Hallo allemaal,

Dit verhaal begon een hele lange tijd geleden. Vol enthousiasme en inspiratie begon ik te schrijven, maar toen viel het stil...

Ik zal jullie niet vervelen met 1001 redenen waarom ik stopte met mijn SYOT. Een baby, een wereldreis, een studie vroedkunde in avondschool en wat missies met Artsen Zonder Grenzen... Dat vat het zo ongeveer wel samen, denk ik. :)

Maar het bleef altijd ergens in mijn achterhoofd zitten, en de laatste maanden kreeg ik soms opeens een idee voor een verhaallijn of plottwist. En goed, noem het toeval of het lot, maar net toen ik weer zo'n verhaallijn aan het bedenken was (op de trein), zag ik dat de jongeman naast mij op FanFiction zat te surfen. En ik heb toen mijn laptop gepakt en ben beginnen schrijven (waardoor ik te laat afstapte en mijn overstap miste, maar dat terzijde).

En ik besefte... dat ik het gemist had.

Dus voila, hier staan we nu: ik heb al drie hoofdstukken geschreven en zit met mijn hoofd al in de Arena.

Maar aangezien het zo gigantisch lang geleden is, weet ik niet of er nog lezers zijn. Dus ik beschouw het als een probeersel. :)
Moesten jullie er nog zijn: het vorige hoofdstuk is een samenvatting van alle personages, Boetes en Capitoolhoofdstukken. Dat kan handig zijn om te herlezen.

De laatste POV houdt verband met de proloog van het verhaal.

En daarmee is alles gezegd. :)


Capitool 4: Eerste Trainingsdag

Vixx Sicarius (17) – District 1

Het lijkbleke meisje uit Twee stond naar me te kijken. Ik liet mijn ogen taxerend over haar slanke lichaam glijden en haalde ongeïnteresseerd mijn brede schouders op. Van haar had ik zo te zien niets te vrezen. Ze zag er allesbehalve sterk uit en in gedachten schrapte ik haar van de lijst met 'relatief gevaarlijke tegenstanders'. Ook al beschouwde ik niet één Tribuut als gelijkwaardig – laat staan gevaarlijk – mijn vader en trainer hadden er steeds op gehamerd dat het belangrijk was om je tegenstanders goed in te schatten en ze op voorhand in te delen in categorieën.

Voorlopig leken enkel de roodharige jongen uit Vier, de stoïcijnse Tribuut uit Twee en mijn eigen aanstellerige Districtgenoot enigszins in de buurt te komen van een mogelijke uitdaging. Het zou handig kunnen zijn om hen in het begin van de Spelen aan mijn kant te hebben, dan konden zij de huilende kinderen opsporen en doden terwijl ik mijn krachten spaarde om nadien met hen af te rekenen.

In gedachten keek ik al verlangend uit naar de Arena en het eerste bloedbad. Het zou mijn bloedbad worden: het moment waarop de hele wereld me leerde kennen. Het beeld van mijn met bloed besmeurde handen zou heel Panem rondgaan en mensen met angst en ontzag vervullen.

Een luid gekletter deed me ontwaken uit mijn dagdroom. Met mijn donkere ogen scande ik de zaal en vond ik al gauw de bron van het geluid: één van die kleuters had geprobeerd messen te werpen en had zo slecht gemikt dat hij in plaats van de dummy, het messenrek geraakt had. Dat was vervolgens omver gevallen, waardoor er nu een hele hoop messen over de grond verspreid lag.

Ik lachte smalend. Wat een sukkels. Ze deden niet eens hun best om het me moeilijk te maken.

Zonder verder nog acht te slaan op de ontstane commotie en de angstig kijkende jongen uit Drie nam ik een oefenzwaard uit het rek en liep naar de Capitooltrainer toe. Zwaardvechten was één van mijn vele talenten en het was tijd om de Spelmakers en trainers te tonen wat ik kon.
De man keek me goedkeurend aan en knikte ten teken dat het gevecht kon beginnen. Ik aarzelde geen seconde en haalde meteen uit naar zijn onbeschutte onderbenen, maar hij pareerde bliksemsnel mijn slag en haalde quasi direct daarna zelf uit naar mijn zwaardarm. Woest grommend blokkeerde ik zijn aanval en dreef hem met mijn wilde uithalen wat achteruit.
Ik won terrein, maar de man gaf zich niet zo gauw gewonnen. Hij dook onder een zijwaartse slag door en sloeg krachtig zijn zwaard tegen het mijne. Mijn pols brandde van de impact, maar ik loste mijn wapen niet en ging meteen weer over tot een nieuwe aanval. Ik combineerde drie complexe zwaardbewegingen na elkaar en wist met mijn laatste slag zijn schouder te raken. Hij verloor de grip op het oefenwapen en liet het vallen.
Ik had gewonnen.

'Goed,' sprak de trainer me toe, terwijl ik mijn losgekomen haren opnieuw samenbond tot een eenvoudige staart. 'Probeer nog iets beter te anticiperen op een tegenaanval en dan kom – '

'Ik heb je verslagen,' bracht ik neerbuigend uit. 'Je bent wel de laatste persoon van wie ik advies nodig heb.' En zonder op zijn antwoord te wachten, draaide ik me om en liep naar het oefenveld voor het speerwerpen.

'Dat was indrukwekkend.' Het meisje uit Twee volgde me naar de speren en keek me bewonderend aan terwijl ze wat dichter naar me toe kwam. Vanop deze afstand viel haar ongezonde huidskleur me nog meer op. Haar lichtblauwe ogen waren roodomrand en met donkerpaarse wallen omgeven.

