Capitool 2: Aankomst

Narcissus Asesion (39) – Minister van Financiën

Zonder acht te slaan op het verkeer stak ik de drukke straat over en graaide in mijn jaszak naar een nieuw pakje sigaretten. Met mijn lange nagels scheurde ik het open en pulkte er een bruinrood exemplaar uit. Ik drukte op het minieme knopje en liet zo het uiteinde van mijn sigaret ontbranden. Genietend inhaleerde ik de zoete rook en smakte luid met mijn onnatuurlijk volle lippen.

Het grote, karmijnrode kantoorgebouw torende hoog boven de conventionele flatgebouwen uit. Het telde dan ook honderdzevenendertig verdiepingen en evenveel afdelingen. Ik versnelde mijn pas en duwde hardhandig een schriel meisje opzij dat me de weg versperde. Het kind keek me dom aan en nam de benen.

Ik liep rechtstreeks door naar de dienstingang en bleef gedwee staan onder de als lamp gecamoufleerde scanner. Na iets meer dan vijf seconden sprong het licht op groen en zwaaiden de glazen deuren voor me open. De geuren van sterke koffie en verse olijfbroodjes drongen mijn neusgaten binnen.

'Narcissus Octavio Asesion, Minister van Financiën,' klonk een koele stem vanuit de onzichtbare speaker. Ik stak mijn hand afwachtend uit en ving het sneeuwwitte papier op dat schijnbaar uit de muur zelf kwam gegleden.

Een snelle blik op het document leerde me dat het een drukke dag ging worden. Mijn eerste afspraak vond over minder dan vijf minuten plaats en ik moest nog helemaal naar de eenenzestigste verdieping. Geïrriteerd zuchtend haastte ik me naar mijn ruime lift, zei duidelijk waar ik heen wilde en nam plaats in de zwartlederen fauteuil. Meteen schoot ik pijlsnel omhoog. Ondertussen stak ik een tweede sigaret op en masseerde vakkundig mijn slapen om de hoofdpijn te verdrijven die me al sinds deze ochtend parten speelde. Ik had niet zo lang op dat suffe feestje moeten blijven, dacht ik nijdig. Het was niet eens de moeite waard geweest. De champagne was er lauw, de locatie alledaags en de vrouwen te lelijk om er moeite voor te doen.

Toen de lift uiteindelijk vertraagde en tot stilstand kwam, was ik opgelucht te kunnen uitstappen. Ik had het nooit fijn gevonden in krappe ruimtes te vertoeven.

Ik liep rechtstreeks door naar de vergaderzaal, gooide mijn sigaret achteloos in de bloempot van een kamerplant, gaf mijn dure jas aan een van de altijd nerveuze Avoxen en nam plaats op de met rode stof beklede stoel aan de noordzijde van de glazen tafel. De andere raadsleden waren er al en keken me afwachtend aan.

'Kunnen we dan beginnen?' vroeg Nelius Ludes vol ongeduld. De jonge Hoofdspelmaker was een irritant man. Hij stond op stiptheid, wilde zich dolgraag bewijzen en zag er bovendien erg kinderlijk uit met zijn grote ogen en sproeterige neus. Ik wierp een geïrriteerde blik op mijn zilveren polshorloge en sloot mijn robijnrode ogen. Als ik even geluk had zou niemand merken dat ik een dutje deed tijdens de saaie vergadering van De Raad van Bestuur.

Een nijdige por in mijn zij deed me opschrikken. Boos keek ik om naar degene die mijn rust zo brutaal verstoord had.

'Slapen doe je thuis maar!' siste Nerala nijdig. Ze keek me streng aan en prikte met haar lange, purper gelakte nagel in mijn borst. 'We hebben heel wat te bespreken.' Op haar zwartgestifte lippen verscheen een duivels lachje. 'Ik denk dat je maar beter goed kan opletten.'

Vol ergernis sloeg ik haar hand weg, maar ik kon het benauwde gevoel niet helemaal van me afzetten. Met enige moeite ging ik rechtop zitten en richtte mijn volle aandacht op de spreker.

'… niet verwacht dat hij zijn jongste dochter zou sturen. We moeten ervoor zorgen dat ze niet meteen een pijnlijke dood sterft. De rijken zouden hun geloof in het Capitool kunnen verliezen en dan – '

'Dat is net goed,' onderbrak Merline hem geagiteerd. 'Ze moeten toch beseffen dat ook zij niet onaantastbaar zijn?'

Er klonk instemmend gemompel en ook ik knikte goedkeurend in de richting van de voorzitter van De Raad. Hoewel ze de vijftig reeds lang gepasseerd was, oogde ze niet ouder dan dertig. Ze was knapper dan de doorsnee vrouw, en ook heel wat slimmer. Het was jammer dat ze niet wat levendiger was. Merline kon soms erg slaapverwekkend zijn, had ik gemerkt.

Mijn aandacht was even afgezwakt en daardoor had ik gemist wat er besloten was. Het kon me echter weinig schelen. Of dat kind nu de eerste of de tweede dag stierf, doodgaan zou ze toch en wakker zou ik er heus niet van liggen. De laatste jaren was ik mijn belangstelling voor de Spelen grotendeels verloren, en als ik als minister niet verplicht zou worden te zetelen in deze vervloekte Raad van Bestuur zou ik er helemaal geen last meer van hebben. Ik zuchtte overdreven en knipte met mijn vingers om een Avox te ontbieden. Vergaderingen waren nu eenmaal nefast voor mijn hongergevoel.

'Goed, zijn er verder nog vragen in verband met de Tributen?' ging Merline verder. Zoals gewoonlijk bleef ze ter zake en wilde ze de vergadering zo efficiënt mogelijk laten verlopen.

Nerala ging op het puntje van haar stoel zitten en kuchte zachtjes. 'Ik had nog een vraag,' begon ze poeslief. 'Dat meisje uit District negen, hoe heet ze ook alweer? Is dat niet de dochter van een Winnares?'

De andere ministers en raadsleden begonnen in hun papieren te rommelen, maar Nelius Ludes nam ijverig het woord: 'Antla Cataleyn, bedoelt u? Ja, dat klopt.'

Ik maakte een raar geluid, iets wat het midden hield tussen een vloek en gesis. Mijn handen balden zich tot vuisten en ik perste mijn lippen stevig op elkaar.

Hier zat dat geniepige kreng Nerala achter, daar was geen twijfel over mogelijk.

