wil ze hem opeten. Gelukkig kan zijn zusje hem redden.'
Er viel een doodse stilte. 'Zeg eens, jongen, heb jij ook een moedige zuster?' voegde hij er fluisterend aan toe. Hij bracht het glas naar zijn lippen en klokte de inhoud in één keer naar binnen.
Mimi opende haar mond, maar wist blijkbaar niet wat ze wilde zeggen. Op dat moment ging de deur echter opnieuw open en kwam Camilla naar binnen. Ik zag dat ze haar schoenen had uitgedaan en haar gele jurkje had ingeruild voor een eenvoudige broek en dito shirt.
'Kom erbij, lieverd!' verbrak Mimi als eerste de stilte. Ze trok Camilla aan haar hand naar de tafel en duwde haar neer op een stoel. Het meisje keek naar de rijkelijk gedekte tafel, maar leek geen honger te hebben. Ze wendde haar gezicht af en sloot voor een moment haar ogen.
'Morgen komen we aan in het Capitool,' vertelde Mimi enthousiast. 'Ik weet zeker dat jullie het fantastisch zullen vinden! Maar eerst kijken we nog samen naar de Boetes, natuurlijk. Dan zien jullie meteen...' Haar hoge stem bleef maar doorpraten, maar ik kon mijn gedachten er niet bijhouden. Binnen enkele uren zou ik de jongens en meisjes te zien krijgen die samen met mij zouden vechten voor hun leven. Hoeveel van hen zou ik kunnen redden?
Ik wist niet hoelang we aan tafel zaten, maar op een bepaald moment kwamen er bedienden binnen die de schalen en borden weghaalden. Een van hen vulde Ezra's beker bij en leek heel even naar hem te knipogen. Niemand anders leek het op te merken, en ik vroeg me af of ik het me niet verbeeld had.
'En wat nu?' vroeg Camilla abrupt en nogal schor. Ze keek geen van ons aan en speelde met een geweven grasarmbandje rond haar pols.
'Hoe bedoel je, lieverd?' vroeg Mimi vriendelijk en ze boog zich moederlijk naar Camilla toe. Ze stak haar beringde hand uit om de hand van de ander te pakken, maar Camilla trok haar hand terug en plaatste die op haar been.
'Hoe moeten we het gaan aanpakken?' verduidelijkte ze zichzelf wat geërgerd. Ik zag de irritatie in haar groene ogen oplaaien en probeerde haar woordeloos tot voorzichtigheid te manen.
Mimi keek verwachtingsvol naar Ezra en glimlachte mysterieus. Ze leek even nieuwsgierig als Camilla en ik herinnerde me dat het pas haar eerste jaar als Begeleidster was.
'Het doet er niet echt toe hoe goed je kan vechten of overleven. Het is belangrijk dat de Sponsors je leuk vinden.' Hij keek Mimi indringend aan. 'Zij bepalen de Winnaar.'
Ik dacht eraan te zeggen dat ik veel over geneeskunde wist, maar dat leek Ezra niet eens belangrijk te vinden. Het Capitool moest me leuk vinden, maar dat zou moeilijk worden. Velen van hen zetten al hun geld in op gewelddadige Tributen. Mij zouden ze niet eens het bekijken waard vinden.
Overmand door twijfels en angsten stond ik op van de tafel en beende het vertrek uit. Ik hoorde de anderen me naroepen, maar besteedde er geen aandacht aan. Ik wilde nadenken. Ik wilde me verdiepen in een wetenschappelijk artikel om mijn hersenen wat nieuwe stof tot nadenken te geven. Alles was beter dan deze voortdurende stroom van destructieve gedachten.
Ik was dermate in gedachten verzonken dat ik hard op botste tegen een van de Capitoolbedienden. De jonge vrouw sloeg een vreemde kreet, en met een kletterend geluid belandde een dienblad vol kopjes op de grond. De hete thee verspreidde zich razendsnel over het tapijt.
'Het spijt me,' zei ik verschrikt. 'Laat me u helpen.' Ik wilde me bukken om de scherven op te rapen en zag toen dat het meisje haar pols tegen zich aandrukte. Meteen daarna zag ik de brandwonden. Zonder er bewust over na te denken trok ik haar mee naar mijn kamer, draaide de kraan van mijn wastafel open en hield haar verbrande pols onder de koude stroom water.
'Houd je hand hieronder,' instrueerde ik haar. 'Ik ga iets zoeken om je te verbinden.' Ze keek me alleen maar aan en bleef gedwee staan. Ik rommelde in de kasten naast de gigantische douche en vond uiteindelijk een kleine verbanddoos. Het bevatte minder dan ik zou willen, maar het moest volstaan. Ik haalde een gaasverband en een tube zalf tevoorschijn en liep terug naar de wastafel.
'Mag ik eens kijken?' vroeg ik haar. Ze stak haar arm naar me uit en wachtte geduldig af. De huid van haar pols was rood en op enkele plaatsen vertoonde die blaasjes.
'Het is niet zo erg,' stelde ik haar gerust. 'Ik ga wat zalf aanbrengen zodat het niet infecteert, en dan zal het snel genezen.' Het meisje knikte weer.
Ik smeerde de zalf voorzichtig uit en lette op haar gezichtsuitdrukking. Ze maakte geen enkel geluid.
'Hoe heet je?' vroeg ik beleefd, en ik bracht het gaasverband aan. Ik wikkelde er nog een ander verband omheen en maakte het stevig vast. Toen keek ik op, maar ze had nog steeds geen antwoord gegeven. Nu ik niet langer iets om handen had, werd ik opeens verlegen. Ik sloeg mijn ogen neer en friemelde aan de zoom van mijn shirt.
'Het spijt me,' murmelde ik. 'Ik wil je niet van je werk houden.'
Het meisje schudde haar hoofd, wees naar zichzelf, legde een vinger op haar lippen en schudde opnieuw haar hoofd.
Opeens kwam het besef. 'Oh, kan je niet praten?'
Ze knikte bevestigend.
'Het spijt me,' zei ik opnieuw.
Ze haalde haar schouders op en glimlachte flauwtjes, als om te zeggen dat het niet mijn fout was. Ik had wel eens gehoord van mensen die hun tong kwijtraakten en voor altijd voor het Capitool moesten werken. Ik vroeg me af wat ze misdaan had om zo'n lot te verdienen.