Ik snoof laatdunkend. 'Hij noemt zichzelf een trainer, maar zou beter zelf nog wat training volgen.'
Het meisje knikte bevestigend. 'Jij zou hem beter trainer dan hij jou.'

Ik bromde bevestigend en draaide me van haar weg. Met een geoefende blik bekeek ik het rek met speren en koos er een uit. Ik nam de speer in mijn hand en testte diens grip en balans.

'Je lijkt me een echte leider,' ging ze verder en ik zuchtte geërgerd om haar duidelijk te maken dat ik geen nood had aan gezelschap. Ze negeerde dit echter en kwam opnieuw wat dichterbij staan.

'Ja, je bent duidelijk heel anders dan dat schoothondje uit mijn District.' Ik hoorde de haat in haar stem en liet mijn blik haast onbewust afdwalen naar haar Districtgenoot. De jongen uit Twee. Het soldaatje.
Ik had gezien hoe hij zich gedroeg tijdens de Boete en nadien tijdens de Parade. Zijn militaire houding, zijn doodse blik en zijn volgzaamheid. Van die marionet hoefde ik niets te vrezen. Hij zou een goede volger zijn. En nadien een nog beter lijk.

Het meisje uit Twee boog zich naar me toe. 'Ik hoorde hem tegen die van Vier zeggen dat hij de beste leider voor de Beroepsgroep zou zijn.'

Ik snoof schamper. 'Hij? De leider?' Ik kon mijn ongeloof en woede amper in toom houden. Wie dacht die sukkel wel niet dat hij was? Als er één ding duidelijk was, was het wel dat ik de leider van de Beroeps zou zijn. Ik, en niemand anders.

'Die jongen uit Vier leek daarmee akkoord te gaan,' ging ze ongestoord verder.

Woedend smeet ik mijn speer op de grond en focuste mijn zwarte ogen op de gehate Tribuut. Ik maakte aanstalten om naar hem toe te lopen, maar het ziekelijke meisje hield me tegen.

'Ik heb een beter plan,' fluisterde ze en ze legde haar hand op mijn arm. Haar huid voelde klam aan op de mijne en boos schudde ik haar hand van me af.

'Laat mij toe in de Beroepsgroep,' vervolgde ze snel. 'Neem mij op in de groep en eenmaal we in de Arena zijn, doden we Tollak.'

'Wij?' herhaalde ik smalend. 'Denk je dat ik jouw hulp nodig heb om hem af te maken? Dom wicht. Waarom zou ik jou toelaten? Je ziet eruit alsof ik je zo doormidden kan breken. Je zal niet bepaald van pas komen in de Arena.' Ik kon niet geloven dat ze dacht dat ik haar zou helpen, enkel en alleen maar omdat ze mij over die sukkel van een Tollak had verteld. Blijkbaar waren het niet gewoon zwakke, maar ook oerdomme kandidaten dit jaar.

Ik raapte mijn gevallen speer op en smeet hem in één vloeiende beweging naar het doel. De speer trof de dummy met zo'n grote kracht dat die met een doffe dreun op de grond viel.

Ik ging mijn speer halen en liet mijn gedachten afdwalen naar Midas Tollak. Ik vroeg me af hoelang zijn stoïcijnse gedrag zou standhouden eenmaal ik hem een beetje bewerkt had. Vol leedvermaak dacht ik aan de ontelbare manieren waarop ik zijn beheerste blik kon doen veranderen in die van een doodsbang en in het nauw gedreven dier. Hoelang zou het duren om hem te laten smeken?

Ik besloot hem als eerste te doden, potentiële bondgenoot of niet. Het zou een goede waarschuwing voor de andere Beroeps zijn: erken je leider, of sterf een afschuwelijke dood.

Toen ik mijn speer naar een tweede, bewegend doel wilde smijten, merkte ik dat het meisje uit Twee me nog steeds gadesloeg. Ze kwam een laatste maal naar me toe. 'Er zijn ook andere manieren waarop ik je van dienst kan zijn,' fluisterde ze en ze liet haar bleke hand even op mijn borstkas rusten. 'Denk er eens over na.'
Zonder verder nog iets te zeggen, draaide ze zich om en liep naar een van de saaie survivalonderdelen. Vol onverholen minachting keek ik haar na. Wat dacht ze wel?

Mijn vader had me vaak gewaarschuwd voor de zwakke Tributen die bescherming zochten bij de Beroepsgroep, maar een waarschuwing was overbodig geweest voor mij. Andere Tributen waren misschien naïef genoeg om te handelen vanuit medeleven en sympathie, maar ik kon me alleen maar verbazen over hun domheid.
De enige manier waarop dat schriel wicht mij van pas kon komen, was als lijk. Hoe meer doden er aan mij gelinkt werden, hoe beter.

Pas uren later, na een drietal één-op-één gevechten, bemerkte ik een verfrommeld stukje papier in de borstzak van mijn trainingspak. Het was er bijna uitgevallen toen ik de Capitooltrainer – die nu kreunend over zijn zere ribben wreef – een reeks rake klappen had gegeven en me nadien zelf uitgeput maar voldaan grijnzend om de pijn van de ander op de oefenmat had laten vallen.
Ik haalde het uit mijn zak en plooide het open.

Vanavond. 21u. De ingang van de Trainingszaal.
Dan kom ik mijn deel van de afspraak na.

Je zal er geen spijt van krijgen.

