Vooraleer je dit hoofdstuk leest: Dit is dus het derde Capitoolhoofdstuk! Het tweede verving een A/N en daar heb je dus geen melding van gekregen. Als je dus nog niets gelezen hebt over de aankomst van de Tributen, verwijs ik je vriendelijk door naar het vorige hoofdstuk van dit verhaal.
Weet je dit allemaal al? Prachtig. Dan kan je hier het vervolg lezen. :)


Capitool 3: De Strijdwagens

Sakura Nobunaga (15) – District 6

'Het lijkt wel alsof haar huidverf verkeerd is uitgeslagen!'

De man sloeg vol walging zijn hand voor zijn blauwe lippen. 'Denk je?' vroeg hij geschrokken. 'Ik snap niet dat ze zichzelf kan aankijken in de spiegel!' Hij rilde ostentatief en kneep zijn ovaalvormige ogen tot spleetjes. 'Alleen al het idee!' Hij wendde zich tot mij. 'Hoe doe je dat, meisje?'

Met opgetrokken wenkbrauwen keek ik hem aan. 'Dat is heel eenvoudig,' antwoordde ik bars. 'Ik kijk niet in spiegels. En nee, ik heb mijn huid niet geverfd. Dit is gewoon mijn natuurlijke huidskleur!'

Mijn woorden leverden een nieuwe discussie op, maar ik deed niet de moeite er naar te luisteren. Ze kraamden toch enkel onzin uit, en ik had geen zin me nog langer door hen te laten beledigen.

'Camilla, kan je even je ogen sluiten?' Ik schrok op en keek de vrouw met gouden krullen verbaasd aan. Ik vergat steeds hoe ik heette. Camilla, de naam van mijn zusje, en nu zou het mijn naam zijn. Er was geen weg meer terug. Ik zou de leugen moeten volhouden tot aan mijn dood, dat stond vast. Maar het was het waard. Ik had Camilla en haar ongeboren kindje kunnen redden, dat moest ik voor ogen houden. Wat er ook gebeurde, ik nam mezelf voor dat nooit te vergeten.

'Je ogen, Camilla!' herhaalde een van de vrouwen opnieuw. Ik keek haar nog steeds verward aan en sloot toen mijn groene ogen. Misschien was dat maar beter ook. Dan hoefde ik tenminste niet te zien in wat voor een onding ze me zouden laten paraderen. Uit kijkervaring wist ik namelijk dat de kostuums van de Tributen steevast vreselijk waren. Daarmee vergeleken waren de truttige jurkjes die mijn moeder me liet dragen bijna mooi te noemen. Bijna, weliswaar.

Ik voelde overal handen op mijn lichaam. Elke millimeter van mijn huid leek te gloeien door de oliën die ze erop hadden gesmeerd. Mijn haren waren al driemaal gewassen en gekamd en hingen nu in een nette vlecht op mijn rug. Ze kriebelden tegen mijn naakte huid.

Een koude rilling bekroop me toen een van de schoonheidsspecialisten – al vond ik ze eerder op menselijke karikaturen lijken – met een soort mechanische luchtblazer mijn haren droogde. Ik kreeg onmiddellijk kippenvel en sloeg mijn armen beschermend om me heen.

'Goed, ik denk dat je nu wel je outfit kan passen.'

Met een zwierige tred liep de mannelijke kleder weg en verdween door een metalen deur. De kamer waarin we ons bevonden was verder erg karig ingericht. De muren waren van wit marmer, net als de vloer. Aan het plafond hing een vreemde lamp, waarvan je de lichtsterkte kon regelen met een schakelaar. Ik had ze die meerdere malen zien gebruiken tijdens mijn schoonmaakbeurt.

De man kwam terug, met een andere man in zijn kielzog. Meteen wist ik dat ik een hekel aan hem had. Zijn gezicht was hoekig en onnatuurlijk plat. Zijn ogen glommen als diamanten en staarden me recht aan. Hij droeg een zwarte mantel, maagdelijk witte schoenen en een bloedrode das.

'Ah, Camilla,' zei hij zacht. 'Onze nieuwe heldin is gearriveerd.' Zijn lippen krulden om tot een sarcastische grijns. 'Je bespaart me alweer wat werk. Ik had echt geen zin om nog een hele hoop jurken te ontwerpen voor de Zegetoer.' Zijn scherpe tanden glinsteren in het felle licht.

'Graag gedaan,' antwoordde ik gemaakt vriendelijk, en ik maakte een bespottelijke reverence. Mijn moeder zou zich de ogen uit haar kop schamen als ze me op deze manier tegen een vooraanstaande man zag praten. Maar mijn moeder was hier niet, en ik was niet van plan me door die engerd te laten kleineren.

'Hmmm,' was zijn zuinige antwoord. Hij liep om me heen, mompelde wat in zichzelf en zei toen duidelijk hoorbaar: 'Te klein, te kinderlijk, niet echt knap, en wat – hij laste een betekenisvolle pauze in – gelig?'

Ik probeerde trots voor me uit te kijken, maar mijn façade was makkelijk te doorzien. In gedachten ging ik de zaken na die me kracht en zelfvertrouwen schonken. Mijn drielingzussen, mijn lieve vader en strenge moeder en mijn tochten door de bossen. Als ik erg mijn best deed, kon ik de geur van thuis nog ruiken. Gras, de bloemige geur van Cami, de lavendelzeep die Rea gebruikte om moeder te helpen bij het poetsen, de geur van vers brood. Thuis. Al die geuren kwamen samen in dat ene gevoel. Als vanzelf tastte ik naar mijn geweven grasarmbandje, maar tot mijn grote ontsteltenis zat het niet langer rond mijn pols.

'Waar is mijn armband?' riep ik overstuur. Ik keek iedereen om beurten aan en speurde de grond af. Het moest hier ergens zijn. Ik mocht het niet verliezen, het was het enige wat me nog verbond met mijn familie en veilige thuishaven.

'Ik heb geen armband gezien,' verklaarde de vrouw met gouden krullen verveeld. 'Jullie wel?'

Haar collega schudde het hoofd, maar leek zich toen te bedenken. 'Er was dat grasdingetje.'

Zonder het te beseffen liep ik op de vrouw af. 'Waar is het?' schreeuwde ik luid. Ik schudde haar hard door elkaar en voelde mijn woede opborrelen. Mijn handen zaten om haar in satijn gehulde armen geklemd.

'Ik heb het weggegooid!' antwoordde die boos, en ze trok zich los. 'Wist ik veel.'