'Ik ben Mentho,' flapte ik eruit. 'Wil jij je naam misschien opschrijven?'
Het meisje glimlachte mysterieus en keek zoekend om zich heen. Ik liep naar het nachtkastje en nam de blocnote en pen op. Beleefd reikte ik ze haar aan.
Ze boog zich voorover en haar rode haren benamen me het zicht op het papier. Na enkele tellen hief ze haar hoofd op en draaide het blad naar me om. Lyneah, stond er in krullerige letters geschreven.
Lyneah wees opnieuw naar zichzelf en stak toen haar beide handen op, de vingers uitgespreid. Ze herhaalde de handeling, maar nu boog ze drie vingers naar beneden. Vragend keek ze me aan.
'Je bent zeventien?' gokte ik hoopvol. Ze knikte enthousiast en ik kreeg de indruk dat het al erg lang geleden was dat ze een gesprek had gevoerd.
'Ik ben zestien,' vertelde ik haar.
In de hal klonk een hoge gil en meteen daarna stootte de ring van Lyneah een hoge pieptoon uit. Ze staarde versuft naar de gang en ik begreep dat ze moest gaan. Nog even keek ze om en raakte het verband rond haar pols aan. In een snelle beweging sloeg ze haar slanke handen ineen en boog kort het hoofd.
'Graag gedaan,' zei ik, want ik wist dat ze me bedankte. Na een laatste glimlachje verdween ze door de deur en trok die achter zich dicht. Ik plofte neer op het bed en keek nog even naar de lege plek die ze had achtergelaten. Toen pas besefte ik dat ik tijdens het gesprek met Lyneah niet een keer aan de Hongerspelen had gedacht.
Nu ze weg was kwamen de angsten echter gauw genoeg terug.
Victa Condro (15) – District 5
Agmenos Sylre werkte op mijn zenuwen. Hij had recht tegenover mij plaatsgenomen en nam heel langzaam een krant – Het Laatste Uur – door. Zijn fletse ogen vlogen over de pagina's en bleven af en toe wat langer hangen bij een interessant artikel. Hij keek niet eens op toen ik met veel kabaal mijn glas kersensap op tafel zette.
'Victa, schatje, kijk uit wat je doet,' zei mijn moeder nerveus. Ze zat links van mij en staarde me onafgebroken aan. Haar ogen waren nog steeds vochtig, maar ze huilde niet.
'Waar is die jongen?' vroeg mijn vader bars. Hij had geprobeerd een gesprek aan te knopen met mijn Districtpartner, maar dat was op niets uitgelopen. Zijn teleurstelling was duidelijk merkbaar.
'In zijn kamer, denk ik,' antwoordde ik nonchalant. 'Daar zit hij al de hele tijd.'
De journalisten hadden hun geluk niet op gekund toen ze beseften wie er gekozen waren als Tributen. Als meisje kregen ze de dochter van twee Winnaars en als jongen een vrijwilliger. Het was veel beter dan waar ze ooit op hadden durven hopen.
Ik zuchtte vermoeid toen ik terugdacht aan de eindeloze stroom vragen en foto's. Erom was ervandoor gegaan en ik had alles alleen moeten oplossen. Even had ik genoten van de aandacht en hun interesse, maar al snel begon ik me te ergeren aan hun hersenloze gekakel.
'Wil je nog wat eten, schat?' vroeg mijn moeder en ze wilde alweer door mijn goudblonde haren strijken. Snel trok ik mijn hoofd weg en ging buiten haar bereik zitten. Ik wilde niet dat iemand zou zien hoe zij me behandelde. Ik was volwassen, en dat zou ze maar moeten aanvaarden.
Met een norse blik draaide ik me om en wenkte met een kort gebaar een van de zwijgende bedienden. Ik wachtte totdat ze bij mij was en vertelde haar wat ik wilde. Voor de zekerheid herhaalde ik het nog een tweede maal, want mijn eigen dienstmeid durfde wel eens iets te vergeten.
De vrouw knikte en rende weg om de citroenkoeken en meloensalade te halen. Ik keek haar even na en tokkelde ongeduldig met mijn lange vingers op het tafelblad. Het ritmische getik was het enige waarneembare geluid, want de Capitooltrein was nagenoeg geruisloos.
'Ga Erom halen,' bromde mijn vader tegen me. Ik trok mijn wenkbrauwen op en wilde weigeren, maar besefte toen dan mijn vader rechtstreeks tegen me gesproken had. Voor hem was dat een hele prestatie, dus ik besloot mijn protest in te slikken en stond op. Mijn moeder knikte glimlachend.
De hal was verlaten. Ik ging meteen naar de kamer van Erom en klopte kordaat op de deur. Er werd niet geantwoord. De irritatie negerend klopte ik nogmaals en wachtte af. Toen er ook deze keer geen antwoord kwam, duwde ik de deur open en betrad zijn kamer.
De jongen zat op het bed en klemde iets in zijn bevende handen. Ik onderdrukte een geërgerde zucht en kuchte nadrukkelijk om mijn aanwezigheid kenbaar te maken. Er kwam geen enkele reactie van zijn kant.
'We zouden het waarderen als je bij ons kwam zitten,' zei ik koeltjes. 'We moeten enkele dingen bespreken.'
Er verstreken enkele seconden. Ik liep naar het bed toe en gaf hem een stevige klap tegen zijn schouder. Hij reageerde onmiddellijk en draaide zich geschrokken om, alsof hij nu pas besefte dat ik er was.
'Dit heb ik gekregen van Gaille,' zei hij zacht en hij toonde me een klein schilderijtje van twee ogen. Ik wierp er een ongeïnteresseerde blik op en seinde met mijn hoofd naar de deur.
'Kom je dan? Mijn vader wil je spreken.'
Erom stond gauw op en liep gedwee achter me aan.
'Heet jij Victa?' vroeg hij vriendelijk en hij hield de deur naar de eetkamer beleefd voor me open. Ik knikte knorrig en ging aan tafel zitten. Mijn ouders keken op en begroetten Erom. Agmenos was nog steeds verdiept in zijn krant en negeerde ons volkomen. Vol wrok keek ik hem aan. Ik hoopte maar dat hij ontslagen zou zijn volgend jaar. Ik had geen zin om samen te werken met zo'n onbenullige sukkel als hij.