Twee


Emmie-Lyn Gotharte (17) – District 4

De vrouw legde me vakkundig uit hoe ik een camouflagepatroon op mijn gezicht kon tekenen. Met het penseel in haar ene hand en een eenvoudige handspiegel in de andere trok ze geroutineerd enkele groene en grijze strepen over haar spitse kin.
'De kleur is natuurlijk afhankelijk van de omgeving waarin je je bevindt. Ik kan je nog niets vertellen over de Arena, dus het is altijd verstandig om verschillende patronen te proberen. Hier zie je voorbeelden van enkele veelgebruikte camouflagetechnieken.' Ze wees naar enkele afbeeldingen op het scherm en moedigde me aan er eentje te proberen.

Ik scrolde door de verschillende opties - sneeuwlandschap, dichtbegroeid woud, woestijn, steppe, moeras - en merkte al snel dat ik de tekeningen niet meer echt in me opnam. Bij het kijken naar de instructrice kon ik namelijk maar aan één ding denken: moordenaar.
Wist zij wie ik was? Wist ze dat het Capitool mijn vader vermoord had omdat hij het had gewaagd zijn gezin in leven te houden door illegaal te vissen? Wist ze het? En kon het haar ook maar iets schelen? Besefte ze wel waarvoor ze ons trainde? Of was ze dermate gehersenspoeld dat ze zichzelf morele schouderklopjes gaf omwille van de zogenaamde cruciale hulp die ze ons bood tijdens de trainingsdagen?

Ik walgde ervan. Van haar en het hele zooitje.

Zonder haar nog een blik waardig te gunnen, liep ik van haar weg. Ik wist niet waar ik naartoe zou gaan. Deze hele schijnvertoning kon me gestolen worden. Ze gaven ons zogezegd een kans om te trainen en onze overlevingskansen te vergroten, maar iedereen wist hoe dit eindigde. Hoe dit altijd eindige.

Mijn blik vond mijn Districtpartner en ik voelde de haat opnieuw in me opborrelen. Vrijwilligers. Beroeps. Handlangers van het Capitool. Ook dit jaar waren ze goed vertegenwoordigd. Beide Tributen uit Eén waren al een hele voormiddag bezig met het oefenen van hun wapenvaardigheden. De jongen uit Twee ging geroutineerd elk onderdeel af en wierp af en toe een blik op zijn vrouwelijke Districtpartner. Deze leek echter volledig in beslag genomen te zijn door die enorme bullebak uit Eén en volgde hem op de voet. De laatste vrijwilliger – weliswaar uit een atypisch District – ging als een razende tekeer op de hindernissenbaan. Hij leek te bruisen van energie en keek om de haverklap arrogant de trainingsruimte rond.

Ik ademde een aantal keer diep in en uit en dwong mezelf rustig te worden. Met hernieuwde kalmte keek ik de zaal rond. De meeste andere Tributen waren druk in de weer bij één van de oefenonderdelen. Ik zag hoe het kleine meisje uit Twaalf geconcentreerd vallen leerde strikken en hoe de jongen uit Drie zijn Districtpartner toonde hoe ze een vuur moest maken en doven. Het meisje schonk hem echter een geïrriteerde blik en luisterde nauwelijks naar wat hij haar vertelde.
De Tributen uit Acht bouwden samen een kamp en namen nadien een kijkje bij het voedingsonderdeel. Ik zag hoe de mannelijke Tribuut uit Tien hen enkele zaken aanwees op het scherm bij de eetbare planten.
Het meisje uit Elf was druk in gesprek met één van de trainers en zette haar woorden meerdere malen kracht bij met haar handen. Afwezig vroeg ik me af waarover ze het zouden hebben.

Ik was zodanig in gedachten verzonken dat ik niet opmerkte dat er een grote Tribuut – ik dacht de jongen uit Zeven – bijna tegen me op botste.

'Oh, sorry,' mompelde hij snel. 'Ik moet nog wat wennen aan de nieuwe omgeving.'

Ik keek naar hem op en schudde mijn hoofd. 'Geeft niet,' antwoordde ik. Het viel me op dat hij me niet in de ogen keek.

'Thuis ben ik gewend aan alle geuren en geluiden, daar weet ik me prima te redden, maar hier is alles nieuw en onbekend,' ging hij verder en hij zette een paar onzekere stappen bij me vandaan.
Het duurde enkele seconden vooraleer ik één met één wist op te tellen.

'Bedoel je dat je niets kan zien?' fluisterde ik geschrokken. 'Dat je blind bent?'

Hij knikte bevestigend en ik wist niet wat ik moest zeggen. Dat het Capitool wreed was, wist ik al. Ook dat ze niets leken te geven om de levens van de mensen die voorzagen in hun luxueuze levensonderhoud, was niet onbekend.
Maar een blinde jongen naar de Spelen sturen? Wat hoopten ze daarmee te bereiken? Hij zou als een vogel voor de kat zijn in de Arena.

'Ik,' begon ik twijfelachtig. 'Ik vind het heel erg voor je,' zei ik dan maar en de jongen knikte en glimlachte dankbaar.

'Ik ook voor jou,' antwoordde hij eerlijk. 'Ik heet Jorge.'

'Emmie-Lyn,' zei ik.

'Heb je al wat kunnen oefenen?' vroeg hij vriendelijk.

Ik schudde mijn hoofd, besefte enkele seconden te laat dat hij dat niet kon zien en vertelde hem van niet.