Zonder het te beseffen stond ik op. Ik hoorde Nerala's gelach niet eens, en de verbaasde uitroepen van de anderen ontgingen me eveneens. Ik stormde de vergaderzaal uit en greep de eerste de beste Avox die ik vinden kon bij de arm.

'Zorg ervoor dat al mijn afspraken voor vandaag worden afgezegd! Begrepen?' De Avox knikte angstig en wreef over de rode afdruk die ik had achtergelaten op haar magere arm. Ik hoopte maar dat ze over voldoende hersenen beschikte om de klus te klaren.

Met nijdige passen beende ik naar mijn lift. Nog voor de deur volledig geopend was, stormde ik naar binnen en ramde mijn hand op de rode knop van het bedieningspaneel. De lift begon te stijgen en maakte meteen snelheid. Na slechts enkele tellen bevond ik me op de bovenste verdieping.

'Minister Asesion,' kondigde de speaker mijn komst aan. Ik besteedde er geen aandacht aan en liep meteen door naar de gelambriseerde gang aan de rechterzijde van het vertrek. In mijn haast stootte ik tegen een bijzettafeltje, waardoor een grote, oerlelijke vaas met sierbloemen op de glanzende, marmeren vloer belandde. De scherven vlogen in het rond en maakten een hels kabaal.

'Heeft u een afspraak, meneer?' klonk het hijgend. Ik draaide me om en keek neer op een kleine, rood aangelopen man met een elektronisch klembord in de hand. Zijn ogen hadden de kleur van zure melk.

'Ik moet de president spreken,' bromde ik kort en ik beende alweer verder. Algauw werd ik echter ingehaald en tot stand gebracht. De kleine man versperde me de weg en keek me streng aan.

'U kan niet zomaar bij hem langsgaan.'

Ik trok mijn geëpileerde wenkbrauwen op en keek hem denigrerend aan. 'Weet je wie ik ben?'

De man stamelde: 'Nee, ik... Uh. Ik ben nieuw hier. Maar uh... U kan niet – '

'Ik ben minister, stommeling!' snauwde ik hem dreigend toe. 'Laat me door.' De man stapte onmiddellijk opzij en verleende me vrije toegang tot de deuren aan het einde van de gang. Ik snelde naar de grote, mahoniehouten poort en legde mijn linkerhand op de deurklink. Na enkele seconden klonk er een droge klik en vloog de deur naar binnen toe open. De kleine tussenkamer waarin ik me bevond was gevuld met de zoete geur van rozen. Ik wist dat de president van die bloemen hield, al ontging de reden ervoor mij volkomen. Het wachten duurde absurd lang en ik moest al mijn aanwezige zelfbeheersing aanspreken om niet tegen de deur te gaan schoppen.

De tweede deur opende zich uiteindelijk tergend langzaam en ik stapte naar binnen. Het kantoor van de president was luxueuzer ingericht en aangekleed dan om het even welke kamer in het Ministerie. Het koepelvormige plafond reflecteerde het zonlicht in duizenden kleuren en verleende het tafereel een magische gloed. Ik had er echter geen oog voor en liep woedend op de president af.

'Narcissus, wat kan ik voor je doen?' zei die gladjes. Hij stond op van de bank en wees uitnodigend naar een van de comfortabele stoelen aan het bureau. Ik negeerde hem.

'Heeft u dit samen met Nerala zitten bekokstoven?' vloog ik uit. 'Of eist u alle eer zelf op?'

'Mijn lieve nichtje?' vroeg de president bedachtzaam. 'Ik vrees dat ik niet op de hoogte ben van haar, ongetwijfeld zeer slinkse, plannen.'

Ik ademde luid in en uit door mijn neus en snoof beschuldigend. 'Háár dochter,' wist ik uit te brengen, nog steeds luid door mijn neus ademend.

'Ah,' verzuchtte hij gemaakt droevig. 'Je hebt het al gehoord.'

'Dacht u dat ik het pas zou merken als ze bloedend en krijsend in de Arena lag?' snauwde ik boos.

'Ik heb me laten vertellen dat jij niet meer van mijn Spelen houdt sinds dat voorval,' zei de president peinzend. 'Dus ja, allicht had ik daar op gehoopt.'

'Ik wil krijgen wat mij is beloofd,' bromde ik met opeen geklemde kaken, zijn laatste opmerking negerend.

'Wraak, meen ik me te herinneren?' vroeg de president vriendelijk.

Geagiteerd ijsbeerde ik door de kamer en streek door mijn halflange, gitzwarte haren. 'Gerechtvaardigde wraak!' verbeterde ik hem toen.

In gedachten zag ik haar weer voor me staan. De blik van walging had haar anders zo knappe gezicht in een koud masker veranderd. Het was zo anders gegaan dan ik had verwacht, had gehoopt en gedroomd. Ik zou haar alles hebben gegeven, maar ze verafschuwde me en spuwde me uit.

Woedend knarste ik met mijn tanden. 'U haalt haar eruit. Ik ben de enige die recht op haar heeft.'

De president keek me glimlachend aan. Hij leek niet in het minst geïntimideerd door mijn woorden en razende blik. Hij keek me aan alsof hij me aandoenlijk vond en dit allemaal één grote grap was.

'Ik wist niet dat het nog zo belangrijk voor je was,' zei hij quasi onschuldig. 'Wordt het geen tijd om het achter je te laten, Narcissus? Het is jaren en jaren geleden.'

Zonder het te beseffen was ik naar hem toegelopen. Ik keek hem indringend aan en snoof zijn vreemde, misselijkmakende geur op. Mijn rode ogen boorden zich in de zijne en dwongen hem tot overgave. Ik was geen grote man, maar toch moest ik mijn hoofd wat buigen om mijn meerdere in de ogen te kunnen kijken.

'Ze heeft me vernederd en publiekelijk ten schande gemaakt,' siste ik hem toe, de onaangename herinnering onderdrukkend. 'U had me het meisje beloofd. Ik eis haar op.'

De man deed een stapje naar achteren en bevochtigde zijn lippen. 'Of anders?' vroeg hij nieuwsgierig, alsof hij werkelijk belang hechtte aan mijn antwoord.

'Anders breekt u uw belofte en is uw woord niets waard.'

De president lachte minzaam. 'Het was verstandig me niet te bedreigen, Narcissus.' Hij liep naar me toe en klopte me vaderlijk op de schouder. 'Allicht kan er wel iets geregeld worden. Ik zal kijken wat ik voor je kan doen.'