'Weggegooid?' herhaalde ik ongelovig. Mijn woede was verdwenen en maakte plaats voor verslagenheid. Ik was nog maar een dag in het Capitool en ze waren er reeds in geslaagd me mijn thuis af te nemen. Achteloos en zonder schaamte hadden ze mijn verleden weggegooid.

De Stylist greep me bij de arm en sleurde me naar een krukje. 'In de Arena groeien vast wel wat grassprieten voor een nieuwe armband, dus laten we ons nu focussen op belangrijke zaken. Ja? Kan dat? Of zijn er nog zaken waar je een emotionele band mee had? Die modderspetters op je schoen misschien, of dat plukje verwijderd stro uit je haar?'

Zijn assistenten lachten luid. 'Erg grappig, meneer Moonfield!' hikte de man met blauwe lippen.

De Stylist negeerde hen volkomen en haalde een grote tas tevoorschijn. Vol bange voorgevoelens kneep ik mijn ogen tot speetjes. Ik wist niet zeker of ik de inhoud wel wilde zien.

Het stuk stof dat hij eruit haalde zag er niet uit als een herkenbaar kledingstuk. Pas toen hij het helemaal had uitgerold en voor me hield, zag ik wat het was. Ik slikte hoorbaar.

'Voelt de juffrouw zich emotioneel stabiel genoeg om haar kostuum te passen?' vroeg de Stylist met een hatelijke ondertoon in zijn hoge stem.

Boos graaide ik het onding uit zijn handen. Ik wurmde me in het kledingstuk, dat als een maillot rond mijn lichaam spande en zowel mijn armen als benen onbedekt liet. De stof was vleeskleurig en ik kreeg het onaangename gevoel dat ik er naakt zou uitzien.

'Prachtig!' jubelde iemand en er werd enthousiast geklapt.

'Het is nog niet af,' snauwde de Stylist venijnig. 'Denk maar niet dat je promotie zal maken door mij te paaien, Doreah!' Er viel een ijzige stilte.

Hij ging aan de slag met een soort penseel en tekende rode lijnen op de maillot en mijn huid. Ik durfde niet te vragen wat hij aan het doen was, maar veel erger kon het toch niet worden? Of wel? Ondertussen hadden de anderen opdracht gekregen mijn haar kunstig op te steken en er versierde injectiespuiten in te verwerken. Met een pijnlijke prik doorboorden ze mijn oren en hingen er scalpelvormige oorbellen in. Mijn ogen werden nogmaals geschminkt.

Uiteindelijk waren ze klaar en duwden een spiegel voor mijn neus. Geschrokken deinsde ik achteruit, want het schepsel dat terug staarde leek in niets op mezelf. Haar hele lichaam dat, zo zag ik nu, werkelijk naakt oogde, was overdekt met bloedrode lijnen en bizarre naaipatronen. Meteen zag ik wat ze moesten voorstellen.

'Bloed en wonden,' zei ik walgend. 'En hechtingen.'

'District zes,' vatte mijn Stylist samen.

Vol afschuw keek ik hem aan. Er waren heel wat dingen die ik zou willen zeggen, maar er kwam geen woord over mijn lippen. Het zou toch niets uitmaken. Zijn oren waren doof voor redelijkheid. Ik tastte opnieuw naar mijn armband, om me ervan te weerhouden helemaal gek te worden, maar besefte op het laatste ogenblik dat die verdwenen was. Opeens wilde ik niets liever dan zo snel mogelijk naar buiten gaan.

'Krijg ik mijn schoenen? Dan kan ik gaan,' zei ik zo neutraal mogelijk.

'Je gaat blootvoets,' zei hij bars. 'Schoenen of niet, je bent toch klein.'

Ik keurde geen van hen nog een blik waardig en liep naar de ingang van de kamer. Toen ik de deur opengooide en in een grotere ruimte terechtkwam, keek ik alle kanten op, maar Mentho was er nog niet.

'Oh, Camilla! Jij ziet er indrukwekkend uit!' zong Mimi Doros vrolijk. Ze kwam naar me toe op haar metershoge hakken en kuste me zusterlijk op de wang. 'Je zult het fantastisch doen!' fluisterde ze me in het oor. Van dichtbij zag ze er heel bleek uit, ziekelijk bleek zelfs.

'Ik zie eruit als een gestoorde psychopaat,' flapte ik eruit. Wat maakte het ook uit dat ze mijn ware mening hoorde? Zij was maar een naïeve begeleidster.

Haar gezicht betrok even, maar haar lippen plooiden snel weer om tot een geforceerde glimlach. Ze frunnikte aan haar zilverkleurige jurk. 'Sangus Moonfield is een gerenommeerd Stylist. Het is een eer één van zijn creaties te mogen dragen, Camilla. Hij zal je helpen de andere Tributen te intimideren. '

Ik wilde haar vertellen dat ik helemaal niet intimiderend wilde zijn, maar op dat moment kwam Mentho binnen. Zijn kostuum leek erg op het mijne, en hij leek er allesbehalve tevreden mee te zijn. Dat begreep ik volkomen.

'De bedrijfstakken van District zes zijn geneeskunde en transport,' zei hij verongelijkt. 'Camilla en ik komen rechtstreeks uit een nachtmerrie.' Hij kwam naast me staan en schonk me een bemoedigend knikje. Ik deed mijn best een glimlach tevoorschijn te toveren om hem te bedanken.

'Des te beter,' zei Mimi zenuwachtig. 'De anderen zijn gewaarschuwd!' Ze stak triomfantelijk haar vuist in de lucht, maar liet die toen trillend weer zakken.

'Gaat het goed met u?' vroeg Mento op bezorgde toon. 'U oogt erg bleek.'

Mimi schudde haar hoofd en begon in de richting van de koetsen te lopen. Opeens draaide ze zich om, opende haar mond om wat te zeggen, en leek zich toen de verslikken. Met een gesmoorde kreun belandde ze op de grond en bleef er rillend liggen. Wanhopig tastte ze naar haar hals.

Meteen liep Mentho op haar af. Aangespoord door mijn nieuwsgierigheid volgde ik zijn voorbeeld en knielde neer naast de lijdende vrouw. Onbewust had ik medelijden met haar. Ze zag er zo jong uit, zo ongeschonden en vol levenslust. Ik moest mezelf eraan herinneren wie ze was. Het Capitool, de vijand.

'Camilla! Je moet hulp halen. Ik denk dat ze een allergische reactie heeft. Het is dringend!' Mentho wendde zijn ogen niet van Mimi af en hield zijn wijsvinger op haar pols gedrukt. Zijn mond vertrok.

Ik kwam niet meteen in actie. Mijn voeten weigerden dienst en ik bleef bewegingsloos zitten. Ik hoorde Mimi steeds moeizamer naar adem snakken.