'Ik ook niet,' zei hij simpelweg. 'Ik vroeg daarnet aan iemand om me te leren hoe ik netten kon knopen, maar blijkbaar was ik er ondertussen in geslaagd in de trainer zijn net verstrikt te raken, dus toen bekoelde mijn enthousiasme wel enigszins. Net als dat hem, trouwens.'

Hij lachte en voor ik het goed en wel besefte, lachte ik mee. Misschien alleen maar om de absurditeit van de situatie te kunnen relativeren. Misschien wel omdat een lach het laatste geluid was dat ik verwacht had te horen in deze zalen. Of misschien simpelweg omdat er voor het eerst sinds de Boete iemand oprecht vriendelijk tegen me was. Wat de reden ook was, ik voelde hoe het gewicht op mijn schouders eventjes een heel stuk lichter werd, en ik nam een besluit.

'Weet je wat, Jorge? Ik leer het je wel. Ik kom uit District Vier, dus netten maken en knopen leggen om te vissen kan ik wel,' zei ik zacht. 'Blindelings,' voegde ik eraan toe, met een zweem van een glimlach om mijn mond.
Jorge lachte om mijn poging tot humor. 'Dat komt goed uit.'

'Zullen we dan maar?' vroeg ik en Jorge knikte. Ik vroeg of ik hem best een hand gaf, maar hij vertelde me dat hij me wel zou kunnen volgen aan de hand van het geluid van mijn voetstappen.

Samen liepen we naar het survivalonderdeel en namen we plaats op een van de aanwezige bankjes. Zonder de Capitoolman ook maar aan te kijken, nam ik twee stukken touw en duwde er eentje in Jorges handen.

'Laten we eerst de basisknopen oefenen,' begon ik. Ik legde snel een eenvoudige knoop in mijn eigen stuk touw en overhandigde mijn creatie aan Jorge. Ik zag hoe hij zijn vingers over de lussen liet glijden en nauwkeurig het midden van mijn knoop liet te bevoelen. Nadien nam hij zijn eigen stuk touw in zijn grote handen en wist er, na enkele pogingen, een exacte kopie van mijn knoop in te leggen.

Enthousiast klapte ik in mijn handen. 'Heel goed!'
De man van het Capitool had ons gadegeslagen en trok zijn kunstmatig rechte wenkbrauwen op. Ik negeerde hem volkomen en draaide me weer naar Jorge toe.
'Deze knoop is de basis voor alles,' legde ik uit. 'Je kan hem gebruiken voor het maken van een val, maar ook om een net te knopen, jezelf ergens aan te verankeren of simpelweg om je spullen bijeen te houden, werkt hij goed.'

Jorge knikte. 'Zijn er nog andere knopen ook?'
De volgende twee uren besteedden we aan het maken van knopen, netten, vallen en vishaken. Soms lukte het Jorge om mijn knoop te imiteren door er gewoon aan te voelen. Andere – meer complexe knopen – leerde ik hem door mijn handen op de zijne te leggen en de handeling te herhalen totdat hij het gememoriseerd had.
Het voelde goed om dit te doen. Ik schepte genoegen uit het misprijzende gezicht van de Capitoolman en glimlachte flauwtjes bij elke ostentatieve zucht die hij slaakte. Ik besefte maar al te goed wat hij probeerde te bereiken met zijn irritante gedrag: hij wilde ons ontmoedigen en Jorge en mij ervan overtuigen dat een blinde jongen het toch niet zou halen in zijn vervloekte Arena. Maar dat weigerde ik te accepteren. De gedachte dat het Capitool enorm gezichtsverlies zou lijden als Jorge het ver schopte, gaf me de motivatie om door te gaan. Want als een blinde jongen het kon redden in hun Arena, wat stelde die dan nog voor? Moesten de Districten hen dan nog wel vrezen?
Na het knopen leggen, liepen we naar de hoek waar de eetbare planten en dieren werden toegelicht en Jorge verbaasde me met zijn kennis over alle verschillende boomsoorten.
'Taxus,' zei hij vastberaden, en hij legde het stukje schors weer tussen de andere voorwerpen. 'Eik,' ging hij verder, waarna hij het tweede stuk schors naar zijn gezicht bracht en er even aan rook. Wintereik, meer bepaald.'
'En deze?' De Capitooltrainster was naar ons toegekomen en kon haar verbazing over Jorges reuk – en tastvermogen niet geheel verbergen. Ze gaf hem een derde reep schors aan en wachtte nieuwsgierig af.
Zonder een moment te aarzelen, zei hij: 'Ceder, die heeft een zeer typische geur.'
De vrouw knikte en keek hem geïntrigeerd aan, waarna ze zich omdraaide en naar de mannelijke Tribuut uit District Tien liep.
'Dat zou ik ook wel willen kunnen,' zei ik, nog steeds onder de indruk. 'Dat reukvermogen van jou kan heel goed van pas komen in de Arena.' Ik dacht aan het herkennen van giftige planten en besefte dat mijn kennis op dat vlak zeer beperkt was.
Jorge glimlachte. 'Mijn reukvermogen staat tot uwer beschikking, juffrouw Gotharte.' Hij maakte een soort elegante buiging en ik schoot – opnieuw – in de lach.
'En mijn zicht tot het uwe, meneer De Burgos,' antwoordde ik al even formeel, en we lachten allebei om onze woorden. Onze deal. Ons Bondgenootschap.