Erom ging op de enige overgebleven stoel zitten en keek verlegen voor zich uit.
'Wil je iets eten?' vroeg mijn moeder hem.
Hij knikte.
'Wat wil je?'
De jongen haalde zijn schouders op en maakte een nietszeggend geluid. Mijn moeder wenkte een van de bedienden en beval haar een lekkere maaltijd te bereiden. Ik nam ondertussen een hap van mijn eigen citroenkoek en genoot van de heerlijke smaak.
'Victa,' zei mijn moeder geluidloos en ze maakte een gebaar met haar hoofd. Vol ongeloof staarde ik haar aan, want ze wilde blijkbaar dat ik mijn lekkernijen ging delen met mijn bizarre partner.
Zonder hem aan te kijken gooide ik een citroenkoek op zijn bord en knabbelde rustig verder aan de mijne.
Er viel even een stilte.
'Lekker,' merkte Erom toen al kauwend op. 'Ik houd eigenlijk niet van munt, maar door de citroen en – gembersmaak is het geheel erg lekker.'
Geïrriteerd keek ik hem aan. Het waren gewoon citroenkoeken. Ik wist niet eens dat er munt en gember in zat. Wat deed het er ook toe?
Mijn vader schraapte zijn keel en nam een karig slokje van zijn exclusieve witte wijn. 'Goed, vertel eens welke kwaliteiten je hebt?' Hij staarde hem indringend aan.
Erom sloeg zijn rare ogen neer en weigerde mijn vader aan te kijken. 'Ik heb eigenlijk niet veel kwaliteiten,' biechtte hij toen verslagen op.
Met gefronste wenkbrauwen wisselde ik een blik met mijn moeder. Ik kreeg maar geen vat op zijn beweegredenen en gedachtengang. Waarom wilde hij vrijwilligen als hij niet eens goed kon vechten? Het sloeg nergens op.
'Maar je wilt toch winnen?' smeet mijn vader hem in het gezicht.
'Ja, ik wil Gaille terugzien,' fluisterde hij zacht en ik dacht terug aan de geschilderde ogen.
Mijn vader probeerde nog enkele minuten met Erom te praten, maar zijn pogingen leidden nergens toe. Mijn Districtpartner bleek een hersenloze en impulsieve idioot te zijn. Hij kon niets, maar wilde wel naar de Spelen. Meteen besloot ik hem van mijn lijstje met mogelijke bondgenoten te schappen. Hij was waardeloos.
Uiteindelijk stond hij weer op, excuseerde zich en verdween weer naar zijn kamer.
'Dat was verhelderend,' merkte ik sarcastisch op. Mijn vader schonk me een kille blik en mijn moeder trok nerveus met haar mondhoeken. Ze waren beiden allesbehalve blij, maar zij hadden geen reden tot klagen. Ik was degene die zat opgescheept met die idioot.
'Ik stel voor dat ik een andere Bondgenoot zoek,' verwoordde ik mijn eigen gedachten en ik stopte een volle lepel meloenmousse in mijn mond. De zoete smaak deed me haast glimlachen.
'Je sluit je aan bij de Beroeps,' zei mijn vader knorrig, maar hij keek me niet aan. Mijn moeder schonk hem een boze blik en wrong haar handen ineen. Het teken dat ze zich zorgen maakte om iets. Ik kon wel raden om wat.
Ze schraapte haar keel. 'Je mag je niet bij hen aansluiten, Victa. Ze zullen je gebruiken om de vuile werkjes op te knappen en je daarna als eerste vermoorden. Je bent te jong.' Haar stem trilde even.
Haar woorden maakten me boos. Wanneer zou ze eindelijk eens begrijpen dat ik niet langer haar kleine meisje was? Ze probeerde nog steeds om mijn hele leven te plannen en alle beslissingen te nemen. Ik was oud genoeg om mijn eigen keuzes te maken. Ik wist nog niet bij wie ik me zou aansluiten. Eerst wilde ik een idee krijgen van de andere Tributen en daarna zou ik beslissen. Als ik een degelijke score haalde zou ik vast wel enkele voorstellen krijgen.
'Schat, het is belangrijk dat je aardig doet tegen de andere kinderen,' begon mijn moeder, maar nu was ik echt kwaad. Boos schoof ik mijn stoel naar achteren en trapte die omver. Ik beende de kamer uit en negeerde de woorden die ze me toeriep. Het interesseerde me niet. Ik had er werkelijk genoeg van.
Met veel kabaal liep ik mijn eigen vertrekken binnen en smeet de deur achter me dicht. Soms zou ik willen dat mijn ouders niet bestonden. Mijn vader slaagde er maar niet in me te aanvaarden en mijn moeder verlangde hevig terug naar haar lieve, onschuldige meisje. Maar ik was niet wie zij wilden dat ik was, en dat zou ik ook nooit zijn.
Moe plofte ik neer op het opgemaakte bed en trok mijn lakschoentjes uit. Ze knelden een beetje en het voelde fijn om met mijn blote voeten op het wollen tapijt te lopen. Ik ging liggen en sloot mijn ogen.
Cilla wist me altijd op te beuren op zulke momenten, maar zij was er nu niet. Het enige wat ik nog van Trins zus had was de zilveren haarspeld. Ik voelde door mijn haren, maar vond mijn aandenken niet. Enkele minuten zocht ik mijn bed en de grond af, maar de speld was nergens te vinden. Geërgerd besefte ik dat hij waarschijnlijk uit mijn haren was gevallen tijdens de maaltijd. Ik sjokte mijn kamer uit en liep terug naar de andere wagon. De stemmen van mijn ouders kwamen me reeds in het gangpad tegemoet. Die van mijn moeder was hoog en geagiteerd, die van mijn vader laag en dreigend. Zo kende ik hen maar al te goed.
Mijn nieuwsgierigheid dwong me dichter naar de deur te lopen en mijn oor tegen het sleutelgat te duwen. De ruzies van mijn ouders waren vaak saai en dwaas, maar enkele keren was ik nuttige dingen te weten gekomen. Misschien was dat nu ook zo.