'Camilla!' schreeuwde Mentho nu. 'Loop naar je Stylist. Zeg dat ze een arts moeten halen. Breng injecteerbare adrenaline mee. Ga nu!'

Nog een laatste verwarde blik, en toen zette ik het op een lopen. Ik dacht aan Mentho, die zonder enige aarzeling het leven van zijn vijand probeerde te redden. Ik wist niet of ik hetzelfde zou doen. Misschien maakte dat van mij een slecht mens.

Ik liep door.


Lisetta Mair (42) – Burgemeestersvrouw van District 5

Mijn zoon had nog geen woord gesproken sinds de Boete was afgelopen. Met grote ogen stond hij naar buiten te staren, zijn handen tot vuisten gebald. Om zijn mond speelde een verbeten trek, alsof hij zijn uiterste best deed niet in tranen uit te barsten. Misschien was dat ook wel zo. Maar hij was mijn zoon, dus vroeg ik hem niet bij mij te komen uithuilen. Dat zou hij vernederend vinden. In plaats daarvan had ik hem een kopje gezoete muntthee gebracht, hem even door zijn haren gewoeld en hem verder alleen gelaten. Iemand verliezen was iets wat je op je eigen manier en tempo moest verwerken, en ik zou hem de tijd geven die hij nodig had. Al duurde het jaren.

Cilla was al even geschokt, maar haar verdriet vertolkte zich in tranen en hysterische huilbuien. Ze sloot zich op in haar kamer en gooide dure spullen kapot. Net nog had ze een glazen miniatuurtreintje laten sneuvelen. Maar ik was haar moeder. Ik raapte de scherven op, veegde haar tranen weg en wikkelde een deken om haar heen. Ze was gekalmeerd en snikkend in slaap gevallen.

Maar nu moest ik hen even loslaten en aan mijn andere dochter denken. Zij had me nu meer dan ooit nodig. In gedachten zag ik haar behuilde wangen voor me. Haar kleine handen zouden in blinde paniek bloederige krassen maken op haar magere armen en benen. De dokters zouden haar moeten kalmeren en in slaap brengen. Versuft zou ze wegzakken in de kussens.

Met mijn handtas aan mijn arm en de sleutels in mijn hand sloot ik de achterdeur. Mijn man had me niet zien vertrekken, wist ik. Hij sloot zich al dagenlang op in zijn bureau. Voor deze ene keer kwam dat echter goed uit. Ik wilde geen problemen.

Het was een saaie wandeling naar de instelling, maar toch verkoos ik te voet te gaan. Uit ervaring wist ik dat ik de tijd in de buitenlucht nodig had om alles te verwerken wat ik er zag. Meer dan eens hadden de tranen me in de ogen gestaan bij het verlaten van het grauwe gebouw.

Toen ik Rozenkind in het oog kreeg, begon het zachtjes te miezeren. Ik versnelde mijn pas en haastte me naar het portaal van de ingang. Ik nam de treden van het opstapje met twee tegelijk en was net binnen toen de kleine bui plaatsmaakte voor een heuse wolkbreuk. Rillend klopte ik op de deur en sloeg mijn mantel wat strakker om me heen. Als het regende kreeg ik het steeds koud. Alsof het water alle warmte wegspoelde.

'Mevrouw Mair, wat fijn dat u langskomt!' begroette Mallie me hartelijk. Ze was een erg aardige vrouw met engelengeduld. Rode krullen, heel wat sproeten en een gemoedelijke glimlach. Bij haar voelde ik me welkom.

Ik kuste haar op de wang en sloot de deur achter me. De hal waarin we ons bevonden was karig ingericht. Ik haalde een enveloppe tevoorschijn vanonder mijn mantel en stopte hem in Mallies hand. Ze knipoogde. 'Heel vriendelijk, mevrouw Mair. Dank u! Uw geld zal goed besteed worden! Ik kan nauwelijks beschrijven hoe gelukkig onze bewoners waren toen ze uw vorige gift zagen. De piano heeft al heel wat kinderen voor zich gewonnen ondertussen.'

Ik glimlachte warm en keek haar toen bezorgd aan. 'Hoe gaat het met Gaille? Is ze...?'

De ogen van de vrouw verloren wat van hun kracht. Ze boog haar hoofd en speelde met de envelop in haar handen. Ik zag haar mondhoeken even trillen alvorens ze het woord tot mij richtte.

'Ze is geschokt en heel bang. We hebben haar moeten kalmeren.'

'Kan ik haar zien?' vroeg ik zonder omwegen. Gaille had me nodig. Ze was mijn dochter, mijn meisje, en als moeder was het mijn plicht haar monsters te verslaan als zij dat zelf niet kon.

Mallie knikte. 'Natuurlijk.'

Ik volgde haar de hal door en de trappen op. Ik wist dat Gailles kamer zich op de tweede verdieping bevond, maar vaak was ze te vinden in het atelier. Tussen haar schilderspullen en tekeningen voelde ze zich heel wat veiliger dan in de echte wereld. Soms kon ik haar dat niet kwalijk nemen. Met haar penselen schiep ze de wereld zoals zij die wilde. De realiteit was vaak veel minder mooi.

We hielden halt voor een houten deur. Mallie klopte enkele keren en duwde de deur toen open. Ik volgde haar op de voet en ademde de geur van olieverf in. Gailles geur.

Helemaal ineengedoken zat ze in het verste hoekje van de kamer. Zachtjes wiegde ze heen en weer op haar hurkje, als om zichzelf te troosten. Ik had haar dat wel vaker zien doen.

'Gaille,' begon Mallie vriendelijk maar behoedzaam. 'Je moeder is hier.' Ze wenkte me dichterbij en nam zelf een paar passen naar achteren. Ik knielde neer bij mijn dochter en strekte voorzichtig mijn hand naar haar uit. Op het moment dat mijn vingers haar haren raakten sprong ze overeind en keek me doodsbang aan. In haar ogen was geen herkenning te lezen, enkel paniek. Ik liep naar haar toe, mijn handen duidelijk zichtbaar, de palmen omhoog, en bleef op een pas afstand van haar staan.

'Ik ben het, Gaille,' zei ik zacht. 'Mama.'

Het meisje leek in elkaar te zakken en liet zich in mijn uitgestrekte armen vallen. Ze huilde hartverscheurend en klampte zich wanhopig aan me vast. Radeloos streelde ik haar zwarte haren en drukte een moederlijke zoen op haar kruin. Ik voelde me machtelozer dan ooit.

Op de achtergrond hoorde ik Mallie vertrekken, maar ik had enkel nog oog voor mijn dochter.