Medea O'Donovan (17) – District 2

Het vuile bloed van de Vredebewaker kleefde nog aan mijn mes. Als ik mijn ogen sloot kon ik zijn ranzige zweetgeur nog ruiken. De afdrukken die zijn begerige handen op mijn huid hadden achtergelaten brandden nog na en vergrootten mijn haat.

Met woeste vreugde dacht ik terug aan zijn levenloze lichaam. Het karmijnrode bloed had zijn witte uniform bezoedeld en de grond besmeurd. Zijn ogen hadden me smekend aangekeken, maar op mijn medelijden hoefde hij niet te rekenen. Ik was het afgeleerd me om de pijn van anderen te bekommeren toen mijn verachtelijke broer me als een zak zout had verkocht bij het kaarten. Ik was het afgeleerd genoeg om iemand te geven om ook maar een seconde over diens welzijn in te zitten.

Met mijn bleke vingers streelde ik het lemmet van het mes. Het gezicht van Berric spookte door mijn gedachten en maakte me zowel razend als doodsbang. Zelfs hier, ver voorbij District twee en diens commandoposten, kon ik zijn dreigende aanwezigheid nog voelen. Ik voelde het in mijn botten en bloed, als een stilzwijgende doodsbelofte: ik kom eraan, Medea.

Er werd op de deur geklopt. Ik draaide me weg van het irritante geluid en nestelde me weer in het zachte bed. Het was jaren geleden dat ik een eigen bed gehad had. Berric liet me vaak op het halfvergane tapijt naast zijn ruime bed slapen. 'Ik wil je dichtbij hebben,' zei hij dan met die walgelijke glimlach van hem. Zijn wormlippen krulden zich telkens een beetje naar omhoog als hij me daar zo zag liggen, opgekruld in foetushouding om mijn eigen lichaamswarmte als deken te gebruiken. 'Je bent mijn bezit, dus houd ik je altijd bij me in de buurt. Zo kan ik je meteen gebruiken als ik je nodig heb.'

Vol weerzin spuugde ik op de grond. Zijn woorden maakten me ziek, zoals zijn handen me vuil maakten. Ik wilde niet langer het bezit van die klootzak zijn. Ik wilde niet langer worden gebruikt om zijn afstotelijke behoeften te bevredigen.

'Medea, kan ik even binnenkomen? We zijn bijna in het Capitool.' Ik herkende de stem van de Mentor. Ze was klein, mollig en dodelijk vervelend. Ik negeerde haar woorden, trok het hoofdkussen – dat belachelijk genoeg naar rozen geurde – over mijn hoofd en sloot mijn glazige ogen. Het mesje drukte hard in mijn handpalm, maar ik negeerde de pijn. Berric had me al veel ergere letsels toegebracht. Enkele keren had dat walgelijke zwijn zijn woede op mij botgevierd. Zijn dronken gelach voorspelde wat er komen zou, maar er was geen ontsnappen aan. Dat was er nooit, ik was zijn bezit. Van Berric.

Altijd weer kwam die gehate naam naar boven, als een mantra die zich ongewild in mijn gedachten herhaalde. Berric. Hij had me mijn jeugd en vrijheid afgenomen. En nu had hij een van zijn schoothondjes op me afgestuurd om me mijn leven te ontnemen.

Een haat die feller was dan enige emotie dat ik ooit gevoeld had vlamde in me op. Hij moest dood. Die verdomde cadet moest dood, en snel ook. Ik kon het niet langer verdragen zijn stem te horen, zijn geur te ruiken of zijn blik te zien. Hij verziekte de lucht met zijn gore aanwezigheid, hij was hier als Berric.

Met het mesje nog steeds stevig in mijn hand geklemd stond ik op van het bed. Ik had nog altijd de grauwe kleren aan die ik tijdens de Boete had gedragen, maar daar bekommerde ik me niet om. Tollak zou niet minder dood zijn omdat ik me niet voor hem had opgetut. Met een harde duw gooide ik de deur van mijn kamer open. Een jonge vrouw deed geschrokken een stapje naar achteren en keek me beduusd aan. Ik schonk haar niet de minste of geringste aandacht en beende de gang uit.

Mijn voetstappen werden gedempt door het absurd zachte tapijt dat elke centimeter van de trein bekleedde. De stof was afwisselend blauw en groen, en de kleuren deden me onbewust denken aan de ogen van mijn weerzinwekkende broer. Die laffe klootzak had de drank boven zijn zusje verkozen, en ik hoopte vurig dat zijn gehavende lijk ergens lag weg te rotten in een stinkend beekje, bedolven onder het andere afval. Zelfs de maden en vliegen waren te goed om hem gezelschap te houden. Hij verdiende niet beter, maar vele malen erger.

Met mijn zelf aangeleerde sluiptechnieken naderde ik de kamer van Tollak. Ik had geen plan, maar dat deerde niet. Ik had een doel en dat zou ik bereiken. Dit mesje zou weldra het smerige bloed van een tweede Vredebewaker proeven. Even kon ik bijna glimlachen om die gedachte. Bijna.

Ik bereikte de deur en duwde die heel zachtjes open. Een streepje licht viel naar binnen en stond me toe een groot deel van de kamer in me op te kunnen nemen. Tollak bevond zich op de grond, druk bezig met een of andere dwaze fysieke oefening die ik Berric en zijn schoothondjes wel vaker had zien doen. Ik zuchtte neerbuigend en gooide de deur met een harde klap open.

Tollak keek op, maar sprak geen woord. Ik liep op hem af, het mes duidelijk zichtbaar, en keek hem met onverhulde haat en weerzin recht in de ogen. Ogen van Berric, wist ik. Ogen die hadden toegekeken hoe een jong meisje van hand tot hand ging om als vermaak te dienen. Misschien had hij ook wel meegedaan met zijn vriendjes, dat kon ik me niet herinneren. Er waren erg veel Vredebewakers, allen even walgelijk en onbetekenend. Ik had me nooit bezig gehouden met het leren van hun namen en gezichten. Ik had geleerd hen te haten, allemaal.

Met een woeste brul deed ik een uithaal naar zijn zij, maar op het laatste moment ving hij mijn magere, broze arm in zijn vuist en klemde die achter mijn rug. Ik schreeuwde het uit van woede en pijn en spartelde uit alle macht tegen. Maar Tollak was te sterk.