'… was zeventien en werd gevraagd!' zei mijn moeder trillerig. 'Dat is iets heel anders, Xam!'
'Denk je dat ze kan winnen zonder hulp? Zo goed is ze niet,' bromde mijn vader nijdig.
Mijn verontwaardigde kreet onderdrukkend boog ik me nog wat dichter naar de deur toe.
'Je wéét hoe ze zijn.' Opnieuw mijn moeder. Haar stem klonk zwak en broos. 'Ze zullen haar als slaaf gebruiken en haar dan genadeloos vermoorden. Mijn dochter, Xam!'
Er viel even een stilte. 'Ze is ook mijn dochter.' Ik kon een sarcastische lach niet geheel onderdrukken. Hoewel hij het met de nodige afkeer zei, was het de eerste keer dat mijn vader openlijk toegaf dat ik zijn dochter was. Het moest hem vast veel moeite hebben gekost om dat te zeggen.
'Bescherm haar dan,' smeekte mijn moeder zacht.
Xam Condro verhief zijn stem voor de eerste keer. 'Victa gaat niet winnen, Clara! Dat weten we allebei. Wat denk je dat het beste is? Ze sluit zich aan bij de Beroeps en sterft een mooie dood of ze probeert het in haar eentje en crepeert van de kou en honger. We hebben een reputatie! Denk je daar ooit eens aan? Ik wil niet worden bekeken als een derderangs Winnaar.' Er klonk een harde klap en ik veronderstelde dat mijn vader met zijn vuist op tafel had geslagen.
Ik had geen zin meer om te luisteren. Het zou me niets moeten doen. Eigenlijk zouden zijn woorden me niet eens moeten verbazen, maar toch schreeuwden ze in mijn hoofd om aandacht.
Hete tranen welden op in mijn ogen en woedend veegde ik ze weg. Ik gaf niets om mijn vader, dus wat maakte het uit? Wat deed het ertoe dat hij zijn reputatie belangrijker vond dat mijn leven?
Helemaal niets, toch?
Maar ik maakte mezelf wat wijs. Natuurlijk deed het ertoe. Hij was de reden dat ik begonnen was met trainen. Hij was degene die me voortdreef tijdens de urenlange oefeningen. Enkel de laatste jaren was ik er ook daadwerkelijk van gaan houden. Maar het was niet genoeg. Het was nooit genoeg voor hem.
Ik liep opnieuw mijn kamer binnen en keek in de vergulde spiegel. Mijn verdriet zette zich langzaamaan om in woede. De tranen droogden op en maakten plaats voor een kille blik.
Hij zei dat ik niet kon winnen en het in mijn eentje redden? Hij wilde zijn reputatie niet schaden? Wel, jammer dan. Ik zou hem in het niets laten verdwijnen en ervoor zorgen dat iedere Capitoolburger zijn naam vergat. Voortaan zouden ze enkel nog de mijne kennen.
Nicolas Surdon (43) – Burgemeester van District 7
Verweesd keek ik door het grote raam. De mensenmassa begon eindelijk uiteen te dijen en er ontstonden langzaamaan wat lege plekken op het centrale plein. Het rumoer verstilde en stierf niet veel later ook helemaal weg. De Boete was afgelopen en het walgelijke Capitool had zijn twee slachtoffers gekozen. Voor dit jaar waren ze tevreden.
De opluchting gierde nog steeds door mijn aderen toen ik dacht aan de mannelijke Tribuut van dit jaar. Jorge was een aardige jongen, en hij had mijn District heel wat geld opgeleverd door zijn uitmuntende kwaliteiten als bomenzoeker, maar dat deed er nu niet meer toe. Zolang Collin veilig was maakte het me allemaal niets meer uit.
De deur van mijn geïmproviseerde cel werd opengegooid en de twee Vredebewakers die me hadden opgesloten kwamen nors binnengesjokt.
'Je kan gaan,' bromde de grootste van het duo.
Ik weigerde de man aan te kijken en liep zonder een woord te zeggen de kamer uit. Ik hoorde de twee mannen mopperend over me praten, maar negeerde hun woorden. Op mijn beleefdheid hoefden ze niet te rekenen, laat staan op mijn respect.
Ik liep de hal door en gooide de deur naar de zitkamer open. Esmé liep op me af en stortte zich in mijn armen. Afwezig streelde ik haar bruingrijze haren en keek over haar hoofd de kamer rond. Collin zat op de bank en keek ontzet voor zich uit. Samen met mijn vrouw liep ik op hem af en ging naast hem zitten. Hij keek me verbijsterd aan.
'Hebben ze jullie met rust gelaten?' vroeg ik hem, en ik zorgde ervoor dat mijn gezicht duidelijk zichtbaar was. Collins ogen waren op mijn lippen gefixeerd en hij knikte bevestigend.
'Ze hebben Jorge meegenomen,' zei hij op zijn langzame manier. 'Ik dacht dat ze mij wilden.'
Esmé schonk hem een liefdevolle glimlach. 'We hebben geluk gehad.' Haar stem trilde een beetje bij de laatste lettergrepen. Ik sloeg mijn arm om haar tengere schouders en trok haar even tegen me aan. Mijn vrouw had heel wat moeten doorstaan de laatste tijd, en dat durfde ik soms wel eens te vergeten.
Opeens klonk er muziek. Esmé en ik draaiden ons hoofd naar het televisiescherm, maar Collin keek nietsvermoedend de andere kant op. Soms was het fijn om niets te moeten horen, dacht ik opnieuw.
Het embleem van Panem verscheen op het zwarte scherm en ik wist dat ze aan de herhaling van de Boetes wilden beginnen.
'Wil je kijken?' vroeg mijn vrouw zacht en ik knikte bedrukt. Ik moest weten wie ze hadden geroofd dit jaar. Kennis was macht en het was het enige wapen dat ik tegen mijn vijand had. Ik moest me goed voorbereiden en bewapenen.
'Ik kijk ook,' sprak Collin langzaam, en ik zag dat zijn groene ogen op het scherm waren gericht. Ik nam de afstandsbediening en drukte enkele toetsen in. Er verscheen een witte balk aan de onderkant van het scherm.