'Ze hebben Erom weggehaald,' snikte ze. 'Erom gaat dood, mama! Ik probeerde hem te helpen, maar hij veranderde naar Oranje en toen – '

'Sssst,' suste ik haar. 'Jij hebt je best gedaan, lieverd. Nu moet Erom zijn best doen.' En Victa, voegde ik er in gedachten aan toe. Maar wie van hen gunde ik de overwinning? Mijn zoon was verloofd met Victa, en ze was Cilla's beste vriendin. Maar Gaille hield van Erom. Als die twee samen waren leek niets anders nog van belang voor hen. Ze kon niet verder zonder hem. Hij was haar vriend, haar broer, haar zielsverwant. Die mocht niemand van haar afpakken. Zelfs Victa niet.

'Heb je nog geschilderd, lieverd?' probeerde ik haar af te leiden. Ze maakte zich los uit mijn omhelzing, liep naar een van de schildersezels en nam een tekening in haar handen. Behoedzaam kwam ze dichterbij.

Het talent van mijn dochter schokte me opnieuw. Ik wilde dat mijn man dit kon zien, dat hij zou begrijpen dat Gaille andere kwaliteiten had. Maar hij had haar al ruim tien jaar niet meer gezien of gehoord. Toen bleek dat Cilla's tweelingzusje onmogelijk normaal kon functioneren, hadden we haar hierheen gebracht. Iedereen dacht dat ze dood was, zelfs Cilla en Trin. Mijn man had haar nooit willen opzoeken. Hij zei dat ze niet langer deel uitmaakte van ons leven, dat ze een schande voor de familie was, maar ik was haar moeder. En moeders vergeten hun kinderen niet.

'Het is prachtig, Gaille,' fluisterde ik naar waarheid. Haar schilderij toonde twee paar ogen. Die van haar, en de bijzondere ogen van Erom. Zij huilde zilveren tranen, hij rode bloeddruppels. Het bloed en de tranen vermengden zich met elkaar en vormden een lugubere plas aan de onderkant van het blad. Ik kreeg er kippenvel van.

'Het is de toekomst,' antwoordde mijn dochter gesmoord. 'Erom gaat dood, en ik ook.'

Er liep een koude rilling langs mijn ruggengraat naar beneden. Ik greep Gailles fijne handen in de mijne en drukte ze tegen mijn lippen. 'Jij gaat niet dood, lieverd. Hier ben je veilig. Erom is heel sterk. Hij moet zijn best doen om te overleven.'

Er viel een stilte. Ze klampte zich opnieuw aan me vast en bevochtigde mijn mantel met haar tranen. Ik aaide haar haren en sprak haar troostend toe. Maar ik kon haar niet geven wat ze wilde. Ik kon haar Erom niet teruggeven. Eerst had ik haar haar geboorterecht en familie afgenomen, en nu verloor ze de persoon die het allerbelangrijkst voor haar was. Wat voor een moeder liet dat met haar dochter gebeuren?

'Erom komt vandaag op de televisie,' mompelde ze opeens.

Ik schrok op uit mijn overpeinzingen. 'Ja, dat klopt. Maar we hoeven niet te kijken.'

'Ik wil kijken.'

Haar blauwe ogen keken me strak aan. Ik had mijn dochter zelden zo vastberaden gezien. Ze greep mijn hand vast en begon me in de richting van de deur te trekken. Ik stribbelde niet tegen en liet me futloos meesleuren. Mijn hart kromp echter in elkaar als ik dacht aan wat ons te wachten stond.

'Waar gaan we heen, lieverd?' vroeg ik toen we ons op de gang bevonden. Gaille liep doelbewust naar de trap en begon die af te dalen. Er heerste een drukkende stilte in het gebouw.

'Naar de recreatiezaal. Daar is de televisie.'

In gedachten verzonken volgde ik haar de gangen door. Het voelde vreemd aan dat Gaille dit als haar thuis beschouwde, dat ze de gangen beter kende dan het District waarvan haar vader burgemeester was, en dat ze een hechtere band had met Mallie dan met haar eigen broer of zus.

De recreatiezaal was vrij klein. Er stonden enkele banken en een oude tafeltennistafel. In de hoek bevond zich een log, ietwat gedeukt televisietoestel. Ik hoopte dat ze mijn geld zouden gebruiken om de zaal wat op te vrolijken.

Samen met Gaille nam ik plaats op een van de banken. Er zaten nog een vijftal jongeren in de kamer, maar geen van hen keek naar het televisiescherm. Ze waren verzonken in een merkwaardig kaartspelletje en communiceerden aan de hand van gebaren.

De parade was al bezig. Een snelle blik op het scherm had me dat meteen verteld. De Strijdwagen van District twee verdween net uit het zicht en maakte plaats voor de volgende. Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar Gaille, die als versteend op de bank zat. Ze knipperde niet eens met haar ogen. Ik was bang dat ze weldra zou beginnen panikeren en klemde haar hand tussen de mijne.

De kinderen in de derde wagen zagen er vrij normaal uit. Ze droegen zwarte, aansluitende kledij met fonkelende lichtjes erop. In de haren van het arme meisje waren gloeiende elektriciteitskabels geweven. Het moedige kind deed haar best het hoofd rechtop te houden, in tegenstelling tot de kleine jongen, die bang naar de camera's keek.

De wagen van District vier verscheen in zicht, maar ik was zo nerveus voor Gailles reactie dat ik nauwelijks oog had voor de twee Tributen. Hun rode haren vielen me op. De jongen keek arrogant en agressief, het meisje woedend en geïrriteerd. Geen goede vrienden blijkbaar.

En daar was dan eindelijk Erom. Zijn lichaam was volledig besmeurd met een glanzende, zwarte vloeistof. Het was niet moeilijk te raden waar de Stylist zijn inspiratie vandaan had gehaald. Ook al had ik hem nog nooit in werkelijkheid ontmoet, toch herkende ik hem meteen. Gailles schilderijen waren meer dan levensecht. Zijn ogen leken me recht aan te kijken, me te veroordelen voor wat ik mijn dochter aandeed.

'Laat haar niet in de steek,' zeiden ze. 'Niet nogmaals.' Ik kreeg het erg koud.

Gaille had zich nog steeds niet bewogen. 'Lieverd?' vroeg ik zacht. 'Lieverd, gaat het?'

Eerst bleef elke reactie uit. Toen begon ze hysterisch te huilen en sloeg in het wild om zich heen. Haar nagels krasten over haar armen en lieten er rode strepen op achter. Ik probeerde haar te kalmeren, maar wist dat het hopeloos was.