Selysa Gilton (16) – District 11

De muren waren parelwit en voorzien van talloze schilderijen, tekeningen en close-up camerabeelden van – naar ik aannam – vorige edities van de Hongerspelen. Stervende Tributen, afzichtelijk ogende Mutilanten en bloeddorstige moordenaars keken me van alle kanten aan; en hoewel de afgebeelde gruwelen aanvankelijk mijn aandacht hadden getrokken, was ik ze op slag vergeten toen de gelambriseerde deur openging en er een geagiteerd uitziende man naar binnen kwam. Hij snauwde iets tegen een bediende, keek me enkele tellen onbewogen in de ogen en nam toen plaats op de met fluweel beklede stoel die recht tegenover mij stond.
Hij kuchte en ik slikte in een poging het droge gevoel in mijn keel te verjagen. Leugens, vleierij en een beetje onbezonnenheid hadden me tot in deze kamer gebracht. Nu begon echter het meest gewaagde deel van mijn halfbakken plan.

'Ik denk dat wij elkaar kunnen helpen,' zei ik met een charmante doch onschuldige glimlach. Ik wist dat het enorm belangrijk was om mijn gezichtsuitdrukking onder controle te houden. Anders zou alles verloren zijn, inclusief mijn eigen leven.
Het had me belachelijk veel moeite gekost om de Hoofdspelmaker te strikken en ik was niet van plan de enige kans die ik had te vergooien door onnadenkend te handelen.
Nelius Ludes grimaste en trok zijn met diamanten ingelegde wenkbrauwen op. 'Helpen?' Hij ging wat verzitten op zijn stoel en kuchte nerveus. 'Ik ben getrouwd, juffrouw.'

Ik slikte mijn venijnige weerwoord in en hield mijn lieve glimlach op zijn plaats. Mijn ogen verrieden geen enkele emotie. Zo had Eyvind het mij geleerd. In gedachten hoorde ik het hem weer zeggen: 'Maak gebruik van je onschuldig voorkomen. Buit het uit. Ze zullen geen kwaad in je zien en het mes pas opmerken als het al te laat is. Schijn is alles, Selysa. Toon hen wie ze willen zien, zodat ze niet zien wat er pal voor hen staat: een moordenaar.'

Ik schudde de gedachten aan mijn voormalige opdrachtgever van me af en richtte me tot de man die me inmiddels fronsend aankeek.
'Ik geloof dat u mij verkeerd begrepen hebt.'

'Is dat zo?' Hij klonk vreemd genoeg opgelucht en ik besefte dat hij nog niet zo oud was. Dit was voor hem waarschijnlijk net zo nieuw als voor mij.

Maar mijn opties waren beperkt en ik besliste te doen wat ik altijd al gedaan had om te kunnen overleven.
Tijdens het bekijken van de boetes van de andere Districten was ik namelijk al gauw tot een uiterst onaangename conclusie gekomen: ik maakte bitter weinig kans om de Hongerspelen te overleven. De jongen uit één zag er bijzonder moordzuchtig uit, net als het lijkbleke meisje uit twee of die brute vrijwilliger uit vier. En zelfs de andere Districten hadden enkele indrukwekkende Tributen uit hun mouw geschud. Ik had vernomen dat zowel het meisje uit Vijf als uit Negen de dochter van een Winnaar was, dus ook hun overlevingskansen schatte ik hoger in dan die van mezelf.

In gedachten verzonken nam ik een slokje van het zoete bessensap dat me daarnet was aangeboden. Het had de kleur van viooltjes.

'Juffrouw Gilton?'

Ik schrok op uit mijn overpeinzingen en keek verontschuldigend op naar de Hoofdspelmaker. 'Sorry,' zei ik schuldbewust. 'Ik wilde u een voorstel doen.'

Hij zweeg.

'Als Hoofdspelmaker heeft u waarschijnlijk erg machtige vrienden – ' begon ik vleiend.

'Ik begrijp niet waar dit gesprek naartoe gaat,' onderbrak hij me zenuwachtig. Hij keek naar zijn gouden polshorloge en wipte ongeduldig heen en weer op zijn stoel. Hij had waarschijnlijk een heel drukke agenda deze dagen.

'U heeft dus machtige vrienden,' ging ik verder, zijn onderbreking negerend, 'maar allicht heeft u ook erg machtige vijanden.' Ik liet mijn woorden een moment in de lucht hangen. 'Gevaarlijke vijanden.'

De man werd wat bleker. Had ik een gevoelige snaar geraakt? Ik hoopte van wel.

'Er zijn vast wel mensen die u liever dood zouden zien.' Suggestieve pauze. 'Of heb ik dat mis, meneer Ludes?' Ik dwong mijn lippen tot een meelevende glimlach.

'Ik begrijp nog steeds niet – '

Deze keer was ik het die hem onderbrak. 'Noem mij een naam, en zijn bloed zal vannacht nog vloeien.' Ik had het gezegd en kon nu niet meer terug. Dit was mijn kans - misschien wel mijn enige kans – om levend uit de Arena te geraken. Het was een gok. Maar dat was mijn leven altijd al geweest.

Even dacht ik aan mijn ouders en aan wat zij van dit voorstel zouden vinden. Het was moeilijk me hun gezichten scherp voor de geest te halen, maar in gedachten zagen ze er boos en teleurgesteld uit, zoals zo vaak wanneer ik keuzes maakte ten koste van anderen. Ze hadden nooit begrepen dat het in deze wereld om overleven ging. En overleven kon je nu eenmaal niet doen door geduldig te wachten en te hopen dat iemand anders je problemen wel zou oplossen.
Overleven eiste zijn tol. Zij waren nooit bereid geweest die te betalen, maar ik wel.