'Vermoord me dan, lafaard,' spuugde ik uit, terwijl hij me steviger vastklemde en het mesje uit mijn protesterende vingers trok. 'Of ben je daar niet mans genoeg voor?'

De cadet antwoordde niet en keek me afkeurend aan, alsof ik een opstandig kind was dat zijn straf trachtte te ontlopen. Zijn ogen gleden over mijn magere, hoekige lichaam en bleven enkele tellen hangen op de beurse plekken op mijn armen. Hij verstevigde de greep op mijn polsen.

'Wel?' sneerde ik. 'Nog nooit een vrouw gezien? Of weet je niet hoe het moet?' Ik keek hem vol walging aan, verzamelde speeksel in mijn mond en spuwde hem recht in het gezicht. De klodder spuug raakte hem op zijn voorhoofd en drupte langzaam in zijn ogen. Hij bewoog nog steeds niet, sprak geen woord, en liet nergens uit blijken dat ik hem vernederd had.

Woedend om zijn stoïcijnse gedrag begon ik opnieuw met spartelen. Ik slaagde erin mijn lichaam zo te draaien dat ik met mijn linkervoet tegen zijn kuit kon schoppen. Uit ervaring wist ik dat het erg pijnlijk was, en met volle kracht haalde ik uit, me genietend voorbereidend op zijn schreeuw van pijn. Maar die kwam er niet. Zijn enige reactie bestond erin me nog wat steviger vast te grijpen en even met zijn mondhoeken te trekken.

'Heel flink, hoor,' zei ik gemaakt lovend. 'Hebben we geleerd pijn te negeren?'

Tollak haalde zijn brede schouders op en begon me in de richting van de deur te slepen. Ik gaf me echter nog niet gewonnen en vocht met alle kracht die ik in me had, maar de lange tocht naar het Boeteplein had me uitgeput, en algauw hing ik vrijwel levenloos in zijn armen. Ik haatte het zwak te zijn in zijn aanwezigheid.

'Je kan beter gaan, Medea,' zei hij opeens bruusk. 'Tributen mogen elkaar niet aanvallen alvorens ze zich in de Arena bevinden. Dat zijn de regels.' Hij sprak met een monotone stem, alsof hij iets voorlas uit een boek. Alsof zijn regels ook maar iets van belang hadden in deze verdomde wereld. Ik wist dat hij het gewoon niet durfde. Net als alle anderen. Dreigen en intimideren, maar voor daadwerkelijke actie waren ze te laf. Het was bijna zielig.

'Loop maar snel terug naar mammie,' fluisterde ik hem toe. 'Zij zal je wel beschermen tegen de grote, boze mensen. Zij zal er wel voor zorgen dat kleine Midas geen andere kindjes pijn moet d – '

Met een harde duw gooide hij me van zich af. Ik belandde op de grond en stootte mijn hoofd aan zo'n stompzinnig en volkomen nutteloos bijzettafeltje. Mijn zwarte haren vielen in mijn ogen en benamen me het zicht op mijn omgeving. Met een woest gebaar veegde ik ze weg en kwam overeind, klaar om me te verdedigen, maar er was niets om tegen te vechten. Tollak stond met zijn rug naar me toe en was hervallen in stilzwijgen.

Ik overwoog mijn opties. Een tweede aanval zou nergens toe leiden, want op fysiek vlak was hij mijn meerdere. Ik zou het anders aanpakken. Een plan bedenken en hem alsnog vermoorden. Ik draaide me om en liep de kamer uit, terwijl ik dacht aan Tollaks levensbloed, dat weldra aan mijn handen zou kleven. Het zou niet zo moeilijk moeten zijn.

In gedachten verzonken baande ik me een weg naar mijn eigen kamer. Nu ik Tollak gezien had waren mijn haatgevoelens nog in sterkte toegenomen. Ik wilde niets liever dan zijn gebroken lichaam aan mijn voeten zien liggen. Zijn vraag om genade zou ik negeren, want dat hadden ze mij ook nooit gegund. De Vredebewakers en Berric. Mijn zwakke ouders en verraderlijke broer. Ik zou niet kunnen zeggen wie van hen ik het meest haatte en verachtte.

Ik plofte op mijn bed neer en ging liggen. Tollak moest dood, wat er daarna gebeurde kon me bitter weinig schelen. Een leven leiden in dat vervloekte District zou ik nooit doen, en het belachelijke Capitool leek meer op een freakshow dan op een echte stad. Maar dat was allemaal bijzaak. Niets was werkelijk van belang, alleen zijn dood deed er nog toe.

Ik zou hem vermoorden, de prijs die ervoor betaald moest worden kon me niets schelen. Ik zou hem betalen, al was het met mijn eigen leven.

Opens vloekte ik luid. Ik besefte dat die verdomde cadet mijn mes nog had, mijn enige wapen, in handen van de vijand. Een snelle blik door de kamer bracht me op ideeën. Ik nam een van mijn afgesleten schoenen, gooide die tegen de spiegel en keek toe hoe die in tientallen scherven brak. Snel raapte ik een grote scherf op. Mijn fletse ogen keken me aan in een lijkwit gezicht. Ik stopte de scherf onder mijn hoofdkussen, legde mijn hand eromheen en ging liggen.

Het plan begon zich in mijn hoofd te vormen.


Liam Needle (18) – District 8

Logans laatste woorden echoden nog lang na in mijn hoofd. In gedachten zag ik zijn gebroken glimlach en betraande ogen toen hij me vroeg Ilyana veilig thuis te brengen. Ik had hem beloofd zijn zusje te redden, maar de angst vrat aan mijn vastberadenheid, en de laatste uren kon ik het beeld van mijn eigen levenloze lichaam niet meer van mijn netvlies verdrijven. De tijd had me laten beseffen hoezeer ik nog wilde vechten voor mijn eigen leven. Er waren nog te veel onafgemaakte zaken, nog te veel ongezegde dingen en nog te veel mensen waarvan ik hield. Logan, mijn vriend en zielsverwant. Maar hij zou me haten als Ilyana stierf. Hij zou me haten om de keuze die ik had gemaakt. Elke keer als ik hem aankeek, zou het beeld van zijn stervende zusje tussen ons in komen te staan. Wat ik ook deed, hem verliezen deed ik sowieso.