Mallie en een andere verzorgster kwamen naar binnen gerend en sloegen hun armen om Gaille heen. Ze spraken haar toe, dwongen haar iets op te drinken en leidden haar de kamer uit. Ze wierpen een verontschuldigende blik in mijn richting.

Versuft bleef ik zitten. Eroms ogen leken zich nog steeds in de mijne te boren. De tranen kropen over mijn wangen terwijl ik naar de uitgang rende en de deur open smeet. Ik kon hier niet langer blijven. Ik moest hier weg, en snel.

En Gaille ook. Weldra was ze Erom kwijt, er was niets wat ik kon doen om haar te helpen. Maar ik zou haar niet in de steek laten, niet nog eens. Mijn man kon zeggen wat hij wilde, ze was onze dochter. Ik zou haar daar weghalen en meenemen naar haar broer en zus. Naar haar ware familie.

Naar huis.


Ylva Velius (13) – District 7

Dat stom stuk stof belemmerde mijn zicht. Met een harde ruk trok ik eraan en kwam mijn hoofddeksel – dat blijkbaar een boomstronk moest voorstellen – los. Achteloos gooide ik het op de grond en keek toe hoe het onder de wagen rolde. Met een tevreden grijns haalde ik mijn rode en vers gewassen bandana vanonder mijn struikachtige jurk tevoorschijn en bond hem om mijn hoofd. Ik had verdomme wel iets beters te doen dan bomen imiteren.

Die grote sukkel naast me keek nog steeds flauw glimlachend voor zich uit. Hij zag er nog belachelijker uit dan ikzelf, met zijn boswachtersuniform en de rottende bladeren in zijn haar.

'Schuif 'es op, wil je? Ik heb bijna geen plek en die kar gaat vertrekken. Ik heb geen zin eruit te vallen,' snauwde ik hem toe. Ik hoopte maar dat zijn garnalenbrein die informatie kon verwerken. Tijdens de treinreis had ik niet de moeite genomen hem te leren kennen. Er waren tenslotte heel wat andere zaken geweest die mijn aandacht trokken. Het zilveren bestek was mijn eerste buit geweest. Nadien volgden ingelegde robijnen, lappen zijde en als pronkstuk van mijn verzameling de gouden ring van de begeleider. Het was me gelukt ze tot in het Capitool te smokkelen, en nu zaten ze veilig verstopt onder mijn irritante jurk. Rijkdom betekende macht in de Districten. Het Capitool was vast niet anders, in tegendeel. Blijkbaar waren de mensen hier nog makkelijker om de tuin te leiden dan thuis.

'De andere kant, idioot,' sneerde ik, toen mijn reisgenoot bijna de kar uitstapte en wankelend zijn evenwicht hervond. Met zijn lange armen wapperend, greep hij mijn arm beet.

Agressief schudde ik hem van me af. 'Die kant, sukkel,' riep ik.

'Welke kant?' herhaalde hij beleefd. Hij staarde me dom aan. Ik wees naar links en sloeg mijn opvallend blauwe ogen ten hemel.

'Ik ben blind, Ylva,' zei hij toen vriendelijk, en hij glimlachte zelfs. 'Had je dat nog niet gemerkt?'

'Nee, ik dacht dat je gewoon stom was,' antwoordde ik ongeïnteresseerd en naar waarheid. Maar zijn blindheid schiep mogelijkheden die ik eerst niet gezien had. Om er zeker van te zijn dat hij me niet voorloog bracht ik mijn vingers tot vlak voor zijn ogen en deed alsof ik hem wilde steken. Hij gaf geen krimp.

'Stekeblind,' mompelde ik vrolijk, en verbaasd staarde ik naar mijn eigen vingernagels, die geen spoortje modder meer vertoonden en belachelijk genoeg groen waren gelakt.

'Je lijkt Basil wel, die is ook zo onhandig,' zei ik onbewust, en ik speurde ondertussen de omgeving af. Mijn dieveggekwaliteiten stonden me toe dat heel subtiel te doen, en ik merkte dat inderdaad niemand in de gaten had dat ik hen bespioneerde. Dat was dan ook mijn werk, en die blinde mol had me het zonet heel wat makkelijker gemaakt.

'Wie is Basil?' onderbrak hij mijn gestaar. Geïrriteerd keek ik hem aan, wat erg lastig was gezien het lengteverschil tussen ons.

'Een jongen,' antwoordde ik mompelend en ik streek door mijn nette haren. Ze roken naar iets raar. Aardbeien ofzo. Wie wilde er nu naar eten ruiken? Aardbeien at je op, je smeerde ze niet in je haren. Het Capitool was nog dwazer dan ik had vermoed.

'Is hij je vriend?' ging hij verder.

Ik haalde mijn knokige schouders op, besefte dat die blinde idioot dat niet kon zien en zuchtte geërgerd. 'Hij slaapt op dezelfde plek als ik.'

'Is hij je broer dan?' drong mijn Districtpartner aan. Ik begon me steeds meer aan hem te irriteren en besloot hem de komende dagen te mijden. Het was nu niet bepaald moeilijk me voor hem te verstoppen, bedacht ik grinnikend. Aan een blinde bondgenoot had ik toch niets, en bijster slim was hij ook al niet blijkbaar.

'Ik heb geen broer,' antwoordde ik bot. 'En hou je mond 'es, wil je? Ik ga mijn tijd niet verdoen met naar jouw flauwekul te luisteren.' Ik keurde hem geen blik meer waardig en keek opnieuw om me heen. Het meisje en de jongen uit acht hielden elkaars hand vast. Het meisje struikelde over haar meterslange jurk van gouden zijde en viel plat op de grond. Ik grijnsde vrolijk.

'Wat is er zo grappig?' klonk zijn irritante stem opnieuw.

'T' is niet omdat je blind bent dat ik aardig tegen je moet doen,' gromde ik bijtend. Hij hield eindelijk zijn mond en ik ging verder met mijn gestaar. Elke Tribuut zag er ronduit belachelijk uit. In het Dievengilde liepen kinderen rond die er beter gekleed uitzagen dan hen. Behalve de jengelende keuters misschien, want die liepen vaak naakt rond, slechts gekleed met de zielige blik in hun ogen.

De kar voor de onze leek eindelijk te vertrekken. Ik kon nog net zien hoe het meisje en de jongen kwamen aangehold en haastig het rijtuig werden in geholpen. Ze zagen er allebei nogal verkreukeld uit. Ik vroeg me af waarom ze zo'n haast hadden.

'Lijkt het Capitool op thuis?'

Ik begon wurgneigingen te krijgen van die jongen. Zelfs die vervloekte Capitoolsufferd stelde niet zo veel vragen. Die had na twee dodelijke blikken wel begrepen dat ik niet zat te wachten op zijn vaderlijke gedrag. Jammer genoeg leek Jorge dat niet door te hebben. Misschien wel omdat hij mijn dodelijke blikken niet kon zien.