De stilte die volgde, leek eeuwig te duren.

Nelius Ludes keek geschokt. Dit had hij allerminst verwacht. 'En waarom…?'

'Zou ik dat voor u willen doen?' maakte ik zijn vraag af. 'Omdat ik maar al te goed besef dat u mijn leven in handen heeft. Laat mij u helpen en in ruil daarvoor helpt u mij door het eerste bloedbad heen. In ruil daarvoor geeft u mij een dermate hoge score dat de Beroepsgroep mij toe zal laten.'

Ik zweeg. Alles was gezegd. Nu kon ik alleen nog maar hopen, hopen en smeken dat mijn plan zou slagen. Dit was mijn enige kans om levend de Arena te verlaten. Ik moest ze grijpen, met beide handen.

'En waarom zou ik jou vertrouwen?' vroeg Ludes uiteindelijk achterdochtig.

'Omdat u alles te winnen heeft bij deze afspraak.'

Nelius Ludes staarde naar zijn beringde vingers. 'Is dat zo?'

'Ja.'

'Stel dat ik een vijand zou willen elimineren, denk je dan niet dat ik genoeg mensen ken die dat voor mij zouden willen doen? Ik ben de Hoofdspelmaker.'

Ik wist dat dit een delicaat punt was. Diep ademhalen. Harde blik. 'Het Capitool zit vol roddelaars, hoorde ik. Misschien verkoopt uw moordenaar zijn geheimen aan uw vijand. Wat als die meer biedt? Wat als hij zijn mes in uw rug plant?'

De man zweeg en streek een denkbeeldig stofje van zijn smaragdgroene smoking. Zijn lippen vormden een strenge streep, die niet leek te passen bij zijn jonge, haast jeugdige uiterlijk.

'Het is een afspraak tussen ons,' zei ik overtuigend. 'Alleen wij weten ervan. Ik bewijs u een dienst en vervolgens bewijst u mij een dienst. Ik zal er met geen woord over reppen, tegen niemand.'

'Hoe kan ik weten dat je te vertrouwen bent?' herhaalde de man zijn vraag. Zijn ogen boorden zich in de mijne, op zoek naar iets wat hem gerust kon stellen, of net niet. Ik zorgde ervoor dat hij enkel een vastberaden blik als antwoord kreeg.

'Ik ben hier als gevangene, meneer Ludes. Dat weten we allebei. Door u te verraden, teken ik alleen maar mijn eigen vroegtijdige doodsvonnis.'

We zwegen allebei en keken elkaar aan. Toen knikte hij. Een minuscuul knikje, maar het was alles waar ik op had durven hopen.

'Het zal niet makkelijk zijn om je ongezien uit het trainingscomplex te smokkelen,' begon hij. 'Iedereen heeft je gezicht gezien, dus we moeten je vermommen ook.' Hij leek het meer tegen zichzelf dan tegen mij te hebben, dus ik onderbrak hem niet en wachtte af.
'En het moet vanavond,' besloot hij zijn monoloog peinzend.
Hij bleef nog enkele minuten in gedachten verzonken voor zich uitstaren en leek zich toen te herinneren dat hij niet alleen was. Met een ruk draaide hij zich opnieuw naar me toe.
'Ik hoop dat je beseft,' begon hij zacht, "dat je je geen mislukkingen kan veroorloven.'
Ik knikte.

'De Spelen zouden voor jou anders bijzonder onaangenaam kunnen worden,' voegde hij er nog aan toe en ik knikte opnieuw.

'Ik begrijp de consequenties, meneer Ludes,' zei ik simpelweg. En dat was ook zo. Ik probeerde er niet aan te denken dat ik nog nooit zo weinig voorbereidingstijd zou hebben gehad voor het plannen van een moord. Ik deed mijn best om niet te panikeren omwille van de reële kans dat mijn moordaanslag zou mislukken en me een uiterst pijnlijke dood in de Arena stond te wachten. Ik deed mijn best om al die gedachten uit te sluiten, net zoals ik dat altijd al gedaan had. Het maakte niet uit wiens leven ik zou moeten beëindigen, ik verbood mezelf er steevast van stil te staan bij de mogelijkheid dat mijn opdrachtgever de slechterik was en mijn slachtoffer onschuldig.

Dit was mijn enige kans. Ik moest ze grijpen.

Ik glimlachte samenzweerderig. 'Goed, dan hoeft u enkel nog een naam te noemen.'
Nelius Ludes keek zenuwachtig over zijn schouder. 'Ik kan je geen naam geven.'

'Waarom niet?' vroeg ik verward. Ging hij dan toch niet akkoord met mijn voorstel? Was dit een valstrik?

'Omdat ik zijn naam niet ken.'

'Maar u weet wel wie het is. En waar ik hem kan vinden.' Het was geen vraag. De haat in zijn ogen was duidelijk zichtbaar.

'Ja.' Zijn stem verloor iets van zijn warmte en werd kil en verbitterd.

'Wie dan?' Onbewust leunde ik naar hem toe.

'De minnaar van mijn vrouw.'


Arianne Levian (30) – Spelmaker

Voorzichtig om de slapende gedaante naast me niet wakker te maken, kroop ik onder de satijnzachte dekens vandaan. Ik onderdrukte een rilling toen mijn blote voeten contact maakten met de koude marmeren vloer en liep stilletjes de donkere kamer uit.