Als vanzelf vulden mijn ogen zich met hete tranen toen ik dacht aan alle anderen die ik weldra zou verliezen. Mijn ouders en Mike. Onschuldige, kwetsbare Mike, die nooit zou begrijpen waarom zijn grote broer niet meer thuiskwam. Mijn ouders zouden het uitleggen, maar hun woorden zouden als wind zijn. 'Je broer is dood,' zou mijn moeder fluisteren. 'Gestorven in de Hongerspelen.'

Boos drukte ik mijn handen tegen mijn oren, maar mijn eigen gedachten kon ik natuurlijk niet buitensluiten, hoe erg ik daar ook naar verlangde. Om mezelf af te leiden van de piekergedachten liep ik de gemeenschappelijke coupé binnen en ging aan het grote raam staan. Het was nog steeds erg donker, maar ze hadden me daarnet verteld dat we binnen enkele minuten de tunnel zouden uitrijden en het Capitool te zien zouden krijgen. Een klein deeltje van me was nieuwsgierig, maar toch keek ik er allesbehalve naar uit de duisternis te verlaten. Zolang het donker was kon ik nog doen alsof. Zolang de ramen niets dan gitzwarte leegte binnenlieten, kon ik nog geloven dat het niet echt was, alsof het allemaal wel goed zou komen. Eenmaal in het Capitool was het anders. Dan was het echt.

Dan was het begonnen, mijn leven als Tribuut. Ik vroeg me af hoe lang het zou duren, of eerder hoe kort.

'Over negentig seconden rijden we het Capitool binnen,' klonk een koele en ietwat onvriendelijke stem uit de vele onzichtbare speakers in de wagon. De eerste keer was ik ervan geschrokken, maar nu verplaatste ik zelfs mijn blik niet meer. Alles went, behalve de angst, die blijft voortdurend aanwezig.

Met een hevig schokkende beweging kwam de trein tot stilstand. Ik kon me nog net vastgrijpen aan de armleuning van een eikenhouten leunstoel en wist mijn evenwicht te bewaren. Ilyana kwam net de coupé binnen en viel languit op de grond. Ze sloeg een verschrikte kreet.

'Wat is er aan de hand?' vroeg ze geschrokken, en ze staarde me angstig aan.

Snel liep ik naar haar toe en hielp haar overeind. Gelukkig had ze zich niet bezeerd, in tegenstelling tot onze Mentor, die blijkbaar zijn hoofd gestoten had aan de deurpost. Hij vloekte grommend en verwenste zowat alles in zijn directe omgeving.

'Geen idee,' antwoordde ik. 'Misschien is er een soort grenscontrole?' gokte ik weinig overtuigd. De Capitooltrein was erg abrupt tot stilstand gekomen. Het leek wel alsof we iets geraakt hadden.

'Er bestaat geen grenscontrole,' kwam Elsana Merxyll zakelijk tussenbeide. 'De sporen zijn zo ontwikkeld dat er enkel Capitooltreinen op kunnen rijden. Een controlepost is dus overbodig.' Ze keek nogal trots bij het melden van het vernuftige systeem van haar thuishaven, maar niemand schonk aandacht aan haar.

Ilyana en ik liepen naar de zitbanken en namen plaats naast elkaar. We hadden nog niet veel woorden met elkaar gewisseld. Na de Boete waren we beiden in stilte naar onze kamers gegaan, te geëmotioneerd om een gesprek te kunnen voeren. Bij het bekijken van de Boetes was Ilyana in tranen uitgebarsten, wat ik volkomen begreep. Er leken ongelooflijk veel moordzuchtige Tributen te zijn dit jaar, om nog maar te zwijgen van de vele jonge kinderen die de dood tegemoet keken.

'Denk je dat we niet meer verder kunnen?' vroeg Ilyana fluisterend, en ze gebaarde vaag naar de trein. Ik keek haar bedenkelijk aan en schudde mijn hoofd. Hoewel ik graag zou willen geloven dat we het Capitool nooit gingen bereiken, wist ik dat het onvermijdelijk was. Een technische panne kon worden opgelost, ongetwijfeld waren er nu al mensen bezig het treintoestel weer in gang te trekken. De hoop in Ilyana's blauwe ogen doofde bij het zien van mijn bedroefde gezicht.

'Het komt goed,' zei ik twijfelachtig, maar mijn woorden stelden niets voor. Natuurlijk kwam het niet goed, en dat wist Ilyana maar al te goed. We waren beiden opgegroeid in Panem, dus we kenden de genadeloosheid van de Hongerspelen als geen ander.

'Ik ben vooral bang om alleen te sterven,' biechtte Ilyana aarzelend op. Nu pas bemerkte ik het zwarte knuffelbeertje dat ze krampachtig tegen zich aandrukte. Meteen wist ik van wie ze het gekregen had: Leander, haar kleine broertje. Logan zou binnen enkele dagen met hem naar de Spelen moeten kijken. Zou Leander begrijpen dat de kinderen echt stierven? Zou Logan het aankunnen het hem te vertellen? Ik wist het niet, maar het herinnerde me aan de belofte die ik mijn vriend gedaan had.

Ik ademde diep in en keek Ilyana recht aan. Groengrijs staarde in blauw. Ze had precies dezelfde oogkleur als Logan, wat het er niet makkelijker op maakte. Hoe vaak was ik niet verdronken in zijn blik, de tijd en ruimte totaal vergetend?

'Ik vind dat we samen moeten werken,' zei ik zacht. 'Samen staan we sterker dan alleen.' Ik boog mijn hoofd, bang voor haar reactie, maar die bleef uit. Voorzichtig sloeg ik mijn ogen op.

Het meisje keek me droevig, maar ook koppig aan. 'Heeft Logan je gevraagd mij te helpen?' vroeg ze abrupt. Mijn stilzwijgen sprak boekdelen.

'Ik wil niet dat je jezelf opoffert voor mij, Liam,' zei ze vriendelijk.

Ik boog me naar haar toe. 'Dat doe ik niet,' antwoordde ik vastberaden en ik meende het. 'Ik wil gewoon samenwerken. We vormen een team, Ilyana. Een bondgenootschap.'

Een voorzichtige glimlach kroop over haar fijne gezicht. Ze veegde een paar blonde plukken haar weg en stopte ze achter haar oor. 'Goed,' zei ze toen. 'Een bondgenootschap.'

We zwegen allebei en keken weer uit het raam. Na een vijftal minuten kwam de trein in beweging. Met enkele harde schokken en stoten baanden we ons een weg uit de tunnel, het licht – en daarmee gepaard onze dood – tegemoet.