'Nee.' Mijn stem klonk bars en kortaf. De kar kwam in beweging en door de schuddende beweging van het voertuig moest ik mijn handen op de steun leggen om niet om te vallen.

Het gejoel van de hysterische Capitoolinwoners was irritant. Ik kon mezelf nog amper horen ademen. Overal om me heen stonden mensen me aan te gapen, als een stel domme apen in een dierentuin. Hun blikken deden me denken aan hoe Basil naar de vitrine van de bakkerij keek. Alsof hij met zijn ogen alleen al de heerlijke gebakjes kon proeven.

Ik kreeg het erg warm. De groene jurk spande strak om mijn lichaam en gaf me amper ademruimte. Het zweet liep reeds in straaltjes over mijn rug, maar ik kon dat ding onmogelijk uittrekken zonder mezelf voor schut te zetten.

'Ik heb het ook warm.'

Zonder te reageren op wat hij zei keek ik achterom. De Tributen uit acht hielden nog steeds elkaars hand vast, maar keken bang naar de verzamelde menigte. Het waren allemaal angstige hazen, wist ik. Ze zouden snel naar hun moeder lopen bij het eerste gevaar. Maar ik niet. Ik had altijd mijn eigen problemen opgelost, en dat zou ik nu ook doen. Ik had echt geen zin om te sterven in die idiote Arena. Met de gouden ring zou ik voor het eerst sinds jaren een echte maaltijd kunnen betalen. En dat zouden ze me niet afpakken. Echt niet.

'Is het nog ver, Ylva?' De manier waarop hij mijn naam uitsprak beviel me niet. Hij zei het alsof we elkaar al jaren kenden, alsof we vrienden waren. Het werd tijd hem van die illusie af te helpen.

Met een harde duw tegen zijn zij bracht ik hem uit evenwicht. Jorge sloeg een geschrokken kreet en wankelde op zijn lange benen. Ik schopte zijn voeten onder zijn logge lijf vandaan en keek tevreden toe hoe hij het traag rijdende voertuig uit tuimelde. Met een harde plof belandde hij op de grond.

Er werd gegild door de Capitoolinwoners, maar ik sloeg er geen acht op. Ik had die jongen vaak genoeg gewaarschuwd, en wie niet horen wilde, moest nu eenmaal voelen. Dat was een les die het Dievengilde me al lang geleden geleerd had.

Nu ik veel ruimte had in de koets kreeg ik een beter overzicht van de situatie. Enkele tientallen meters voor me stonden de koetsen van de lagere Districten al stil. De Tributen stonden zwijgend naast elkaar, me verbaasd aankijkend. De roodharige jongen uit vier trok geïnteresseerd zijn wenkbrauwen op. Ik negeerde hem. Ik negeerde hen allemaal.

Toen ook mijn koets tot stilstand kwam, zag ik twee Vredebewakers staan. Ze trokken Jorge met zich mee en keken niet al te blij. Ik overwoog hen in het gezicht te spuwen, maar vooraleer ik tot actie kon overgaan, duwden ze Jorge de koets in en vertrokken weer.

Mijn Districtpartner zag er een beetje verkreukeld uit. De bladeren in zijn haar waren losgekomen en kleefden aan zijn bruine pak. Op zijn linkerwang prijkte een grote blauwe plek.

'Waarom deed je dat?' vroeg hij onomwonden. Ik knarsetandde. Het was de bedoeling geweest dat hij zijn mond zou houden, maar die jongen was verdomd hardleers. Hem een tweede keer uit de kar duwen was nogal voorspelbaar, en nu we stilstonden ook helemaal niet indrukwekkend.

'Waarom stoot je iedereen van je af? Ik probeer alleen maar aardig te zijn.'

Onwillekeurig dacht ik aan wat Basil me ooit verteld had: 'Hoe meer je iemand vertrouwt, hoe dieper je gekwetst kan worden.' Ik had hem nooit gevraagd waarover hij het had, maar er school veel waarheid in die woorden.

Het duurde niet lang vooraleer alle koetsen er waren. Ze stonden opgesteld in een halve cirkel. Er klonk een irritant muziekdeuntje, dat ik vaag herkende als het volkslied van Panem. Toen de laatste noten eindelijk waren weggestorven, werd het heel stil.

Ik keek afwachtend voor me uit, niet wetend wat er nu zou gebeuren.

'Welkom Tributen! Welkom in het prachtige Capitool!'

Ik zag niet meteen wie er aan het woord was. Toen richtte ik mijn blik naar boven en kon ik een man waarnemen. Dik en oud. Saaie kleren. Schrapende stem. Hij stond op een balkon en keek neer op de koetsen. Op zijn das pronkte een diamant. Geïnteresseerd keek ik ernaar.

'Ik ben president Snow, maar dat weten jullie natuurlijk al. Als leider van Panem ben ik zeer vereerd jullie te mogen verwelkomen in mijn geliefde Capitool. Ik kijk er alvast naar uit jullie beter te leren kennen!'

Er klonk oorverdovend applaus, al ontging de reden daarvoor mij volkomen. Al snel begon ik mijn aandacht te verliezen tijdens het vervolg van zijn speech. De diamanten op zijn das bleken bij nader inzien blinkende knopen te zijn, dus daar had ik ook niets aan.

Verveeld keek ik wat om me heen. De meeste Tributen keken vol ontzag naar de president en luisterden aandachtig naar elk woord, alsof dat hun overlevingskansen kon vergroten. Sukkels.

De enige manier om dit rottige spel te winnen was door macht te verkrijgen over diegenen die het spel leidden. Geld betekende macht. Informatie betekende macht.

Als ik de juiste informatie over de juiste persoon wist te verkrijgen zou dit allemaal veel makkelijker gaan. Maar wie moest ik bespioneren? Wie was de spin die alle draden van het weg beheerste?

Ik wist het niet. Nog niet. Maar dat zou niet lang meer duren.

Het was tijd om op onderzoek te gaan.


Oliver Gardan (14) – District 11

Mijn broer was dood. Zijn glazige ogen leken me overal te volgen. Tijdens de vermoeiende parade had ik niet een Capitoolinwoner in de ogen kunnen kijken. De enige blik die ik kon vangen, was die van Barlee. Koud en versteend. Verbaasd en geschrokken. Zo was hij gestorven, en het zou voor altijd het laatste zijn wat ik me van hem kon herinneren. Ik vroeg me af of Denya zich schuldig zou voelen over Barlees dood. Het was haar bedoeling geweest mij te doden, niet onze oudere broer.