Het embleem van Panem verdween en maakte plaats voor het decor van de welbekende studio. In het midden van de ruimte stond een slanke, kwieke man met een grote grijns te zwaaien naar de kijkers. Zijn haren waren limoengroen gekleurd en pasten perfect bij de kleur van zijn knopen.
'Welkom iedereen!' zei Caesar Flickerman enthousiast, en zijn woorden verschenen in het witte tekstvlak. 'Welkom! Vrolijke Hongerspelen gewenst! Ik heb speciaal voor jullie,' en hij knipoogde schalks naar de camera, 'alle Boetes op een rijtje gezet. We willen toch weten wat voor vlees we in de kuip hebben dit jaar! Ja, toch?' Het Capitoolse publiek schreeuwde instemmend. Ik walgde om hun reacties. Hun geschreeuw om bloed en grenzeloze wreedheid. Ik begreep het niet, en dat zou ik ook nooit doen. Wat onze voorouders ook gedaan hadden, het Capitool was vastbesloten ons er eeuwig voor te laten betalen met het bloed van onze geliefde kinderen.
Er klonk een korte muziektoon en het plein van District een verscheen op het beeld. De sfeer daar was altijd heel anders dan in mijn eigen District. Er werd gelachen op het plein. Tranen waren nergens te zien, en als ze al kwamen was het van pure blijdschap of trots. Het was onvoorstelbaar.
Op het plein stonden twee jongeren. De jongen zag er moordlustig uit en balde arrogant zijn spieren. Het meisje lachte uitdagend naar de camera en knipoogde naar haar Mentor.
'Hoe kan Jorge nu winnen van zulke mensen?' vroeg Collin gesmoord. Hij staarde vol walging naar het scherm en wrong zijn handen ineen. Ik kon echter niet antwoorden op zijn vraag. Niet zonder te liegen. Ik wist heel goed dat Jorge ten dode was opgeschreven. De verantwoordelijk voor zijn dood zou ik altijd met me meedragen, hoe lang ik ook zou leven.
District twee verscheen in beeld en onthulde de volgende Tributen. De twee kandidaten stonden zo ver als mogelijk uit elkaar en leken in niets op elkaar. De jongeman stond met kaarsrechte rug voor zich uit te staren. Het meisje kon hem alleen maar hatelijk aankijken. Haar fletse ogen spuwden vuur en ik kon haast voelen hoe erg ze hem verachtte.
Ik verschoof wat op de bank en probeerde niet in de ogen van de jonge kinderen uit District drie te kijken. Hun namen ontgingen me, maar de tranen in de ogen van het jongetje bleven me bij. Hij was nog een kind. Hij hoorde te genieten van het leven. Hij hoorde niet te sterven voor het verziekte vermaak van de sadistische Capitoolburgers. Hij was hun bezit niet.
'Fenris Calder en Emmie-lyn Gotharte!' riep de commentator luid en de camera zoomde in op de laatste BeroepsTributen. Ik voelde een steek van medeleven om het meisje, dat niet gevrijwilligd had en het slachtoffer was van de financiële problemen in haar District.
Ik had geen zin meer om te kijken. De ogen van de slachtoffers van de voorbije jaren keken me nog iedere nacht aan. Hun geschreeuw vulde mijn dromen en deed me bezweet wakker schrikken. Esmé werd er niet eens meer wakker van. Ze was er aan gewend geraakt. Maar ik niet. Het wende nooit. Tijd heelt niet alle wonden, niet als die wonde elk jaar opnieuw wordt opengereten.
Ik stond op van de bank en beende de kamer uit, op zoek naar een beetje frisse lucht. Mijn voeten brachten me naar het balkon van mijn werkkamer. Ik leunde op de reling en overzag het plein en diens omliggende huizen en straten.
Mijn mensen. Mijn volk. Ik moest ze beschermen, maar hoe bescherm je iemand tegen een vijand die meer macht heeft dan jij? Hoe bescherm je jezelf?
Ik had het geprobeerd, en nu was een blinde jongen de Arena ingegooid. Wat had het uitgemaakt? Opnieuw waren er gezinnen verscheurd en tranen vergoten.
Ik liet mijn hoofd tegen de reling aanleunen en merkte nu pas op dat het zacht aan het regenen was. De kleine druppels verkoelden mijn versufte hoofd en gaven wat verlichting aan mijn sombere gedachten. Als de regen mijn zorgen even makkelijk kon wegwassen als mijn tranen, zou alles beter zijn.
Verantwoordelijkheid was een zware last om te dragen in Panem. Mijn ouders hadden gewild dat ik burgemeester werd, en dat was gebeurd. Ik was eenvoudig begonnen en opgeklommen tot de top. Maar wat had ik bereikt? Ik had net zoveel macht als enig ander. Of net zo weinig.
De deur naar het balkon schoof zachtjes open, maar ik keek niet om. Esmé's ogen zouden vol tranen staan. De kraaienpootjes om haar ogen waar ik zo van hield zouden nauwelijks te zien zijn door de bedrukte uitdrukking op haar moederlijke gezicht. Ik kon haar verdriet niet aan. Ik kon mijn eigen verdriet niet eens aan.
'Nicolas, ik weet dat je hoofd er nu niet naar staat, maar je moet even luisteren.' Haar stem klonk zacht als een zuchtje wind. Ik hoorde haar dichterbij komen. Ze legde haar warme hand op mijn schouder en leunde even tegen me aan. Ik rook haar vertrouwde geur en keek haar aan.
'Beau Lores is gekozen,' zei ze eenvoudigweg. Geen uitleg of inleiding. Alleen maar die woorden, maar ik wist meteen wat ze betekenden. Ik was niet de enige die had gefaald.
'Kan het toeval zijn?' dwong ik mezelf te vragen, maar natuurlijk kon dat niet. De jongste dochter van Eric was nog jong. De kans dat ze gekozen werd was miniem.
'Ik moet hem schrijven.'
Gedachteloos liep ik naar de tafel in mijn werkkamer. Ik schoof de comfortabele stoel achteruit en nam een velletje papier van de nette stapel.