Toen de eerste zonnestralen de coupé verlichtten, kon ik het niet nalaten een kijkje te gaan nemen. Ik liep naar het grote raam en nam plaats naast Elsana, de donkergetinte en ietwat verveeld kijkende begeleidster. 'Het Capitool,' zei ze nogal overbodig, en ze wees naar buiten.

Het Capitool was groter dan ik voor mogelijk had gehouden. Gebouwen in alle kleuren en modellen rezen op uit de grond en leken de wolken zelf te kietelen. Voor zover het oog reikte stonden er huizen, appartementsblokken en grote industriegebouwen. Ik vroeg me af waar de Arena zich bevond, maar vanop deze afstand was het moeilijk iets te onderscheiden.

In het centrum van het Capitool glinsterde een grote, perfect ovaalvormige vijver oogverblindend. Ik zou me kunnen vergissen, maar ik dacht felgekleurde vissen te zien rondzwemmen in het water. De gebouwen en de vijver stelden echter niets voor, vergeleken met de mensen. De Capitoolbewoners waren massaal afgezakt naar het station om de Tributen te verwelkomen. Zelfs met de gesloten treindeuren kon ik het oorverdovende geroezemoes horen. Mannen, vrouwen en kinderen verdrongen elkaar om een betere plek te veroveren op het perron. Ik zag hoe een vrouw met een oranje huidskleur luidruchtig stond te protesteren omdat de gigantische man voor haar haar het zicht ontnam. Twee meisjes van amper acht jaar oud kropen tussen de benen van volwassenen door en gierden het uit van de pret. Ze hadden allebei een roze fototoestel in de hand en trokken een blauwe poedel met zich mee. Het dier hapte speels naar de kuiten van mannen en vrouwen.

Ilyana was naast mij komen staan en keek vol ongeloof toe. Ook ik moest moeite doen mezelf eraan te herinneren dat dit allemaal echt was, en geen gekke opvoering van een theaterstuk. De mensen waren echt, al deden ze nog zo hun best dat te verdoezelen, Het Capitool was echt, en bovenal: de Hongerspelen waren echt. Ik voelde de dreiging ervan in mijn gespannen lichaam.

Met een zacht geluid kwam de trein tot stilstand. Ik keek achterom en trok vragend mijn wenkbrauwen op. Elsana wees op de deur en gebaarde dat ik naar buiten moest gaan. De zenuwen gierden door mijn lijf en angst benam me de adem.

Wat moest ik doen? Ik wilde hier weg. Weg van de kakofonie van kleuren en geluiden. Weg van het Capitool en diens vreemde inwoners. Maar er was maar een uitweg, en dat was de deur voor me.

Met klamme handen duwde ik de hendel naar beneden en voelde de eerste zonnestralen op mijn huid. Meteen werd ik overweldigd door het geschreeuw van mensen en het flitsen van de camera's. Nog geen seconde nadat ik was uitgestapt werd er een cirkelvormige microfoon onder mijn neus geduwd.

'Wat zijn je eerste indrukken, Liam? Ben je onder de indruk? Vind je het Capitool even mooi als je gedacht had, of misschien nog mooier?'

Ik had geen flauw idee wat ik moest zeggen, wat ze van me verwachtten en wilden. De paniek kneep mijn keel dicht en maakte het mij onmogelijk om te ademen, laat staan te praten. Het begon zwart te worden voor mijn ogen. Een vreemd gezoem weergalmde in mijn oren.

Opeens voelde ik een kleine hand op mijn arm. Langzaamaan keek ik om en zag ik Ilyana naast me staan. Hoewel haar ogen eenzelfde angst als de mijne uitstraalden, had ze een verbeten trek om haar mond. Ik kende die uitdrukking. Logan had me vaak op die manier aangekeken als hij ergens voor wilde gaan.

'We doen het samen, weet je nog?' zei Ilyana zacht, de hysterische mensen en opdringerige journalisten voor even negerend.

Ik keek haar aan, zag haar vastberaden blik en knikte. 'Samen.' En in gedachten zei ik het niet enkel tegen Ilyana, maar ook tegen haar broer, Mike en mijn ouders. Zolang ik dit samen met hen deed, met hun glimlach in mijn achterhoofd en hun liefde in mijn hart, kon het Capitool me niet raken. Niet echt.

We namen allebei een diepe ademtuig, knepen even in elkaars klamme hand en draaiden ons toen om naar de gillende meute. Klaar om te vechten voor ons leven.

Samen.


Philtre Stern (13) – District 3

Mijn vader had me nog geen enkele keer rechtstreeks aangekeken. Hij negeerde me volkomen en zat gezellig te kletsen met Icarius Flight, de flamboyante begeleider. Diens goudkleurige haren en tanden leken wel te schitteren in het donker. Afwezig vroeg ik me af wat hem in vredesnaam bezield had om zijn eigen uiterlijk dermate te verpesten. Maar goed, in het Capitool golden duidelijk andere normen en waarden.

'Philtre?' klonk de onzekere stem van Louis. Ik zuchtte demonstratief en draaide me om naar mijn Districtpartner. Hij klemde een beker vruchtensap in zijn bevende handen en staarde me met grote, bange ogen aan.

'Ja?' vroeg ik, zo vriendelijk mogelijk. De jongen was ongeveer even oud als ik, misschien een jaar jonger, maar ik had geen tijd om me met hem bezig te houden. Mijn gedachten werden volkomen in beslag genomen door mijn vader. Mijn vader die, naar eigen zeggen, dolgelukkig was zijn taak als Mentor weer op te kunnen nemen. Ik vond het allemaal te toevallig, te abrupt en te vlekkeloos.

Er klopte iets niet.

Eerst ontsloeg hij me als kindermeisje, uit angst dat zijn vrouw te weten zou komen wie ik werkelijk was, daarna werd ik gekozen als Trbuut en opeens was hij weer Mentor. Het kon gewoon niet. Ik had nooit veel geloof gehecht aan het lot, dus moest er iets anders aan de hand zijn. Iets wat het daglicht niet verdroeg.

'Denk je dat de mensen aardig zullen zijn?' vervolgde Louis zijn vraag. Ik keek hem even aan, voelde een korte steek van medelijden en probeerde vriendelijk te glimlachen, wat niet echt lukte.

'Ik weet het niet. Ik denk dat ze vooral geïnteresseerd zijn in hoe we elkaar gaan uitmoorden.'