Ik vroeg me af wat mijn moeder nu dacht. Was ze blij dat ik ten dode was opgeschreven? Zag ze het als gerechtigheid? Verdiende ik te sterven omdat ik het gewaagd had het kind van een verkrachter te zijn? Denya dacht in ieder geval van wel. En moeder vast ook. Ze had me nooit behandeld zoals de anderen. Haar warme glimlach had me nooit gerustgesteld of getroost.

Maar Mala en Agara zouden me missen. Mijn kleine zusjes zouden elkaar huilend vasthouden terwijl de beelden van mijn dood overal in Panem te zien zouden zijn. Mijn vader zou hen tegen zich aandrukken en hen door de haren woelen. Hij zou wel voor ze zorgen. Met hen kwam het goed.

Maar niet met mij. Met mij zou het niet goed komen. Ik had de andere Tributen gezien en kon me levendig voorstellen door een van hen vermoord te worden. Zelfs mijn eigen Districtpartner deed geen moeite me te leren kennen, want ook zij begreep dat ik als bondgenoot waardeloos zou zijn. Een vogel voor de kat.

Tijdens de urenlange treinreis had ik lang kunnen nadenken, maar oplossingen had ik niet gevonden. Het was winnen, of sterven. Hoewel de verleiding groot was het nu reeds op te geven, wilde ik niet toegeven aan mijn eigen zwakheid. Ik had niet jarenlang Denya's beledigingen geslikt om me nu simpelweg te laten vermoorden. Barlee mocht niet voor niets gestorven zijn. Al was de kans bijzonder klein dat ik de Spelen zou overleven, ik moest het in ieder geval proberen. Dat was ik Barlee verschuldigd. En Mala en Agara. Mijn vader. Mijn lieve vriendin Willow en mijn avontuurlijke vriend Lavender. Ze verdienden iemand die zijn best deed. Dus dat moest ik doen.

Ik probeerde te vergeten wat ik vanavond gezien had. Ik wilde niet denken aan de reusachtige jongen uit één, het lijkwitte meisje uit twee of de dodelijke blik in de ogen van het meisje uit vijf. Ze joegen me toch alleen maar angst aan, en angst was een slechte raadgever. Ik moest vertrouwen op mijn eigen kwaliteiten.

Lenaye Clorus had ons na de optocht naar onze vertrekken begeleid. Ik had erg vaak met mijn ogen moeten knipperen, ervan overtuigd dat de gigantische kamer gezichtsbedrog was. Het bed was ongeveer even groot als de kamer waarin Barlee en ik sliepen. De ramen waren zo hoog dat mijn lengte er tweemaal in kon passen, en de aangrenzende bad – en kledingkamer leken ruimte te beiden voor een hele familie.

'Sprookjesachtig,' had Lenaye dromerig gemompeld, het rooskleurige katje op haar schouder strelend.

'Ook gouden kooien hebben tralies,' had Selysa binnensmonds geantwoord, maar ik wist nog steeds niet wat ze daarmee bedoelde. Ze leek alles in zich op te nemen en was dodelijk kalm. Tijdens de parade had ze niet een keer naar het publiek gekeken, maar haar hoofd trots opgeheven en star voor zich uit gestaard. Ik vroeg me af of ze bang was.

Toen hadden ze me alleen achtergelaten. Ik had meteen mijn gekke kleren uitgetrokken en ze ingewisseld voor een eenvoudige pyjama. De stof voelde zacht aan tegen mijn huid. Daarna was ik in het bed gekropen, had de lakens over me heen getrokken en mijn ogen gesloten. En nu zat ik hier nog steeds, haast bewegingsloos. Ik wilde dolgraag iets doen, me verzetten tegen mijn naderende dood, maar ik wist niet hoe. Hoe kon ik mezelf in hemelsnaam beschermen tegen zulke machtige vijanden?

Lenaye keek zelden helder uit haar ogen, Selysa leek zo stoïcijns, en onze mentor was niet geïnteresseerd in wat dan ook. Ik stond er alleen voor.

Rusteloos stond ik op. Ik wandelde door de kamer en bekeek alle muren, alsof het antwoord op mijn stilzwijgende smeekbede daar ergens geschreven zou staan.

De deur naar de badkamer stond open. Ik liep naar binnen en overwoog een douche te nemen. Dat had ik nog nooit gedaan. Thuis waste ik me altijd met een hard stuk zeep en een ruwe spons. Warm water was een luxe die enkel de allerrijksten zich konden permitteren.

Ik ging tegen de douchewand zitten en sloeg mijn armen om mijn benen heen. Ik voelde me kleiner dan ooit en wilde niets liever doen dan slapen en alles vergeten. Maar dat kon ik niet. Mijn ogen weigerden dicht te blijven. Steeds opnieuw sprongen ze open, als om me niet te laten vergeten waar ik was.

Uiteindelijk stond ik op, trok mijn pyjama uit en stapte de reusachtige douchecel in. Aan alle kanten zaten sproeiers, maar ik wist niet hoe ik ze moest afstellen, dus draaide ik gewoon aan de grootste knop die ik kon vinden. Meteen spoten er warme stralen water uit de muren. Het rook heerlijk.

Ik bleef lang staan en keek toe hoe het water over mijn naakte lichaam spoelde. Het leek alle zorgen met zich mee te nemen, mijn hoofd uit en het riool in. Ik voelde me fris en bevrijd, alsof ik zonet in een nieuw lichaam was gestapt.

Toen ik uiteindelijk de douchecel uitstapte en me afdroogde was het al erg laat. Ik liep terug naar het bed en kroop onder de lakens. Naast het bed stond een houten nachtkastje. Ik opende het kleine deurtje en vond er een metalen lampje. Ik knipte het aan en keek verwonderd naar het licht, dat om de vijf tellen van kleur veranderde. Willow zou het prachtig hebben gevonden, wist ik. Ik legde het lampje weg en sloot de kast weer af.

Opeens merkte ik echter dat de textuur van het hout bizar was. Het was niet glad, zoals de spijlen van het bed, maar vertoonde reliëf. Ik liet mijn hand erover glijden en bekeek het van dichterbij. Toen ik besefte wat het was, slikte ik hoorbaar.

De binnenkant van het kastje stond volgeschreven met de namen van Tributen. Velen ervan herkende ik. Ze hadden immers in mijn District gewoond. De overgrote meerderheid van hen was nooit teruggekeerd naar huis.