Beste Eric,
Het is mij net ter ore gekomen dat Beau de Arena wordt ingestuurd. Ik kan amper bevatten hoe groot jullie verdriet en angst moet zijn. Het is een ware verschrikking je kind te zien lijden. Dat wens ik niemand toe, zelfs niet onze gemeenschappelijke vijand.
Het spijt me je hiermee te moeten lastigvallen, maar er zijn enkele zaken waarover ik duidelijkheid nodig heb. Voor jou en je familie geldt ongetwijfeld hetzelfde.
Moet ik uit de betreurenswaardige gebeurtenissen afleiden dat het laatste plan niet geslaagd is? De poging tot communicatie met de anderen was sowieso een hachelijke onderneming. Doch had ik gehoopt iets te kunnen verwezenlijken. Is de actie nu reeds afgeblazen?
Ook voel ik mij genoodzaakt je op de hoogte te brengen van enkele recente ontwikkelingen in mijn eigen District. Op een mij onbekende manier is het Capitool te weten gekomen dat mijn zoon contact had gelegd met een Strijder. Hun wraak bestond erin hem en zijn lotgenoten te verplichten deel te nemen aan de Boete. Alle andere namen werden niet gebruikt dit jaar. Nu weet ik welke angst alle ouders moeten doorstaan op deze vreselijke dag.
Mijn oprecht medeleven.
Nicolas Surdon
Yiste Fawn (17) – District 1
Ik besteedde nauwelijks aandacht aan het schriele wicht op het podium. De namen van de Tributen van District vijf werden afgeroepen, maar ik vergat ze meteen. Ik hoorde Vixx een geërgerde zucht slaken en iets mompelen over 'boven zijn stand leven'. Maar zijn woorden interesseerden me niet. Al die onnozele Tributen konden me gestolen worden. Ik had enkel oog voor Fintan Ganger, mijn Mentor. Hij was ontzettend knap en keek steeds geïnteresseerd mijn kant uit. Zijn groene ogen gleden taxerend over mijn lichaam waarna zijn mondhoeken zich om krulden tot een miniem lachje. Ik had Scott ook op die manier naar me zien kijken, maar hij stelde niets meer voor. Fintan was een Winnaar en hij zou van mij zijn Winnares maken. Dat wist ik gewoon. Ik zag het in zijn ogen. Hij geloofde in me, wij zouden samen groots worden. De hele wereld zou van ons houden en ons toejuichen.
'Moet je kijken, dat kind lijkt wel een grote moddervlek,' mompelde Fintan vol afschuw en hij staarde naar de televisiebeelden van District zeven. Ik wierp een snelle blik op het grote scherm en kneep vol minachting mijn zorgvuldig opgemaakte ogen dicht. Het meisje was klein en extreem vuil, de jongen gigantisch en blijkbaar niet al te snugger. Hij staarde dom voor zich uit. Zijn ogen waren heel anders dan die van Fintan. Die keken me intens en een tikkeltje ondeugend aan. Ik hield van zijn blik.
Ik sloeg mijn linkerbeen over mijn rechter en was me er van bewust dat de zwarte stof van mijn jurkje daardoor naar boven kroop en een groot deel van mijn bovenbeen ontblootte. Ik schoof wat dichter naar Fintan toe en liet mijn hand quasi toevallig langs zijn been glijden. Hij keek me niet aan, maar ik hoorde hoe hij zijn adem even inhield en huiverde onwillekeurig.
'Wil iemand nog wat eten of drinken?' vroeg Roxina Krynn en ze keek ons verwachtingsvol aan. Vixx negeerde haar als vanouds en hield zijn ogen nog steeds op de Boetebeelden gericht. Ik zag afwezig dat de twee Tributen van District acht er beiden verweesd en angstig bijstonden.
Fintan zei dat hij nog wat wilde eten en ik bestelde meteen hetzelfde. De bediende snelde weg om twee glazen rode wijn en een schaal olijven en gedroogde vruchten te halen. Sneller dan ik zou willen boog de man zich voorover en plaatste de schaal en glazen op een klein bijzettafeltje naast de bank. De geur ervan was heerlijk.
Fintan stopte een stukje gedroogde en gesuikerde appel in zijn mond en kauwde er langzaam op. Mijn eigen hand was halverwege de weg naar mijn mond bevroren. Ik kon alleen maar staren naar Fintans bewegende lippen en me levendig inbeelden hoe het zou voelen als die zich in een harde kus op de mijne drukten.
Ik deed alsof ik me bukte om een nieuw schijfje gekarameliseerde ananas te pakken en maakte van de gelegenheid gebruik om nog wat dichter naar hem toe te schuiven. Onze benen raakten elkaar haast aan. Ik kreeg kippenvel op mijn armen.
Fintan was anders dan Scott. Hij was anders dan alle mannen die ik ooit gekend had. In zijn ogen las ik begeerte, maar ook iets wat dieper ging, iets wat me deed rillen als hij me toevallig aanraakte. Hij zag me zoals ik echt was. Hij zag de kracht die in me school en wilde me helpen.
'Oh, moet je haar zien! Dat is de dochter van een Winnaar,' verstoorde Roxina brutaal mijn heerlijke dagdroom. Vol rancune staarde ik haar aan en keek toen ongeïnteresseerd naar het grote scherm. De Tributen van District negen verdwenen net van het scherm en maakten plaats voor de volgenden. Het meisje uit tien wankelde op haar benen en zag er gedrogeerd uit. De jongen was allicht een van de oudsten, maar zag er desalniettemin erg bang en weerloos uit.
Ik nam een slokje van de bloedrode wijn en liet de fruitige vloeistof ronddraaien in mijn mond. De drank verwarmde mijn lichaam. Ik nam een snelle tweede slok en liet mijn hoofd achterover leunen tegen de groenleren bankleuning.
'Yiste, moet je niet bekijken wie je komende concurrenten zijn?'
Ik haalde mijn schouders op en staarde geïrriteerd naar Roxina. 'Ik zal ze gauw genoeg ontmoeten.'
Fintan keek even mijn kant op. 'Houd je meer van... fysiek contact dan van televisiebeelden?' Hij knipoogde brutaal en ik voelde hoe een warme blos zich over mijn wangen verspreidde.