Mijn woorden brachten een geschokte uitdrukking op zijn gezicht teweeg. Ik wendde me van hem af en staarde opnieuw naar de man die mijn vader moest voorstellen. Met zijn grote handen in elkaar geslagen praatte hij op amicale toon met Icarius. De man lachte luidop om mijn vaders grappen en streek om de zoveel tijd door zijn gouden lokken, als om te controleren of deze nog in model lagen.

'… met Rose?' hoorde ik de begeleider opeens vragen. Hij boog zich geïnteresseerd naar mijn vader toe.

'Heel goed,' antwoordde die warm. 'Het is een prachtig meisje.' Zijn gezicht werd zachter en kreeg een liefdevolle uitdrukking. Zelfs zijn strenge mondhoeken krulden wat omhoog en verloren hun scherpte. Zo had hij nooit naar mij gekeken. In mij zag hij slechts de vervelende gevolgen van een kortstondige romance met een, naar zijn bekrompen mening, minderwaardige vrouw.

Ik balde gefrustreerd mijn vuisten en drukte met mijn nagels in mijn vlees. De scherpe pijn hielp me de haat voor mijn vader onder controle te houden. Althans, voor nu. Ik zou niet eeuwig kunnen wachten. Er zou een moment van wraak komen.

De ijzeren deur gleed ten lange leste open en liet een stroom kunstmatig licht binnen. Twee vrouwen kwamen de kamer binnen en knikten onderdanig naar mijn vader en Icarius. Blijkbaar kenden ze elkaar. Toen liepen ze op ons af, bekeken ons al waren we koopwaar en bevalen ons hen te volgen. Louis wierp een angstige blik op mij alvorens recht te staan en naar de vrouwen toe te lopen. Ik volgde zijn voorbeeld, weliswaar met enige tegenzin. Ik wilde mijn vader zo min mogelijk uit het oog verliezen. Ik moest zijn zwakke plekken ontdekken. Ik moest weten waar ik moest toeslaan, en hoe. Waar zou ik zijn pantser kunnen doorbreken?

'Zorg dat je er mooi uitziet, Philtre!' riep Icarius me joviaal toe, en mijn vader keek me vol misprijzen aan. Hij fluisterde iets in Icarius' oor, waar ze beiden hartelijk om moesten lachen. Ik kreeg sterk de indruk dat ik het onderwerp van de grap was geweest.

Woedend beende ik de kamer uit en sloeg de deur met een harde klap achter me dicht. Wat dacht hij wel? Dat hij me zomaar belachelijk kon maken? Hij was nota bene mijn vader! Hij hoorde me te beschermen, maar dat weigerde hij. Hij sloot liever zijn hypocriete ogen voor zijn eigen verantwoordelijkheid. Hij was een lafaard.

'Wel wel, wat hebben we hier?' jubelde een erg lange en magere vrouw. Haar taille was zo dun dat het me oprecht verbaasde dat ze niet doormidden brak. Met haar blauwkleurige haren en zwaar opgemaakte oogleden had ze iets weg van een trotse pauw. Ze liep op me af.

'Ach, wat een schatje!' kirde ze. 'Toch, Laida en Belli? Hier zal Alista heel blij mee zijn!'

Ik had geen idee wie Alista was, maar keek vol onverholen afkeer naar de twee andere mensen. De vrouw had een lijkwit gezicht en asblonde haren. Haar ogen, die onnatuurlijk groot en rond waren, hadden de kleur van gestold bloed. Op haar wang was een gouden kraai getatoeëerd. De man zag er al even bizar en belachelijk uit. Hij droeg een vreemde, kanariegele mantel en had zijn hele lichaam laten bedekken met pluizige donsveertjes, als een vogel in de rui.

Met zachte hand duwde de pauwachtige vrouw me neer op een metalen tafel. Het blad voelde koud aan op mijn huid en ik kreeg terstond kippenvel. Onbewust rilde ik, al wist ik niet zeker of dat enkel door de kilte veroorzaakt werd.

'Haren wassen en borstelen,' mompelde Laida binnensmonds, en ze greep een pluk van mijn bruine haren beet. 'Draag je ze altijd los?' vroeg ze verstrooid, een streng van mijn haar om een vreemd uitziende kam wikkelend. 'Ze zijn best lang en bieden heel wat mogelijkheden!'

Ik haalde slechts mijn fijne schouders op en besloot me niet te bekommeren om wat ze verder met me deden. Het waren duidelijk schoonheidsspecialisten, naar Capitoolse normen uiteraard. Even vroeg ik me bezorgd af hoe ik er binnenkort zou uitzien. Maar dat was allemaal niet van belang. Ik wilde maar een ding, en dat was mijn vader laten boeten voor zijn lafhartig verraad.

'Oh wat een mooie armband!' fluisterde de veertjesman enthousiast. 'Heb je die van je moeder gekregen?' Hij bracht zijn gezicht dicht bij het mijne, en nu pas merkte ik zijn zoete amandelgeur op.

'Mijn tante,' antwoordde ik kort. Ik had geen zin om over tante Cora te praten. Ze was steevast de enige geweest die om me gaf, de enige die zich erom bekommerde of het wel goed met me ging. En nu was ik haar kwijt. Door de Spelen, het Capitool, mijn vader.

Opnieuw vlamde de haat in me op. Onbewust kneep ik mijn handen weer tot vuisten, totdat Belli een pijnlijke kreet slaakte en over zijn vingers streek. Blijkbaar was hij bezig geweest met het vijlen van mijn nagels.

Ik probeerde me te ontspannen, maar dat lukte allerminst. De Hongerspelen maakten me bang, al deed ik nog zo mijn best dat voor mezelf en de buitenwereld te ontkennen. Ik wilde dat ik naar huis kon gaan, mijn tante in mijn armen kon sluiten en een eerlijke kans kreeg op een gelukkig leven.

Maar die kreeg ik niet. Niet nu ik een Tribuut was. Niet nu ik een pion in de Spelen en een marionet waarvan mijn vader de touwtjes in handen zou krijgen was. Ik wist maar al te goed dat ik niet zou hoeven rekenen op zijn hulp als Mentor, zijn leedvermaak tijdens de Boete had dat wel duidelijk gemaakt. Op zijn steun had ik nooit hoeven rekenen, en nu zeker niet.