Laila Melvon, stond er helemaal bovenaan. Ik kende haar. Ze had bij Willow in de klas gezeten. Haar ouders huilden nog elke dag, had ik horen zeggen. Ik streelde de ingekerfde letters van haar naam en kon haast voelen hoe haar hand die gemaakt had. Als een laatste belangrijke daad, als om de wereld te vragen haar niet zomaar te vergeten.

Ik wilde haar zeggen dat ze niet vergeten was. Ik wilde haar vragen of ze ook zo bang was geweest die laatste dagen. Ik wilde haar omhelzen en samen huilen om het verschrikkelijke lot dat we beiden te verduren kregen. Maar Laila was dood, koelbloedig afgeslacht in het Bloedbad van de vierenzestigste Hongerspelen.

Ook de naam onder die van Laila kende ik. Felix was een forse, zeventienjarige jongeman geweest. Velen hadden gedacht dat hij een kans maakte de Spelen te winnen, en dat bleek ook zo te zijn. Hij had het tot de laatste acht gehaald, maar was toen bezweken aan een ernstige messteek. Ook zijn ouders gingen nog dagelijks naar zijn graf.

Hoe meer namen ik las, hoe moeilijker het werd mijn tranen in bedwang te houden. Elke naam symboliseerde een verscheurd leven, een gebroken familie, een grafzerk op de begraafplaats van District elf.

Zonder er nog over na te denken, greep ik het speciale lampje weer beet. Ik zag dat er een scherp uiteinde aan was, en kon me inbeelden dat de Tributen voor me net hetzelfde hadden gedacht.

Met vaste hand kerfde ik mijn naam in het hout, boven Laila's letters. Toen ik klaar was, keek ik naar het resultaat, en slikte. Nu was het officieel. Ik stond op de lijst. Ik was één van hen.

Ik sloot het kastje, leunde achterover en probeerde te rusten. De kussens waren heerlijk zacht, maar toch kon ik de slaap niet vatten. Beelden van mijn stervende broer hielden me wakker, afgewisseld met ijskoude vlagen paniek en doodsangst. Ik besefte dat dit mijn laatste dagen waren.

Gefrustreerd gooide ik de lakens van me af en stond opnieuw op. Ik liep naar het metershoge raam aan de linkerkant van de kamer en keek naar buiten. Ook 's nachts leefde het Capitool. De straten waren nog steeds verlicht, en van alle kanten klonk er muziek. Het leek wel een feest. Ik grimaste pijnlijk en duwde het raam een beetje open. De frisse lucht deed me goed.

Nu pas zag ik dat er een balkon was. Ik duwde het raam nog wat verder open en liep naar buiten. Het was fris, maar dat deerde me niet. Kou was een gevoel dat ik kende, iets vertrouwd.

In kleermakerszit ging ik op de grond zitten. Doorheen de ijzeren tralies kon ik de andere gebouwen zien. Afwezig vroeg ik me af of er nog andere Tributen waren die de buitenlucht hadden opgezocht. Het zou me niet verbazen.

Ik wist niet hoelang ik er al zat, maar op een gegeven moment kreeg ik pijn in mijn rug. Ik wilde opstaan en naar binnengaan, maar merkte dat dat moeilijker ging dan verwacht. Mijn spieren waren verkrampt en mijn lichaam onderkoeld.

Met een pijnlijke kreun kwam ik overeind en wankelde naar binnen. Het zou gauw genoeg ochtend zijn, en dan begon het echt. De training. De sterke Tributen zouden met hun vaardigheden pronken en iedereen imponeren.

Ik wist dat ik moest proberen slapen. Ik wist dat ik mijn best moest doen. Maar de namen in het hout indachtig, was dat heel moeilijk. Ieder van hen had zijn best gedaan, en toch waren ze dood. Waarom zou ik het wel kunnen?

De stilte die volgde leek mijn vraag naar waarheid te beantwoorden.


Alweer met vertraging, maar goed. Hier is het dan toch eindelijk. :)

Ik moet wel even iets kwijt: Het uitblijven van reacties op mijn verhaal heeft mijn motivatie echt doen kelderen. Ik schreef erg graag aan mijn SYOT en hield me ook redelijk goed aan de updatefrequentie. Maar lezers blijven weg, het aantal reviews vermindert zienderogen, en dan ja, geef ik toe dat de zin om verder te schrijven ver te zoeken is.

Ik begrijp het ook gewoon niet goed. Oké, een review schrijven vraagt wat tijd, maar dat hoeft niet eens. Een simpel 'Ik heb je hoofdstuk gelezen. POV van A vond ik leuk, POV van B minder.' Volgens mij duurt dat nog geen tien seconden. Ik bedoel hiermee dus de lezers die nooit iets van zich laten horen. Ik schrijf graag, ja, maar alle schrijvers krijgen nu eenmaal graag wat respons op hun werk. Het is vrij frustrerend om uren (en ja, een hoofdstuk schrijven duurt echt uren) aan iets te werken en dan niet eens de bevestiging te krijgen dat het gelezen wordt.

Mensen die het druk hebben en me hebben laten weten dat ze wegens tijdgebrek even niet verder lezen, daar heb ik ook alle begrip voor.

Ik wil ook de trouwe lezers extra bedanken voor hun blijvende interesse. Weet dat jullie de reden zijn dat ik verder ben gegaan met schrijven. Dank jullie wel! :)

De antwoorden op de vragen van het vorige hoofdstuk:

Welke POV houdt verband met de Proloog van het verhaal? De POV van Mentho. Waarom precies zal nog duidelijk worden!

Waarom reageerde Midas plotseling zo boos op Medea's getreiter? Hij werd herinnerd aan de dood van zijn jeugdvriend.

De vragen over dit hoofdstuk:

1) Hoe is Ylva erin geslaagd de gestolen spullen ongezien mee te smokkelen? Dit staat eigenlijk nergens expliciet vermeld, maar door een combinatie van logisch nadenken en de achtergrondinformatie van Ylva, moet het wel lukken, denk ik. :)

2) Van wie kreeg Sakura de armband, die ze nu kwijt is?

De Puntentelling

Azmidiske87: 59
Jade Lammourgy: 46
LeviAntonius: 46
Strawberrychickk: 46
SirWalshingham: 45
Serenetie – Ishida: 36
Indontknow: 35
MadeBy Mel: 34
Livingtreetrunk: 20
boekenworm: 17
Zacksteel: 17
Lyannen: 16
Mara: 16
MyWeirdWorld: 16
Tiger Outsider: 16
silk tiger: 12
evalovespeeta: 10
Greendiamond123: 6
leakingpenholder: 6
mjg43: 4

Laat dus alsjeblieft een review achter. Ik word daar gelukkig van.

Verder wens ik iedereen fijne feestdagen en alvast een gelukkig nieuwjaar!

Marie. :)