Mijn hart sloeg enkele tellen over. Ik verdronk opnieuw in zijn ogen en wilde maar dat hij die laatste centimeters tussen ons zou overbruggen en me zou aanraken. Ik wilde hem voelen, hem bewijzen dat ik goed voor hem was, hem tonen hoezeer ik hem bewonderde.
Bij de laatste twee Districten dwaalden zelfs Roxina's ogen af en toe af. De laagste Districten brachten nauwelijks Winnaars voor en waren bijgevolg niet erg interessant. Toen de laatste beelden van het scherm verdwenen waren en Caesar opnieuw in beeld verscheen, stond Fintan abrupt op.
'Hem zie ik al genoeg,' mompelde hij wijzend. Hij dronk zijn glas in een teug leeg en zette het terug op de tafel. Ik volgde zijn voorbeeld en volgde hem de wagon uit.
'Wel, Yiste, wil je Caesars talkshow niet bekijken?' Hij hield galant de deur voor me open en liep toen achter me aan. Ik voelde zijn aanwezigheid meer dan ik hem zag of hoorde.
'Er zijn wel interessantere dingen,' zei ik flirterig, en ik draaide me zwierig naar hem om. 'Ik ben erg benieuwd naar jouw verhalen,' fluisterde ik hem toe. Ik bracht mijn lippen naar zijn oor. 'Wil je me ze vertellen?' Zijn heerlijke, mannelijke geur deed me nog meer naar hem verlangen.
Fintan gaf geen antwoord, maar knikte enkel. Zijn armspieren bolden op toen hij de coupédeur open schoof en me de weg toonde. Ik glimlachte oogverblindend naar hem en streek in het voorbijgaan quasi toevallig met mijn hand langs zijn ontblote arm. Ik huiverde zachtjes.
'Dit zijn je persoonlijke vertrekken. Het stelt niet erg veel voor, natuurlijk. Als Winnaar ben ik wel aan meer luxe gewend, maar het volstaat.'
Gefascineerd staarde ik naar zijn bewegende lippen. Zijn stem was laag en een tikkeltje scherp, maar hij legde er zoveel gevoel in dat ik niet anders kon dan hem bewonderend aanstaren.
'Hoe ben je Winnaar geworden?' vroeg ik ademloos. Ik nam plaats op het ruime bed en hoopte dat hij naast mij zou komen zitten. Ik verlangde er wanhopig naar in zijn nabijheid te verkeren.
Hij haalde zijn brede schouders op en streek nonchalant door zijn blonde haren, die hier en daar een paar grijze strepen vertoonden. 'Ik was gewoon de beste Tribuut,' antwoordde hij terloops.
Hij nam plaats op het bed en keek neerbuigend de kamer rond. Ik had daar echter geen oog voor. Voorzichtig schoof ik wat dichter naar hem toe. 'Denk je dat ik ook kan winnen?' vroeg ik charmant.
Fintan keek me peinzend aan. 'Als je bereid bent daarvoor te vechten, ja. Je hebt een leuk gezichtje, de Sponsors zullen van je houden.'
Mijn hart sprong op bij zijn lieve woorden. Ik had geweten dat hij in me zou geloven. Hij was een echte man, geen zwak aftreksel zoals Scott of mijn vader. Hij besefte hoe bijzonder ik was en zou me helpen dat te bewijzen.
'Wil jij me helpen?' vroeg ik hem. Ik liet mijn hand op zijn been neerdalen en liet het daar liggen. Hij zei er opnieuw niets van, maar rilde heel eventjes. Voorzichtig liet ik mijn hoofd tegen zijn schouder rusten en ademde gelukzalig zijn geur in. Hij rook naar roem en bescherming.
'Wie zou jou nu niet willen helpen?' fluisterde hij en hij streek met zijn hand langs mijn gezicht. Ik onderging zijn aanraking en sloot genietend mijn bruine ogen.
'Beloof je het, Fintan?' vroeg ik dringend. Ik moest het zeker weten. Hij mocht me niet in de steek laten zoals mijn lafhartige vader. Hij moest bij me blijven en me helpen zijn Winnares te worden.
Zijn begerige handen dwaalden af naar mijn hals en streelden de gevoelige huid daar. Ik huiverde zachtjes en drukte mijn lippen tegen zijn schouder.
'Ik beloof je alles wat je maar wilt,' mompelde hij met zijn lippen tegen mijn hals gedrukt. 'Maar wil jij me dan ook iets beloven?' vroeg hij zachtjes.
Mijn gedachten waren traag en loom, alsof ze in stroop gedrenkt waren. Ik knikte. 'Wat dan?'
Fintan bracht zijn mond naar mijn oor en fluisterde me iets toe. Als antwoord op zijn vraag liet ik me door hem achterover drukken.
Ik werd wakker met een gelukzalige glimlach op mijn slaperige gezicht. Ik kon me niet herinneren wanneer ik precies in slaap gevallen was, maar een snelle blik door het raam leerde me dat het nog nacht was.
Ik draaide me om en wilde me wat beter tegen Fintan nestelen toen ik besefte dat hij er niet meer was. Meteen kwam de paniek opzetten. Mijn ademhaling versnelde en het klamme zweet stond me in de handen. Hij mocht niet weg zijn. Hij had beloofd bij mij te blijven.
Ik strompelde uit bed en wikkelde een deken om mijn naakte lichaam. Mijn bruine ogen scanden de omgeving, maar Fintan was nergens te bespeuren. Moeizaam slikte ik.
Met beverige stem riep ik zijn naam, maar er kwam geen antwoord. De zilte tranen kropen langzaam uit mijn ogen en trokken natte sporen over mijn wangen. Ik moest moeite doen niet te gaan gillen.
Waarom was hij weggegaan? We hoorden toch bij elkaar? Hij zou me helpen winnen. Wij zouden een befaamd Winnaarskoppel worden, door iedereen aanbeden.
Op het moment dat ik wilde schreeuwen, werd de deur geopend en kwam Fintan naar binnen. Zijn blonde haren waren nat en plakten tegen zijn hoofd aan. Hij rook naar zeep.
'Heb je gedoucht?' vroeg ik zo normaal mogelijk. Ik veegde snel de tranen weg en liep op hem af. Zonder op zijn antwoord te wachten sloeg ik mijn beverige armen om hem heen en drukte me wanhopig tegen hem aan.