In de leefruimte aangekomen, deed ik een paar lampen ontbranden en zette de verwarming een aantal graden hoger. Mijn voeten hadden het echter nog steeds koud en ik ging gauw mijn wollen pantoffels halen in de badkamer.
Me ervan vergewissend dat er nog steeds geen teken van leven uit de slaapkamer kwam, liep ik naar mijn werktafel, bukte me, toetste de vijfcijferige code in en opende de onderste lade.

Ik nam het velletje handgeschreven papier in mijn hand en streek het glad terwijl ik zo geruisloos mogelijk plaatsnam op de bureaustoel. Vermoeid herlas ik wat ik de avond voordien had geschreven.


Beste N.,

Ik breng je helaas slecht nieuws. Mijn eerste poging is gefaald en een tweede onderneming zal minstens een halfjaar tijd in beslag nemen.
Ondanks het ondervinden van technische problemen tijdens de treinritten, heeft het Capitool gelukkig niet in de gaten wat er aan de hand is. Het plan kan dus opnieuw worden uitgevoerd; al komt de hulp helaas te laat voor de Tributen van deze Spelen.

Mijn contacten met De Stilte zijn de laatste maanden steeds schaarser geworden. Enerzijds worden veel van hen intensief ingezet tijdens de voorbereidingen op de Spelen en anderzijds ben ik wat terughoudender geworden na je bericht over wat er in jouw District en in Twaalf gebeurd is. Ik denk niet dat ik gevolgd of verdacht word, maar voorzichtigheid blijft geboden.

Het laatste aantal dat ik doorkreeg was 47. Dat betekent dat we opnieuw 3 mensen verloren hebben.

Wees alsjeblieft voorzichtig bij de communicatie met Twaalf. Het inter-district-transport wordt tijdens de Spelen extra nauwkeurig gecontroleerd.

Hopelijk stellen jij en je familie het goed.

Wachtend op een betere morgen,
A.


Het wrange gevoel verdween niet helemaal toen ik de brief zorgvuldig opvouwde en verzegelde. De brief was niet gelogen, maar ik had het op zo'n manier geformuleerd dat het leek alsof de gefaalde poging in geen geval kon worden toegeschreven aan mijn gebrek aan inspanningen.

En dat was wel zo.
Zuchtend liet ik mijn hoofd in mijn handen rusten en masseerde geroutineerd mijn slapen om de opkomende hoofdpijn enigszins te verlichten.
Ik wist dat ik beter mijn best had moeten doen. Ik wist dat ik de mogelijkheid had gehad om het tij voorgoed te doen keren. Maar ik had gefaald.

Gefaald omwille van haar.

Toen het erop aankwam en ik besefte in wat voor gevaar ik haar zou doen belanden, kon ik het niet. De afgelopen maanden hadden me zwak gemaakt.
Het was een heel dubbel gevoel, die zwakte. Enerzijds kon ik amper geloven dat ik na de dood van Doran toch weer verliefd was geworden, maar anderzijds hulde het mijn doel in schaduwen en mist. Was ik echt zo ver gekomen enkel en alleen om het nu zomaar op te geven? En om alles waar ik het afgelopen decennium aan gewerkt had links te laten liggen? Zou Doran het begrijpen, dat ik mijn wraak omwille van zijn dood op het Capitool opzij zette voor een verliefdheid?

Ik dacht van niet.

'Schat?' klonk het zacht, en ik schrok op uit mijn naargeestige gedachten.

Dorya was wakker geworden en had zich waarschijnlijk afgevraagd waar ik was. Ik stond snel op van de bureaustoel, liep naar haar toe en drukte een snelle kus op haar wang.
'Sorry, ik kon niet goed slapen.'

Ze knikte en wierp een blik op de grote wandklok. Die gaf aan dat het tien voor elf was.

'Ik vrees dat ik toch moet vertrekken,' zei ze spijtig. 'Hij komt om iets voor middernacht thuis.'
Ik zuchtte teleurgesteld en nam haar kleine handen in de mijne. 'Kan je niet nog even blijven?' probeerde ik. 'Heel even maar.' Ik wist wel dat het vergeefse moeite was.
Dorya schudde haar hoofd, waardoor haar mintgroene haren in haar knappe gezicht wapperden. Ze maakte zich voorzichtig los uit mijn omhelzing. 'Morgen ben ik er weer, Arianne,' zei ze zacht.
En ik wist dat het waar was. Dorya had nog nooit een belofte aan mij gebroken.
Ik herinnerde me niet meer precies wanneer onze vriendschap veranderd was in iets meer. Misschien was het die ene avond dat ze na wekenlang alleen thuis te zijn een verrassingsetentje voor haar man had gepland en hij niet alleen niet opdaagde, maar haar nadien ook nog afsnauwde omdat ze hem afleidde van zijn werk. Ik had haar getroost en opgebeurd die avond, en nog vele avonden nadien.
Dorya liep naar de badkamer en enkele tellen later hoorde ik het gedempte geluid van de regendouche en rook ik de bloemige geur van lavendel. Ik glimlachte bij de gedachte aan hoe vertrouwd dit alles al voelde.

Een klop op de deur deed me opschrikken. Verbaasd vroeg ik me af wie me op dit late uur nog nodig zou kunnen hebben. Tijdens de Spelen werd er weliswaar van de Spelmakers verwacht om steeds beschikbaar te zijn, maar ik kon me niet inbeelden welke urgentie er niet tot de ochtend kon wachten.

Ik besloot Dorya niet te storen tijdens haar douche – die meestal ruim twintig minuten in beslag nam – en liep naar de hal. Behoedzaam opende ik de deur en keek nieuwsgierig naar buiten.