'Kan je dit even aantrekken, Philtre?' vroeg iemand luid. Aan de toon van haar stem was duidelijk te merken dat het niet de eerste keer was dat ze het vroeg. Ik schudde verontschuldigend mijn hoofd en greep het eenvoudige, witte jurkje beet. Zonder me te bekommeren om de omstaanders trok ik mijn oude kleren uit en wurmde me in het Capitoolse kledingstuk. De stof voelde prettig aan op mijn geoliede huid.

'Zo, nu kan je voor Alista verschijnen,' zeiden ze alle drie tevreden. Ze liepen nog een keertje om me heen en bekeken me vanuit alle verschillende hoeken.

'Een schatje,' concludeerde de pauwachtige vrouw opnieuw. Ik kon het niet nalaten met mijn mond te trekken, want ik wilde helemaal geen schatje zijn. Ik wilde sterk zijn, en voor deze ene keer respect en waardering oogsten.

'Ga jij haar halen?' overlegden ze gezamenlijk, maar ik verloor opnieuw mijn aandacht en speelde verstrooid met de zilveren armband van mijn tante. Even kwam de absurde gedachte in me op dat ze het zou kunnen voelen als ik hem aanraakte. Onzin natuurlijk, maar soms was het fijn in dromen te geloven, al wist ik uit ervaring dat het des te pijnlijker was als deze later niet realistisch bleken te zijn. Dat had ik vaak genoeg meegemaakt.

Met een klap vloog de deur open. Een oude vrouw schreed de kamer binnen en bleef enkele centimeters voor me staan. Ze had prachtige ogen, als zonnestralen op een vijver, en haar gezicht was zacht en rond. Haar haren waren sneeuwwit en hingen in een elegante knot in haar nek. Ze droeg een mooie, rode jurk en bewoog zich erg sierlijk. Ondanks haar leeftijd was ze prachtig.

'Dus jij bent Philtre?' vroeg ze geïnteresseerd, en ze nam mijn handen in de hare.

Ik knikte beduusd en wist niet goed wat ik moest zeggen.

'Wat zou je graag dragen tijdens de ceremonie?' vervolgde ze.

Verbaasd keek ik op. 'Mag ik zelf kiezen dan?'

Alista boog zich naar me toe en fluisterde in mijn oor: 'Ik zou de dochter van Mykel Grening toch niets kunnen weigeren.' Ze trok zich terug en glimlachte minzaam.

Mijn gedachten raasden alle kanten op. Hoe kende ze mijn vader, maar belangrijker, hoe wist ze dat ik zijn dochter was? Kon ik haar vertrouwen? Of was ze ingehuurd om me te bespioneren? Vertwijfeld schudde ik mijn hoofd. 'Ik weet het niet,' mompelde ik uiteindelijk.

'Hmm,' was haar karige antwoord. Ze liep de kamer uit, en pas nu besefte ik dat de anderen al vertrokken waren, en kwam even later terug met een hele hoop jurkjes. 'Eerst de kleur dan maar?'

Ik knikte afwezig, nog steeds erg in de war door haar woorden. Ik had zo veel vragen, maar kon ik ze stellen zonder mijn eigen doodsvonnis te tekenen? Mijn vader was erg goed in liegen en manipuleren, had hij deze vrouw ook zo in zijn macht gekregen?

'Je bent aan het dromen, Philtre,' merkte ze glimlachend op. 'Mag ik ook weten waarover?' Ze keek me vragend aan en trok ondertussen een groen jurkje over mijn hoofd. Peinzend schudde ze haar hoofd, iets mompelend over de verkeerde kleurencombinatie.

'Ik dacht aan...' begon ik, maar ik had geen flauw idee wat ik wilde zeggen. De waarheid was te gevaarlijk, een leugen te doorzichtig. Misschien was een middenweg de beste oplossing? 'Mijn familie,' besloot ik toen aarzelend. 'Ik mis hen.'

'Ja,' antwoordde Alista mysterieus. 'Ik zou mijn vader ook missen als hij vlakbij was, en toch buiten mijn bereik.'


Zo, hier is dan eindelijk het nieuwe hoofdstuk! Het heeft lang, maar dan ook heel lang, op zich laten wachten. Excuses zijn dan ook wel op hun plaats vind ik. Bij deze: het spijt me dat ik jullie zolang heb laten wachten. Allerhande zaken maakten het mij vrijwel onmogelijk om te schrijven, en er leek maar geen einde aan te komen. Maar kijk, hier zijn we weer. :)

Ik wil ook iedereen bedanken die me motiverende en steunende berichten heeft gestuurd! Ik waardeer dat heel erg en ben jullie erg dankbaar. :) Verder dank ik jullie, lezers, voor het geduld en hoop ik dat jullie nog steeds verder willen lezen. Want ondanks de lange stilte, wil ik dit verhaal echt afwerken! Ik ben weer helemaal gemotiveerd en zie het weer zitten. :)

Over dit hoofdstuk dan maar! Wat vonden jullie ervan? Konden jullie je de Tributen nog goed herinneren? Wat vind je van Narcissus, het nieuwe personage? Vergeet zeker niet te reviewen! Ik ben heel benieuwd naar jullie meningen over het hoofdstuk! :)

De antwoorden op de vragen van het vorige hoofdstuk:

1) Aan welke beperking lijdt Collin? Collin, zoon van de burgemeester van District 7, is doof.

2) Erom gedroeg zich heel anders dan tijdens de Boete. Dit omwille van een kleurverandering. Welk zintuig overheerste er deze keer? Deze keer overheerste het zintuig reuk.

De vragen over dit hoofdstuk:

1) Welke POV houdt verband met de Proloog van het verhaal? Een wat vage vraag, maar misschien was het duidelijk genoeg!

2) Waarom reageerde Midas plotseling zo boos op Medea's getreiter? Eerst negeerde hij haar namelijk.

En dan nog...

De Puntentelling

Azmidiske87: 55
Jade Lammourgy: 46
LeviAntonius: 46
SirWalshingham: 45
Strawberrychickk: 43
Indontknow: 35
MadeBy Mel: 34

Serenetie – Ishida: 33
Livingtreetrunk: 20
boekenworm: 17
Zacksteel: 17
Lyannen: 16
MyWeirdWorld: 16
Tiger Outsider: 16
silk tiger: 12
evalovespeeta: 10
Mara: 10
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
mjg43: 4

Zo, ik doe mijn uiterste best over 2 weken te posten!

Marie :)