'Ik heb je gemist,' zei ik waarheidsgetrouw, en het enige wat ik wilde was dat hij zou zeggen dat hij me ook gemist had. In plaats daarvan streelde hij kort mijn rug en hield iets voor mijn ogen.
'Wat is dat?' vroeg ik verward.
'Een videoband. Hierop staan de vijvenveertigste Hongerspelen. Mijn Spelen. Ik dacht dat je die wel wilde bekijken.'
Met een grote glimlach keek ik hem aan. 'Natuurlijk!'
Zonder verder omhaal stopte hij de band in de videospeler en zette het kleine scherm van mijn kamer aan. Hij kwam naast me op bed zitten en trok me op zijn schoot.
Ongeduldig spoelde hij door naar de leukste scènes, en opeens was hij daar. Ik herkende hem meteen, al was de zeventienjarige jongen erg veranderd sindsdien. Hij keek met en hautaine blik de camera in en liep toen naar een hoge boom. Een klein meisje met blauwe ogen zat op de grond en snikte onophoudelijk. Ze was met een stevig touw aan de stam vastgebonden.
'Niet bang zijn, Jenny,' fluisterde Fintan haar toe. 'Ik zal je helpen.' Hij streelde kort door haar smerige haren en ik voelde meteen mijn woede opvlammen. Ik haatte dat meisje. Ze had het recht niet Fintans aandacht te krijgen. Ik wilde dat ze dood ging. Nu onmiddellijk.
'Wat zou je graag willen, Jenny?' vroeg Fintan haar vriendelijk.
Het meisje snikte nog steeds. Dat stomme wicht was blijkbaar niet in staat een zinnig woord uit te brengen, en dat besefte Fintan waarschijnlijk ook. Hij schopte met zijn voet tegen haar reeds beurse been. Ze gilde het uit.
'Wat zou je graag willen, Jenny?' herhaalde Fintan zijn vraag zachtjes.
Het kind keek doodsbang de camera in. 'Ik wil dat het ophoudt. Alsjeblieft...' smeekte ze bibberend.
'Wat jammer,' mompelde Fintan bedrukt. 'Ik vond het net zo gezellig met ons tweetjes.' Hij liep om de boom heen en maakte het touw los. Het meisje had niet eens de kracht om op te staan en Fintan moest haar overeind trekken. Nu ze rechtop stond, zag ik haar andere verwondingen. Ze had tientallen kneuzingen en gapende snijwonden. Haar linkerarm zag er gebroken uit.
Eigen schuld, dacht ik voldaan. Fintan was van mij.
'Wil je dat ik er een einde aan maak?' vroeg de jongen haar geïnteresseerd.
Het meisje slikte. 'Ja.'
Fintan keek haar vol minachting aan. 'Beleefdheid is een mooie deugd.'
'Ja, alsjeblieft,' smeekte het meisje met vochtige ogen. 'Maak er alsjeblieft een einde aan.'
De zeventienjarige Fintan glimlachte tevreden en trok een mes uit zijn broeksriem. Hij stapte op het meisje af, greep haar bij de haren en trok haar hoofd naar achteren. In haar ogen stond blinde paniek te lezen. Met een snelle beweging liet Fintan het mes over haar keel glijden. Een kanonschot weerklonk en de camera zoomde uit.
Vol verwondering keek ik op naar Fintan. Ik wist dat hij sterk was, maar na deze beelden wist ik nog veel meer. Hij was een geboren Winnaar. Hij was sterker dan alle anderen.
En dat zou ik ook zijn.
En hier is dan, na enige vertraging, het eerste Capitoolhoofdstuk! Ik ben erg benieuwd naar jullie meningen over de keuze van POV's, de scènes, de introductie van het nieuwe personage,... Dus vergeet zeker niet te reviewen! Ik merk namelijk dat het hier de laatste tijd nogal stil is...
Omdat de hoeveelheid personages misschien wat te overdonderend wordt, zal ik na elk hoofdstuk de nieuwe karakters even opsommen en dan bijschrijven in een lijst, die je kan vinden in het eerste hoofdstuk.
D1 Mentor: Fintan Ganger (m) - Winnaar van de 45e Hongerspelen
D1 Begeleider: Roxina Krynn (v)
D5 Mentor: Xam Condro (m) - Winnaar van de 36e Hongerspelen
D5 Hulpmentor: Clara Condro (v) - Winnaar van de 38e Hongerspelen
D5 Begeleider: Agmenos Sylre (m)
D6 Mentor: Ezra Amorian (m) - Winnaar van de 59e Hongerspelen
D6 Begeleider: Mimi Doros (v)
D7 Burgemeester: Nicolas Surdon (m)
D12 Burgemeester: Eric Lores (m)
De antwoorden op de vragen van vorige keer:
De vader van Beau heeft dus iets fout gedaan en werd daarom gestraft. In een ander District is iets gelijkaardigs gebeurd en greep het Capitool ook in. In welk District gebeurde dit? In District 7. Hier greep men in door de kinderen/jongeren met een beperking te laten deelnemen aan de Boete.
2) Is/zijn er (een) District(en) waarin beide Tributen iets te maken hadden (dus zelf tewerkgesteld waren) met de specifieke bedrijfstak? Nee, eigenlijk niet! Degenen die iets te maken hebben met de bedrijfstak zijn: Emmie-lyn (D4), Mentho Hill (D6) en Jorge De Burgos (D7)
De vragen over dit hoofdstuk:
1) Aan welke beperking lijdt Collin?
2) Erom gedroeg zich heel anders dan tijdens de Boete. Dit omwille van een kleurverandering. Welk zintuig overheerste er deze keer?
De Puntentelling
Azmidiske87: 50
LeviAntonius: 43
Jade Lammourgy: 43
SirWalshingham: 39
Strawberrychickk: 37
MadeBy Mel: 32
Serenetie – Ishida: 33
Indontknow: 29
Livingtreetrunk: 20
MyWeirdWorld: 16
Tiger Outsider: 16
Lyannen: 16
Zacksteel: 17
boekenworm: 14
silk tiger: 12
evalovespeeta: 10
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
mjg43: 4
Tot over twee weken! En vergeet niet te reviewen! ;)
Marie :)