Een meisje met zwarte haren en een eenvoudig rood jurkje keek me vriendelijk aan.

Ze stak een briefje omhoog. 'Goedenavond, mevrouw Ludes?' stond er geschreven.
Verbaasd keek ik haar aan. Een Avox? En ze dacht dat ik Dorya was?
'Goedenavond, ik denk dat u zich vergist. Ik ben Arianne Levian,' antwoordde ik na enige aarzeling.
Er trok een geschrokken, verbaasde blik over het bleke gezicht van het meisje. Ze nam een nieuw stukje papier en haalde een pen uit haar tas. Snel schreef ze een nieuwe boodschap op.
'Bent u de vrouw van Nelius Ludes, de Hoofdspelmaker?' stond er nu.
Ik schudde mijn hoofd en vroeg me verbijsterd af waar dit over ging. Waarom zocht ze Dorya? En waarom stuurden ze een verkeerd geïnformeerde Avox naar mijn adres?
Opnieuw hield ze een briefje omhoog. 'Ik zoek Dorya Ludes. Ik heb een boodschap in verband met haar echtgenoot. Kent u haar?'
Ik knikte niet-begrijpend. 'Waarom zoekt u Dorya? Is er een probleem met Nelius?'

De Avox knikte bevestigend.
'Wat is er dan gebeurd?' vroeg ik snel, 'En waarom bent u niet op haar adres?'

Met een vragende blik in haar blauwe ogen keek de boodschapper naar binnen. Ik begreep wat ze bedoelde en deed uitnodigend een stap naar achteren.
Het meisje betrad mijn woning. Ik ging haar voor naar de zithoek en bood haar iets te drinken aan, maar ze weigerde beleefd. Dat deed een Avox altijd.

Ik was me bewust van het kletterende geluid van de douche, maar zei er niets van.

'Wat is er aan de hand? Moet ze naar het hoofdkantoor komen?' hervatte ik het gesprek.
Het meisje pakte haar pen en begon een nieuwe boodschap te schrijven, maar op dat moment ging de deur van de badkamer open en stak Dorya, omwikkeld in een paarse handdoek, haar hoofd naar buiten.
'Schat, waar had je de haardroger ook alweer ge - ?'

Ze zweeg abrupt toen ze de onbekende bezoekster zag. Die was in een vloeiende beweging van de bank opgestaan en leek tot een conclusie te zijn gekomen. Ze kwam wat dichter naar me toe.
'Het spijt me', fluisterde het meisje en mijn mond viel open van verbazing. Ze was geen Avox? Wat was er in hemelsnaam aan de hand?
'Waarom deed je alsof je – ' en toen stokte mijn stem in mijn keel. Een afschuwelijke pijn maakte zich van me meester. Ik begreep eerst niet wat er aan de hand was, maar zag toen het benen heft van het mes dat uit mijn zwoegende borst stak.

Dorya gilde.

Ik viel op de grond.

Met een enorme dreun belandde Dorya boven op het meisje.

Ik zag niet wat er gebeurde. Ik probeerde Dorya's naam te roepen, maar verslikte me in mijn eigen bloed en moest de grootst mogelijke moeite doen adem te blijven halen. In een wanhopige poging mezelf van de folterende pijn te verlossen, probeerde ik het mes uit mijn borst te trekken, maar dat zond zo'n afschuwelijk pijnscheut door mijn lichaam dat ik het al gauw opgaf.
Ik kon geen lucht meer krijgen en voelde mijn leven samen met mijn helderrode bloed schrikbarend snel uit me wegvloeien. Er dansten lichtjes voor mijn ogen.

Het viel me op dat Dorya en het meisje geen geluid meer maakten.

'Dorya?' probeerde ik in paniek. 'Dorya?' Mijn tranen vermengden zich met mijn bloed.

'Ze is alleen maar bewusteloos,' klonk het opeens. Het meisje boog zich over me heen en trok het mes vliegensvlug uit mijn stuiptrekkende lichaam.

Ik gilde van de pijn.
'Waarom?' wist ik uit te brengen.
'Nelius Ludes,' zei ze zacht. 'Hij zei me dat ik op dit adres de minnaar van zijn vrouw zou vinden.' Ze pauzeerde even. 'Hij wist niet dat je een vrouw was. Ik was in de war.'
'Dorya…?' vroeg ik bang. 'Wat… gebeurt…' Mijn stem brak.
Het meisje boog zich opnieuw naar me toe. 'Ik doe haar geen kwaad. Dat beloof ik.'
Opgelucht zuchtte ik, wat een nieuwe felle pijnscheut teweegbracht.

'Wie ben je?' fluisterde ik, naar lucht happend. De pijn overheerste alles en mijn longen schreeuwden om zuurstof die ze nooit meer zouden krijgen.
Er volgde alleen maar meer bloed. Ik kokhalsde en sloot mijn ogen.

Ik hoorde hoe de voetstappen van het meisje zich verder van me verwijderden.

'Alleen maar iemand die probeert te overleven,' kwam haar antwoord uiteindelijk. 'Het spijt me.' En ik meende oprecht berouw te horen in haar jonge stem.

Een deur sloeg dicht.

Ik opende mijn ogen een laatste keer en keek naar de plaats waar Dorya zou moeten liggen. Ik hoorde haar zachtjes kreunen en snoof haar vertrouwde lavendelgeur op. Ze leefde. Dorya zou het redden. Dat was alles wat er nog toe deed.

En toen liet ik het los. Mijn wraak. Mijn liefde.

En als laatste mijn leven.